CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl5b- 24-25 Tichelrijt Zuid Bijlagen bij de toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 18 april 2024, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 24-25 Vaststellen Bestemmingsplan Tichelrijt Zuid20.681 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Tichelrijt Zuid Dongen

DATUM IMRO IDN

26-02-2024 NL.IMRO.0766.BP2023000090-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER

Steenstraat fase 1 Tichelrijt zuid Dongen J.C.C.M. van Jole

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

De Bunte Vastgoed Zuid B.V. 20230237

AUTEUR STATUS

H.A.Q. Maas vastgesteld

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Gebiedsvisie Tichelrijt Zuid

7

Bijlage 2

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

27

Bijlage 3

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019

45

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

73

Bijlage 5

Watertoets

167

Bijlage 6

Memo stikstofdepositie

205

Bijlage 7

AERIUS-projectberekening aanlegfase

221

Bijlage 8

AERIUS-projectberekening gebruiksfase

231

Bijlage 9

Quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming

241

Bijlage 10

Verslag omgevingsdialoog

271

Bijlage 11

Nota van zienswijzen

285

Bijlage 12

Lijst van wijzigingen

289

3/290

4/290

Bijlagen bij de toelichting

5/290

6/290

Bijlage 1

7/290

Gebiedsvisie Tichelrijt Zuid

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID | GEMEENTE DONGEN

DATUM: december 2022 PROJECT: Gebiedsvisie Tichelrijt Zuid - Dongen OPDRACHTGEVER: De Bunte Vastgoed PROJECTNUMMER: 220210994 STATUS: Definitief

RHO ADVISEURS - Rotterdam Weena 505 (Delftse Poort) verdieping 36 3013 AL Rotterdam info@rho.nl 010 2018555

INHOUD 1. INLEIDING 5 2. ANALYSE 7 3. RUIMTELIJKE UITGANGSPUNTEN 9 4. RICHTLIJNEN BEBOUWING 11 5. RICHTLIJNEN OPENBARE RUIMTE 15 6. INSPIRATIE DUURZAAMHEID EN ENERGIE

16

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

3

LIGGING

Plangebied

4

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

1. INLEIDING Aanleiding Het bedrijventerrein Tichelrijt aan de zuidzijde van Dongen ligt tussen het Wilhelminakanaal en de Steenstraat welke in principe de grens naar het landelijk gebied ten zuiden daarvan vormt. Het betreft een gemengd bedrijventerrein met kavels en bedrijfsbebouwing van verschillende maat en schaal. In de zone langs het kanaal liggen vooral grotere bedrijven met een aandeel buitenopslag. De rand aan de zuidzijde bestaat momenteel uit een deel bedrijfsbebouwing tussen de Steenstraat en het golfterrein. Deze strook loopt tot het verlengde van de Textielstraat (Zandeweg en entree golfterrein). Ten oosten van de entree is recent een nieuwe bedrijfsbestemming mogelijk gemaakt (bedrijf Hoppenbrouwers). De rest van deze strook tussen Steenstraat en het golfterrein is nog als agrarische grond in gebruik. Ruimtelijk is het logisch om het bedrijventerrein langs deze rand af te ronden met kleinere bedrijfskavels op een wijze zoals dat aan de westkant is gerealiseerd en in aansluiting op de kavel van Hoppenbrouwers.

welke fasering wij hierbij voor ogen hebben. Deze visie betreft de gehele zuidrand. Voor de ontwikkeling wordt nu eerst ingezet op de ontwikkeling van het eerste deel (fase 1) met een oppervlakte van circa 1,65 ha aan uitgeefbare grond. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beknopte verkenning van de locatie gedaan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de stedenbouwkundige visie op de rand en de indeling van het terrein. Vervolgens worden de uitgangspunten voor ontwikkeling beschreven. Dit zijn zowel een set stedenbouwkundige uitgangspunten als beeldkwaliteitsrichtlijnen die dienen als inspiratie voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsbebouwing en de inrichting van kavels. Dit document geeft de visie op de ontwikkeling van de zuidrand van het bedrijventerrein. Uiteindelijk kan in meerdere fasen de planologische inbedding en uitgifte plaatsvinden waarbij de kavel aan westzijde als eerste kan worden ontwikkeld.

Vanaf deze nieuwe kavel langs de Steenstraat kunnen in verschillende fases kavels worden toegevoegd. In deze visie wordt aangegeven op welke manier de rand van het bedrijventerrein kan worden vormgegeven en

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

5

Ruimtelijke analyse en faseringsvoorstel LEGENDA A

Reeds bestemde bedrijfskavel

B

Uitbreiding fase 1 en fase 2

C

Golfterrein

D

Agrarisch gebied

E

Ecologische verbindingszone

A

Ste

ens

E

tra

at

B

Vierb

unde

C D

Gem

een

Gem

een

te D

te G

ilze

ong

en

en

Rije

n

Natuur Netwerk Brabant 6

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

Globaal faseringsvoorstel

rswe

g

2. ANALYSE OPZET BEDRIJVENTERREIN Het bedrijventerrein Tichelrijt is een gemengd bedrijventerrein. Het gebied aan de zuidzijde van het Wilhelminakanaal bestaat uit Tichelrijt 1 en Tichelrijt 2; het plangebied maakt onderdeel uit van Tichelrijt 1. Dit terrein is ongeveer 85 ha groot en er zijn zo’n 70 bedrijven gevestigd. Meer dan de helft van de bedrijven heeft een nationale maar zelfs ook een internationale afzetmarkt. Het merendeel van de bedrijven valt onder de sectoren bouwnijverheid en groothandel. Enkele bedrijven in de noordwesthoek zijn watergebonden. Voor het overige ligt er een groene dijk met een wandel/fietspad langs het kanaal. Daarachter liggen bedrijven van verschillende maat en schaal waarbij clusters te herkennen zijn. Zo liggen aan de Industriestraat en De leest veel grote percelen met buitenopslag. Rond De Els/De Slof/Danielsweg liggen bijvoorbeeld kleinere kavels die later zijn ontwikkeld. Het hele terrein wordt primair ontsloten vanaf de Steenstraat/Vierbundersweg. Vanaf deze lijn worden clusters bedrijven met inprikkers intern ontsloten. Nieuwe aansluitingen kunnen worden gemaakt op de rotonden van de Steenstraat/Vierbundersweg. Op die manier wordt het doorgaande fietspad niet op meerdere plekken doorbroken en worden geen nieuwe ontsluitingen direct op deze lijn gemaakt.

ONTSLUITING De ontsluiting van een nieuwe ontwikkeling aan de zuidzijde kan logisch worden doorgezet. De onlangs gerealiseerde bedrijfskavel heeft een ontsluitingsweg aan

de zuidzijde. Deze kan worden doorgetrokken langs het golfterrein. MAAT EN SCHAAL De bedrijven langs de zuidrand zijn beperkt van maat en schaal en de bouwhoogte is maximaal 15 m. Om de overgang te maken met het aanliggende landschap is het logisch om deze schaal min of meer door te zetten. Dit betekent kavels van maximaal 5000 m2 en ook hier een bouwhoogte tot 15 m. De gemeente heeft de beleidsvrijheid om hier (door middel van een goede argumentatie) van af te wijken. LANDSCHAP EN OVERGANGEN Het landschap aan de zuidzijde van het bedrijventerrein bestaat uit een reep agrarische gronden van ca. 100 m diep en daarlangs het golfterrein. De rand van het golfterrein bestaat uit opgaand groen, aangeduid als ecologische verbindingszone (Natuur Netwerk Brabant). Vanaf de Steenstraat wordt het terrein hiermee ook reeds al aan het gezicht ontrokken. Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsgronden is het gewenst om landschappelijk rekening te houden met de aanwezige groene NNB-zone tussen de beoogde bedrijfsgronden en het golfterrein. Wanneer in een latere fase voorbij het golfterrein de zuidrand verder wordt ontwikkeld is het van belang dat deze ecologische verbindingszone wordt doorgetrokken zodat een eenduidig groen beeld ontstaat vanuit zuidelijke kijkrichting over het agrarisch landschap.

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

7

Steenstraat westzijde

Stedenbouwkundige randvoorwaarden

8

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

Steenstraat ter hoogte van plangebied

Vierbundersweg

3. RUIMTELIJKE UITGANGSPUNTEN BEDRIJVENTERREIN De nieuwe bedrijfslocaties langs de Steenstraat/ Vierbundersweg worden ontwikkeld als onderdeel van het gemengd bedrijventerrein met verschillende te verkopen kavels. Het vormt daarmee een nieuwe toevoeging aan het bestaande bedrijventerrein Tichelrijt, en sluit qua maat en schaal aan op de eerder ontwikkelde bedrijven aan de zuidrand. Op termijn kan het bedrijventerrein aan de zuidzijde hiermee op een eenduidige wijze worden afgerond. ONTSLUITING Het nieuwe deel wordt efficiënt ontsloten via een bedrijvenstraat vanaf de Zandeweg in het verlengde van de laatst ontwikkelde kavel aan de zuidrand. De bedrijfsstraat ligt langs het golfterrein. De kavelentrees van de bedrijven liggen dan ook aan de zuidzijde (en niet aan de Steenstraat). Wanneer de volgende fasen worden ontwikkeld kan een lus worden afgerond door de aansluiting op de volgende rotonde(s) in de Steenstraat. Nieuwe kavels kunnen afhankelijk van de kavelomvang per kavel worden ontsloten of (in geval van een dubbele verkaveling met kleine kavels) via een gedeelde ontsluiting op de verlengde bedrijfsstraat. Het benodigde parkeren wordt zoveel mogelijk aan de zuidzijde van de gebouwen opgelost. KAVELS De uit te geven bedrijfskavels zullen een oppervlakte krijgen tot 5.000 m2. Gemeente kan hier eventueel gemotiveerd van afwijken.

De bouwvlakken van de bedrijfskavels mogen voor 70% worden bebouwd.

ORIËNTATIE EN OVERGANGEN De nieuwe bedrijfsgebouwen worden duidelijk op de Steenstraat georiënteerd als belangrijke doorgaande verbinding. De kavelentree ligt aan de zuidzijde van de kavels, maar nieuwe bebouwing presenteert zich naar de Steenstraat door voldoende openheid in de gevel (denk hierbij aan kantoordeel,(bezoekers)entree, showroom, etc.). De gebouwen staan met de gevel evenwijdig aan of haaks op de Steenstraat. Steenstraat De overgang van Steenstraat naar de bedrijfskavel wordt vormgegeven met een groenstrook waarin de bestaande watergang langs het fietspad gehandhaafd blijft. Achter de watergang ligt de bedrijfsperceelsgrens. Op die manier staan de bedrijven ook echt aan de Steenstraat. Op het voorterrein is eventueel ruimte aanwezig voor groene perceelsinrichting en/of enkele (bezoekers)parkeerplaatsen. De kavels kunnen mogelijk wel bereikbaar worden gemaakt via het fietspad aan deze zijde (dus alleen voor langzaam verkeer). Zuidzijde Langs de golfbaan en in latere fasen langs het agrarisch landschap wordt de nieuwe bedrijfsstraat gelegd. Deze straat heeft een voldoende profiel om ruimte aan vrachtverkeer te bieden samen met een trottoir aan de bedrijvenzijde (zie doorsnede). Tussen de straat en de bedrijfspercelen wordt ruimte gecreëerd ten behoeve van de landschappelijke inpassing.

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

9

GROEN- EN WATERSTRUCTUUR Uitgangspunt is om de bestaande ecologische verbindingszone (Natuur Netwerk Brabant) door te trekken richting oostzijde. Waarbij de zone zowel over grondgebied van de gemeente Dongen als de gemeente Gilze-Rijen wordt gesitueerd. De verbindingszone die op de kaart Interim omgevingsverordening is aangeduid ligt er in praktijk er niet en lijkt niet logisch gezien de kadastrale grenzen. Er dient tevens aandacht te zijn voor een goede landschappelijke inpassing op het grondgebied van de gemeente Dongen, aan de zuidzijde tussen de nieuw aan te leggen Zandeweg en de bedrijfspercelen.

straatbeeld zijn er richtlijnen opgesteld voor de rooilijn: De nieuwe bedrijven komen in één duidelijke rooilijn te staan. Aan de achterzijde kan de bebouwing wel verspringen. Hier is ook de meeste ruimte voor parkeren en manouvreren van vrachtwagens etc. Bouwhoogte In de stedenbouwkundige opzet van het plan wordt de maximale bouwhoogte gerelateerd aan de rest van het bedrijventerrein zodat de nieuwe bebouwing aansluit bij de maat en schaal van het gehele terrein: max.15 m.

Daarnaast wordt tussen de bedrijfsgebouwen voldoende ruimte opengehouden om hier tevens een groene landschappelijke inpassing mogelijk te maken. Deze ruimte kan worden gebruikt voor extra waterberging (naast de nieuwe verlengde watergang langs de Steenstraat). De waterberging dient bij voorkeur centraal (bijvoorbeeld tussen de bedrijven) een plaats te krijgen. Bij de ontwikkeling van de kavel van Hoppenbrouwers is ten behoeve van een efficiënte kavelvorm grond geruild met de gemeente. Daarbij is aan de Steenstraat een deel groen bestemd ten behoeve van een aanwezige bijzondere boom. Deze groene ruimte wordt behouden. BEBOUWING Rooilijn Ten behoeve van een aantrekkelijk en samenhangend Doorzetten van de ecologische hoofdstructuur (groene pijl) 10

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

4. RICHTLIJNEN BEBOUWING BOUWREGELS Rooilijn - Rooilijn bebouwing in lijn met beoogde bebouwing buurkavel Hoppenbrouwers. 2 m tot de overige - De afstand van de gebouwen perceelsgrenzen dient ten minste 3 meter te bedragen.

Vierbundersweg/Steenstraat

15m

3m

3m

Inrit kavel 3m

Bouwhoogte Hoogte van bouwwerken

landschappelijke inpassing Ontsluitingsweg bedrijfskavels

Golfterrein

Hoofdontsluitingsweg

max 70% 10m Verhardingspercentage - Het maximale verhardingspercentage van het kavel bedraagt 80%.

max 70%

buurkavel

Heimanswetering

Bebouwingspercentage - Het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 70 % van het bouwvlak.

eenduidige rooilijn nieuwe bedrijfskavels

5m

- Er geldt een bouwhoogte van maximaal 15 m. - De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m. 2m - Lichtmasten en vlaggenmasten ten hoogste 10 m. buurkavel

Hoogte van opslag - De hoogte van opslag ten behoeve van de bedrijfsmatige activiteiten mag niet meer dan 5 m bedragen. Aan de noordzijde, tussen bedrijfsbebouwing en perceelsgrens, is opslag zeer ongewenst. Kantoorruimte - Van de totale bruto vloeroppervlakte per bouwperceel mag ten hoogste 50% als kantoorruimte worden gerealiseerd met een maximum van 2.000 m2. Hoogte erfafscheiding

- Van erf- en terreinafscheidingen mag de hoogte aan de Steenstraat niet meer dan 1m bedragen en aan de overige zijden niet meer dan 2 m.

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

11

perceel Hoppenbrouwers 15m

FASE 1 10m

FASE 2 Natuur Netwerk Brabant (NNB)

MOGELIJKE VERVOLGFASE

Landschappelijke inpassing aan de zuidzijde en tussen de kavels. Ook ruimte voor watercompensatie (dmv wadi).

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID DONGEN 0

12

20

40

60

100m

Doorzetten NNB

(Exacte verhouding grondgebied nader te bepalen, bijvoorbeeld gedeeltelijk grondgebied gemeente Dongen, gedeeltelijk Gilze-Rijen)

Mogelijke aansluiting op rotonde Vierbundersweg - De Schacht.

Beeldrichtlijnen Oriëntatie

Dubbelzijdige oriëntatie; Primair op de Steenstraat, secundair bij kavelentree aan bedrijfsstraat.

Vormgeving De architectuur van de bedrijven is zakelijk, strak en eigentijds. Gebouwen hebben een heldere evenwichtige gevelopbouw met horizontale en/of verticale lijnelementen.

Hoogwaardige architectuur

Materiaal Eigentijdse uitstraling, plaatmateriaal, staal, glas, baksteen, hout. Kleurstelling Overwegend neutrale kleurstelling met grijstinten en houtkleuren. Voor accenten zijn ook lichte (aard)tinten toegestaan. Dakvorm

Platte afdekking.

Groene inrichting aan voorzijde

Erfafscheiding Aan de voorzijde van het erf (Steenstraat) een haag(beuk) van maximaal 1,0 m hoog, eventueel gecombineerd spijlen hekwerk achter de voorgevellijn. Voor de overige perceelsgrenzen geldt een erfafscheiding van maximaal 2m hoog.

Groene parkeeroplossing

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

13

Reclame-uitingen Integreren in ontwerp pand; Ondergeschikt aan architectonische uitdrukking; Reclame op voorgevel ontwerpen als zelfstandig element, afgestemd in maat, schaal en detaillering op architectuur gebouw. Geen reclame uitingen of naamsduiding boven de daklijn. Opslag Geen opslag aan de zijde van Steenstraat en tussen de bedrijfsgebouwen: opslag aan achterzijde (richtings bedrijfsstraat) is wel toegestaan.

14

Parkeren

Parkeren voor zowel bezoekers als werknemers op eigen terrein realiseren, bij voorkeur aan de achterzijde.

Terreininrichting

Groene inrichting aan de voorzijde (Steenstraat) eventueel gecombineerd met bezoekersparkeren: minimaal 50 % van het terrein tussen erfgrens en voorgevel wordt groen ingericht.

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

5. RICHTLIJNEN OPENBARE RUIMTE

bouwhoogte max 15m

De openbare ruimte op het nieuwe deel van het bedrijventerrein wordt gevormd door de nieuwe bedrijvenstraat met door te trekken Zandeweg.

bouwhoogte max 15m

Voor het profiel en de inrichting van het openbaar gebied wordt aangesloten bij het deel dat reeds is ontworpen. Dit profiel bedraagt ca. 17 m tussen erfgrens en de opgaande rand langs de het golfterrein.

bedrijskavel

ca 10m

2

7

5

landschappelijke inpassing

trott

rijbaan

berm

bedrijskavel

Bewegwijzering, lichtarmaturen en overig straatmeubilair wordt afgestemd met hetgeen als basis op het bedrijventerrein Tichelrijt door de gemeente wordt gebruikt.

golfterrein

ca 10m

2

7

5

landschappelijke inpassing

trott

rijbaan

berm

golfterrein

Principeprofiel bedrijfsstraat tussen bedrijfskavels en golfterrein

Parkeren Er dienen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd voor werknemers én bezoekers. Daarnaast is het ook het uitgangspunt dat vrachtauto’s op eigen bedrijfskavel parkeren en deze zoveel mogelijk uit het zicht zijn vanaf de openbare ruimte.

bouwhoogte max 15m bouwhoogte max 15m

De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte van de verschillende functies van een bedrijf. De gemeente hanteert hierbij de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. berm

7

1,7

3,6

rijbaan

berm

fietspad

min 3m

4,2 groen, water

7

1,7

bedrijfskavel, rooilijn op minimaal 5m

3,6

4,2

min 3m

Principeprofiel voorzijde van de bedrijfskavels aan de Steenstraat berm

rijbaan

berm

fietspad

groen, water

bedrijfskavel, rooilijn op minimaal 5m

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

15

6. INSPIRATIE DUURZAAMHEID EN ENERGIE Dit hoofdstuk Duurzaamheid en energie is bedoeld ter inspiratie, niet als harde eis voor bedrijven. Voor het duurzaam inrichten van het nieuwe deel van het bedrijvenpark zijn er enkele duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. DUURZAAM BOUWEN Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met de duurzaamheid van het gebouw. Enkele manieren waarop duurzaam gebouwd kan worden: • • • • •

16

Hergebruik of gebruik van sloopmateriaal voor nieuwbouw. Milieuvriendelijke materialen gebruiken, zoals hout waarvoor selectief is gekapt (hout uit duurzaam beheerde bossen). Energiezuinig ontwerpen, bijvoorbeeld een gebouw dat evenveel energie gebruikt als het opwekt (energieneutraal), door bijvoorbeeld zonnepanelen. Het intensiever of meervoudig gebruik van gebouwen. Industrieel, flexibel en demontabel bouwen (IFDbouwen) zorgt ervoor dat gebouwen in onderdelen zijn te demonteren, zodat ze geschikt zijn voor hergebruik.

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

DUURZAME INRICHTING EN KLIMAATADAPTIEF KAVELONTWERP Ons klimaat veranderd. Regenval intensiveert en veroorzaakt wateroverlast. De aarde warmt op. Veel bebouwing en weinig groen kunnen ook leiden tot hittestress. Bomen, struiken, gevelgroen, bloemen en kruiden hebben een koelend effect op de intensief bebouwde omgeving. Ze nemen veel hitte weg, dringen het energieverbruik terug en nemen CO2 op voor productie van zuurstof. Daarnaast vertraagt groen de regenwaterafvoer, het is biodiversiteitsverhogend en heeft een positief effect op de gezondheid en het welzijn van mensen. •

Er wordt zoveel mogelijk gewerkt met een open verharding op de ondergrond waardoor de ondergrond het regenwater snel kan absorberen.

•

De groene ruimten op en tussen de kavels kan worden ingericht met een wadi die het water van de verharding kan bergen. In en rond wadi’s groeit beplanting die de biodiversiteit versterkt.

Vergroenen van de kavel

Duurzaam materiaalgebruik

Aandacht voor biodiversiteit op de kavel

Vergroenen van gebouw (daken en gevels)

Vergroenen parkeeroplossing

Wateropvang op de kavel

GEBIEDSVISIE TICHELRIJT ZUID - GEMEENTE DONGEN

17

LEEUWARDEN - ROTTERDAM - DEVENTER - MIDDELBURG - EINDHOVEN

26/290

Bijlage 2

27/290

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

TICHELRIJT ZUID Vormvrije m.e.r.-beoordeling 27 november 2023

DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR

27 november 2023 20230237 Tichelrijt Zuid Dongen ing. J.C.C.M. van Jole De Bunte Vastgoed Zuid B.V. 20230237 ing. H.A.Q. Maas

Rho adviseurs voor leefruimte

20220362

Inhoud

1.

2.

3.

4.

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

4 5 5

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer

Plaats en omvang van het project

6

2.1 2.2

Plaats van het project Kenmerken van het project

6 10

Kenmerken van de milieueffecten

12

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Verkeer en parkeren Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Bodem Water Archeologie Cultuurhistorie Natuur – gebiedsbescherming 3.8.1 Natura 2000 3.8.2 Natuurnetwerk Nederland

12 12 12 13 13 14 14 14 14 14

3.9 3.10 3.11 3.12 3.13

Natuur - soortenbescherming Luchtkwaliteit Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid Aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen

15 15 15 16 16

Conclusie

Rho adviseurs voor leefruimte

17

20220362

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding In lijn met de opgestelde gebiedsvisie is De Bunte Vastgoed Zuid B.V. (hierna: initiatiefnemer) in samenspraak met de gemeente Dongen voornemens om een ontwikkeling van bedrijventerrein op perceel DGN01-G-5039 mogelijk te maken. Voor het perceel is conform de beheersverordening ‘Tichelrijt’ (vastgesteld op 13 oktober 2016) het besluitvlak ‘Agrarisch’ van toepassing. De beoogde herontwikkeling is daarmee in strijd met de geldende beheersverordening. De gemeente Dongen staat echter positief tegenover de ontwikkeling en heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplan opgesteld en zal een planologische procedure doorlopen moeten worden. Toetsingskader Het wettelijk kader bestaat uit de Wet natuurbescherming, Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant, Wet milieubeheer en Besluit milieueffectrapportage. In het Besluit milieueffectrapportage wordt er getoetst of het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. 1. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er de volgende mogelijkheden die zouden kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b.

Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening.

Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. In het Besluit milieueffectrapportage wordt de beoogde ontwikkeling niet genoemd in onderdeel C activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. Ook is voor de ontwikkeling geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en wordt de activiteit niet genoemd in provinciale milieuverordening als aanvulling op het Besluit m.e.r. Er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht.

4/17

In onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling valt de ontwikkeling onder de categorie stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.

1.2 Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten:  de plaats van het project;  de omvang van het project;  de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

1.3 Leeswijzer Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie:  beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project;  licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe;  geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in de bijlagen.

5/17

2. PLAATS EN OMVANG VAN HET PROJECT

2.1 Plaats van het project Het plangebied (circa 16.753 m2) bevindt zich ten zuiden van het bedrijventerrein Tichelrijt I en ten zuiden van de kern Dongen. Het bedrijventerrein Tichelrijt I grenst aan het Wilhelminakanaal en is circa 85 hectare groot. In totaal zijn op dit terrein zo'n 70 bedrijven gevestigd, waarvan meer dan de helft een nationale of zelfs internationale afzetmarkt heeft. De gevestigde bedrijven bieden samen werkgelegenheid aan ongeveer 2.000 mensen. Met name de ligging dichtbij de kern Dongen en de goede aansluiting op het regionale en landelijke wegennet dragen daaraan bij. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1 Ligging en begrenzing plangebied (Bron: Ruimtelijkeplannen)

6/17

Bestaand en goedgekeurd landgebruik Voor het perceel is conform de beheersverordening ‘Tichelrijt’ (vastgesteld op 13 oktober 2016) het besluitvlak ‘Agrarisch’ van toepassing. Gronden worden momenteel voor agrarische doeleinden gebruikt. Er is geen bebouwing of verharding aanwezig. Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Het plangebied is niet gelegen in kwetsbaar en/of gebied met een beschermde status. De ligging van het plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen is weergegeven in figuur 2.1. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Langstraat’ en is gelegen op een afstand van circa 8 kilometer vanaf het plangebied.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS Calculator) Direct ten zuidwesten van het plangebied is het Natuurnetwerk Brabant gelegen (figuur 2.2). Dit natuurnetwerk is tevens een ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden Dorst en de Rekken. Het betreft een houtwal en enkele poelen. Doordat het Natuurnetwerk niet aangetast wordt met de werkzaamheden en volledig behouden blijft en omdat in het zuidwestelijke deel van het plangebied het Natuurnetwerk aangevuld wordt met inheemse boom- en struikvormers, enkele poelen en kruidenrijk grasland zijn negatieve effecten op het Natuurnetwerk niet te verwachten maar treedt naar verwachting een versterkend effect op. Daarnaast worden voor de uitvoer van de plannen geen bomen geveld. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied (figuur 2.3) of stiltegebied (figuur 2.4).

7/17

Figuur 2.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (Bron: Atlas Leefomgeving)

8/17

Figuur 2.3 Ligging plangebied ten opzichte van waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)

Figuur 2.4 Ligging plangebied ten opzichte van stiltegebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)

9/17

2.2 Kenmerken van het project De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van 11.649 m2 aan bestemming 'Bedrijventerrein' (waarvan 10.009 m2 bouwvlak) op een perceel van circa 16.753 m2. Naast een bestemming 'Bedrijventerrein' worden de bestemmingen 'Groen' (3.901 m2) en 'Verkeer' (1.203 m2) mogelijk gemaakt. De planverbeelding is weergegeven in figuur 2.5.

Figuur 2.5 Planverbeelding

Het is belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen op Tichelrijt extra in te spelen op groen. De gemeente heeft de volgende ambities als het gaat om groen en natuur:  Vergroening gaat boven verstening. Bij planontwikkeling is het behouden of realiseren van voldoende groen belangrijk;  Een groene buffer aan de gemeente grens is een belangrijk aspect;  Wanneer natuur verloren gaat, wordt er nieuw groen aangelegd;  De gemeente streeft naar een vitaal buitengebied met een groen karakter. Op basis hiervan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, weergegeven in figuur 2.6.

10/17

Figuur 2.6 Landschappelijk inpassingsplan

11/17

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. In dit hoofdstuk worden de aspecten verkeer en parkeren, geluid, bodem en water, archeologie, natuur, luchtkwaliteit, risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid besproken. Deze aspecten worden behandeld omdat beoordeeld moet worden of de beoogde ontwikkeling tot significante negatieve effecten op de omgeving zal leiden.

3.1 Verkeer en parkeren Het plangebied heeft een goede ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer en fietsers. Per openbaar vervoer is het slecht bereikbaar en voetgangers worden dan ook nauwelijks verwacht. De parkeerbehoefte dient bij verdere uitwerking van het plan te worden berekend aan de hand van de geldende parkeernormen, waarbij het parkeeraanbod op eigen terrein toereikend moet zijn. De toekomstige verkeersgeneratie wordt berekend met CROW kencijfers en mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

3.2 Wegverkeerslawaai De ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan daardoor achterwege worden gelaten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel het uitstralingseffect van de verkeerstoename beoordeeld. Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet en gegevens uit het verkeersmodel (gegevens 2030 met huidige ligging N629) is bepaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten opzichte van de autonome situatie. Bij een toename van >25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

3.3 Bedrijven en milieuzonering Binnen het plangebied wordt aan de hand van voorliggend bestemmingsplan de vestiging van bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Bedrijven in milieucategorie 3.2 hebben een grootste richtafstand van 100 meter. Binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn geen milieugevoelige functies gelegen. Daarnaast is er geen sprake van oprichting van een milieugevoelige functie die bedrijven in de omgeving kan belemmeren. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie.

12/17

3.4 Bodem In het kader van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond en ondergrond niet verontreinigd zijn. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Ter plaatse van peilbuis 07 is het grondwater tevens licht verontreinigd met zink en ter plaatse van peilbuis tevens licht verontreinigd met koper. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond en ondergrond indicatief voldoen aan de klasse achtergrondwaarde. De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden.

Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat bij ongewijzigd gebruik binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Conclusie De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering om tot eigendomsoverdracht over te gaan. De verkregen resultaten vormen tevens geen belemmering voor de realisatie van de toekomstige plannen ter plaatse.

3.5 Water Ten gevolge van de planontwikkeling is sprake van toename in verharding. Er wordt invulling gegeven aan de bergingseis van de gemeente Dongen. Uitgangspunt is dat het hemelwater geborgen en geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein. Op basis hiervan heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan geeft het waterschap een positief wateradvies.

13/17

3.6 Archeologie De in 2011 vastgestelde archeologische beleidskaart geeft de archeologische verwachtingszones weer voor de gemeente Dongen. Het plangebied heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegekend gekregen waar mogelijk ondiep gelegen goed geconserveerde stroomgordels met mogelijk resten uit het Neolithicum of recenter te bekennen zijn. Bij bodemingrepen met een oppervlakte >100 m2, die tevens dieper reiken dan 50cm –mv, dient nader onderzoek plaats te vinden. De beoogde ontwikkeling gaat uit van een bebouwd oppervlak groter dan 100 m2 en een funderingsdiepte van minimaal 50 cm. Voor een gedeelte van het plangebied is door verstoring geen onderzoek nodig, dus voor het andere deel zal in principe een regulier veldonderzoek (door middel van boringen) moeten plaatsvinden. In het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van het handhaven van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' voor het gehele plangebied. Deze dubbelbestemming is overgenomen vanuit de geldende beheersverordening. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport te worden overlegd waarin wordt aangetoond dat op het aspect archeologie geen belemmeringen ten aanzien van de planvorming aanwezig zijn.

3.7 Cultuurhistorie In de directe omgeving zijn, conform de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen, het Wilhelminakanaal en de Donge, de regionale waterkeringen en enkele straten aangeduid als lijnvormige elementen. Het bosperceel in de oksel van de Duiventorenbaan en de Steenstraat is een historisch groen- vlakelement. Rijksmonumenten ontbreken. Een specifieke regeling is in de geldende beheersverordening, waarin ten tijde van opstellen het bestaand gebruik werd vastgelegd. Bij het ontwerp en de realisatie van nieuwe bedrijvigheid zullen historische lijnelementen behouden moeten blijven en de omliggende bebouwing niet worden aangetast. Er zal op een acceptabele manier rekening gehouden moeten worden met omliggende cultuurhistorische waarden.

3.8 Natuur – gebiedsbescherming 3.8.1 Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Langstraat’ en is gelegen op een afstand van circa 8 kilometer vanaf het plangebied. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. Uit de onderzoeken blijkt dat er in de aanleg- en de gebruiksfases geen stikstofdepositie plaatsvindt groter dan 0,00 mol/ha per jaar op een Natura 2000-gebied. Bovenstaande toont aan dat er geen nadelige invloed zal plaatsvinden op de beschermde flora en fauna en dat voldaan wordt aan de Wet natuurbescherming en dat de natuur en zijn habitat niet wordt geschaad. 3.8.2 Natuurnetwerk Nederland Direct ten zuidwesten van het plangebied is het Natuurnetwerk Brabant gelegen. Dit natuurnetwerk is tevens een ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden Dorst en de Rekken. Doordat het Natuurnetwerk niet aangetast wordt met de werkzaamheden en volledig behouden blijft en omdat in het zuidwestelijke deel van het plangebied het Natuurnetwerk aangevuld wordt met inheemse boom- en struikvormers, enkele poelen en kruidenrijk grasland zijn negatieve effecten op het Natuurnetwerk niet te verwachten maar treedt naar verwachting een versterkend effect op.

14/17

3.9 Natuur - soortenbescherming In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming uitgevoerd. Conform deze quickscan wordt gesteld dat binnen de soortenbescherming alle bewoonde vogelnesten zijn beschermd. Direct ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich in het Natuurnetwerk mogelijk nestplaatsen. Het is aan te raden om de werkzaamheden in ieder geval te starten buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Tevens is het raadzaam om geen (nachtelijke) verlichting op de houtwal te richten omdat naast vogels ook andere dieren zoals vleermuizen en kleine zoogdieren gebruik kunnen maken van de natuur daar. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo'n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag.

Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Nader onderzoek of een ontheffing soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken. De in het plangebied, bestaande uit akkerlandschap, te verwachten soorten genieten lichte bescherming onder de soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing.

3.10 Luchtkwaliteit Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 811 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5 %. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,84 µg/m³ en van fijnstof van 0,15 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Vierbundersweg is de maatgevende weg. Uit de tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.11 Risico’s op zware ongevallen of rampen en risico’s voor de menselijke gezondheid Voor de toetsing is uitgegaan van de informatie vanuit de professionele risicokaart. Hierna wordt ingegaan op risicovolle inrichtingen, buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen

15/17

Uit de beheersverordening 'Tichelrijt' vastgesteld op 13-10-2016 blijkt dat Shell lpg-tankstation (Steenstraat 18) onder het Bevi valt vanwege de doorzet van LPG (300 m3 per jaar vergund). De maatgevende veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn verkleind (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval, 2016). Bij een doorzet van < 500 (m3 per jaar) geldt voor het vulpunt een veiligheidsafstand van 25 m in plaats van 45 meter. De afstand van het plangebied tot dit tankstation is circa 230 meter en valt daarmee ruim buiten het invloedsgebied. Buisleidingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich de hogedrukaardgasleiding Z-522-14 met een invloedsgebied van 45 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding is circa 180 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze leidingen. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor deze leiding. Vervoer van gevaarlijke stoffen Ten zuiden van het plangebied, op circa 3,3 kilometer afstand, bevindt zich het spoortraject Breda – Tilburg waarover gevaarlijke stoffen van o.a. de stofcategorie D4 worden vervoerd. Het invloedsgebied hiervan is 4 kilometer.

Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Deze verantwoording is opgesteld en hieruit blijkt dat bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid geen belemmeringen opleveren. In het kader van het wettelijk vooroverleg is advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Hierbij is aangegeven dat de standaard verantwoording van het groepsrisico 2019 van toepassing is. De standaard verantwoording is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

3.12 Aanlegwerkzaamheden Gelet op de tijdelijkheid van de aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

3.13 Mitigerende maatregelen Voor dit plan zijn voor zover bekend geen mitigerende maatregelen noodzakelijk.

16/17

4. CONCLUSIE

Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

17/17

Bijlage 3

45/290

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 Gemeente Dongen

Opdrachtgever: Gemeente Dongen Uitvoering K. Aarts, N. den Haan, M. van der Wielen, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Datum Juli 2019

1

Inleiding Deze standaard verantwoording groepsrisico (voortaan: standaard verantwoording) is een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf “externe veiligheid” in ruimtelijke plannen, waarvan de gronden liggen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Een risicobron is een bron waar opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals een Bevi-inrichting, buisleiding, spoor-, water- of autoweg. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. Deze standaard verantwoording wordt toegepast voor Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen. De standaard verantwoording kan gebruikt worden om te voldoen aan artikel 13 van het Bevi1. Daarnaast kan deze standaard verantwoording toegepast worden als (beperkte) verantwoording op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt2 en artikel 12 van het Bevb3. Voor een verantwoording van het groepsrisico dient de Veiligheidsregio (VR) in de gelegenheid te worden gesteld een advies uit te brengen. De VR geeft in bepaalde situaties een standaardadvies af. Voor de toepassingsmogelijkheden van dit standaardadvies wordt verwezen naar het advies van de VR d.d. 21 december 2018.

Een vuistregel is dat wanneer de standaard verantwoording kan worden toegepast, het standaardadvies van de VR tevens van kracht is. In dit document wordt:  toegelicht wanneer de standaard verantwoording aan de orde is en hoe het gebruikt wordt;  de standaard verantwoording voor de gemeente Dongen gegeven. Toepassing standaard verantwoording In Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen (voortaan: ruimtelijk plan) wordt getoetst aan diverse milieuaspecten, waaronder externe veiligheid. Ieder ruimtelijk plan bestaat daarom uit een paragraaf externe veiligheid. De standaard verantwoording kan nooit de gehele paragraaf externe veiligheid vervangen. Een complete paragraaf bestaat –naast de eventueel noodzakelijke verantwoording uit een beleidskader, beschrijving van de risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten en een toetsing aan de relevante contouren (PR 10-6, plasbrandaandachtsgebieden en invloedsgebieden). Voor inzicht in deze contouren, wordt verwezen naar de risicokaart of EV-signaleringskaart. Voor de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording wordt verwezen naar het stroomschema, zoals opgenomen in bijlage 1. In dit stroomschema wordt een relatie gelegd met de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’, die in bijlage 2 staat.

Toelichting Stroomschema Het stroomschema maakt onderscheid tussen: 1. Conserverende en ontwikkelingsgerichte plannen: Conserverende plannen zijn bestemmingsplannen of beheersverordeningen waarin juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Een bestemmingsplan dat een wijzigingsbevoegdheid of uit te werken bestemming (opnieuw) vastlegt, wordt beschouwd als een ontwikkelingsgericht plan. Een uitbreiding van een

1

Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes 3 Besluit externe veiligheid buisleidingen 2

2

bestaande functie, functiewijziging of legalisatie wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. 2. Diverse zones. Deze zones zijn opgenomen op de kaart in bijlage 2 en omvat een: a. Niet gekleurde zone: wanneer het plangebied uitsluitend in dit gebied is gelegen, is een verantwoording niet benodigd. b. Grijze zone: deze gronden liggen binnen het invloedsgebied, maar buiten de bepalende zones voor het groepsrisico. Hier geldt daarom de standaardverantwoording. c. Blauwe zone: deze zone ligt tussen 30 en 200 meter van een transportroute4, buisleiding of categoriale inrichting en/of tussen 30 en 750 meter van een nietcategoriale Bevi-inrichting. Bij deze zone kan zowel de standaard- als maatwerkverantwoording van toepassing zijn. d. Gele zones: dit zijn de gebieden binnen 30 meter van een risicobron. Hiervoor geldt altijd een maatwerkadvies bij een ontwikkelingsgericht plan. Wanneer een ontwikkeling of wijziging binnen meerdere zones is gelegen, is de zone die het dichtst bij de risicobron gelegen is maatgevend. Naar rangorde van prioriteit is dat dus 1) geel, 2) blauw en 3) grijs. 3. Aard van de risicobronnen: Bij een ontwikkeling of wijziging die in een blauwe zone is gelegen wordt in het stroomschema de vraag gesteld om welke risicobron het gaat.

Indien sprake is van een zone afkomstig van een transportroute5 en/of buisleiding, dan geldt – wanneer sprake is van een zogenaamde beperkte verantwoordingsplicht - de standaard verantwoording. Er zijn ook inrichtingen, die niet gerekend worden tot Bevi-inrichtingen, zoals sommige PGS15inrichtingen of civiele inrichtingen voor explosieven. Hiervoor gelden veiligheidszones die (beperkt) kwetsbare objecten uitsluiten, maar een verantwoording groepsrisico is niet aan de orde. Deze inrichtingen zijn derhalve niet opgenomen op de kaart in bijlage 2. Beperkte verantwoording De toepassingsvereisten van een beperkte verantwoording zijn opgenomen in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb en artikel 8 van de Revb. De onderbouwing in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient opgenomen te worden in het ruimtelijk plan. Wanneer de beperkte verantwoording niet kan worden toegepast, dan is een maatwerkverantwoording nodig. Indien de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient aanvullend bepaald te worden of sprake is van zelfredzame personen. Bij de volgende functies is per definitie sprake van niet zelfredzame personen en dient dus de pijl met ‘nee’ gevolgd te worden:  Ziekenhuizen;  Basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen;  Bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen;  Gevangenissen.

4

Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 3

Uitkomsten Het stroomschema kan leiden tot 3 uitkomsten: Geen verantwoording

Standaard verantwoording

In dit geval is geen verantwoording nodig. In de paragraaf externe veiligheid volstaat een beschrijving van de relevante risicobronnen en de constatering dat het plan buiten de relevante contouren/invloedsgebieden ligt, waardoor een verantwoording groepsrisico niet noodzakelijk is. De standaardverantwoording kan worden toegepast. In het ruimtelijk plan wordt een beschrijving gegeven van de risicobronnen en relevante contouren/invloedsgebieden en wordt omschreven waarom de standaardverantwoording van kracht is. Aanbevolen wordt om in het ruimtelijk plan te beschrijven in hoeverre de voorgestelde maatregelen uit de standaard verantwoording, zoals afsluitbare mechanische ventilatie of risicocommunicatie, getroffen worden. Onderhavig document wordt toegevoegd als bijlage bij het ruimtelijk plan. Een nadere uitwerking van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is niet nodig. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio mag eveneens worden toegepast en is opgenomen als bijlage bij deze standaardverantwoording. De Veiligheidsregio hoeft in dit geval niet meer (als overlegpartner) te worden betrokken bij de planvorming.

Maatwerk Verantwoording

Toepassing van de standaardverantwoording is niet mogelijk. De inhoud van de maatwerkverantwoording is afhankelijk van de betreffende risicobron(nen).  Bevi-inrichtingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 13 van het Bevi;  Transportroutes: een maatwerkverantwoording conform artikel 8, lid 1 van het Bevt;  Buisleidingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 12, lid 1 van het Bevb.

De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen bij een maatwerkverantwoording – rekening houdende met locatie, functie, gebouwkenmerken enerzijds en rampscenario’s anderzijds specifiek te worden uitgewerkt. Ook dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd (bij voorkeur vroegtijdig in het proces wanneer externe veiligheid een bepalende factor is) en dient het gegeven advies verwerkt te worden in het ruimtelijk plan, waarbij beschreven wordt in hoeverre de voorgestelde maatregelen worden getroffen. Vragen of een maatwerkverantwoording laten opstellen? Wanneer er twijfel bestaat over de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording kan contact worden opgenomen met de OMWB. Contactpersonen hiervoor zijn:  Dhr. N. (Niels) den Haan (n.denhaan@omwb.nl);  Dhr. K. (Kees) Aarts (k.aarts@omwb.nl);  Dhr. M. (Martijn) van der Wielen (m.vanderwielen@omwb.nl). Ook voor toetsingen of het opstellen van een maatwerkverantwoording kunt u hen benaderen.

4

Standaard verantwoording Groepsrisico Als gevolg van risicovolle inrichtingen is geen sprake van een relevant groepsrisico (LPGtankstations zijn hiervan uitgesloten). Voor alle gemeentelijke wegen geldt een waarde van het groepsrisico die lager is dan 0,1 x OW, tenzij sprake is van een personendichtheid van meer dan 100 personen per hectare. De binnen de gemeente Dongen gelegen buisleidingen, die relevant zijn voor externe veiligheid, betreffen naast aardgasleidingen ook aardolieleidingen gelegen in het buitengebied en direct grenzend aan de kern Dongen. Het groepsrisico voor alle buisleidingen is gelegen ruim onder de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen op dusdanige afstand dat de ruimtelijke ontwikkeling, ook indien sprake is van toename van het aantal aanwezigen, niet leidt tot een relevante toename van het groepsrisico. Bestrijding calamiteit en zelfredzaamheid Scenario’s De scenario’s waardoor het plangebied getroffen kan worden, is afhankelijk van de aanwezige risicobronnen. De meest voorkomende scenario’s welke zich kunnen voordoen, zijn hier beschreven. Toxisch scenario Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen een giftig (toxisch) invloedsgebied: Er komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving.

Deze kan ontstaan als gevolg van: een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen (giftige verbrandingsproducten, rookwolk). Een lek in een ammoniakkoelinstallatie (door uitdamping verspreiding in de omgeving). het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving). Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Plasbrand Een plasbrand ontstaat doordat een tank van een tankwagen of tankwagon openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van brandbare vloeistof (zoals benzine) in korte tijd uit. De brandbare vloeistof verspreidt zich over de grond. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand. De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Hittestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld. Dichtbij de bron kunnen personen overlijden en verder van de bron af kan het leiden tot (ernstige) brandwonden.

Incident met brandbare gassen Dit scenario kan van toepassing zijn bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een explosie: Een explosie kan optreden bij een LPG tankstation, bij een inrichting of bij het transport van onder druk vervoerd gas (weg en water). Door het instantaan falen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk, komt de inhoud spontaan en explosief vrij. De stof zal waarschijnlijk ontbranden wat eveneens voor schade zorgt.

5

Het ‘worst-case scenario’ is dat een tank door een externe brand wordt opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen als gevolg van de druk. Fakkelbrand Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een fakkelbrand. Dit scenario treedt op bij transportleidingen voor aardgas. Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Mogelijk te treffen maatregelen ter verbetering van de zelfredzaamheid Afsluitbare mechanische ventilatie bij toxisch scenario De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd.

De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. Risicocommunicatie De Veiligheidsregio adviseert om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risico-communicatie. Op het gebied van risicobeheersing stelt de Veiligheidsregio in haar beleidsplan zich ten doel extra inspanningen te verrichten op het gebied van risicocommunicatie. Samen met de andere Brabantse Veiligheidsregio’s wordt hiervoor een plan ontwikkeld, waarbij gemeenten nadrukkelijk worden betrokken. De gemeente Dongen communiceert jaarlijks aan alle burgers, in algemene zin, over hoe te handelen bij calamiteiten. Daarnaast is via de website van Dongen alle noodzakelijke informatie voor zelfredzaamheid eenvoudig te vinden. Ontruimingsplan Het stimuleren van inrichtingshouders om aandacht te besteden aan hun ontruimingsplannen bij externe incidenten draagt bij aan een verhoging van de veiligheid.

Instellingen en bedrijven zijn op grond van de Arbo-wet verplicht een risico-inventarisatie uit te voeren. Uit deze inventarisatie volgt of een BHV-organisatie ingesteld moet worden. Door de handhavers wordt hieraan structureel aandacht aan gegeven bij het uitvoeren van hun toezichtstaken. De Veiligheidsregio heeft in samenwerking met de gemeente Moerdijk een alerteringssysteem voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven ontwikkeld. De Veiligheidsregio past dit systeem (CBIS) inmiddels toe voor de gehele Veiligheidsregio. Toepassing van dit systeem zal bewustzijn van gevaren en communicatie bevorderen. Alle bedrijven binnen de gemeente kunnen zich inmiddels aanmelden voor dit systeem via de website: www.cbisbrabant.nl. De gemeente ondersteunt dit initiatief. Mogelijkheden voor de rampenbestrijding Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp 6

van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Plasbrand De brandweer kan eerste hulp verlenen bij redden van slachtoffers. De brandweer beheerst de brand door nathouden/koelen van de omgeving en ontstane branden in de omgeving worden geblust. Tweezijdige bereikbaarheid is belangrijk evenals aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Incident met brandbare gassen Noodzakelijk voor het voorkomen van een explosie is tijdige aankomst brandweer en bereikbaarheid van tankwagens of ketelwagons. Belangrijk is dat voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Fakkelbrand Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De werkzaamheden van de brandweer zullen met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas af te sluiten bij een incident, er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13909000/1