CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl2- 25-11 Concept verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 (incl. toelichting)

Commissie Samenleving 13 maart 2025, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 25-11 Verordening jeugdhulp gemeente Dongen 202513.049 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Als gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. In het derde lid kunnen bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Ook kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen. Ook is hierin een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig.

Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. In het vijfde lid wordt aangegeven dat een jeugdige en zijn ouders medewerking dienen te verlenen aan het onderzoek naar hun situatie. Het is van belang dat een toegangmedewerker onderzoek kan doen naar de situatie van de jeugdige en zijn gezin, om op die manier adequaat in kaart te kunnen brengen wat de hulpvraag is en wat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders en sociaal netwerk zijn. Als een jeugdige of zijn ouders alleen aangeven wat de hulpvraag is en waar zij aanspraak op willen maken en niet toestaan dat een toegangsmedewerker deze hulpvraag verkent, de situatie van de jeugdige en het gezin in kaart kan brengen en onderzoek kan doen naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders, dan kan het college niet beoordelen of er aanspraak is op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. In het zesde lid wordt daarom in dit verband gezegd dat het onvoldoende meewerken aan een dergelijk onderzoek gevolgen kan hebben voor de verstrekking, vorm, inhoud en/of hoogte van de individuele voorziening.

4.4 Gesprek Een gesprek tussen het college en de jeugdige en/of diens ouders kan onderdeel uitmaken van het onder artikel 4.3 bedoelde onderzoek. Artikel 4.4 geeft dan ook weer welke aspecten tijdens het gesprek worden besproken en onderzocht. Het college informeert de jeugdige en/of diens ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. In overleg met de jeugdige en/of diens ouders kan eventueel worden afgezien van een gesprek. 4.5 Verslaglegging In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt een familiegroepsplan gedefinieerd als een hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Het college van de gemeente Dongen zorgt binnen de beslissingstermijn als bedoeld in artikel 4.2.3 voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en

Pagina 19 van 24

Verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 doet dat in de vorm van een plan van aanpak. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of diens ouders worden aan dat ‘verslag’ toegevoegd. De jeugdige en/of gezaghebbende (ouder(s)) dienen het plan van aanpak te tekenen voor gezien of akkoord en sturen een getekend exemplaar binnen tien werkdagen retour aan de gemeente. Indien de jeugdige en/of gezaghebbende (ouder(s)) het plan van aanpak niet binnen de gestelde termijn getekend retourneren neemt de gemeente de aanvraag niet in behandeling en wordt de aanmelding afgesloten. Alvorens definitieve afsluiting van de aanmelding volgt in de praktijk eerst nog een tweede verzoek. Artikel 4.6 Beoordelingscriteria voor eigen kracht De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 geoordeeld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe om te gaan met de voorwaarde “eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen” van ouders. Dit artikel beoogt hier invulling. Al de afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. We willen ouders en jeugdigen in staat stellen om de uitdagingen van het leven waar mogelijk samen met omgeving aan te gaan.

Door hulp te kunnen en durven vragen aan de directe omgeving en steun te ervaren van familie, vrienden maar ook vanuit het netwerk, de buurt, de sportvereniging of school. Indien dit netwerk (nog) niet beschikbaar is dan is er toegang tot een individuele voorziening tot jeugdhulp waarin één van de doelen is te onderzoeken hoe de ouders/jeugdigen het (op termijn) weer zelf kunnen regelen om zo ook de ouders/jeugdigen nog meer regie te geven over hun eigen situatie (versterking van de eigen kracht en zelfredzaamheid). In lid 1 is opgenomen dat ouders en jeugdigen pas in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Het uitgangspunt is er eerst wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht). In lid 2 staat uitgelegd wat er wordt verstaan onder gebruikelijke hulp en welke verplichting er rust bij ouders voor de verzorging, opvoeding, begeleiding en toezicht op hun kinderen. Deze verplichting vloeit voor uit artikel 1:247 BW waarin de wetgever heeft vastgelegd dat ouders (met ouderlijk gezag) de plicht hebben hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid.

In lid 3 zijn de factoren opgenomen die bepalend zijn of er sprake is van gebruikelijke hulp. In lid 4 is opgenomen dat indien er sprake is van gebruikelijke hulp hier in beginsel geen individuele voorziening tot jeugdhulp voor wordt verstrekt tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. In lid 5 wordt een onderscheid gemaakt tussen een kortdurende en een langdurige situatie. Indien er sprake is van een kortdurende situatie wordt in beginsel verwacht dat ouders de zorg zelf bieden (lid 6) tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een langdurige situatie vraagt andere beoordelingscriteria dan een kortdurende situatie. In lid 7 is opgesomd met welke factoren bij de beoordeling rekening wordt gehouden. Als alle factoren mee zijn gewogen en het (zelf) verlenen van de zorg levert geen problemen op dan wordt van ouders verwacht dat zij deze zorg (deels) zelf leveren (lid 8) en wordt er geen individuele voorziening voor jeugdhulp versterkt. Ook indien het sociale netwerk van de ouders en/of de jeugdige (een deel) ondersteuning kan bieden wordt verwacht dat ouders hier ook gebruik van maken. Het doel is juist om ouders weer in hun kracht te zetten en daarmee de regie te laten houden. Er zijn ouders die een aanvullende zorgverzekering hebben (lid 10) waaruit zorg kan worden vergoed.

Indien daar sprake van is dan verwachten wij van ouders dat ze hier eerst gebruik van maken. Alleen indien dit niet toereikend is kan aanspraak worden gemaakt op een individuele voorziening voor jeugdhulp. Indien er sprake is van (dreigende) overbelasting (lid 11) wordt altijd ook gekeken naar zowel de oorzaak van deze (dreigende) overbelasting én het verband met de zorg aan de jeugdige. De overbelasting bij de ouder(s) moet (mede) worden veroorzaakt door de zorg voor de jeugdige. Indien de overbelasting ontstaat door andere factoren (zoals een stressvolle baan, veel uren werken) zal op dat vlak naar een oplossing moeten worden gezocht. In sub d is opgenomen dat het verlenen van hulp aan je kind in beginsel voor gaat op sociale/maatschappelijke activiteiten. Hiermee wordt niet beoogd dat ouders geen enkele sociale of maatschappelijke activiteit meer mogen uitoefenen of bijwonen. Hierin moet sprake zijn van een bepaalde mate van redelijkheid in het aantal activiteiten en de tijdsduur. Indien er sprake is van een informeel persoonsgebonden budget voor zorg aan de jeugdige en er is sprake van (dreigende) overbelasting dan kan het (tijdelijk) stopzetten van dit pgb een mogelijkheid

Pagina 20 van 24

Verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 zijn om de (dreigende) overbelasting te stoppen doordat een andere zorgverlener de zorg (tijdelijk) overneemt. Artikel 4.7 Inhoud beschikking Naast een beschrijving van wat er in een beschikking staat en/of bij hoort is in lid 2 ook geregeld dat in een schriftelijke beschikking is opgenomen hoe bezwaar kan worden gemaakt tegen die beschikking. De jeugdige of zijn ouders moeten op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouders goed en volledig informeert. De minimale inhoud van de beschikking is nader toegelicht in de beleidsregels van de gemeente Dongen. In het vierde lid is de afwijking op het aspect van een beschikking in geval van hoog specialistische jeugdhulp beschreven. Artikel 4.8 Advisering Dit artikel geeft aan dat het voor het college mogelijk is om een extern deskundige om advies te vragen in het onderzoek. Hierbij moet toestemming worden gevraagd aan de jeugdige en/of ouders. Artikel 4.9 Besluit Ter vervollediging van de procesgang bij toegang jeugdhulp via de gemeente is een artikel opgenomen rondom het te nemen besluit na een aanvraag en de andere verwoorde stappen.

In dit artikel zijn verschillende procedureafspraken opgenomen die gelden bij de procedure toegang jeugdhulp via de gemeente. Deze hebben te maken met het besluit en de start zorg van een jeugdhulpaanbieder bij een afgegeven besluit. Het vijfde lid geeft aan dat opschorting kan plaatsvinden op basis van de Algemene Wet Bestuursrecht. Het zevende lid regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 6 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Regels voor persoonsgebonden budget In dit artikel wordt uiteen gezet op basis van welke grondslag het college een pgb kan verstrekken en dat voor de maximale periode van één jaar. Het college beoordeelt daarbij eerst of het door de gemeente gecontracteerde zorgaanbod toereikend is voor de jeugdige en/of zijn ouders. Ook dient het college vast te stellen dat de gezaghebbende ouder(s), al dan niet met hulp uit hun omgeving of anderszins, in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen, en in staat zijn om de rechten en plichten die zijn verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren. Ouders stellen ook een budgetplan op. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder een aantal specifieke voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: De persoon die jeugdhulp verleent, doet direct melding van calamiteiten en van iedere vorm van geweld of vermoeden van (kinder)mishandeling bij de gemeente en/of bij Veilig Thuis. En als er sprake is van een formele zorgverlener dient deze te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Om de afspraken tussen jeugdhulpaanbieder en de jeugdige en/of ouders vast te leggen wordt verplicht gebruik gemaakt van de modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Het college onderzoekt al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s vanuit het oogpunt van kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid. Overigens is het van belang aan te geven dat artikel 4.7 uit deze verordening ook kan gelden voor pgb aanvragen. Artikel 5.2 Aanvraag pgb Het college beoordeelt de aanvraag voor een pgb op grond van een aantal nader genoemde criteria, die deels aansluiten bij artikel 5.1 van deze verordening. Het college kan een pgb in voorkomende gevallen ook weigeren. Die criteria zijn in lid 2 van dit artikel opgenomen. In lid 3 en 4 wordt verwoord

Pagina 21 van 24

Verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 wanneer het college geen pgb verstrekt tot en met welke kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb. Artikel 5.3 Hoogte pgb Om de hoogte van een pgb te kunnen berekenen is een aantal voorwaarden onder lid 1 opgenomen. Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van formele hulp of informele hulp. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 85%van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende pgb plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.

Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in natura.

Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Voor de volledigheid zijn ze opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot het pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan.

Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet. Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Artikel 6.2 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.

In lid 1 is het belang aangegeven dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook

Pagina 22 van 24

Verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen. In lid 2 is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet toe op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD. Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders en pgb-budgethouders.

Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb. In lid 3 is vastgelegd dat het college nadere regels vast stelt over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb) indien zij deze aanstelt. Artikel 6.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij de verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Hoofdstuk 7 Klachtregeling en vertrouwenspersoon Artikel 7.1 Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Artikel 7.2 Vertrouwenspersoon In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

Hoofdstuk 8 Inspraak Artikel 8.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Pagina 23 van 24

Verordening Jeugdhulp gemeente Dongen 2025 In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover een jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden. Artikel 9.2 Voorwaarden Daar waar nodig kan het college aan het verstrekken van een voorziening nadere voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening. Artikel 9.3 Evaluatie Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 9.4 Beleidsregels In dit artikel wordt bepaald dat het college nadere regels jeugdhulp gemeente Dongen vaststelt. Dit document geeft nadere invulling aan de uitvoering van deze verordening. Artikel 9.5 Indexering Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 9.6 Intrekking oude verordening Dit artikel regelt dat beschikkingen afgegeven op basis van de Verordening jeugdhulp gemeente Dongen 2023 nog rechtskracht hebben. Beschikkingen die vanaf het moment van inwerkingtreding van de nieuwe verordening zijn/worden afgegeven, zijn/worden beoordeeld op basis van de Verordening jeugdhulp gemeente Dongen 2025. In het tweede lid is als hoofdregel opgenomen dat een jeugdige met een lopende voorziening op basis van de oude verordening het recht op die voorziening behoudt tot het college een nieuw besluit over die voorziening neemt.

Omdat dit nadelige gevolgen voor de jeugdige kan hebben, is in het derde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de jeugdige. Artikel 9.7 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd.

Pagina 24 van 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15101339/1