CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl2 24-07 Verzamelverordening Participatiewet 2023

Besluitvormende raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 24-07 Vaststellen Verzamelverordening Participatiewet en IOAW/IOAZ en Bbz 202416.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verzamelverordening PW, IOAW/IOAZ en Bbz 2023 Gemeente Dongen

Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5 onderdeel b PW; b. Arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen arbeid via een uitzendbureau; c. Arbeidsverplichting: de verplichting, genoemd in artikelen 9 eerste lid onderdeel a PW en 37 eerste lid onderdeel a, b en c IOAW/IOAZ; d. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; e. Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening in het kader van de wet; f. Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte teveel is of wordt verleend als uitkering; g. Bijstandsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c PW; h. Bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5 onderdeel sub d PW; i. Brede intake: een onderzoek naar de mogelijkheden van een uitkeringsaanvrager of belanghebbende naar werk of participatie waarbij aandacht is voor alle leefgebieden en dat wordt verwerkt in een plan van aanpak of PIP. Indien noodzakelijk wordt een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd, eventueel door een externe deskundige; j.

Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onderdeel a PW of op grond van artikel 36 IOAW of op grond van artikel 36 IOAZ door de gemeente ondersteuning bij de re-integratie en/of participatie kan worden geboden; k. Flankerende voorziening: een voorziening, waarvan de inzet een randvoorwaarde is voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van de arbeidsverplichtingen, waaronder schulddienstverlening en kinderopvang; l. Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; m. Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand; n. Interne werkbegeleiding: door een medewerker geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; o. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; p. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; q.

Job-coaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; r. Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen; s. Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek, en aan een onderzoek naar het opstellen van en de voortgang van een re-integratietraject; t. NUG: een persoon die behoort tot de doelgroep van de PW, maar die geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ. u. Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a tweede lid onderdeel f PW;

1

v.

Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door onder andere het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie; w. Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de wet; x. Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10 eerste en derde lid van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10 da van de wet; y. PIP: persoonlijk plan inburgering en participatie als bedoeld in artikel 15 van de Wet inburgering 2021; z. Plan van aanpak: een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a PW artikel 38 zevende lid IOAW/IOAZ of een trajectplan dat in samenspraak met belanghebbende wordt opgesteld; aa. Praktijkroute: het proces om de persoon behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaarde vaststelling op de werkplek; bb. Preferent proces loonkostensubsidie: dit preferente werkproces stroomlijnt het aanvragen, verlengen en uitbetalen van de loonkostensubsidie om voor werkgevers hinderlijke verschillen tussen gemeenten te verminderen; cc. PW: de Participatiewet; dd.

Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen 12 maanden na de dagtekening van het besluit waarin de gedraging als verwijtbaar is aangemerkt, zich opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie, dan wel hetzelfde artikel, zoals genoemd in deze verordening dan wel in de wet. Bij boete is de recidiveperiode wettelijk vastgesteld op 5 jaar; ee. Re-integratieverplichting: de verplichting genoemd in de artikelen 9 eerste lid onderdeel b PW en artikel 37 eerste lid onderdeel e IOAW/IOAZ; ff. Uitkering: de bijstandsuitkering op grond van de PW of de uitkering op grond van de IOAW/ IOAZ; gg. Uitkeringsgerechtigde: een persoon die uitkering ontvangt ingevolge de PW, IOAW/IOAZ; hh. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; ii. Verlaging: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid PW of artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20 tweede lid IOAZ; jj. Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen; kk. Verrekenen: de verrekening zoals bedoeld in artikel 60 vierde lid PW, dan wel artikel 28 zevende lid IOAW of artikel 28 zevende lid IOAZ; ll.

Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen de ondersteuning vanuit de gemeente, een onderzoek naar de belastbaarheid en/of de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie; mm. Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een verlaging of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen; nn. Wachttijd: wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; oo. Wet: de PW, IOAW/IOAZ en Bbz 2004 tezamen.

2

Hoofdstuk 2: Re-integratie en tegenprestatie Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen Artikel 2: Opdracht en taak van het college 1. Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening ten behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. 3. Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning rekening met de vraag van de arbeidsmarkt en de mogelijkheden waaronder interesses, vaardigheden, ontwikkelkansen en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval ook betrekking op zorgtaken van die persoon, eventuele structurele beperkingen en de mogelijkheid dat deze persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Daarnaast stemt het college af met eventuele andere (voorliggende) voorzieningen of ondersteuningsmogelijkheden. 4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor participatie, re-integratie en arbeidsinschakeling kunnen verminderen of opheffen. 5.

Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en hierbij rekening houden met maatschappelijke en economische ontwikkelingen. 6. Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij zorg voor een evenwichtige verdeling. Artikel 3: Aanspraak 1. Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan belanghebbende dan wel aan diens werkgever. 2. Op basis van een brede intake stemt het college de ondersteuning af op het vergroten van de zelfredzaamheid van belanghebbende via de kortste weg naar arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit of als dat niet mogelijk is naar betekenisvolle maatschappelijke participatie. 3. Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon vast in een plan van aanpak dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. 4. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 5. Het college stelt beleidsregels op ten aanzien van het aanbieden van voorzieningen aan NUGgers. 6.

Het college kan besluiten een bepaalde tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden als opgenomen in artikel 6 sub a en e van deze verordening. Paragraaf 2.2: Voorzieningen Artikel 4: Voorzieningen 1. Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep re-integratie: a. (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; b. begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid; c. ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de re-integratie of participatie; d. verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; e. anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratie- of participatie-activiteiten. 2. Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 7e van deze verordening. 3. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het ondersteuningsaanbod rekening met andere beschikbare (wettelijke) voorzieningen en stemt het aanbod af zodat het optimaal bijdraagt aan integrale ondersteuning van de persoon. Het ondersteuningsaanbod wordt neergelegd in een persoonlijk plan van aanpak.

3

4. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening en de wet nog geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel 5: Voorzieningen duale trajecten inburgering Het college kan aan personen, die behoren tot de doelgroep van de Wet Inburgering en een bijstandsuitkering ontvangen, een voorziening aanbieden op basis van de wet en deze verordening. Artikel 6: Beëindiging van een voorziening Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 of 17 PW of de artikelen 13 of 37 IOAW/IOAZ niet (langer) nakomt of niet naar vermogen hier gebruik van maakt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep reintegratie; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7 eerste lid onderdeel a onder 2° PW; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan het gestelde doel of niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; e.

de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; f. door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen voldoet. Artikel 7a: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7 eerste lid onderdeel a PW een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten als bedoeld in artikel 10a PW. 2. Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a PW verricht ontvangt conform het zesde lid van dat artikel ieder half jaar een premie als naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling 3. Het college kan op basis van artikel 10a PW of artikel 38a IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 4. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j PW. 5.

Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de participatieplaats, de premie als bedoeld in het tweede lid, de scholing als bedoeld in het derde lid en de voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn. Artikel 7b: Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4 en 6, wordt verstrekt overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 en 3. Artikel 7c: Proefplaatsing 1. Het college kan, als dit noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de PW die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als:

4

4.

5. 6.

a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de PW. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.

Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 en 3.

Artikel 7d: Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een belanghebbende van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze belanghebbende: a. behoort tot de doelgroep re-integratie; of b. een belanghebbende is aan wie het UWV een uitkering verstrekt. 2. Wanneer het aantal geraamde beschutte werkplekken in één kalenderjaar al is gerealiseerd, dan krijgen de belanghebbenden waarvan eerder is vastgesteld dat ze tot de doelgroep beschut werk behoren en die nog niet geplaatst zijn, voorrang op de belanghebbenden die later tot de doelgroep worden toegelaten. Artikel 7e: Loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d PW, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3.

Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c eerste lid onder a PW. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d tweede lid PW wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente werkproces loonkostensubsidie in acht. Paragraaf 2.3: Specifieke bepalingen Paragraaf 2.3.1: Algemene bepalingen bij persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Artikel 8a: Voorwaarden voor toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk/overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4 en 6, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten;

5

b. c. d. e. f. g.

de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden, met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week, waarbij de verwachting is dat binnen een jaar zicht is op urenuitbreiding naar tenminste 12 uur per week; het betreft geen voorziening die een werkgever op grond van andere wetgeving zoals Arbowetgeving verplicht is te treffen; het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk.

Artikel 8b: Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. 2. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 3. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, de mogelijkheden te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a tweede lid onder g onderdeel 1 of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a tweede lid onder g onderdeel 2 PW. Paragraaf 2.3.2. Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 9a: Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van job-coaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente, of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de job coaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a.

job-coaching door interne of externe job coach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in een dienstverband, waaronder werkzaamheden bij een proefplaatsing of een leer-werktraject. 4. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de noodzaak tot persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 9b: Job-coaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt is erkend door het UWV op grond van het meest actuele ‘Erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’, of heeft hbo werk- en denkniveau en een opleidingsmodule tot jobcoach gevolgd waarvoor een certificaat is behaald. 2. De inzet van de job-coaching wordt bepaald op basis van de omvang van het contract en de begeleidingsbehoefte. In beleidsregels wordt dit nader uitgewerkt. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale inzet afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat wordt beoogd te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4.

Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan, tenzij er met een werkgever anders wordt overeengekomen of indien er al sprake is van een bestaande jobcoachrelatie die in het belang van de werknemer voortgezet kan worden. Artikel 9c: Job-coaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, job-coaching in natura aanbieden.

6

2.

Bij aanvragen om job-coaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 8a tot en met 9c van deze verordening van toepassing.

Artikel 9d: Subsidie voor het organiseren van job-coaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van job-coaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van job-coaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 8a tot en met 9b van deze verordening, worden verleend als: a.

3. 4.

de job-coaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde job-coaching passend is; c. de continuïteit van de job-coaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van job-coaching door de werkgever. Het college kan voor job-coaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van job-coaching, waarbij het college zorg draagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. Het college werkt in beleidsregels uit: a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de job-coaching geborgd moet zijn; of d. hoe de evaluatie van de job-coaching plaats vindt.

Artikel 9e: Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorende tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Paragraaf 2.3.3. Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 9f: Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. de voorziening heeft betrekking op woon-werkverkeer. 3.

De hoogte van de vergoeding in geld wordt afgestemd op het aantal werkdagen en de tarieven van het openbaar vervoer of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 9g: Specifieke voorwaarden noodzakelijk intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. 2. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken hoe de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit wordt bepaald.

7

Artikel 9h: Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen ingeval dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en de meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen verstrekt. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Paragraaf 2.4: Tegenprestatie Artikel 10: Tegenprestatie 1. Iedere uitkeringsgerechtigde heeft een plan van aanpak met hierin opgenomen activiteiten ter bevordering van arbeidsinschakeling, re-integratie of maatschappelijke participatie. 2. Het meewerken aan activiteiten als genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt gezien als tegenprestatie. Hoofdstuk 3: Afstemming via verlaging van de uitkering Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen Artikel 11: Het opleggen van een verlaging van de uitkering 1.

Het college kan de uitkering overeenkomstig de wet en deze verordening verlagen als een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in de PW, dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met uitzondering van artikel 17 eerste lid PW en artikel 13 eerste lid, IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer ernstig misdragen, als omschreven in artikel 24 van deze verordening. 2. Een verlaging van de uitkering is altijd maatwerk en wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende (en zijn gezin). Artikel 12: Besluit 1. Het besluit tot verlaging van de uitkering of het geven van een waarschuwing vermeldt in ieder geval de reden, de duur en de hoogte van de verlaging of de waarschuwing en de individuele afweging van de omstandigheden van de belanghebbende (en zijn gezin). 2. Met een besluit tot verlaging wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond van deze verordening. Artikel 13: Afzien van het opleggen van een verlaging 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2.

Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging als sprake is van dringende redenen. 3. Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen wordt dit gemotiveerd in het besluit vastgelegd. Artikel 14: Ingangsdatum, tijdvak en recidive 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd als sprake is van een besluit op een aanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft. 3. Indien een belanghebbende in één maand meerdere afspraken niet nakomt waardoor de uitkering kan worden verlaagd, wordt de hoogte en duur van de verlaging afgestemd op de gedraging waarvoor de hoogste verlaging kan worden opgelegd op grond van de wet of deze verordening.

8

4. In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 5. De verlaging wordt vastgesteld voor de duur van één maand, tenzij sprake is van: a. recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald; b. verwijtbaar gedrag waarvoor in de verordening een afwijkende duur is vastgesteld. 6. Bij de effectuering van de verlaging kan het college gebruik maken van de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden om daarmee de belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Dit geldt voor alle verlagingen, tenzij sprake is van recidive. 7. Als door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet volledig kan worden geeffectueerd, kan bij een nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar, de verlaging of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd. Artikel 15: Inkeerbepaling 1. Als een verlaging over meerdere maanden geëffectueerd wordt, kan op verzoek van een belanghebbende de effectuering over de resterende maanden ongedaan worden gemaakt als belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. 2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden ingediend dan de dag waarop de effectuering van de verlaging start en niet later dan dat de maatregel volledig geëffectueerd is. 3. Indien belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog te voldoen aan de verplichting waarvoor een verlaging is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de verlaging vanaf die dag komt te vervallen. Artikel 16: De berekeningsgrondslag van de verlaging 1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2. De verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag als opgenomen in deze verordening. 3. In afwijking van het eerste lid, kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend met toepassing van artikel 12 PW; b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; c. het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten of premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen, die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens Bbz of IOAZ. 4.

Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 2, negende lid van deze verordening, wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel 17: Waarschuwing 1. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging een waarschuwing opleggen als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 2. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive als bedoeld in artikel 14 vijfde lid onderdeel a van deze verordening. Artikel 18: Horen van belanghebbende(n) Voordat de uitkering wordt verlaagd wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan worden afgezien als: a. de belanghebbende de zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of b. het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

9

Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende verlagingen Paragraaf 3.2.1: Niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en overige verplichtingen Artikel 19: Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 18, 55 en 56a PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak waaronder het niet of onvoldoende meewerken aan een ingezet reintegratietraject; 2. het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar; 3. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; 4. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. b. tweede categorie: 1. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing en waarbij dit heeft geleid tot intrekking van de ontheffing; 2. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid of participatie belemmeren; 3.

het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 17 tweede lid of het niet nakomen van een nadere verplichting op basis van artikel 55 PW; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets als bedoeld in artikel 18b tweede lid PW waarvoor belanghebbende een schriftelijke uitnodiging heeft ontvangen. c. derde categorie: 1. het niet nakomen van de verplichting uit artikel 56a tweede lid PW om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het financieel ontzorgen; 2. het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie. Artikel 20: Gedragingen IOAW en IOAZ 1. Het college maakt geen gebruik van de wettelijke bevoegdheid om de IOAW- of IOAZ-uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren. In plaats daarvan kunnen deze uitkeringen op grond van deze verordening verlaagd worden. 2. Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tijdens de uitkering; 3.

het weigeren van een passend re-integratie aanbod; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; 5. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 eerste lid en 37 eerste lid onderdeel e IOAW/IOAZ, waaronder het niet naar vermogen deelnemen aan taallessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 2. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de verplichtingen verbonden aan de in artikel 38 eerste lid IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing en waarbij dit heeft geleid tot intrekking van de ontheffing. 3. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. c. derde categorie:

10

1.

het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie.

Artikel 21: Hoogte en duur van de verlaging en waarschuwing 1. De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening wordt vastgesteld op: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 5% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie. 2. Het college kan op basis van dringende redenen besluiten het percentage als genoemd in het eerste lid onderdeel a van dit artikel te halveren. 3. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 4. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive als bedoeld in artikel 14 vijfde lid onderdeel a van deze verordening. Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen van artikel 18 lid 4 PW met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 22: Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 vierde lid PW, niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Paragraaf 3.3.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 23: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel, dan wordt een verlaging van de uitkering afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. 10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk of lager is dan € 4.000,00; b. 20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000,00. 3. Als geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing. 4. Als een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden en hierdoor een beroep op bijstand moet doen of als sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het vijfde en zesde lid van dit artikel. 5.

De verlaging als bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op de hoogte van het netto inkomen, dan wel de hoogte van de netto voorliggende voorziening, inclusief vakantietoeslag met een maximum van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag. 6. Het inkomen als bedoeld in het vierde lid wordt in beginsel berekend op basis van het laatste ontvangen loon, dan wel de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. Als het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte vastgesteld op basis van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen. 7. Bij versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 8. Als toepassing van het zevende lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing geven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onderdeel b PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn. 9.

Wanneer een belanghebbende bij het aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend kan worden

11

geacht, en het beroep op de voorliggende voorziening niet alsnog mogelijk is, dan wordt de (bijzondere) bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien. Artikel 24: Zeer ernstige misdragingen 1. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW kan de uitkering worden verlaagd. 2. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd. 3. Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer ernstige misdraging. 4. Het college legt een verlaging op van 100% gedurende één maand. 5. Bij recidive legt het college een verlaging op van 100% gedurende drie maanden. Artikel 25: Verlaging versus boete Wet inburgering 2021 1. Indien het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 18 PW kan verlagen, dan kiest het college voor het opleggen van een boete en niet voor het verlagen van de bijstand; 2. Het college kan de op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegde boete verrekenen met de bijstandsuitkering.

Hoofdstuk 4: Bevordering naleving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel 26: Bevorderen naleving 1. Het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar een landelijk vastgesteld model. 2. Het college stelt beleidsregels vast waarin tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld: a. de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik; b. de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling met derden; c. de wijze waarop controles worden uitgevoerd; d. de wijze waarop oneigenlijk gebruik en misbruik wordt opgespoord en afgehandeld. Artikel 27: Bevorderen rechtmatigheid 1. Het college beoordeelt de rechtmatigheid van de uitkeringen op basis van de informatie uit landelijke systemen en de door belanghebbende te overleggen gegevens. 2. Bij twijfel doet het college nader onderzoek en kan daarbij gebruikmaken van diverse onderzoeksmiddelen als opgenomen in beleidsregels. Hierbij hanteert de college de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Artikel 28: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Indien een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van de gemeente kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude. Artikel 29: Terugvorderen vastgestelde benadelingsbedragen Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening, terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld: a. wanneer en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening, terug- en invordering van een verstrekte voorziening; b. op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering, dan wel van invordering wordt afgezien; c. met welke frequentie heronderzoeken plaatsvinden. Artikel 30: Verhaal Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op een onderhoudsplichtige waarin tenminste wordt geregeld:

12

a. op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot verhaal; b. wanneer en op welke wijze wordt afgezien van het verhalen van een voorziening; c. met welke frequentie verhaalonderzoeken plaatsvinden. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 31: Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij het beleid. Artikel 32: Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening als de toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 33: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2023'. Artikel 34: Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 35: Intrekking oude verordening De Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ, Bbz 2017 wordt ingetrokken.

13

Toelichting Verzamelverordening PW, IOAW/IOAZ en Bbz 2023 Inleiding Vanwege wijzigingen in de relevante wetgeving is het nodig gebleken de Verzamelverordening aan te passen. Deze gewijzigde verordening is zoveel mogelijk tot stand gekomen in regionale samenwerking, immers de arbeidsmarkt houdt ook niet op bij de gemeentegrenzen. Eind 2022 is het wetsvoorstel Breed Offensief aangenomen, een brede agenda om de arbeidsmarktkansen voor mensen met een arbeidsbeperking te vergroten. Nog te veel mensen met een arbeidsbeperking hebben geen werk. En te weinig werkgevers hebben iemand met een arbeidsbeperking in dienst. Met het breed offensief is een aantal maatregelen genomen om mensen met een beperking aan een baan te helpen en aan het werk te houden. De doelen van het breed offensief zijn; • Zorgen dat werkgevers en werkzoekenden elkaar makkelijker vinden; • Het makkelijker maken voor werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen; • Werk voor mensen met een arbeidsbeperking aantrekkelijker maken De maatregelen worden gefaseerd ingevoerd en hebben onder andere geleid tot aanpassingen van de PW. Dit noodzaakt ook tot het aanpassen van het hierop gebaseerde gemeentelijke beleid, te weten de Verzamelverordening PW, IOAW/IOAZ en Bbz. De verordeningsplicht van artikel 8a Participatiewet wordt uitgebreid om transparantie en harmonisatie van re-integratie instrumenten te bieden.

Vanuit werkgevers en werkzoekenden is behoefte aan meer zicht op beschikbare middelen. Vooral vanuit werkgevers die met verschillende gemeenten te maken hebben. Bij verordening moet geregeld worden: het proces van loonkostensubsidie; de proefplaatsing; verschillende vormen van persoonlijke ondersteuning waaronder job-coaching, vervoer en ondersteuning bij specifieke handicaps waaronder meeneembare voorzieningen. Deze vindt u terug in paragraaf 2 van deze verordening.

Hierna volgt de artikelsgewijze toelichting. Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Definities De in deze verordening gebruikte begrippen sluiten zoveel mogelijk aan bij de begrippen in relevante wetgeving waaronder de Participatiewet. Hoofdstuk 2: Re-integratie en tegenprestatie Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen Dit hoofdstuk stelt regels rondom het tot stand komen van het ondersteuningsaanbod aan werkzoekenden die behoren tot de doelgroep. Het gaat daarbij om uitkeringsgerechtigden en nietuitkeringsgerechtigden (NUG-gers). De opdracht hiertoe is geregeld in artikel 7 PW en artikel 34 IOAW/IOAZ. Voor het Bbz gelden deze regels niet omdat het hier een specifieke doelgroep, namelijk zelfstandigen, betreft. e de specifieke doelgroep en bepalingen. Voor uitkeringsgerechtigden geldt dat een voorziening ook gericht kan zijn op betekenisvolle participatie als werk (nog) niet mogelijk is. Artikel 2: Opdracht en taak van het college Het college biedt voorzieningen en ondersteuning als bedoeld in deze verordening aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie. Het college maakt hierbij een afweging, waarbij zij kijkt of een voorziening gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende (het meest) passend is met het oog op arbeidsinschakeling of participatie.

Het is aan het college om te zorgen voor voldoende en gevarieerd aanbod van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, re-integratie

14

en participatie. We werken hierbij samen in regionaal verband binnen het Werkgeversservicepunt Midden Brabant. In beleidsregels worden deze voorzieningen nader omschreven en ingevuld. Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning, houdt het college rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende als bedoeld in artikel 8a tweede lid onderdeel a PW. Hierin ligt besloten dat de gemeente ook rekening houdt met de omstandigheden en (functionele) beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VNverdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een voorziening rekening te houden met de vraag van de arbeidsmarkt. Ook wordt bij het ondersteuningsaanbod rekening gehouden met eventuele zorgtaken die een belanghebbende heeft. Hieronder wordt in ieder geval verstaan de opvang van tot het gezin behorende kinderen en het verrichten van mantelzorg. Het college werkt dit verder uit in beleidsregels.

Soms hebben personen ondersteuning nodig anders dan direct gericht op werk waarmee zij later wel de stap naar (betaald) werk kunnen maken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer sprake is van schuldenproblematiek. In het vierde lid is opgenomen dat het college de inzet van flankerende voorzieningen bevordert, te denken valt aan schuldhulpverlening of kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan een voorwaarde zijn voor het aanvaarden van werk of bij maatschappelijke participatie. Hierbij hoeft de gemeente niet alle voorzieningen zelf te organiseren. Bij het afstemmen van het ondersteuningsaanbod wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van voorzieningen. Ook kan de gemeente het ontstaan en voortbestaan van dergelijke voorzieningen bevorderen. De gemeente kan om de financiële risico’s te beheersen vooraf een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal bij een aanspraak op ondersteuning altijd een afweging maken van alle individuele feiten en omstandigheden van de persoon (en zijn gezin). Op grond hiervan wordt beoordeeld of en welk ondersteuningsaanbod in het individuele geval het meest passend is. Per voorziening kan het college een budgetplafond hanteren. Het college gaat, ingeval het budgetplafond voor een bepaalde voorziening is bereikt, na of er een (goedkoper) alternatief voor handen is.

Hierbij kan het college kiezen voor het goedkoopste adequate alternatief. Waar de gemeente ook zelf aanbod in huis heeft gaat dit voor op inkoop van voorzieningen. Wel moet de voorziening passend en adequaat zijn. Bij de inzet van voorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van een regionale menukaart die door de deelnemende partijen in het Werkgeversservicepunt Midden-Brabant is opgesteld. Artikel 3: Aanspraak Het college kan een voorziening verstrekken zowel aan de persoon zelf als aan diens werkgever. Dit is afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie. Vanuit een onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende stelt het college samen met de belanghebbende vast welke inzet nodig is om het uiteindelijke doel, participatie naar vermogen, te bereiken. Soms is zinvolle maatschappelijke participatie het maximaal haalbare voor iemand. Daar waar er mogelijkheden zijn tot arbeidsinschakeling wordt gestreefd naar duurzame arbeidsinschakeling. Het college betrekt bij het afstemmen van het ondersteuningsaanbod alle relevante belangen, waaronder de situatie op de lokale en regionale arbeidsmarkt, de mate van investering in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een voorliggende voorziening, waaronder voor jongeren de terugkeer naar het reguliere onderwijs.

Het aanbod aan voorzieningen en de hierbij verwachte inspanningen van belanghebbende worden vastgelegd in een plan van aanpak. Dit plan van aanpak wordt niet eenzijdig door de gemeente opgesteld, maar in samenspraak met de klant, waarbij diens wensen, talenten en mogelijkheden nadrukkelijk worden meegenomen. Het college kan ook voorzieningen aanbieden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Wanneer het college dit doet en welke voorzieningen hiervoor kunnen worden ingezet, wordt vastgelegd in beleidsregels. In

15

de Verzamelverordening 2017 was een inkomensgrens opgenomen voor de doelgroep NUG-gers. De Centrale Raad van Beroep heeft echter beslist dat een dergelijke categoriale begrenzing van de aanspraak op een voorziening in strijd is met de wet. Daarom is het vijfde lid van artikel 3 aangepast. Het college geeft in beleidsregels nadere invulling aan de aanspraak op een voorziening voor niet uitkeringsgerechtigden (NUG-gers). Paragraaf 2.2: Voorzieningen Artikel 4: Voorzieningen De PW schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het doel van de wet is dat de voorziening gericht is op participatie bij voorkeur door arbeidsinschakeling. Soms is maatschappelijke participatie het maximaal haalbare voor een persoon. Het ondersteuningsaanbod wordt dan hierop afgestemd. Al naar gelang de afstand tot de arbeidsmarkt kan het ondersteuningsaanbod gericht zijn op bijvoorbeeld: • activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk); • leren van vaardigheden of kennis; • opdoen van werkervaring, bijvoorbeeld door het werken met behoud van uitkering of via gesubsidieerd werk; • re-integratie; • begeleiding naar regulier werk. Het college kan ook voorzieningen aanbieden met als doel het wegnemen of verminderen van de belemmeringen richting werk.

Het gaat niet altijd om bemiddeling direct naar werk maar kan ook gaan om voorzieningen die ervoor zorgen dat een belanghebbende op termijn gemakkelijker te bemiddelen is naar (betaald) werk. Te denken valt aan verwijzing naar schuldhulpverlening of het aanbieden van scholing of begeleiding op de werkplek. Er zijn diverse voorzieningen ten behoeve van werkgevers opgenomen in deze verordening. Zo is het mogelijk een werkgever te stimuleren een persoon uit de doelgroep werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel een persoon in dienst te nemen. De gemeente zou bijvoorbeeld een deel van de opleidingskosten voor haar rekening kunnen nemen. Ook is het mogelijk door middel van een voorziening werkgevers te compenseren voor de verminderde productiviteit van een persoon. Bijvoorbeeld middels het inzetten van loonkostensubsidie als opgenomen in artikel 8 van deze verordening. In dit artikel zijn de voorzieningen opgenomen die een persoon kunnen ondersteunen richting (betaald) werk of participatie. Het gaat hier om specifieke instrumenten waaronder bemiddeling van de werkzoekende, scholing, proefplaatsing en dergelijke. De nadere invulling en de voorwaarden waaronder deze voorzieningen kunnen worden toegekend wordt uitgewerkt in beleidsregels.

In het derde lid van dit artikel is het uitgangspunt beschreven dat daar waar meerdere voorzieningen mogelijk zijn om een belanghebbende naar werk of participatie te begeleiden er wordt gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden in het individuele geval. Het hoeft niet noodzakelijkerwijze te gaan om de meest optimale oplossing. Het derde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a tweede lid onderdeel g PW moeten regels enen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.

16

Artikel 5: Voorzieningen duale trajecten inburgering Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet kregen gemeenten weer de regie op de inburgering. Het college is verplicht om een persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) op te stellen voor inburgeringsplichtigen. Het college biedt inburgeringsplichtige statushouders die een bijstandsuitkering ontvangen zoveel mogelijk een duaal traject aan. Een dergelijk traject heeft twee componenten: een taalcomponent en een activerings- of participatiecomponent. Dit aanbod wordt vastgelegd in het PIP. Artikel 6: Beëindigen van een voorziening In artikel 6 is omschreven dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dit kan. Het college kan bijvoorbeeld een voorziening beëindigen als een persoon niet in voldoende mate meewerkt aan een traject. In een dergelijke situatie wordt ook bezien of afstemming van de uitkering mogelijk en nodig is. Onderdeel e is van toepassing als het gaat om voorzieningen aan NUG-gers. Bij uitkeringsgerechtigden die niet of onvoldoende meewerken aan een voorziening kan de uitkering worden verlaagd. Bij NUG-gers is dit niet mogelijk. Als zij niet meewerken aan de voorziening kan deze beëindigd worden.

Sub f is, anders dan a tot en met e, gericht op de participatiepartner, bijvoorbeeld de werkgever of trajectaanbieder, en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Indien een participatiepartner niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de voorziening, bijvoorbeeld het bieden van ondersteuning op de werkvloer, kan het college de voorziening eveneens beëindigen. Uiteraard zal het college zich in dergelijke situaties inspannen om zo spoedig mogelijk een ander passend aanbod voor belanghebbende te vinden. De reikwijdte van deze bepaling is beperkt. Het college kan dit lid niet toepassen wanneer er al in wettelijke bepalingen is vastgelegd wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Dat is het geval bij de voorzieningen beschut werk en loonkostensubsidie. Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen werkgever en werknemer geldt het burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel verplichtingen richting de werknemer (en niet jegens de gemeente). De PW voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Het college kan noch van een uitkeringsgerechtigde, noch van een NUG-ger, werkgever of participatiepartner de kosten terugvorderen op basis van het bestuursrecht. Terugvordering kan in voorkomende gevallen wel op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 7a: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 achtste lid PW). Personen van 27 jaar of ouder met een bijstandsuitkering kunnen in aanmerking komen voor een participatieplaats. Additionele werkzaamheden Een participatieplaats is bedoeld om additionele werkzaamheden te verrichten. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (weer) wennen aan werken. Een belanghebbende kan in een participatieplaats werken aan zijn vaardigheden op het gebied van bijvoorbeeld het omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s. Ook kan binnen de participatieplaats worden beoordeeld of het werk(terrein) past bij de mogelijkheden van belanghebbende. Ook kan bijvoorbeeld worden gekeken of en op welke onderdelen scholing of opleiding nodig is zodat er perspectief op duurzame arbeidsinschakeling ontstaat. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de PW). Na zes maanden beoordeelt het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a achtste lid PW). Zo niet, dan beëindigt het college de participatieplaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13641834/1