Bijl1B- 25-11 Artikel 4.6 Verordening Jeugdhulp 2025
Tekst van het document
Bijlage 1B: Toevoeging van de tekst in artikel 4.6 (op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat gemeenten in de verordening op moeten nemen hoe zij omgaan met de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders’). Artikel 4.6 Beoordelingscriteria eigen kracht 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder verstaan we in ieder geval: - Gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers/opvoeders - Bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar zijn en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden en die geen (dreigende) overbelasting oplevert. Daarnaast ontstaan er door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin. - De ondersteuning vanuit het sociale netwerk. - Het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering indien die is afgesloten 2. Onder gebruikelijke hulp verstaan we de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Bij hen ligt de verplichting de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden.
Ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: − De leeftijd van de jeugdige − De mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft − De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige − De mate van planbaarheid van de hulp − De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. 5. Indien er sprake is van hulp die het gebruikelijke overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp.
Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties: − Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en Daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. − Langdurend: het gaat om een chronische situatie waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6. Het college verwacht van ouders/verzorgers dat zij in kortdurende situaties bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. 7.Bij de beoordeling van langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige. b. De mate van planbaarheid van de hulp c. Het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders. d. De manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige. e. Vaardigheden van ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond). f. Of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of
schulden. g. Welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk of sociale verplichtingen. h. Het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen. i. De woonsituatie j. De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijk stiefouder of niet). k. Of er sprake is van een sociaal netwerk en zo ja, wat de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk zijn om de jeugdige en/of zijn ouders te ondersteunen. l. Overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en ouders worden ingebracht. 8. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders (beschikbaarheid van ouders, de belasting van ouders en de financiële situatie van de ouders) dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde (bovengebruikelijke) hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat zij hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 10.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoed, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 11. Bij (dreigende) overbelasting gelden de volgende uitgangspunten: a. Er moet sprake zijn van een verband tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. b. Als de overbelasting veroorzaakt wordt door spanningen op het werk (bijvoorbeeld door teveel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. c. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. d. Het verlenen van hulp aan je kind gaat in beginsel voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. e. Indien de ouders een informeel pgb ontvangen voor de zorg van een jeugdige en er is sprake van (dreigende) overbelasting dan kan dit aanleiding zijn het pgb te beëindigen. Een andere zorgverlener neemt dan het verlenen van de hulp over om de overbelasting te stoppen. 12. Het college kan nadere regels stellen.
Toevoeging aan de ‘toelichting op de verordening’ (op basis van het toevoegen van artikel 4.6) Beoordelingscriteria voor (boven)gebruikelijke hulp/eigen kracht : Artikel 4.6 Beoordelingscriteria voor (boven)gebruikelijke hulp/eigen kracht De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 geoordeeld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe om te gaan met de voorwaarde “eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen” van ouders. Dit artikel beoogt hier invulling. Al de afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. We willen ouders en jeugdigen in staat stellen om de uitdagingen van het leven waar mogelijk samen met omgeving aan te gaan. Door hulp te kunnen en durven vragen aan de directe omgeving en steun te ervaren van familie, vrienden maar ook vanuit het netwerk, de buurt, de sportvereniging of school. Indien dit netwerk (nog) niet beschikbaar is dan is er toegang tot een individuele voorziening tot jeugdhulp waarin één van de doelen is te onderzoeken hoe de ouders/jeugdigen het (op termijn) weer zelf kunnen regelen om zo ook de ouders/jeugdigen nog meer regie te geven over hun eigen situatie (versterking van de eigen kracht en zelfredzaamheid).
In lid 1 is opgenomen dat ouders en jeugdigen pas in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Het uitgangspunt is er eerst wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht). In lid 2 staat uitgelegd wat er wordt verstaan onder gebruikelijke hulp en welke verplichting er rust bij ouders voor de verzorging, opvoeding, begeleiding en toezicht op hun kinderen. Deze verplichting vloeit voor uit artikel 1:247 BW waarin de wetgever heeft vastgelegd dat ouders (met ouderlijk gezag) de plicht hebben hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid. In lid 3 zijn de factoren opgenomen die bepalend zijn of er sprake is van gebruikelijke hulp. In lid 4 is opgenomen dat indien er sprake is van gebruikelijke hulp hier in beginsel geen individuele voorziening tot jeugdhulp voor wordt verstrekt tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. In lid 5 wordt een onderscheid gemaakt tussen een kortdurende en een langdurige situatie.
Indien er sprake is van een kortdurende situatie wordt in beginsel verwacht dat ouders de zorg zelf bieden (lid 6) tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een langdurige situatie vraagt andere beoordelingscriteria dan een kortdurende situatie. In lid 7 is opgesomd met welke factoren bij de beoordeling rekening wordt gehouden. Als alle factoren mee zijn gewogen en het (zelf) verlenen van de zorg levert geen problemen op dan wordt van ouders verwacht dat zij deze zorg (deels) zelf leveren (lid 8) en wordt er geen individuele voorziening voor jeugdhulp versterkt. Ook indien het sociale netwerk van de ouders en/of de jeugdige (een deel) ondersteuning kan bieden wordt verwacht dat ouders hier ook gebruik van maken. Het doel is juist om ouders weer in hun kracht te zetten en daarmee de regie te laten houden. Er zijn ouders die een aanvullende zorgverzekering hebben (lid 10) waaruit zorg kan worden vergoed. Indien daar sprake van is dan verwachten wij van ouders dat ze hier eerst gebruik van maken. Alleen indien dit niet toereikend is kan aanspraak worden gemaakt op een individuele voorziening voor jeugdhulp. Indien er sprake is van (dreigende) overbelasting (lid 11) wordt altijd ook gekeken naar zowel de oorzaak van deze (dreigende) overbelasting én het verband met de zorg aan de jeugdige.
De overbelasting bij de ouder(s) moet (mede) worden veroorzaakt door de zorg voor de jeugdige. Indien de overbelasting ontstaat door andere factoren (zoals een stressvolle baan, veel uren werken) zal op dat vlak naar een oplossing moeten worden gezocht. In sub d is opgenomen dat het verlenen van hulp aan je kind in beginsel voor gaat op sociale/maatschappelijke activiteiten. Hiermee wordt niet beoogd dat ouders geen enkele sociale of maatschappelijke activiteit meer mogen uitoefenen of bijwonen. Hierin moet sprake zijn van een bepaalde mate van redelijkheid in het aantal activiteiten en de tijdsduur. Indien er sprake is van een informeel persoonsgebonden budget voor zorg aan de jeugdige en er is sprake van (dreigende) overbelasting dan kan het (tijdelijk) stopzetten van dit pgb een mogelijkheid zijn om de (dreigende) overbelasting te stoppen doordat een andere zorgverlener de zorg (tijdelijk) overneemt.