RIB 24-15 - Bijlage 3 Zienswijze provincie Noord-Brabant - NRD Ruimte voor Defensie
Tekst van het document
Brabantlaan 1 Postbus 90151 5200 MC ’s-Hertogenbosch Telefoon (073) 681 28 12
Ministerie van Defensie Postbus 20701 2500 ES 's-Gravenhage
Fax (073) 680 76 80 www.brabant.nl IBAN NL86INGB0674560043
Bereikbaarheid openbaar vervoer en fiets: www.brabant.nl/route
Onderwerp
Zienswijze NRD Ruimte voor Defensie Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
Geachte heer van der Maat, beste Christophe, Op 18 december 2023 heeft uw ministerie de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), horende bij het Nationale Programma Ruimte voor Defensie (NPRD), ter inzage gelegd. Wij maken van de gelegenheid gebruik onze zienswijze aan u over te brengen. Deze zienswijze is in nauwe samenspraak met gemeenten, waterschappen en regio’s tot stand gekomen. Voordat wij inhoudelijk onze argumenten uiteenzetten willen wij u bedanken voor de inzet die u en Defensie heeft gepleegd om voor en tijdens de periode dat de NRD ter inzage heeft gelegen ons en andere bestuurders uit Noord-Brabant te informeren over de ruimtebehoefte van Defensie. Noord-Brabant is een belangrijk onderdeel van en versterkt de Nederlandse internationale concurrentiepositie en de Europese interne markt waarbij Europa minder afhankelijk wordt van andere werelddelen. Het behoud van deze internationale positie is dan ook van vitaal belang voor de positie van Nederland in Europa en de rest van de wereld, maar is zeker geen vanzelfsprekendheid. Dit vraagt om blijvende investeringen in het ecosysteem en (leef)omgeving. Uitbreiding van activiteiten van Defensie kan deze opgaven bemoeilijken. Ondanks verschillen in aard en omvang, zal de impact van deze plannen op Noord-Brabant en haar gemeenten, inwoners en ondernemers namelijk groot zijn.
Dit brengt zowel uitdagingen als kansen met zich mee voor zowel onze provincie als voor Defensie. Het voortzetten van onze gesprekken is van belang om uiteindelijk weloverwogen beslissingen te kunnen nemen. Ook omdat we de gevolgen en impact van uw plannen op dit moment nog niet volledig kunnen overzien. Hierin trekken we gezamenlijk op met de Brabantse gemeenten, regio’s en waterschappen. We hechten als provincie aan een parate defensieorganisatie. Defensie heeft niet alleen een belangrijke nationale en internationale rol in het kader van het bestendigen van vrede en veiligheid, maar een zeker net zo belangrijke rol op het eigen grondgebied hier ter plaatse. Defensie en Brabant zijn met elkaar
Uw kenmerk
Contactpersoon
E. (Erwin) Dacier Telefoon
(06) 52 78 35 71 Email
edacier@brabant.nl Bijlage(n)
-
verbonden. Defensie genereert werkgelegenheid en stimuleert innovatie. Maar legt ook nu al een grote druk in ruimte en milieu op Noord-Brabant; met deze plannen zal dat nog veel verder uitgebreid worden. Naast mogelijke kansen zal ook niet alles inpasbaar zijn. Naast Defensie zoeken meerdere (nationale) opgaven een plek in deze provincie en hebben wij en onze Brabantse partners stevige ambities. Denk aan ruimte voor woningbouw, water, energieproductie, extensieve landbouw en natuurherstel. Kortom: Niet alles kan en er zijn stringente keuzes in het nationaal ruimtelijk beleid nodig. Als er gevolgen en consequenties zijn moet er gesproken kunnen worden over mitigerende maatregelen en compensatie. Als het ontwerp van de Nota Ruimte voor de zomer volgens planning van BZK wordt gepubliceerd dan vraagt dit een stevig interbestuurlijk gesprek met meerdere ministeries om het ‘zoet en zuur’ te kunnen overzien en deze integrale keuzes samen te maken. Ruimte voor defensie vraagt daarom eveneens een kabinetsbesluit. We blijven graag in gesprek over uw plannen en de mogelijke gevolgen daarvan voor Noord-Brabant.
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
Noord-Brabant is een provincie vol met ambitie en opgaven Extra activiteiten van Defensie, en de mogelijke cumulatie ervan, hebben grote impact op de leefbaarheid van een groot gebied in Noord-Brabant en onze grensregio’s en dat baart ons zorgen. Ook zal dit voor Defensie tot aanzienlijke extra kosten leiden; te denken valt aan de vele extra woningen die van geluidsisolatie moeten worden voorzien. Het heeft effect op de waarde van bestaande woningen en de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe woningen, beperking van de mogelijkheden voor realisatie van windturbines, een verstorend en verdrogend effect op de natuur, waterbeheer, economie en de leefbaarheid. Specifieke vormen van ondernemerschap kunnen extra geraakt worden. Ook is de stikstofuitstoot een belangrijk onderdeel waar grote aandacht voor is in het kader van impact op de omgeving. De ruimtebehoefte van Defensie heeft daarnaast gevolgen voor Rijksopgaven, provinciale- en regionale opgaven en ambities zoals we deze samen met Rijk hebben afgesproken en of bezig zijn. Denk aan het ruimtelijk voorstel, Novex-gebied de Peel, Brainport, NPLG, Novex Stedelijk Brabant, de woondeals en de RES-en. Deze trajecten volgen vaak uit Rijksprogramma’s waar we samen afspraken over hebben gemaakt.
Opgaven en doelstellingen van zowel Rijk als regio komen zodoende onder druk te staan aangezien activiteiten van Defensie hier beperkt inpasbaar zullen zijn. De provincie Noord-Brabant verwacht van het Kabinet dat afspraken tussen Rijk en regio worden gebruikt bij de plan-MER bij het formuleren van de uitgangssituatie (referentie). En dat het kabinet, kijkend naar de consequenties voor hun eigen programma’s, een integrale afweging maakt en met de provincie en haar gemeenten en waterschappen hierover in overleg treedt. We vragen hierbij tevens aandacht voor ‘indirecte’ effecten. Meer Defensie betekent bijvoorbeeld ook dat er meer woningen, meer ruimte voor mobiliteit en meer voorzieningen nodig zijn. Dit allemaal bovenop stevige doelstellingen waar we samen met het Rijk al hard aan werken.
2/8
Een doorvertaling van het NPRD in de Provinciale en gemeentelijke Omgevingsvisie en –Programma’s dan wel in integrale gebiedsvisies conform het participatieplan kan zodoende pas aan de orde zijn als het kabinet dit integraal heeft gewogen en besloten. Zodat we ook samen kunnen kijken naar een samenhangend pakket van compensatiemaatregelen en mee-koppelkansen.
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
Integrale afweging in heel Nederland en transparant proces Noord-Brabant heeft relatief veel defensieterreinen ten opzichte van de rest van Nederland. De druk van Defensie is al groot en zal met deze plannen verder worden uitgebreid. We vinden dit niet in verhouding staan t.o.v. belasting van andere gebieden in Nederland. Bij uw zoektocht naar mogelijkheden voor invulling van uw toekomstige ruimtebehoefte worden de defensieterreinen in Noord-Brabant namelijk vaak als een van de alternatieven afgewogen op basis van de door u gekozen afwegingscriteria. Voorafgaand aan de NRD zijn door u de alternatieven geselecteerd door middel van een trechteringsproces. Na dit proces zijn de zogenaamde realistische alternatieven overgebleven die u gaat onderzoeken in de MER-studie. De NRD geeft alleen de uitkomst van dat trechteringsproces, maar maakt niet inzichtelijk hoe het proces gelopen is en welke uitgangspunten u daarbij heeft gehanteerd. De regelgeving ten aanzien van milieueffectrapportages schrijft voor dat dit proces transparant en navolgbaar moet zijn. Wij zien dit daarom graag terug in het plan-MER. Mede aangezien er in Noord-Brabant sprake is van verschillende bestuurlijke afspraken rond luchtvaartterreinen is dit extra van belang. Wij gaan ervan uit dat u rekening houdt met eerdere bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt, bijvoorbeeld bij Gilze-Rijen en Volkel.
Met name rond ‘jachtvliegtuigen’ zetten wij onze vraagtekens hoe de alternatieven tot stand zijn gekomen. In de NRD geeft u middels twee termen aan waaruit uw behoefte voor meer jachtvlieglocaties komt en u om die redenen meer spreiding wenst. Een spreiding vermindert kwetsbaarheid, dat begrijpen wij. Wij vinden het dan niet logisch dat de spreiding met name binnen onze provincie wordt gezocht en niet binnen heel Nederland. Hierbij zou u ook kunnen kijken naar eerder afgestoten luchtmachtbases en dat missen wij. Vaak lijkt namelijk dat in het trechteringsproces bepalend is wat de geschiktheid is van deze bestaande locaties. Wij vragen ons af of de kosten voor het geschikt maken van ‘niet geschikte’ locaties opweegt tegen mogelijke consequenties op andere nationale en regionale opgaven in Noord-Brabant zoals eerder beschreven. Daarom vragen wij u om; -bij uw afwegingen voor het bepalen van uw voorkeursalternatief het criterium van “bijdrage van de locatie aan (meer) uniforme spreiding van (de overlast van) defensieterreinen en -activiteiten over Nederland” te gebruiken. -bij afwegingen voor het voorkeursalternatief, met name voor jachtvliegtuigen, het criterium “kosten om de locatie geschikt te maken als alternatief” te gebruiken. Daarmee kan ook niet geschikte voormalige locaties of een geheel nieuwe toekomstige locatie in dunbevolkt gebied worden afgewogen.
3/8
NAVO-activiteiten en mogelijke uitbreidingen buitenlandse krijgsmacht In de NRD beperkt Defensie zich vooralsnog tot alleen de ruimtevraag voor de ‘eigen’ krijgsmacht, waarbij wel de verplichtingen die volgen uit het NAVOlidmaatschap worden meegenomen, maar niet de activiteiten die NAVO zelf heeft in (de directe nabijheid van) Nederland. Daarnaast wordt ook niet duidelijk wat de impact is van eventuele uitbreidingen bij buitenlandse krijgsmachten, zoals in België of op Duitse bases in de nabijheid van Nederland. Wij vragen u ons te informeren over de uitbreidingsplannen van onze buurlanden en van de NAVO.
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
Diepgang van het MER Het plan-m.e.r. moet de diepgang hebben die past bij “zwaarte” van het Kabinetsbesluit. Hierin vallen ons een aantal zaken op. Wij vragen u deze mee te nemen. -de focus ligt bij de Rijksdoelen uit de NOVI als analysevragen voor de m.e.r. Daarmee worden twee fundamenteel verschillende rollen die het Rijk heeft, door elkaar gehaald. De rijksdoelen die in de NOVI staan, gaan over nationale belangen waarop het Rijk zelf stuurt met de instrumenten uit de Omgevingswet. Bijvoorbeeld: het Rijk stuurt via normstelling wel op de primaire waterkeringen omdat daar een nationaal belang speelt, maar niet op de regionale waterkeringen. Of wel op Natura 2000 maar niet op het Nationaal Natuur Netwerk. Echter, in deze procedure gaat het niet om de rol van het Rijk als sturende overheidslaag, maar het Rijk als initiatiefnemer van concrete activiteiten die een zorgvuldige besluitvorming vragen. Dat is een wezenlijk andere rol waarbij geldt dat een m.e.r. bedoeld is ter ondersteuning van deze zorgvuldige afweging. Naast genoemde voorbeelden geldt dit voor meerdere onderwerpen die hiervoor nagelopen dient te worden. -de impact van Europese richtlijnen waaraan de lidstaat Nederland gehouden is wordt beperkt meegenomen. Er wordt wel tot op zekere hoogte ingegaan op Natura 2000 vanwege de stikstofproblematiek die nu activiteiten van Defensie belemmeren.
Eigenlijk geldt dat de effecten op Natura 2000-gebieden grondiger beschouwd dient te worden, omdat de lidstaat Nederland met het Rijk voorop, hier volgens Europees recht aan dient te voldoen. Vervolgens wordt evenmin onderkend dat Nederland een resultaatsverplichting heeft om in 2027 te voldoen aan de EU Kaderrichtlijn Water (KRW). Op andere beleidsterreinen die de NOVEX aangaan zet het Rijk alles op alles om hieraan te voldoen. Expliciet noemen we hierbij het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), waarin Noord-Brabant een zeer forse opdracht krijgt toebedeeld die wij moeten doorvertalen in ons Brabants Programma Landelijke Gebied en onze gebiedsgerichte aanpak groen-blauw-landbouw, terwijl het NPLG en de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel in deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau niet noemenswaardig aan de orde komen.
4/8
-U stelt een themagerichte beoordeling van effecten voor. Daarmee missen wij de integrale focus op gezondheid en gezondheidsbeleving die ook de Commissiemer adviseert. Er is sprake van cumulatie van effecten door het samenvallen van tal van activiteiten. Denk daarbij aan het oefenen op de Oirschotse Heide, intensivering van de aanvliegroutes en een mogelijk nieuw laagvlieggebied. Of de mogelijke heractivering van Vredepeel t.o.v. huidige en mogelijke vliegbewegingen van en naar Volkel. Ook de impact van deze intensiveringen, in combinatie met civiel vliegverkeer moeten in beeld gebracht worden. De brede en integrale benadering is essentieel om een goede effectanalyse te kunnen maken. Daarnaast zal ook de samenhangende geluidsbelasting tussen civiel en militair vliegverkeer en het effect daarvan op de omgeving meegewogen worden. Kortom; de beoordeling van gezondheidseffecten is beperkt en gericht op afzonderlijke thema’s, terwijl hier ook cumulatieve aspecten een rol spelen. Een bredere en integrale beoordeling is noodzakelijk
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
-effect op wonen en werken is beperkt meegenomen. Ook in beleving, als onderdeel van de beoordeling van gezondheidseffecten. We zien dat aanvliegroutes, juridische borging en dergelijke over stedelijk Brabant worden gelegd. Plekken waar we met elkaar uitvoering geven aan een verstedelijkingsstrategie en woondeals. Consequenties van activiteiten van Defensie moeten daarom goed in beeld worden gebracht. Ook het effect op ‘werken’ is relevant. Denk bijvoorbeeld aan trillingen. In Brabant zijn veel, belangrijke innovatie technologische bedrijven gevestigd die zeer gevoelig zijn voor trillingen. Uit ervaringen elders met de F35 is gebleken dat de impact qua geluid en trillingen op de directe omgeving fors is. We vragen hier dan ook specifieke aandacht voor in de beoordelingscriteria van de NRD en het uiteindelijke MER-rapport -effect op flora en fauna. Er wordt binnen Brabant hard gewerkt om doelstellingen van de Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en doelstellingen voor natuur en landelijk gebied te behalen. In de NRD wordt met name gekeken naar de mens. Activiteiten van Defensie hebben ook effect op flora en fauna. We vragen dit mee te nemen zodat daarmee ook inzichtelijk gemaakt kan worden wat de effecten zijn op aangewezen soorten van bijvoorbeeld de Natura 2000 ,vogelgebieden en (beschermde) diersoorten zoals vogels en vleermuizen (ook buiten de Natura 20000).
Dezelfde koppeling missen we ook bij landbouw met name m.b.t. dierhouderijen/veehouderijen. (bijvoorbeeld effect van geluid op dieren) We vragen ook het effect van de activiteiten (bijvoorbeeld uitbreiding oefengebieden en nieuwe laagvlieggebieden) op stiltegebieden mee te nemen. Meest concreet horen deze zaken terug te komen in tabel 5-1 Beoordelingskader. -In Brabant geldt daarnaast dat aantasting van Natuur Netwerk Brabant door verstoring (geluid, licht, trilling etc) ook onderzocht en afgewogen moet worden (en compensatieplichten geeft).
5/8
-afweging Laagvlieggebieden vraagt om scherpte: Voor uitbreiding van
Datum
laagvlieggebieden kijkt u voor Noord-Brabant met name naar een gebied tussen Eindhoven-De Peel-Weert en een gebied onder de lijn Tilburg-Breda-Roosendaal. De door u beoogde gebieden kunnen echter conflicten geven met bijvoorbeeld geplande woningbouw en/of geplande windmolens. In de NRD is niet aangegeven hoe andere opgaven in de door u beoogde gebieden in een afweging zijn of worden meegenomen. In gesprekken met Defensie lijkt het niet zozeer een afweging te zijn dat er gekozen gaat worden tussen een strenger planologisch regime voor bestaande laagvlieggebieden t.o.v. nieuwe laagvlieggebieden (licht planologisch regime). We vragen hierin transparant in te zijn. Daar hoort ook een duidelijke definitie bij wat u verstaat onder een stringent juridisch planologisch regime en wat onder een licht planologisch regime. Uw plannen maken nog niet duidelijk of de laagvlieggebieden jaarrond gebruikt gaan worden of periodiek. Wij verzoeken u dit duidelijk te maken.
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
-mogelijkheden of beperkingen? Beperkingengebied rondom vliegbases GilzeRijen, Eindhoven, Volkel en Woensdrecht (specifiek de outer horizontal surface) en corridors (juridische borging). Deze behoefte is in bijlage 2 (overzicht behoeften per locatie) van de NRD opgenomen en daarmee geen te onderzoeken alternatief maar een behoefte. Deze behoefte leidt tot een ruimte/milieubeslag in een straal van 15 km rondom een militaire luchthaven. Het hoogtebeperkingengebied wordt daarmee ruimer dan nu het geval is. U geeft daarbij aan dat u thans weinig kunt tegenhouden op ruimtelijk gebied in de directe omgeving. Als voorbeeld hiervan geeft u de plaatsing van windmolens die een negatief effect hebben op vliegmogelijkheden. Wij zoeken liever naar gezamenlijke oplossingen die zowel voor u (bijvoorbeeld windturbines met minder hoogte) als voor ons (windenergie-opgave) acceptabel zijn.
-helikopterbehoefte. In de NRD staat zijdelings wat vermeld over de helikopterbehoefte “De locaties moeten voldoende fysieke en geluidsruimte bieden voor de jachtvliegtuigcapaciteit in samenhang met de overige vliegende systemen van CLSK (helikopters, Lutra/AAR en MQ9).”. Die helikopterbehoefte, anders dan op Deelen, Gilze-Rijen en De Kooy, is echter verder niet toegelicht. Bij De Peel hebben we recent gezien dat er 600 helikopterbewegingen werden toegevoegd bij het stikstofonderzoek. Om goede afwegingen te kunnen maken, is het wenselijk dat hierin inzicht kan worden verschaft.
- Eindhoven Airport en vertrouwen in overheid. Voor Eindhoven Airport loopt een proefcasus waarvoor een commissie onder leiding van oud-staatssecretaris Pieter van Geel in april 2019 zijn advies 'Opnieuw verbonden' heeft uitgebracht aan de minister van IenW. Centraal in deze Proefcasus staat de slimme, duurzame en kwalitatieve ontwikkeling van de luchthaven in de periode 2020-2030. Belangrijke aanbeveling uit het advies is beperking van de geluidshinder: 30% minder hinder in 2030 ten opzichte van 2019 door een vlootvernieuwing van 60%. Dit advies is door alle betrokken
6/8
partijen, waaronder het Rijk (ministerie van IenW en Defensie) onderschreven. En Eindhoven Airport heeft inmiddels ingezet op een versnelling van de verduurzaming en gaat voor een 100% vlootvernieuwing in 2030. Als nu aan de andere kant, vanuit Defensie, de geluidhinder weer toe gaat nemen, schept dat weinig vertrouwen in de overheid. Het advies van de commissie Van Geel wordt ermee onder druk gezet. Belangrijk dan ook om het advies van Van Geel als referentiesituatie mee te nemen en nadrukkelijk te betrekken in de afwegingen.
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
C2329694/5849851
-water en bodem niet sturend in NRD. Water en bodem is een belangrijke thema en opgaven voor zowel Rijk als provincie. We zien echter dat water en bodem in de beoordelingskaders bijvoorbeeld bij jachtvliegtuigen (pagina 90) en helicopterlandingsplaatsen (104) niet als hoofdthema wordt meegenomen. Hetzelfde geldt voor klimaatadaptatie. Bijvoorbeeld het effect op oppervlakte en grondwater door onderbemalingen van percelen voor landingsbanen komen hierdoor niet terug. Deze opgaven hebben consequenties op de bodem en water kwantiteit als kwaliteit en we vragen het rijk dit consequent mee te nemen in de MER.
-kwantitatief onderzoek: -Het NRD beschrijft dat het detailniveau voor dit planm.e.r. in hoofdzaak zal bestaan uit kwalitatieve beoordelingen die soms aangevuld worden met een kwantitatieve of modelmatige berekening. Wij vinden dat zoveel mogelijk kwantitatief onderzoek, bijvoorbeeld voor stikstof ten grondslag moet liggen aan de afweging van de alternatieve locaties -Onwenselijk; Oefendorp naast COA-locatie In de NRD staat nu dat er een oefendorp naast een COA-locatie wordt overwogen (Budel). Wij vragen hier aandacht voor want in elke afweging is het onwenselijk dat dit soort activiteiten naast elkaar worden beschouwd of ontwikkeld. Wij gaan er van uit dat dit een fout is en wordt aangepast. -er zit een onjuiste werkwijze in de NRD verscholen. De bedoeling van een MER is om te analyseren wat de impact van een activiteit is op het milieu om dat goed te kunnen betrekken in de afweging.
Maar in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau staat regelmatig het omgekeerde als vraag: wat is de beperking vanuit het milieu op de voorgenomen activiteit? Zo staat er in tabel 5-1 bijvoorbeeld: “Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling” en “Droogte: impact van droogte op de ontwikkeling” -kijken naar meekoppelkansen; Gezien de verschillende opgaven in de leefomgeving missen we mogelijkheid om met een planMER inzichtelijk te maken wat meekoppelkansen of kansen voor meerwaardecreatie zijn voor bijvoorbeeld klimaat, energie, natuur wonen….). Naast landbouw komt dat nog niet terug. Een planMER heeft meer toegevoegde waarde als kansen en bedreigingen inzichtelijk worden gemaakt zodat er daarop geanticipeerd kan worden. Zo
7/8
kunnen we samen kijken naar slimme combinaties en onderzoeken of schaarse grond voor meerdere functies kan worden gebruikt.
Datum
30 januari 2024 Ons kenmerk
- bepalen referentie: Het is goed dat ontwikkelingen richting 2040 worden meegenomen in de referentiesituatie. Met de focus op 2040 gaan wij er van uit dat u de geplande ontwikkelingen goed meeneemt, zeker ook degenen die nog niet in ruimtelijke plannen zijn doorvertaald maar bijvoorbeeld wel in afspraken tussen regio en rijk zijn vastgelegd (zoals woondeal, RES-en). Bij onduidelijkheid of benodigde input vragen wij u hiervoor met de provincie contact op te nemen.
C2329694/5849851
Tot slot Naast deze zienswijze hebben veel Brabantse partijen een zienswijze ingediend. Dat onderstreept dat we een defensieprovincie zijn en de mogelijke consequenties groot zijn. Wij verzoeken u de zienswijzen van andere overheden en organisaties binnen onze provincie goed mee te nemen. We herhalen de oproep om gezamenlijk op te trekken. Want Noord-Brabant zit vol met ambities en in Brabant is geen ruimte voor alle gewenste (nationale) ontwikkelingen. Dat vraagt als eerste een integraal perspectief en heldere nationale keuzes. Mogelijke nieuwe activiteiten, ontwikkelingen en opgaven hebben een groot effect op Brabant, zijn burgers en ondernemers, en vragen daarom ook een stevig gesprek en de nodige acties op het vlak van mitigatie en compensatie. We werken graag samen met de Brabantse gemeenten en Waterschappen de opgaven verder met u uit. Zowel op nationaal niveau (de stappen nu op weg naar de ontwerp nota ruimte en de bijhorende ruimtelijke hoofdstructuren) als straks ook op regionaal niveau (na keuzes voorkeurslocaties) willen we zoveel mogelijk in samenspraak met u en andere departementen doen. Zeker voor gebieden waar al bredere gebiedsprocessen lopen, soms met betrokkenheid van andere departementen, vragen wij u hier zoveel mogelijk bij aan te sluiten.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter,
de secretaris,
mr. I.R. Adema
drs. G.H.E. Derks MPA
8/8