Bijlage 9 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quick-scan flora en fauna ten behoeve van herontwikkeling terrein voormalige schoenenfabriek aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen
Opdrachtgever : Verhoeven Milieutechniek Rapporteurs : M. de Haan-Zaalberg en W. de Haan Datum : mei 2017 Rapportnr. : 17.05.03 Versie : 1.0
Lobenpolder 7 4617 MP Bergen op Zoom 0164-243680 www.brabantsewal.eu
1
Inhoud blz 1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel van het onderzoek 1.2. beoordelingskader 1.3. Werkwijze
3 3 8
2. Natuurwaarden van het onderzochte terrein 2.1. Resultaten veldonderzoek 2.2. Inventarisatie bomen jal-locatie Dongen door BTL Bomendienst 2.3. Natuurloket 2.4. Overige bronnen 2.5. Analyse op basis van de beschikbare gegevens
9 10 10 11 12
3. Te verwachten effecten bij de uitvoering van de plannen en mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren 3.1. Te verwachten effecten op de verschillende soortgroepen 3.2. Mogelijkheden om de effecten te voorkomen, ongedaan te maken of te compenseren
15 17
4. Toets aan de Wet natuurbescherming en het ruimtelijk beleid 4.1. Wet natuurbescherming 4.2. Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 4.3. Ruimtelijk beleid
5. Samenvatting en advies
18 19 19 20
Bijlagen 1 2
Tabel broedgegevens van vogels Geraadpleegde bronnen
22 23
2
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel van het onderzoek Woningbouwvereniging Casade wil het gebouwencomplex aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen ontwikkelen of verkopen. Op het terrein was voorheen de schoenfabriek JAL (J.A.Ligtenberg) gevestigd. Het schoenenbedrijf is begonnen in het als Rijksmonument aangewezen woonhuis op nummer 41. Om de productie uit te kunnen breiden is het bedrijf tussen 1907 en 1915 in fasen verplaatst naar een achterliggend fabrieksgebouw. Daarna volgde de bouw van een grote fabriekshal; een twee verdiepingen hoog bakstenen gebouw met een betonskelet, waardoor grote overspanningen en grote raampartijen mogelijk werden. Ook dit gebouw is aangewezen als Rijksmonument. De schoenenfabricage is in 1984 gestopt. Tegenwoordig is er een kringloopbedrijf in het monument gevestigd. Achter op het terrein (met ingang op nummer 53) is in de jaren 80 van de vorige eeuw een nieuwe loods gebouwd waarin tot voor enkele jaren een garagebedrijf zat; tegenwoordig is het hobbymatig in gebruik bij een tijdelijke bewoner. Woningbouwvereniging Casade heeft Verhoeven milieutechniek gevraagd voor de toekomstige ontwikkeling c.q. verkoop van het terrein een risico-inventarisatie van de locatie (grond en alle opstallen) op te stellen.
Verhoeven Milieutechniek heeft in dat kader ecologisch adviesbureau de Brabantse Wal verzocht een quick-scanonderzoek flora en fauna uit te voeren. Deze rapportage is een verslaglegging van het uitgevoerde onderzoek. Hierin zijn de natuurwaarden HQGHULVLFR¶VELM ontwikkeling van het terrein voor die natuurwaarden in beeld gebracht. Ook is aangegeven welke maatregelen eventueel kunnen worden getroffen om negatieve effecten te beperken of zo nodig te compenseren. Indien van toepassing worden ook voorstellen gedaan voor noodzakelijke ontheffings- of vergunningenprocedures.
1.2. Beoordelingskader Wet natuurbescherming Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming beschermt Natura 2000-gebieden, bosgebieden en dier- en plantensoorten die in het wild voorkomen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau. Gebieden
D N -gebieden. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van n ien vanuit een Europees pers-
3
p Natura 2000 wil deze flora en fauna duurzaam beschermen. Nederland heeft in eerste in totaal 162 gebieden aangemeld om onderdeel uit te maken van het Nederlandse l van het Natura 2000 netwerk. Nadien zijn daar 4 gebieden op de Noordzee bijgekomen. V n Met de invoering van de Wet natuurbescherming is de categorie Staats- en/of Beschermde natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet 1998 vervallen. Omdat die gebieden veelal ook onderdeel uitmaken van het Natura 2000-netwerk en/of het Nationaal Natuurnetwerk blijft bescherming van die gebieden verzekerd. Soorten De wet kent 3 beschermingsregimes: voor soorten: 1. Soorten die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn 2. Soorten die zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn 3. Soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Er geldt ook een algemene bescherming voor alle soorten; de zogenaamde algemene zorgplicht. Algemene zorgplicht In de wet is, evenals in de voormalige flora- en faunawet, een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11.
In het tweede lid is bepaald dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke
t kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of o !! "!!#$
Verboden volgens de wet Volgens de wet mag er geen schade toegebracht worden aan vogels en aan beschermde dieren of planten. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die de wet kent zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: % het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb); % het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het
% % % % %
n
w &
'(
het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb); het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van sbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb); het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop
w '( w &
p
'
het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of
p
'
w & )
'(
het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met ± kort ± verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn noemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze
w &*
'
4
D p artikel 3.3 gaan over GH³RYHULJHVRRUWHQ´GLH]LMQJHQRHPGLQGHELMODJHQA Het beschermingsregime gaat uit van het ³QHHWHQ]LM-SULQFLSH³'LWEHWHNHQW e n n middel van een D In de wet heeft het Rijk diverse bevoegdheden aan de provincie g p C+,-.+,/ 066+ 67-8.99,7: 69 0+,;<-.=ling >?@?ABE??F@? GEHE?I JK>LMO PBII?I QHI QFRST?U HUU? WR?FXYQ?I YZG[WF?Q?I Q?FXY@?I ontheffing Q?FU?I?I JHFERP?U \]\ ?I \]^ _IXO] `FYQRI[RHU? GEHE?I JK`LMO PBII?I @HHFIHHGE XRS Q?FYF@?IRIa 0+,;<-.==,7: verlenen van deze verboden. b jstellingen zijn de volgende voorwaarden verbonden: c.7 67-8.99,7: 69 ..7 0+,;<-.==,7: d6+f- h,-<=h,-.7f 0.+=..7fi ,7f,.7 ,< 06=f//7 //7 .=j 0/7 f. 06=:.7f. 066+d//+f.7v /k er bestaat geen andere bevredigende oplossing; lk zij is nodig: mq in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; rq in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; sq ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of d/-.+.7t uq ter bescherming van flora of fauna; xq voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de f//+y.. </y.78/7:.7f.
-..=-i 69 zq om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik 0/7 l.{//=f. 06:.=< ,7 j=.,7. 86.0..=8.f.7 <.=.|-,.9 .7 67f.+ <-+,j- :.|67-+6=..+f. 6y<-/7f,:8.f.7 -6. te staan; |k de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de f.<l.-+.99.7f. <66+-q } n p n n p p n n rekking heeft, welke middelen, installaties of n n X?A?FPRIa QHI @? FRGR[Y~G ?I Z?E X?EF?PPRIa EYE W?E ERS@GERA ?I @? AUHHEG QHI @? WHI@?URIa JHFERP?U ' && D povincie Noord-%UDEDQWLVGLWXLWJHZHUNWLQGHµVerordening natuurbescherming NoordFHXHIE~] } 2.2 van die Verordening is voor de nationaal beschermde soorten een p oor de soorten in bijlage 3 van de p D V voor activiteiten vanuit bepaalde belangen een vrijstelling van de et natuurbescherming (Wnb) geldt en p & is.
Op grond van de Wnb geldt de vrijstelling alleen als er p a??I HI@?F? X?QF?@Ra?I@? YAUYGGRIa~ RG] RE HU A?F H[ERQRE?RE ?I YA AFY jectbasis bepaald moeten n n D komen als grond voor ontheffingverlening/vrijstelling terug . De provincie Noord-Brabant kiest voor een beleidsneutrale overname en heeft HHQ QLHXZ RQGHUGHHO µEHVWHQGLJ EHKHHUJHEUXLN LQ UHODWLH WRW ODQGVFKDSSHOLMNH PTHURE?RE?I~ YAa?IYZ?I (artikel 3.10, tweede lid, onder g, van de Wnb) in plaats van het eerdere X?GE?I@Ra a?XFBRP~]
5
D & n p Bruine kikker, Gewone p , Kleine watersalamander, Meerkikker, Middelste groene kikker (of bastaardkikker), b , Bosmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Haas, p , Konijn, Ondergrondse woelmuis, Ree, Rosse woelmuis, Tweekleurige p , Veldmuis, Vos, Wild zwijn en Woelrat. p de eerdere landelijke vrijstelling, is voor Bunzing, Hermelijn en Wezel geen p p p saanvragen te p aliseren, is voor deze drie soorten voorzien in een tijdelijke vrijstelling die geldt tot 1 D p n N n p n n dt verwezen, geldt de voorwaarde n van 6f. =,;<N p - en faunawet kunnen soorten ook p w ' w ' p n n gelen te treffen. In het advies zal daar, indien hiertoe p n
Wet Ruimtelijke ordening Natuur kan ook beschermd zijn op grond van de wet Ruimtelijke ordening. Het gaat dan naast de Natura 2000-gebieden om gebieden die (evenals de Natura 2000-gebieden) deel uitmaken van het Nationaal Natuurnetwerk of door gemeenten beschermingswaardig geachte groenstructuren. Voor de bescherming van de natuurschoonwaarden, landschappelijke waarden en natuurwetenschappelijke waarden van die gebieden volstaat volgens de wetgever de planologische bescherming. Nationaal natuurnetwerk Het nationaal natuurnetwerk in een straal van 3 km rond (het middelpunt van) het te onderzoeken gebied ziet er als volgt uit: In de omgeving van het onderzochte terrein zijn geen gebieden begrensd als natuurnetwerk; ook het naastgelegen natuurterrein de Bergen niet. Dat gebied is een stuifzandrelict gaat dat vroeger onderdeel uitmaakte van een veel groter geheel en nu door beheer-maatregelen open gehouden wordt. Het belangrijkste onderdeel van het Nationaal natuurnetwerk in de omgeving is de op circa 1,5 km afstand gelegen Donge. Het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied is het op circa 8 km afstand gelegen gebied Loonse en Drunense heide.
Bestemmingsplan µZuid en West Dongen¶ van de gemeente Dongen } het bestemmingsplan µZuid en West D ¶van de gemeente Dongen zijn de n , erven en de woning p µBedrijf¶ *& -DDQGXLGLQJ µtot en met C/-.:6+,. m¶ 'H JDUDJHER[HQ DFKWHU woningen Sint Josephstraat 47 en 51 X?GE?ZZRIa Wonen¶ PHW YRRU GH aHFHa?G ??I BI[ER?HHI@BR@RIa Garage¶ D ebben een X?GE?ZZRIa Tuin¶ HQ HHQ GXEEHOX?GE?ZZRIa Waarde landschap¶ De -Landschap' aangewezen - behalve voor de andere w ' pn en. p of in de gronden met de bestemming -Landschap is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke n w ' n nn n oeren: /q Het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem. lq Het aanleggen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. |q Het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het //7l+.7:.7 0/7 /7f.+. 6{{.+0=/j-. verhardingen. fq Het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of -.=.|6yyh7,|/-,.=.,f,7:.7 .7 f. f//+y.. 0.+l/7f 86hf.7f.
|67<-+h|-,.<i ,7<-/==/-,.< 69 /{{/+/-hh+q ?E H[WE?F @? EBRI a?U?a?I IHEBBFa?XR?@ @? ?Fa?I W??E @? X?GE?ZZRIa HEBBF ¶ $OGXV n /q Behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen. Omgevingsbeleidsplan Dongen 2015-2019 'HJHPHHQWHUDDG'RQJHQKHHWLQPHLHHQµOmgevingsbeleidsplan Dongen 2015-¶ vastgesteld. Daarin worden voor natuur en landschap onder meer de volgende acties voorgesteld: x Stimuleren en subsidiëren aanleg en onderhoud van landschapselementen; aanplant van karakteristieke soorten stimuleren. x Het behouden van variatie bij de herinrichting van bestaand groen. x Bebouwing en groen integreren: clusteren van groen, minder snippergroen. x In de planvorming minimaal 5% groenruimte opnemen. x Beschermen van monumentale bomen en voor Cultuurhistorie en archeologie: x Bij ruimtelijke ontwikkelingen standaard rekening houden met het behoud van waardevolle elementen en bebouwing, een goede inpassing in de omgeving en het zo veel mogelijk beleefbaar maken ervan.
x x x x
x
Behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden legt randvoorwaarden op aan ruimtelijke ontwikkelingen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de historische waarden expliciet in de afweging betrekken Behoud van de waardevolle bebouwing is van groot belang voor het karakter van de kernen en de bebouwingslinten: kerken, boerderijen, leerlooierijen en schoenfabrieken. ± Het vervallen van een gebruiksfunctie is een belangrijke risicofactor voor het voortbestaan van waardevolle gebouwen zoals bijvoorbeeld boerderijen, kerken en industrieel erfgoed. Het zoeken naar passend hergebruik is van groot belang. In deze tijd passende stimuleringsregeling afgestemd op de financiële ruimte van de gemeente. Deze zou moeten gelden voor bebouwd erfgoed en bomen die op de gemeentelijke monumentenlijst staan.
1.3. Werkwijze Een ecologische quick-scan binnen het kader van de Wet natuurbescherming behelst een verkennend onderzoek naar het voorkomen van beschermde planten en dieren in een gebied met invloedsfeer waarbinnen ecologische effecten kunnen optreden of doorwerken. De scan dient in eerste instantie een indicatief maar betrouwbaar beeld te geven van beschermde natuurwaarden die aantoonbaar op locatie voorkomen of potentieel voorkomen op basis van aanwezige habitatkwaliteiten. Het vaststellen van soorten kan direct met waarneming en indirect met sporenonderzoek. Aanvullend kunnen verspreidingsgegevens worden geraadpleegd. Van belang is het enerzijds aanduiden of anderzijds zo betrouwbaar mogelijk uitsluiten van de aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten en het borgen van de gunstige staat van instandhouding van die soorten. Met een quick-scan wordt gekeken naar de functie van een plan- of projectgebied als leefgebied voor alle mogelijke soortgroepen (zoogdieren, vogels, herpetofauna, vissen, ongewervelden en planten). Het dient antwoord te geven op de vraag of nader of diepgaander onderzoek naar de effecten op beschermde soorten wenselijk of noodzakelijk is. Het onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden in de optimale waarnemings- of activiteitsperiode van de betrokken soorten.
Een nader onderzoek kan vervolgens nodig zijn om de aanwezigheid van soorten met een hoger beschermingsregime met betrouwbaarheid vast te stellen en dit kan tevens als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het onderzoek is uitgevoerd op 9 mei 2017. Hierbij is het gebied één maal overdag onderzocht op voorkomende flora en fauna HQLVHU¶VDYRQGVURQGVFhemering gecontroleerd op mogelijk uitvliegende vleermuizen. Omdat diverse soorten in die periode van het jaar niet zijn waar te nemen is het onvermijdelijk dat soorten gemist zijn. Daarom zijn verspreidingsatlassen en andere bronnen geraadpleegd. Ook zijn waarnemingen van de huidige bewoners van het terrein in het onderzoek meegenomen. Op basis van de beschikbare gegevens is, in combinatie met de potentiële geschiktheid van de diverse onderzochte terreinen voor soorten, een voldoende betrouwbaar inzicht te geven in het mogelijk aanwezig zijn van bij de quick-scan gemiste soorten c.q. wettelijk beschermde soorten.
2. Natuurwaarden van het onderzochte terrein 2.1. Resultaten veldonderzoek Het te onderzoeken terrein is op 9 mei bij halfbewolkt weer en een temperatuur van circa 11oC bezocht. Bij het bezoek rond schemering was de temperatuur nog rond de 9 oC
In de rapportage worden de waarnemingen in twee clusters weergegeven: de (bedrijfs)gebouwen en de bijbehorende erven en de tot Tuin bestemde gronden. In de onderstaande tabel zijn de vet aangeduide soorten wettelijk beschermd. Als de tekst is gearceerd staat de soort tevens op de rode lijst. De aanduiding (sp) geeft aan dat wel het geslacht maar niet de soort nader kon worden vastgesteld.
p
¡¢£fsgebouwen en erven
¤¥¢
¦§¨ dravik, Straatgras, Stinkende gouwe,
°o"®«#¯ ¶®"¯ »¼o oo®, diverse coniferen, Noorse esdoorn. Amerikaanse vogelkers, Stinkende go¸¼¯ °! ®!#$¯ Paardenbloem, Wilde lijsterbes, Grote brandnetel, Gewone veldbies, Klimop. Gewone braam, Japanse duizendknoop, Ratelpopulier, Ridderzuring, Kleefkruid, Amerikaans krentenboompje, ¿$«¬¨« meidoorn, Taxus, Kropaar, Hulst, Á¨« veldkers, °! ·¯ À"!¨¨ ¼´®¯ Hondsdraf, Jacobskruiskruid, Bonte gele dovenetel, Linde (sp), Kropaar, ¾o´«!¯ Heermoes, ¾o´®$#®¸« ¯ À±²!º·¸®«¯ Ruwe berk, Kluwenhoornbloem, ¶¸#¯ Å"®«#!! «#¯ ©!·¨!!®¯ Vogelmuur, Boskruiskruid, Gestreepte witbol. Gewone salomonszegel, Lelietjesµvan-dalen, »®o³ den, Gewone vlier, Zandhoornbloem,
Amerikaanse vogelkers, Zandraket,
©o ª«¬$®!!¨¯ °!±²$ oo«³!!®´#¯ Kleine veldkers, Kluwenhoornbloem, Klimop, Gewone esdoorn (zaailingen), Grote klaproos, Akkervergeetµme-«$¬¯ Kantige basterdwederik, Reigersbek, ¶·"#®¸«#®¸« ¯ Klein kruiskruid,
¹¨ ®º®«¬¯ »¼o "¨# «$¨¯ ½«¨ kamperfoelie, »#®o "¨# «$¨¯ °! ²oo®´¨o"¯ ¾¸¼ ´®#¯ ¿¨
raaigras, Blauwe regen, Clematis (sp), Jacobskruiskruid, Duizendblad, Gewoon biggenkruid, Gestreepte witbol, Witte #¨!³®¯ Vogelmuur, Paarse dovenetel, Rood zwenkgras, À±²«¬!!® ´«¯ ½«¨ lijsterbes Noorse esdoorn (zaailing), Ratelpopulier (zaailingen), Grote ´®! $¨¯ ¾o´®$#®¸« ¯ Kleefkruid,
»¼oo ¨!´!!® ®!¯ ©!·ºoo$¬¯
Gewone hoornbloem, Teunisbloem (sp), Wilgenroosje, Muurleeuwenbek, Bijvo$¯ Vertakte leeuwentand, Á®¸ipklokje,
Æ!¸®«®#®¯ À±²«¬!!® ´«¯ Á®¸«º ´o$®´¨o"¯ Á®¸¨·¸®«¯ »®o³ ¯ Okkernoot¯ ½«¨ ²Ç!±«$ ú ²«º!«±!Ä
¸«®«$¯ ¾o´«! ÷!!«¨«Ä¯ Å##® «$¨¯ Reukgras, Tripmadam. Dauwbraam, Muurvaren, Knopig helmkruid, Boswilg, Akkerkool, Zandzegge, »¼o ³¨«®¯ Japanse duizendknoop
³o¨
°oo «® Å"ª«´«á reptielen
ÈÉÊÉËÌ ÍÎÏÐÌ ÍÑÑËÒÉÉÓÌ ÔÏÊÕÓÉ ÖÑÊÖÉËÌ
«³® oo®$ !¨ ´«¬ ´o¸¼ ®³
Houtduif, Vink, Tjiftjaf, Zwarte kraai, + Bonte vliegenvanger, Grote bonte Roodborst, ×ÊÑÉØËÙØÚ, PimpelmeesÌ ÓÛÉÜÝÖÌ ÞÎØÚËÙßÓÖÉÊ (braakballen van) ÍÉÊÕÏÙË , gedomestiµ ceerde Rotsduif (verwilderde Postduif) ±² ¨¯ ´o$¬ #«· ³!Ä Bosmuis , òo¨ + uitwerpselen van) Vos, Konijn, Bosspitsmuis, Veldmuis ÉØ ÈÑË Gewone dwergvleÉÊÒÏÙÓ, Rosse
×ÉÐÑØÉ ÛÎâ (waarneming bewoner)
¹¨« ® ¨«´¨¨ o³®« oo®$
àËÉÉÊÒÏÙÓ
Á¨« #oo¨¼«$¬¯ Â!º!¸¼oo¯ Å$!¨!$!¯ ½«¬!!® ¨!#
2.2. Inventarisatie bomen jal-locatie Dongen door BTL Bomendienst BTL Bomendienst heeft in opdracht van Casade op 11 januari 2016 een inventarisatie laten uitvoeren. De bomen zijn beoordeeld op veiligheid, conditie en levensverwachting bij ongewijzigde omstandigheden. Alle solitaire bomen op het terrein zijn opgenomen, evenals de bomen in de plantstrook grenzend aan het perceel met huisnummer 31A . De bomen staand in het bosplantsoen en aan de zuid- en westzijde van het perceel (grenzend aan park De Bergen) zijn niet als solitair opgenomen, maar zijn alleen vermeld wanneer er een gevaar voor de directe omgeving dreigt. Voor deze werkwijze is gekozen vanwege het feit dat het inzicht in de veiligheid voor de aangrenzende percelen dient als doel van deze inventarisatie. 2QGHUPHHUHHQWZHHWDOIRUVHGRGH$FDFLD¶VLQGH]XLGRRstelijke hoek van het terrein, enkele fraaie Zomereiken en Amerikaanse eiken in de zuidwestelijke hoek en enkele forse ratelpopulieren langs het pad aan de westzijde naar de Bergen zijn dan ook buiten beschouwing gebleven. Voor een aantal gezonde bomen op het terrein wordt veiligheidssnoei of het verwijderen van dood hout voorgesteld, en voor aan viertal bomen met een korte toekomstverwachting (een Zomereik achter de tot woning bestemde houten loods) en drie Abelen) wordt om veiligheidsreden voorgesteld ze te vellen.
Wanneer een boom een toekomstverwachting heeft van minder dan 10 jaar wordt geadviseerd geen maatregelen te treffen die als doel hebben de boom in te passen. Het gaat dan om een Paardenkastanje op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39 met baststerfte en zwammen in de kroon en een geknotte zomereik op de grens met de Sint Josephstraat 37. Voorgesteld wordt om bij de Paardenkastanje en een in die omgeving staande Hollandse Linde het zware dode hout te snoeien.
2.3. Natuurloket Het Natuurloket geeft per kilometerhok aan hoeveel soorten van de onderscheiden soortgroepen in de verschillende categorieën beschermde soorten of op de rode lijst (RL) voorkomen en of er ook soorten voorkomen die op grond van de Vogelrichtlijn (VR) of Habitatrichtlijn (HR) beschermd zijn. Het te onderzoeken perceel ligt in kilometerhok 124/403. Binnen dit kilometerhok bevinden zich naast bebouwing, wegen en openbaar groen ook delen van het het Wilhelminakanaal en het aangrenzende natuurgebied de Bergen.
1ã
2.4. Overige bronnen Toelichting bestemmingsplan Zuid en West Dongen (2010) In de toelichting van het bestemmingsplan is slechts zeer summier ingegaan op de natuurwaarden van het gebied. In hoofdstuk 3 wordt, zonder dat naar onderzoek wordt verwezen, gesteld dat bouwwerkzaamheden in het gebied naar verwachting leiden tot aantasting van de verblijfgebieden en/of verstoring van diersoorten die algemeen voorkomen in Nederland en dat daar op grond van de Flora- en faunawet ontheffingen voor gelden. Verspreidingsatlassen Volgens de Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant van Ravon zijn in het betreffende uurhok (5x5 km) in het verleden Kleine watersalamander, Gewone pad, Bruine kikker, Groene kikker (sp), en Middelste Groene kikker aangetroffen. De atlas van de Nederlandse Zoogdieren van de Zoogdiervereniging laat in dit uurhok in WestBrabant waarnemingen van Eekhoorn, Veldmuis, Bosmuis, Huismuis, Bruine rat, Zwarte rat, Haas, Konijn, Egel, Mol, Dwergspitsmuis, Huisspitsmuis, Watervleermuis, Rosse vleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Vos, Hermelijn, Wezel, Bunzing en Ree zien.
11
2.5. Analyse op basis van de beschikbare gegevens Op grond van de uitgevoerde inventarisatie is in combinatie met de geschiktheid van aanwezige biotopen voor de beschermde soorten en informatie uit andere bronnen voor de verschillende soortgroepen nagegaan welke soorten naar alle waarschijnlijkheid kunnen of zullen voorkomen. Hierbij zijn in het onderzoek de volgende gebouwen onderscheiden: 1. Complex garageboxen afgedekt met asbest golfplaten 2. Afgetimmerde gekoppelde containers met plat dak 3. Houten keet met schuin dak van bitumineuze golfplaten 4. Met damwandprofielen beklede platte loods in 1 laag aangebouwd aan te handhaven woning 5. Bakstenen loods in 3 lagen met dichtgetimmerde ramen en plat dak 6. Plat afgedekte bakstenen loods met betonskelet in 2 lagen 7. Circa 25 jaar oude kalkzandstenen loods in 1 laag met schuin dak 8. Klein open houten schuurtje Vaatplanten Bij het veldbezoek zijn zowel op de erven rond de gebouwen als op het tot Tuin bestemde gedeelte van het terrein alleen algemeen voorkomende soorten aangetroffen. Bij het Natuurloket is er een soort van de rode lijst bekend. Op basis van de beschikbare gegevens is niet te achterhalen om welke soort het zou kunnen gaan, maar aannemelijk is dat die in het naastgelegen natuurgebied de Bergen voorkomt.
Zoogdieren Bij het Natuurloket zijn er 1 zoogdiersoort van de Nationale lijst aan overige beschermde soorten en één soort van Provinciale lijst met beschermde overige soorten bekend. Gelet op informatie uit de verspreidingsatlas zal het bij de landelijke lijst gaan om de Eekhoorn en bij de provinciale lijst zal het gelet op de terreineigenschappen waarschijnlijk gaan om de provinciaal niet vrijgestelde soort Wezel. De Eekhoorn maakt mogelijk gebruik van de houtopstanden in de bosgordel aan de zuid- en westzijde van het perceel maar zeker ook van het aangrenzende natuurgebied De Bergen. De Wezel maakt mogelijk gebruik van holen van mollen, muizen of ratten, (hout)stapels of schuurtjes op het terrein. Verder komen er volgens het Natuurloket 2 vleermuissoorten voor waarvan er een op de rode lijst staat. Dit komt overeen met de waargenomen Gewone dwergvleermuis en de rode lijstsoort Rosse vleermuis. De dwergvleermuizen kwamen allemaal het gebied binnen via de bosranden c.q. houtsingels. Volgens de bewoner van het complex zouden er wel eens vleermuizen rond de ventilatieopening bovenin de liftkoker van het monumentale gebouw gezien zijn. Deze ruimte was niet toegankelijk en kon dus niet worden onderzocht. Rond schemering is specifiek gelet op hier of elders uit de aanwezige bebouwing vertrekkende vleermuizen maar die zijn niet gezien.
Omdat de Gewone dwergvleermuis een gebouw-bewonende soort is zal deze vermoedelijk uit de omgeving komen. De Rosse vleermuis kwam hoog uit noordwestelijke richting aanvliegen en verdween richting de Bergen. Dit is een boom-bewonende soort waarvan niet uit te sluiten is dat deze een verblijfplaats evenmin op het Jal-terrein zal hebben.
äå
Een kolonie, een familiegroep van vrouwtjes met hun jongen, gebruikt altijd een reeks bomen in de loop van het jaar. Na enkele weken verplaatsen de dieren zich naar een volgende boomholte. De verlaten holten worden later in het jaar, of in het volgende jaar weer gebruikt. De holten vormen een netwerk van verblijfplaatsen. Doordat vleermuizen per seizoen redelijk vaak verhuizen, kan het nodig zijn om zoals het vleermuisprotocol YDQKHWQHWZHUN*URHQHEXUHDX¶VYRRUVFKULMIWQLHWWHYROVWDDQ met een quick-scan onderzoek maar een paar keer te inventariseren. Alleen wanneer een vleermuisinventarisatie van een gebied gedurende een volledig seizoen en op een aantal verschillende manieren is uitgevoerd kan een goed en volledig beeld van de situatie ontstaan. In plaats van het zoeken in de avond of ochtend kunnen kolonies ook gedurende de nacht of zelfs RYHUGDJZRUGHQRSJHVSRRUG'HµVRFLDOH¶JHOXLGHQYDQGHURVVHYOHHUPXLVELMYRRUEHHOGNXQQHQRS warme dagen in juli en augustus op wel meer dan 50 meter afstand te horen zijn (ook overdag!). Bovendien zijn deze geluiden, in tegenstelling tot de sonar, voor de mens gewoon hoorbaar (oudere mensen horende deze geluiden soms niet meer). Het geluid lijkt op dat van een bedelende jonge specht, maar dan veel hoger en meer snerpend (hogere toon).
Kleine grondgebonden zoogdieren zijn niet aangetroffen maar de soorten zijn teruggevonden in uitgeplozen braakballen van de Kerkuil. De diverse muizensoorten hebben rond de gebouwen en aanwezige beplantingen voldoende mogelijkheden om er een holletje of nest te maken.
Vogels Hoewel in stedelijk gebied door verkeer, wandelaars en werkzaamheden vrijwel dagelijks verstoringsactiviteiten plaats vinden kiezen veel soorten de stad toch als leefgebied omdat er vaak nestgelegenheid en voldoende voedselaanbod is. Tijdens het veldbezoek zijn er (sporen van) 15 vogelsoorten aangetroffen. Er zijn in de bomen geen nesten aangetroffen, maar omdat aantal bomen al flink in het blad zat kunnen er nesten gemist zijn. Bij het natuurloket zijn er 49 broedvogelsoorten bekend, waarvan er 7 op de rode lijst staan en 70 wintervogels. Op basis van de beschikbare gegevens is niet te achterhalen welke soorten er allemaal gemist zijn. Bij de rode lijst-soorten kan het gaan om soorten als Zomertortel, Kerkuil, Koekoek, Steenuil, Ringmus, Huiszwaluw en Huismus. Deze zullen zeker niet allemaal een geschikte biotoop op het onderzochte terrein kunnen vinden. Het gebruik van de aanwezige bebouwing door vogels is als volgt: Gebouw 1 Niet toegankelijk voor vogels Gebouw 2 De ruiten zijn deels ingegooid waardoor vogels vrij toegang hebben tot het gebouw. Daar is geen gebruik van gemaakt Gebouw 3 Ramen van de loods zijn vrijwel allemaal met luiken afgedicht. Daardoor is gebouw zelf maar ook de dakconstructie niet toegankelijk voor vogels Gebouw 4 Ramen en deuren zijn afgeplankt en dakconstructie is niet toegankelijk voor vogels. Gebouw is niet van binnen onderzocht.
Gebouw 5 Ramen beneden zijn afgeplankt maar zolderverdieping is met enkele ingegooide ramen vrij toegankelijk voor vogels. Enkele verwilderde postduiven hebben daar gebruik van gemaakt. Vloeren liggen vol met uitwerpselen, dode vogels en kapotte eieren. In de dakrand aan de zuidzijde heeft een Kauw nest gemaakt en broedt daar in. Gebouw 6 Ramen grotendeels intact; dak lekt plaatselijk. Hoewel in principe wel toegankelijk zijn waarschijnlijk wordt daar, mede door het gebruik als opslagplaats voor kringloopwinkel, door de vogels geen gebruik van gemaakt. Gebouw 7 Dak is aan de binnenzijde geheel met PUR-schuim afgespoten waardoor binnenruimte niet toegankelijk is voor vogels. De dakrandconstructie biedt wel toegangsmogelijkheden waar aan de noordwestzijde een Kauw, en aan de zuidoostzijde een Pimpelmees gebruik heeft gemaakt. Op een van de (open) luchtkokers van het gebouw heeft regelmatig een Kerkuil gerust en zijn braakballen achtergelaten. De constructie van de luchtkoker biedt geen mogelijkheden om daar een nest te maken. Gebouw 8 vrij toegankelijk maar biedt waarschijnlijk onvoldoende beschutting en/of bouwmogelijkheden voor een vogelnest.
äæ
Amfibieën en reptielen In de ruime omgeving van de woning is geen openbaar oppervlaktewater aanwezig. Niet uit te sluiten is dat er in de een of meer achtertuinen vijvers aanwezig zijn waarin amfibieën zitten. Soorten als de aangetroffen Gewone pad kunnen echter ook enkele kilometers trekken van hun voortplantingsbiotoop naar hun zomer- en winterbiotoop. Bruine kikker en Gewone pad kunnen op of in de omgeving van het terrein geschikte overwinteringsplaatsen vinden. De enige reptielensoort die in dit kilometer zou kunne voorkomen is de Levendbarende hagedis. Het open zand in de zuidoostelijke hoek van het terrein kan evenals de stuifduinen in het aangrenzende natuurgebied de Bergen een geschikt biotoop zijn voor deze soort zijn. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden Volgens het Natuurloket komen in het kilometerhok 20 dagvlindersoorten voor waarvan er geen enkele wettelijk beschermd is. Dagvlinders foerageren en leggen hun eieren op waardplanten en libellen hebben oppervlaktewater nodig om zich voort te planten. Omdat oppervlaktewater ontbreekt zijn er geen libellen in het onderzochte gebied te verwachten. Het tot Tuin bestemde gedeelte van het onderzochte terrein biedt voor vlinders voldoende mogelijkheden om er te foerageren en zich voort te planten, en waarschijnlijk zullen er dan ook meer soorten voorkomen dan de drie die bij het veldbezoek zijn aangetroffen.
De Wijngaardslak is aangetroffen in de randzone van het open terreingedeelte in het zuidoosten van het onderzochte terrein (zie groene stip op tekening op de volgende pagina voor de globale locatie) De Wijngaardslak komt van oorsprong voor in Zuid-Limburg en het duingebied en is niet wettelijk beschermd, maar staat wel op de rode lijst. Door al dan niet bewuste uitzettingen komt de soort inmiddels verspreid over Nederland voor waar de soort op kalkhoudende zandgronden goed stand weet te houden.
äç
3. Te verwachten effecten bij de uitvoering van de plannen en mogelijkheden om negatieve effecten te mitigeren éêë ìí îïð îìêë ñêòêîd welke ontwikkelingen op het ëêóóêìî ôõööêî ÷ïóøêî ëïêðêíëùùîú ûê óìíìüï-inventarisatie øïïó ýêóþïêÿêî ìí êøê ñêøïêöø ï øê ïðêöì òþêøêî ìî òùùóë ëê ñóêîðêîú êöêë ï øê þõìøìðê doelstellingen d
d
i
(
d
bescherming en veiligstelling van landschapswaarden)
ÿùî øê op bijgaande tekening lichtgroen aangeduide ðóïîøêî òùî êó ÿùî ÷ïóøêî õìëðêðùùî øùë de ðê êêîëêóùùø ÿùî ûïîðêî handhaving van de groene ìîÿõööìîð ÿùî øìë ëêóóêìn als uitgangspunt voor verdere öùîïîë÷ìòòêöìîð ôùö þùîëêóêîú ïò ôùö þêë ùöí ì òí ïîõ êîë ùangemerkte gele gebouw gerenoveerd ÷ïóøêî en een gepaste bestemming krijgen. De overige ñêñïõ÷ìîð ï þêë ñêìðê ðêòöêõóøê ëêóóêìîðêøêêöëê ôùö ÷ùùóíüþì îöì ò ðêíöïï ë ÷ïóøêîú ûê ÷êóòôùù þêøêî ôõööêî ìî þïï øôùùò ñêíëùùî õìë þêë íöï êî ÿùî øê ñïõ÷÷êóòêî þêë verwijderen van bestratingen en funderingen, het kappen van op ôì î ìîíë øê îìêë-vitale bomen ( ook aan de randen van het lichtgroene terreingedeelte in verband êë ïðêöì òê ïÿêóöùíë ÿïïó ùùîðóêîôêîøê êìðêîùóêî þêë óêùöìíêóêî ÿùî îìêõ÷ñïõ÷ êî þêë þêóìîrichten van de nieuwe openbare ruimte met verhardingen en groenvoorzieningen. d
p
d
R
d
d
D
s
d
d
d
ms
3.1. Te verwachten effecten op de verschillende soortgroepen Effecten op vaatplanten Bij de sloop en herinrichting zal de vegetatie op het terrein geheel of grotendeels verdwijnen. Het betreft uitsluitend algemene soorten die niet wettelijk beschermd zijn en niet op de rode lijst staan. De kans is groot dat diverse soorten na afloop van de werkzaamheden weer terug zullen komen. Er zijn geen effecten op de instandhouding van die soorten te verwachten. Effecten op zoogdieren
ýùî øê ÿïí ôì î øóìê þïöêî ðêôìêîú ûêôê íëùùî ï bovenstaande tekening globaal met een rode stip ùùîðêøõìøú De vos is een schemer- en nachtdier die leeft waar voldoende voedsel en dekking is en ñì ÿïïóòêõó ùùðë in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is. Ze êëêî òöeine knaagdieren en haasachtigen maar ook vogels, insecten, eieren, bessen, afgevallen fruit, ùùí êî afval worden gegeten. Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha en daarbinnen kan øê ÿïí êêóøêóê þïöêî þêññêî øìê ÷ìííêöêîø ðêñóõìòë ÷ïóøêîú ûê øóìê ùùîðêëóï êî þïöêî ôì î ÷ùùóíüþì îöì ò øùî ïïò ÿùî øêôêö øê ÿïíú éïöêî hebben een of meer toegangspijpen en worden meestal alleen door de wijfjesvossen gebruikt ï in te slapen als ze drachtig zijn of kleine jongen hebben. De paartijd valt in december tot februari. ù êêî øóùùðëì ø ÿùî ïîðêÿêêó øùðêî ÷ïóøêî êìîø ùùóë ï ñêðìî ù óìö øê êêíëùö ëïë ïîðêî ðêñïóêî. Vanaf half juni verblijven de jongen meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht íëóõìòðê÷ùíú î øê ïÿêóìðê ùùóðêëì øêî íöù êî de vrouwtjes net als de meeste mannetjes op een ñêíüþõë öêò ê ñïÿêîðóïîøí .
Vanwege de rust heeft het dier waarschijnlijk voor deze locatie op het ùö-terrein gekozen en niet voor het door recreanten en honden verstoorde veel grotere aanliggende îùëõõóðêñìêø øê êóðêîú éêë þïö ÿöùò ñì þêë ëê óêîïÿêóêî ðêñïõ÷ is bij een renovatie en hergebruik ÿùî øìë ðêñïõ÷ ÿóì ÷êö ôêòêó îìêë êêó ðêíüþìòë ÿïïó þêë øìêóú ïò ÿïïó øê ùîøêóê holen zijn specifieke ìîóìüþëìîðí ùùëóêðêöen nodig.
d
DD
D
d
N
d
D
d
J
n
d
p
d
De bomen aan de zuidzijde van het terrein blijven gehandhaafd en op de Eekhoorn zijn dan ook geen effecten te verwachten.
äè
Rond de bebouwing aanwezige kleine grondgebonden zoogdieren kunnen bij de sloop hun verblijfs-, voortplantings- of overwinteringsplaats kwijt raken. De meeste dieren zullen zo mogelijk een veilig heenkomen zoeken, maar met name in het voortplantingsseizoen is dat voor pasgeboren dieren wellicht niet uitvoerbaar en zullen dieren gedood worden of gewond raken. Het gaat veelal om algemene dieren met een hoge reproductiesnelheid, en op de instandhouding van de soorten zijn dan ook geen effecten te verwachten. Voor zover viel waar te nemen hebben de Gewone dwergvleermuizen geen verblijfof voortplantingsplaats in de te slopen of renoveren bebouwing. Voor de liftschacht van het te renoveren gebouw is dat niet zeker. De Rosse vleermuis is boombewonend en niet uit te sluiten is dat er exemplaren huizen in de te snoeien Paardenkastanje op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39. Omdat de boom al volledig in blad was niet niet waar te nemen of er mogelijk spleten of holtes in de boom aanwezig zijn die als verblijfplaats dienst doen. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Dat geldt ook voor de te snoeien Hollandse linde op het voorterrein. Aanwezige vleermuizen foerageren (ook) boven het gebied; die functie blijft naar verwachting na een herbestemming van delen van het terrein volledig in stand.
Effecten op vogels Bij het veldbezoek zijn diverse vogelsoorten aangetroffen waarvan enkele broedend in de gebouwen. Aannemelijk is dat op zijn minst een deel van de aangetroffen vogels en mogelijk ook soorten die gemist zijn in de opgaande beplantingen op het terrein hun nest zullen hebben. De sloop- en bouwwerkzaamheden leiden ongetwijfeld tot extra verstoring in de vorm van geluid, beweging, stof, etcetera, maar zolang de directe omgeving van de nesten ongemoeid blijft zal dit naar verwachting niet van invloed zijn op de staat van instandhouding van de soorten. Als er voorafgaand aan de periode dat vogels hun nest maken met de werkzaamheden wordt begonnen zullen de vogels waarschijnlijk een nestplaats op gepaste afstand zoeken. Eenmaal broedende of voerende vogels in de omgeving van de werkzaamheden zullen ondanks enige verstoring proberen hun jongen groot te brengen. Bij kap van de bomen in het broedseizoen is er een reële kans dat er vogels en/of hun eieren verloren zullen gaan. Ook bij de sloop van in ieder geval de gebouwen 5 en 7 in het broedseizoen kan dit effect optreden. De aanvang en lengte van het broedseizoen verschilt per vogelsoort en is mede afhankelijk van de weersomstandigheden. In bijlage 1 is een globaal overzicht van de broedperiode van diverse soorten opgenomen.
Zo is die voor de waargenomen Kauw van april ± juni en van de Pimpelmees van half februari ± september. Sloop zou voor die soorten dus buiten die die periode moeten plaats vinden. Voor de verwilderde postduif is in de tabel geen broedperiode aangegeven. Deze soort kan net als andere duivensoorten eigenlijk het hele jaar tot broeden komen maar doet dit voornamelijk in het voorjaar en de zomer. Als er gesloopt wordt in een periode dat vogels aanwezig zijn is de kans van het verloren gaan van legsels dus groot. Duiven kunnen wel drie legsels per jaar hebben met meestal 2 eieren. De broedduur is 16-17 dagen, de jongen zitten 28-29 dagen op het nest en vanaf circa 35 dagen zijn ze volledig vliegvlug.
ä
1
Effecten op amfibieën Niet uitgesloten is dat op het terrein verblijvende of overwinterende amfibieën bij het verwijderen van de verhardingen of de sloop van de bebouwing worden verstoord en gedood of gewond raken. Er is ook een redelijke kans dat dieren kunnen wegvluchten en een goed heenkomen zoeken. Omdat het om algemeen voorkomende soorten gaat is er geen effect op de staat van instandhouding van de soort te verwachten. Effecten op vlinders, libellen en overige ongewervelden. Vlinders, libellen en overige ongewervelden hebben in de huidige situatie vooral op het tot tuin bestemde gedeelte van het terrein mogelijkheden om eieren af te zetten, zich te verpoppen of te foerageren. Die mogelijkheden blijven in principe gehandhaafd zodat effecten op deze soortgroep niet te verwachten zijn. De Wijngaardslak is een delicatesse die in Nederland ook wel gekweekt wordt voor menselijke consumptie. Zolang toekomstige bezoekers van het terrein geen exemplaren verzamelen voor consumptie kan de soort hier stand blijven houden.
3.2. Mogelijkheden om de effecten te voorkomen, ongedaan te maken of te compenseren Door de werkzaamheden op de seizoenscycli van dieren af te stemmen zijn veel negatieve effecten te voorkomen. Voor broedende vogels kan door vòòr het seizoen dat de dieren hun nest maken met de werkzaamheden te starten bereikt worden dat dieren hun nestplaats iets verder weg zullen zoeken, zodat er later minder verstoring optreedt. Daarnaast kunnen effecten worden voorkomen door het rooien van voor broedvogels geschikte bomen alsmede het slopen van door broedvogels gebruikte gebouwen (gebouw 7) buiten het broedseizoen (van augustus tot begin maart) uit te voeren. Voor de in gebouw 5 nestelende duiven is het van belang vast te stellen wanneer de dieren niet op eieren broeden of jongen voeren. In die periode kunnen dieren zodanig verstoord worden dat ze een andere nestelplaats opzoeken. Vleermuizen kunnen het hele jaar door in holle bomen verblijven. In een aantal perioden zijn vleermuizen extra kwetsbaar: de voorzomer wanneer de jongen worden grootgebracht en de winter als vleermuizen in boomholtes overwinteren. Ook tijdens de nazomer zijn holtes belangrijk, omdat deze dan als paarplaats dienen.
Kappen of forse snoei wordt bij voorkeur uitgevoerd in de EHVFKUHYHQµPLQVWRQJXQVWLJH¶NDS-periode tussen half september en half oktober of in het geval van paarplaatsen van half oktober tot half november. Voor de vos zal het lastig zijn het vlak bij gebouw 6 gelegen hol ongestoord te handhaven. Voor de zuidwestelijk gelegen holen is dat wel mogelijk door die zone bij een nieuwe inrichting van het terrein zo rustig en ongestoord mogelijk te houden. Dat kan met het handhaven en waar nodig herstellen van het hekwerk waarmee het Jal-terrein is afgescheiden van het natuurgebied de Bergen, en het afschermen en voor mensen en honden vrijwel ontoegankelijk maken van die zone met natuurlijke materialen zoals Meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos en Braam. Amfibieën gebruiken hun overwinteringsplaats van begin november tot begin maart. Daarbij worden wellicht ruigtes op het onderzochte terrein gebruikt. In het voorjaar en de zomer zijn dergelijke terreingedeeltes ook een aantrekkelijk leef- en voortplantingsgebied voor kleine grondgebonden zoogdieren. Daarom wordt voorgesteld indien mogelijk buiten die periodes met de sloop te beginnen of als dat niet mogelijk is als er individuen van kleine grondgebonden zoogdieren of amfibieën worden aangetroffen deze in de gelegenheid te stellen een veilig heenkomen te zoeken.
ä
4. Toets aan de Wet natuurbescherming, de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant en het ruimtelijk beleid 4.1. Wet Natuurbescherming In het onderzochte gebied komen wettelijk beschermde soorten voor. Het betreft vogels, vleermuizen, amfibieën en diverse zoogdiersoorten waar onder de Eekhoorn, Vos, Konijn en verschillende muizen. Met uitzondering van de Eekhoorn, vleermuizen en vogels betreffen de aangetroffen of te verwachten soorten uitsluitend nationaal beschermde soorten. Bij vogels is bewuste verstoring tijdens het broedseizoen onder de Wet natuurbescherming niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. Dit geldt alleen voor het verstoren en niet voor het vernielen of beschadigen van nesten. De jaarrond bescherming van nesten van een aantal vogelsoorten zoals dat in de Flora- en faunawet was geregeld is met de nieuwe wet ook vervallen. Het verstoren tijdens het uitvoeren van werkzaamheden zonder dat vooraf voldoende onderzoek heeft plaats gevonden wordt beschouwd als voorwaardelijke opzet en is strafbaar. Beoordeeld zal dus moeten worden of eventuele YHUVWRULQJHQYDQ³ZH]HQOLMNHLQYORHG´]LMQRSGHVWDDW van instandhouding van de soort. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat hierbij naar de lokale populatie moet worden gekeken.
Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen. Van belang is bijvoorbeeld of de vogel(s) voldoende uitwijkmogelijkheden naar een volwaardig leefgebied elders hebben. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Om voor vogels het overtreden van verboden uit de Wet natuurbescherming te voorkomen zal gebouw 7 buiten het broedseizoen (In de periode van september tot maart) gesloopt moeten worden. Gedomesticeerde individuen van Grauwe gans, Europese kanarie, Rotsduif en Wilde eend zijn niet wettelijk beschermd. Dit geldt dus ook voor de verwilderde postduiven in gebouw 5. De algemene zorgplicht is van toepassing op alle in het wild levende dieren en planten dus ook voor de postduiven. Dit betekent naar onze mening dat niet zodanig gehandeld mag worden dat eieren of nog nietvliegvlugge jongen door de werkzaamheden verloren gaan. Op een moment dat de postduiven niet broeden of geen vliegvlugge jongen hebben mogen ze dus verstoord c.q. verjaagd worden om met de sloop te kunnen beginnen. Omdat de soort het gehele jaar kan broeden zal voorafgaand aan de sloop gecontroleerd moeten worden op de aanwezigheid van eieren die bebroed worden of jongen die gevoerd worden. Naar verwachting is dit verstoren c.q.
verjagen niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de soort en dus toegestaan. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen onderzocht op mogelijke toegangen voor en/of mestsporen van vleermuizen. Een mogelijke toegang is de ventilatieopening op de liftschacht van gebouw 6; de bewoner van het complex heeft daar in het verleden ook vleermuizen zien vliegen. Verder zijn er nergens mestsporen van vleermuizen aangetroffen. Omdat de liftschacht niet toegankelijk is, is nader onderzoek nodig om te kunnen uitsluiten dat er verboden worden overtreden. De waargenomen Rosse vleermuis huist in bomen. De in mindere conditie verkerende Paardenkastanje en Hollandse linde op het voorterrein van de Sint Josephstraat 39 hebben dood hout in de kroon en zijn in beginsel geschikt als verblijfplaats. Visuele inspectie was door het grotendeels gesloten bladerdek niet mogelijk en hoewel er bij schemering geen uitvliegende dieren zijn waargenomen, is niet uit te sluiten dat een of beide bomen in gebruik zijn bij vleermuizen. Nader onderzoek is nodig.
ä
De foerageerfunctie van het terrein voor vleermuizen wordt bij een herontwikkeling naar verwachting niet aangetast. De Eekhoorn huist mogelijk in de bosgordel aan de zuidzijde van het terrein. Deze blijft onaangetast en op deze soort zijn dan ook geen effecten te verwachten
4.2. Verordening natuurbescherming Noord-Brabant
-%UDEDQW¶JHOGWHUYRRUGHDDQJHWURIIHQRIWH
ÿêó÷ùüþëêî íïïóëêî ê÷ïîê ùø Vos, Konijn en diverse muizensoorten in het kader van de ruimtelijke ìîóìüþëìîð ï ïîë÷ìòòêöìîð ÿùî ðêñìêøêî øùùóïîøêó ñêðóê êî þêë øùùóï ÿïöðêîøê ðêñóõìò ÿùî þêë ìîðêóìüþëê ï ïîë÷ìòòêöøê ðêñìêø ïîøêó êêó een vrijstelling voor het vangen en het opzettelijk ñêíüþùøìðêî of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. i
s
D
s
D
s
d
Wel geldt te allen tijde, ook voor vrijgestelde activiteiten, de wettelijke zorgplicht (Wnb, art 1.11) voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat indien bij de uit te voeren werkzaamheden dieren worden aangetroffen deze steeds de mogelijkheid moet worden geboden een veilig heenkomen te zoeken. Voor de vos geldt er op grond van deze vrijstellingsregeling dus formeel geen verplichting om zoals voorgesteld in paragraaf 3.2 zijn holen te beschermen. Gelet op het voornemen die zone bij de gebiedsontwikkeling zoveel mogelijk in stand te houden is er alle aanleiding om met name de twee westelijke holen wel te beschermen en met behulp van aan te leggen beplantingen voldoende rust in die zone te bevorderen. In de provinciale regeling is geen vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor de mogelijk in het gebied voorkomende Wezel omdat het met deze soort (evenals met Otter en Hermelijn) niet goed gaat in Brabant en de gunstige staat van instandhouding niet is gewaarborgd. Bij het tijdens de werkzaamheden aantreffen van de soort zal deze dus in de gelegenheid moeten worden gesteld weg te vluchten of als het om een exemplaar met jongen gaat zal dat ontzien moeten worden. Een eenmaal verlaten voortplantingsplaats mag wel opgeruimd worden.
4.3. Ruimtelijk beleid In de directe omgeving van het Jal-terrein zijn er geen planonderdelen die vallen binnen het Natuurnetwerk Brabant. Het naastgelegen terrein de Bergen heeft wel een natuurbestemming. Mede omdat het onbebouwde zuidelijke deel van het Jal-terrein in de huidige, min of meer natuurlijke staat gehandhaafd blijft zijn er geen effecten op dit terrein te verwachten. Bij de verdere planontwikkeling zullen rekening houdend met het besWHPPLQJVSODQµ=XLGHQ:HVW'RQJHQ¶GH landschapswaarden van het onbebouwde zuidelijke gedeelte van het terrein veilig gesteld moeten worden. Daarnaast zal gelet op de inhoud van het µ2PJHYLQJVEHOHLGVSODQ 'RQJHQ -¶ bij de planvorming onder meer minimaal 5 % groenruimte opgenomen moeten worden en wordt behoud van waardevolle bebouwing (in deze situatie is dat de tot Rijksmonument aangewezen grote bakstenen fabriekshal met betonskelet)van groot belang geacht. Bij de verdere planontwikkeling verdienen deze punten nadrukkelijk aandacht.
ä
5. Samenvatting en advies Woningbouwvereniging Casade wil het gebouwencomplex aan de Sint Josephstraat 39-53 te Dongen ontwikkelen of verkopen. Ter voorbereiding van een besluit is aan Verhoeven milieutechniek gevraagd een risico-analyse van de locatie op te stellen. 2QGHUGHHO YDQ ]R¶Q ULVLFR-analyse is een onderzoek naar de natuurwaarden van het terrein en opstallen. Ecologisch adviesbureau de Brabantse wal heeft in dat kader een quick-scan onderzoek flora en fauna uitgevoerd. Deze rapportage is een weergave van het uitgevoerde onderzoek. Ten behoeve van het RQGHU]RHNLVKHWWHUUHLQRSPHL]RZHORYHUGDJDOV¶VDYRQGV(in verband met de vleermuizen) onderzocht en zijn (sporen van) meerdere op grond van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aangetroffen. Op grond van andere bronnen zoals het Natuurloket en verspreidingsatlassen is van een aantal andere soorten geconcludeerd dat ze op of in de omgeving van het terrein kunnen voorkomen. Het gaat om vogels, vleermuizen en wat kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Ten behoeve van de rapportage zijn de gebouwen op het terrein genummerd conform de tekening hiernaast. Zowel in gebouw 5 als gebouw 7 zijn broedende vogels aangetroffen. In gebouw 5 gaat het om de Kauw en de niet wettelijk beschermde verwilderde postduif, en in gebouw 7 om de Kauw en de Pimpelmees.
Rond het terrein zijn foeragerende Gewone dwergvleermuizen aangetroffen en er was tevens sprake van een overtrekkende Rosse vleermuis. Alhoewel dit niet geconstateerd is, is niet uit te sluiten dat de Gewone dwergvleermuis een verblijfplaats heeft in de liftschacht van gebouw 6 en dat de Rosse vleermuis huist in de in minder goede staat verkerende Paardenkastanje en/of Hollandse linde oostelijk van gebouw 5. In ruigtes die aansluiten op de bebouwing en rommelhoekjes in toegankelijke gebouwen kunnen kleine grondgebonden zoogdieren als muizen of Wezel een holletje gemaakt hebben en kunnen uit tuinvijvers afkomstige amfibieën hun hebben. De vos heeft op een drietal plaatsen op het terrein (zie de rode stippen op de naastgelegen tekening) holen die in het verleden afwisselend zijn gebruikt. Op het terrein zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het slopen van een deel van de bebouwing en het herinrichten van het terrein kan negatieve effecten hebben op wel beschermde vogels, vleermuizen; grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën en overigens ook op de niet beschermde verwilderde postduiven. Een deel van de effecten is te voorkomen door sloop- en snoei- c,q. kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Verder is het van belang om bij de uitvoering zorgvuldig te handelen en eventueel aangetroffen dieren de gelegenheid te bieden weg te vluchten.
Voor de verwilderde postduiven is het wellicht nodig ze op een moment dat ze niet broeden of geen niet-vliegvlugge jongen verzorgen te verstoren en/of te verjagen. Voor de vos is het gewenst de twee meest westelijk gelegen holen met afschermende beplantingen in een nieuwe situatie te vrijwaren van mogelijke verstoringen. Door zorgvuldig te werken en de voorgestelde mitigerende maatregelen uit te voeren wordt ook invulling gegeven aan de algemene zorgplicht die er op grond van de wet natuurbescherming is. Voor het vaststellen van mogelijk gebruik van opstallen of bomen door Gewone dwergvleermuis en Rosse vleermuis is aanvullend onderzoek nodig.
å
2
Bijlagen
åä
Bijlage 1 Tabel broedgegevens van vogels Overzicht broedgegevens vogels. Het gaat om gemiddelden die o.m. samenhangen met weesomstandigheden. Zo kan een vogel eerder beginnen of later stoppen met broeden en al of niet toekomen aan vervolglegsels. V
!"#$
B!au+ B
#
b#
iger
#
)5+a!u+
B)$
*!'
B,9!
*
)*a) #
B,9#u'&
, #
'
#'%
-juni
-juli
ha!7 ,
'
-juni
')% a&#'! #
B"u'! Bu'5
%&
,aa#$
a&#'!
-juli
,aa#$
#%
-juni
')% ,aa#$ ,aa#$
Gaa'
ha!7 a&#'! a)"
G#au+
#5+a!u+
specht
-juni
-juni
),u"
!"
aa)$a! 3
/
4
-
8
- ./0
:
-5 -6 -7
/
-9 : -8
-
3
-
/
- ./0
3
-
8
-4 -7
-
8
-7
-
/
-4 -4
'
#
)
u'$b# /3 -4 -/
-27 -16 -13
-14 -4-16 -3
/: /<
-29 -31
-;
-25 -18
/<
-30
/3
-
-juni
-
3
-5
-8
-16
-aug
/
4
-5
-/
-15
3 .40
/
/ .30
4
/
')% a&#'! ,aa#$
Hu$%u'7
"
- ./0
-3 4 -6 8 -6
-juli a&#'! -juni ha!7 a&#'!
G#u$$ H
'
a&#'!
b)$
G#$
')% ,aa#$ ha!7 ,
)!')
G#
-juni
-juni -mei
Fuu$
G'
-juli
aa)$a! !
-sep
-17 -3-14 -4-16 -:
-17 -3-14 -3-15 -8
%
) ') %a
)
u'$*!' 4/ /6 -4
-26 -;-19
/4
/
8 -42
4= /=
-40 -14 /6-22 3<
-3
= -4
-15
-29 -18 -<-21
/;
Hu'"5+a!u+
/ .30
-6 4 -5
Kau+
a&#'!
-juni
-
4
-6
-<
-19
/<
-32
K
#9u'!
a&#'!
-aug
/
/
-4
/<
-29
/<
-29
K'
*'$
ha!7 ,aa#$
- ./0
4
/-
=
,aa#$
-
8
3:
-
K!,
"
/
-5 -7 < -12
M
$
')% ,aa#$
-juli
/ .30
;
-10
/-
-24
=
')% ,aa#$
-juli
/ .30
4
-5
-3
-15
-4
')% ,aa#$
-
4
33
34
')% ,aa#$
/
;
-3
-:
M
!5+aa)
#9 #
! *aa#
O'
!,
P',&
"
>a)"u'!
-juli -juli ha!7 ,aa#$-juli -mei
9
,aa#$
>%b#"$
a&#'!
-juli
a&#'!
-juli
>
S@h!
S$
9"$
#
u+
S&#
ha!7 a&#'!
)u'!
a&#'!
T#
)*a!9
Tu#
!uu#
Tu#9"
!
V')9 Wa$
#h
)
W'!%
)%
W')$
#9)')
Za)!'A"$
#
Z+a#$
9#aa'
Z+a#$
#%"$aa#$
Z+a#$9&
-juni
')% a&#'! a&#'!
$#$
-juni -juni
-juni
-sep a&#'! -juli a&#'! -aug ha!7 7
,aa#$
b
-aug
ha!7 a&#'!
-juli
- ./0
-5 -12 4 -6
-15
-36 -17 /4-25
-
3
-5
-;
-18
/?
8
-7
-3
-14
<
-
3
/;
=
/
8
-/
/-
-
-4 -8 4 -7
-
4
/;
-
4
/3
/ .30
/
/
-3 4 -6 : -10
-17 ---14 /--22
=
/
-7
-29 -13 /8-28
/4
-22 -25
-30
/<
-30
-25
=
-8
-19 -4-15 -:
- ./0
<
-15
/3
-24
=
8
-7
-8
-16
-3
- ./0
4
/
-juli
/
4
-
-6
-30
-10
/
-5 3 -5 8 -7
ha!7 a&#'!
-34 -14 /:-29
-2 -;-18
/
-juli ,aa#$-juni ha!7 a&#il-juli a&#'!
-26 -37 -3-14
-:
-juni -mei ')% ,aa#$-juli
K)bb
-14
-14 -<-19 -3-14
-16 38-36 -3-14
-/
-/
-3
)
-21 -15
-aug ha!7 , ' -aug ')% ,aa#$
Hu'",u"
) ') %a
-44
-/
åå
Bijlage 2
Geraadpleegde bronnen
o
Websiteministerie van EL&I
o
Website RAVON
o
Website Ruimtelijkeplannen.nl
o
Website gemeente Dongen
o
Inventarisatie bomen Jal-locatie Dongen Btl bomendienst jan. 2016
o
Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant RAVON J. van Delft en W. Schuitema mei 2005
o Atlas van de Nederlandse Zoogdieren Zoogdiervereniging S. Broekhuizen e.a. 2016 o Veldgids diersporen KNNV uitgeverij A. van Diepenbeek 1999
åæ