Bijl7- 25-63 Ecologische quickscan
Tekst van het document
Natuur
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Groenstraat 8 Dongen Rapportnummer: 2024-BE-0492 In opdracht van: Van Dun Advies Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2024-BE-0492 Opdrachtgever Van Dun Advies Contactpersoon De heer M. Leeijen Locatie Groenstraat 8 Dongen Auteur Frenk van de Wal Opleverdatum 3 juni 2024
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 1.2 Doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling .......................................................................................................... 4 1.4 Criteria................................................................................................................................... 4 1.5 Geldigheid onderzoek........................................................................................................... 5
2.
BELEIDSKADER .............................................................................................................. 6 2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 2.2 Soortenbescherming ............................................................................................................ 6 2.3 Bescherming van houtopstanden ........................................................................................ 8 2.4 Zorgplicht .............................................................................................................................. 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................... 9 3.1 Ligging plangebied ............................................................................................................... 9
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN .......................................................................... 13 4.1 Bureauonderzoek ............................................................................................................... 13 4.2 Veldonderzoek .................................................................................................................... 14 4.3 Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 14
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN .............................................................................. 18 5.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 18 5.2 Soortenbescherming .......................................................................................................... 19 5.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 26
6.
RESULTATEN EN ADVIES ............................................................................................. 27 6.1 Resultaten ........................................................................................................................... 27 6.2 Advies en aanbevelingen .................................................................................................... 27
7.
BRONNEN ................................................................................................................... 30
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
SAMENVATTING
Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming van het plangebied aan de Groenstraat 8 te Dongen te wijzigen. Het aantal kampeerplaatsen zal worden uitgebreid van 25 naar 35. Op 5 van deze plaatsen zullen in de toekomst mogelijk chalets worden gezet. Daarnaast wordt een nieuwe parkeerplaats gerealiseerd. De bestemming wordt gewijzigd van ‘agrarisch bedrijf’ naar ‘recreatie-verblijfsrecreatie’. Bij deze werkzaamheden is de opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. Omdat overtreding van de Omgevingswet in het kader van ecologie op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan in het plangebied in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied.
Het te bebouwen gedeelte betreft huidig een weide voor kleinvee. Het te bebouwen oppervlakte bestaat uit gazon en huidige kampeerplaatsen. Er is geen bebouwing aanwezig en er wordt derhalve niks gesloopt. Er worden geen bomen gerooid of vegetatie verwijderd. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Frenk van de Wal Brabant Eco Mei 2024
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies is het voornemen om in het plangebied aan de Groenstraat 8 te Dongen de bestemming te wijzigen van ‘agrarisch bedrijf’ naar ‘recreatie-verblijfsrecreatie’. Het aantal kampeerplaatsen zal worden uitgebreid van 25 naar 35. Op 5 van deze plaatsen zullen in de toekomst mogelijk chalets worden gezet. Daarnaast wordt een nieuwe parkeerplaats gerealiseerd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Omgevingswet. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied en directe omgeving in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Ingeschat wordt of er binnen het invloedsgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloeden kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving.
Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o De uitkomsten en vervolgstappen van het natuuronderzoek zijn te begrijpen voor de opdrachtgever. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
1.5 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
2. BELEIDSKADER
De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van ruim 160 beschermde natuurgebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) om bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd (artikel 5.1 Omgevingswet). Het is verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die een externe werking kunnen hebben op de gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en ecologische verbindingszones dat helpt te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)’ en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl artikel 7.8). Bij activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven.
2.2 Soortenbescherming De Omgevingswet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of omgevingsvergunning. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. o Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
2.2.1 Vogelrichtlijnsoorten De Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om voor deze vogels een ‘voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen’. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels in heel Nederland.
2.2.2 Habitatrichtlijnsoorten De Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden. Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitats en wilde planten- en diersoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.
2.2.3 Andere soorten De nationaal beschermde soorten, ‘andere soorten’, staan vermeld in bijlage IX van het Bal. Dit zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet vermeld zijn in de Europese richtlijnen en verdragen. Het betreft een limitatieve lijst van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan voor die soorten geen omgevingsvergunning nodig. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten art. 11.37 Bal
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten art. 11.46 Bal
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermd) art. 11.54 Bal
Lid 1a: Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlange I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1b: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Lid 1b: Het is verboden dieren als bedoeld onder a opzettelijk te verstoren.
Lid 1b: Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Lid 1c: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder a te rapen en deze onder zich te hebben.
Lid 1c: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te vernielen of te rapen in de natuur
Lid 1d: Het is verboden vogels als bedoeld onder a opzettelijk te storen.
Lid 1d: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a te beschadigen of te vernielen.
1c: Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Lid 1e: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel: Verbodsbepalingen beschermingsregimes Omgevingswet
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
2.3 Bescherming van houtopstanden Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De belangrijkste elementen met betrekking tot de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herbeplantingsplicht en de specifieke zorgplicht. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite wanneer de rijksregels (artikel 11.3 Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap met een oppervlakte van meer dan 10 are of wanneer die bestaan uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Er zijn uitzonderingen (artikel 11.111, Bal). De provincie is het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht van de regels over houtopstanden en bepaalt welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken en niet eerder dan 1 jaar voor het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal). In sommige gevallen is niet de provincie maar de minister van LNV het bevoegd gezag. Dat is het geval als het vellen van houtopstand of herbeplanten een activiteit van nationaal belang is of daarmee samenhangt.
2.4 Zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.8 Omgevingswet). Dit houdt in dat overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is niet van toepassing als er een specifieke zorgplicht geldt of er specifieke decentrale of rijksregels zijn. Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Voor bijna alle activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt een specifieke zorgplicht. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Er geldt een specifieke zorgplicht voor onder andere flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal), Natura 2000-gebieden (artikel 11.6 Bal) en houtopstanden (artikel 11.16 Bal). Een specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
De specifieke zorgplichten gelden ook als er gedetailleerde rijksregels voor een activiteit zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Groenstraat 8, ten westen van de kern van Dongen. Dongen is een dorp behorende tot de gelijknamige gemeente in de provincie Noord-Brabant. Ten zuidwesten van het dorp ligt natuur- en recreatiegebied De Duiventoren. Het plangebied is gelegen aan de Groenstraat in het buitengebied van Dongen. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Dongen
Satellietfoto omgeving plangebied, plangebied is rood omcirkeld. Bron: Google Earth.
3.2 Huidige situatie invloedsgebied Het plangebied bestaat uit een minicamping, met gras, verharding, struiken en bomen. Het invloedsgebied bestaat verder uit bedrijfsbestemmingen en agrarische percelen vooral bestaande uit weilanden. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Globaal omlijnd plangebied in blauw. Bron: Google Earth.
Globaal omlijnd plangebied in blauw. Beoogde locatie chalets in rood. Bron: Google Earth.
3.3 Voorgenomen ontwikkeling Het initiatief bestaat uit een bestemmingswijziging van het plangebied aan de Groenstraat 8 te Dongen. Het voornemen is om de bestemming te wijzigen van ‘agrarisch bedrijf’ naar ‘recreatie-verblijfsrecreatie’. Het agrarisch bedrijf is beëindigd en de wens is om de recreatieve nevenactiviteit als hoofdactiviteit op de locatie voort te zetten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 In het plangebied bevinden zich een bedrijfswoning en een voormalig agrarisch gebouw. In dit gebouw bevinden zich de sanitaire voorzieningen en fietsenstalling en is tevens een mantelzorgwoning aanwezig. Daarnaast is er sprake van een orangerie en is er ruimte voor 25 kampeerplaatsen. Het voornemen is om 1 recreatie-appartement boven de bestaande mantelzorgwoning te realiseren. Het aantal kampeerplaatsen zal worden veranderd van 25 naar 35. Op 5 van deze plaatsen worden in de toekomst mogelijk chalets geplaatst. Ook wordt er een nieuwe parkeerplaats aangelegd. Het geheel zal landschappelijk ingepast blijven en worden uitgebreid.
Bestaande situatie. Bron: Van Dun Advies
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Beoogde situatie. Bron: Van Dun Advies
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Omgevingswet. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Omgevingswet voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten zijn potentieel aanwezig in het invloedsgebied van de beoogde ingreep? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Omgevingswet ten aanzien van het onderdeel ecologie overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving. Het is een momentopname en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, als nationaal. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van het plangebied gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), zie bijlage 1, aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a.
gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
4.2 Veldonderzoek Op maandagochtend 9 januari 2023 hebben Ecologen Emma Heeren en Frenk van de Wal in het kader van het natuurwaardenonderzoek het veldonderzoek uitgevoerd aan het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt met een zuidwestenwind, windkracht 3 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 7 graden Celsius. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van het invloedsgebied in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. In het plangebied en omgeving is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
4.3 Beschrijving plangebied Ten noordwesten van Dongen, in het buitengebied, bevindt zich het plangebied gelegen aan de Groenstraat. In de nabije omgeving bevinden zich burgerwoningen en agrarische bedrijven. Het plangebied is voorzien van een woonhuis met een aangebouwde werkschuur, parkeergelegenheden en een camping. Het woonhuis grenst aan de groenstraat met aan beide zijden (noord en zuid) een verharde parkeerplaats van betonklinkers, grit en graskeien. Het woonhuis wordt omgeven door een gecultiveerde tuin, omheind met beukenhagen. Het huis bestaat uit bakstenen muren met een pannendak.
Woonhuis met aangebouwde voormalige bedrijfsschuur
Een van de twee parkeergelegenheden
Direct achter het huis bevindt zich een aangebouwde bedrijfsschuur, de bedrijfsschuur is een voormalige werkplaats voor het verwerken van hortensia’s. Het gebouw beschikt over sanitaire voorzieningen, een fietsenstalling en beschikt over een mantelwoning. Ten zuiden van dit gebouw bevindt zich een overkapping
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 met zit gelegenheden en een eekhoornverblijf. De schuur bestaat uit bakstenen muren en een geïsoleerd dak met sandwichpanelen.
Overkapping achterzijde schuur met sanitaire voorzieningen
Achter de schuur bevindt zich een dierenweide, begraasd door ezels en varkens. Tussen de bedrijfsschuur en de weide bevindt zich een rij aangeplante linden bomen, achter de ezelweide bevindt zich een elzenhaag. Achter deze elzenhaag bevindt zich een orangerie. Een kas voorzien van verschillende groente en fruit en begroeid met druiventrossen. In de orangerie bevindt zich ook een volière met tropische vogels en kanaries en een zitgelegenheid.
Dierenweide
Orangerie
Verder bevinden zich in het plangebied een rij appelbomen, notenbomen, asperges, esdoorns en gemengde hagen van onder andere liguster, beuk en meidoorn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Graskeien en een gemende haag
Asperges en appelbomen
Het overige gedeelte van het plangebied is in gebruik als camperstaanplaatsen voor de camping. Recreanten kunnen hun camper plaatsen op een worteldoek, welke in het gazon verwerkt is. Tevens is elke staanplaats voorzien van een watervoorziening. Centraal van de staanplaatsen bevinden zich kinderspeeltoestellen en ten zuidoosten een vijver. De vijver is voorzien van vissen en amfibieën en beschikt over een wand met een nestplaats, geschikt voor een ijsvogel. Verder zijn er meerdere vogelnestkasten te vinden, verspreid over het plangebied. Ten noordoosten bevindt zich een nestkast van een torenvalk. Tijdens veldobservatie zijn er meerdere vogelsoorten geobserveerd, zoals de torenvalk en de winterkoning. Tot slot is het plangebied rondom voorzien van erfbeplanting. Het perceel gelegen achter het plangebied is voorzien van een kikkerpoel.
Campeerplaats met speeltoestellen en natuurvijver
In het rood omcirkeld een nestkast van een torenvalk
Erfgrens met erfbeplanting, sloot en knotwilgen van het buurtperceel
Het gehele plangebied is aangeplant met subsidie en onder begeleiding van de stichting Het Noordbrabantse Landschap. Dit onder de regels van aanleg kansschappelijke beplanting.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Planning houtsingel/bosje/haag/bomenrij en boomgaard.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 5,5 kilometer afstand van noordoostelijk gelegen gronden behorend tot Natura 2000 gebied Langstraat. Op ongeveer 9,5 kilometer afstand naar het noordwesten ligt Natura 2000 gebied Biesbosch en oostelijk op 10 kilometer Natura 2000 gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in blauw aangegeven.
Minimaal 5,5 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000-gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Natura2000.eea.europa.eu
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000-gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten. Een Aerius-berekening kan dit staven.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 800 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNN-gebieden in bruine kleur.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
Minimaal 800 meter tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuurnetwerk Nederland-gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aantasting van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
5.2 Soortenbescherming Bijlage 1, project Groenstraat met nummer BE-0492 d.d. 28 mei 2024 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Bijlage 2 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 3 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten.
Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
5.2.1 Flora Volgens de NDFF is er de laatste vijf jaar geen beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Veldbezoek flora Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het plangebied bestaat naast de bebouwing en verharding uit een gecultiveerde tuin met veel gazon, meerdere gemengde hagen, vele bomen en talrijk groen. Van de ezelweide naar de kas is de grond verhard met graskeien. Graskeien of grasbeton is een bestratingsmateriaal waarmee bestrating op een creatieve manier ecologisch wordt ingericht. Deelconclusie flora Het plangebied bestaat naast de bebouwing en verharding uit grasveld en biedt vanwege de inrichting, het beheer en gebruik geen geschikt habitat voor beschermde plantensoorten.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 10 zoogdiersoorten aangetroffen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 6 vleermuissoorten, 2 marterachtigen en 2 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Vleermuissoort
Afstand plangebied 0-2 km
Habitat en bescherming
Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis
0-2 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
0-2 km
Vooral bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis
0-2 km 0-2 km 0-2 km
Vooral bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Gewone dwergvleermuis
Vooral bebouwing, strikt beschermd
Verblijfplaatsen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gedaan. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen normaal aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. Binnen het plangebied kan het woonhuis eventueel geschikt zijn voor het voorzien van verblijfplaatsen aan vleermuizen. Het woonhuis beschikt over een pannendak met spouwmuren. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. De erfbegroeiing rondom het plangebied biedt lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
Deelconclusie vleermuizen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig voor deze soortgroep. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Das Wezel
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Veldbezoek marterachtigen De ruigte langs de erfbegroeiing zouden schuilplaatsen of foerageergelegenheden kunnen herbergen voor kleine marterachtigen zoals de bunzing of wezel. Doordat de bestaande houtwallen en verdere vegetatie in en rond het plangebied behouden zullen worden, zullen er altijd rustige hoekjes met dekking aanwezig zijn waar de dieren heen kunnen vluchten.
In de nieuwe situatie blijven deze schuilhoekjes en vegetatie bestaan en door de landschappelijke inpassing en zal het leefgebied van de kleine marterachtigen verbeteren.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Deelconclusie marterachtigen In de nieuwe situatie blijven deze schuilhoekjes en vegetatie bestaan en door de landschappelijke inpassing en zal het leefgebied van de kleine marterachtigen niet verslechteren. Het plangebied is daarom geen essentieel onderdeel van de leefomgeving van marterachtigen en de werkzaamheden hebben geen negatief effect op aanwezige soorten. Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Bever Eekhoorn
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd
Bever In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig. Vrijgestelde soorten Volgens de gegevens uit de NDFF komen in de omgeving van het plangebied de egel, haas, konijn, rosse woelmuis en wild zwijn voor. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie NoordBrabant tot de vrijgestelde soorten.
Voor alle in het wild levende dieren geldt de algemene zorgplicht. Veldbezoek overige grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is gebleken dat het aannemelijk is dat er vrijgestelde soorten aan de randen van het plangebied kunnen worden aangetroffen, zoals egel, mol, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deelconclusie overige grondgebonden zoogdieren Het is uit te sluiten dat het plangebied essentieel onderdeel is van de habitat van overige grondgebonden zoogdieren. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492
5.2.3 Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Beschermingscategorie* en habitat 4, boombewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, boombewonend 4, boombewonend 1, gebouwbewonend 4, boombewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk va n bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest. Op de planlocatie is het woonhuis de enige plaats kunnen zijn waar een gierzwaluw zich zou kunnen nestelen als deze in een meer bebouwde omgeving zou staan. De woning blijft zoals deze is dus blijft ook deze eventuele biotoop bestaan. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Binnen het plangebied ontbreekt het volledig aan geschikte ingangen voor uilen om nestplaatsen te vinden. Tijdens het veldbezoek is er uitgekeken naar sporen van aanwezigheid van kerkuil en steenuil zoals braakballen, krijtsporen tegen muren of rui veren. Er zijn geen sporen van aanwezigheid van uilen aangetroffen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van Huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de Huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien. Het pannendak van het woonhuis zou eventueel geschikt kunnen zijn voor nestelende huismussen. Hiervan zijn echter geen aanwijzingen gezien. De foerageermogelijkheden en eventuele nestmogelijkheden ter plekke voor de huismus zullen naar verwachting niet afnemen met de beoogde ontwikkeling. Het woonhuis met tuin en hagen zullen immers geschikt blijven voor de huismussen. Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen.
De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. De natuurvijver, het vele groen en de agrarische omgeving biedt mogelijke biotopen aan deze vogelsoorten. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. In het plangebied is geen bos of open vlakte aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen. Het is dus uit te sluiten dat het plangebied onderdeel is van de habitat van een boom bewonende roofvogelsoort. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Er is voor de slechtvalk geen geschikte habitat aanwezig in het plangebied.
Tijdens veldobservatie is er binnen het plangebied een torenvalk waargenomen. Deze maakt volgens bewoner gebruik van de nestkast ten zuidoosten van het plangebied. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen. (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn uit deze categorie geen nesten in bomen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn geen bomen met geschikte holtes aanwezig. Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn vele mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. Er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. Met de beoogde herontwikkeling en de bijbehorende robuuste landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen nest- en foerageergelegenheid voor overige tuin, - en struweelvogels toenemen.
Conclusie Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin, bomen en hagen bieden schuil- en foerageer mogelijkheden voor
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
24
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 meerdere vogelsoorten. Als het verwijderen van deze bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als duif en merel is bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. De planlocatie was visueel goed te onderzoeken.
5.2.4 Amfibieën, vissen, reptielen Amfibieën, reptielen en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid reptielen en amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën en reptielen om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. De soorten die volgens de ndff de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Levendbarende hagedis
Afstand plangebied 2 km
Soortgroep en bescherming Reptielen, beschermd
De levendbarend hagedis heeft een voorkeur voor heide en hoogveen maar komt ook voor in bossen, ruige graslanden, bermen van (spoor)wegen en een beperkt gedeelte van de duinen. Het plangebied beschikt over een natuurvijver en een sloot (ten zuiden). Tijdens het veldonderzoek zijn er geen levendbarende hagedissen, vissen of amfibieën waargenomen, maar de aanwezigheid van deze (beschermde) soorten is niet uit te sluiten. Soorten zoals de bruine kikker of gewone pad kunnen voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn, worden ze niet bedreigd in hun voorkomen en staan ze vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.2.4 Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar geen waarnemingen van libellensoorten of nachtvlindersoorten. Er zijn 2 dagvlindersoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort Grote vos
Afstand plangebied 2 km
Kleine ijsvogelvlinder
2 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Soortgroep en habitat Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: Iep, kers en wilgen Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wild kamperfoelie
25
Ecologische quickscan Groenstraat 8 Dongen, BE-0492 Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is een mobiele vlinder, die bij warm weer over grote afstanden kan zwerven. Komt voor in gevarieerde, vochtige, gemengde bossen of loofbossen zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden.
Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. Deelconclusie vlinders en libellen In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden.
5.2.5 Ongewervelden In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen. Het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Het voorkomen van (beschermde) amfibieën, reptielen, vissen kunnen niet worden uitgesloten. De sloot en de natuurvijver blijven behouden en worden niet veranderd. De beoogde werkzaamheden worden op een relatieve afstand uitgevoerd en lijken hierdoor geen negatieve effecten te bieden op de genoemde soorten. Indien graafwerkzaamheden dichtbij de sloot of natuurvijver worden uitgevoerd is het advies buiten de overwinteringsperiode van de soorten te werken. Dat betekent dat de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode half april tot half oktober. Deelconclusie ongewervelden Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden.