Bijl1- 25-04 VVE-beleidsplan 2025 Gemeente Dongen
Tekst van het document
VVE-BELEID Voor- en vroegschoolse educatie, Gemeente Dongen 2024-2027
Inhoud Pagina Leeswijzer
4
1 Inleiding →
5
1.1
Verplichtingen
5
1.1.2
Lokale Educatieve Agenda
5
1.2
Toetsing door de Inspectie van het Onderwijs
6
1.3.1
OAB-budget
6
1.4
Doelgroepdefinitie
6
2
Lokale situatie →
7
2.1
Aantallen
7
2.2
Rolverdeling
7
2.2.1.
Rol landelijke overheid
7
2.2.2
Rol gemeente
7
2.2.2.1 Visie en doelstellingen gemeente Dongen
7
2.2.3
Rol kinderopvang
8
2.2.4
Rol schoolbesturen primair onderwijs
8
2.2.5
Rol GGD / JGZ
9
2.2.6
Rol Bibliotheek
9
2.2.7
Relatie met aanpak laaggeletterdheid
9
2.2.8
Netwerkbijeenkomsten
9
2.3
Doelgroepdefinitie
10
3
Doorgaande lijn →
11
3.2
Kansrijke Start
12
3.3
Tegengaan van segregatie
12
4
Ouderbetrokkenheid →
13
5
Monitoring en evaluatie →
14
5.1
Toezicht
14
5.2
Wettelijke taak gemeente
14
5.3
Peutermonitor
14
5.4
Uitvoeringsplan
14
6
Samenwerking en overleg
15
7
Financiën
16
7.1
Onderwijskansen-middelen (OAB-middelen)
16
2
7.2
Peuteropvangmiddelen
16
8
Bronvermelding
18
Bijlage 1 Wettelijk Kader
19
3
Leeswijzer Gemeenten en basisscholen hebben dezelfde missie en dezelfde doelgroep: het bieden van kansen voor kinderen die vanwege hun achtergrond minder goed ‘presteren’ dan zij in gunstiger omstandigheden zouden doen. Het doel is om hen een betere start te geven, zodat zij zonder achterstand in groep 3 van de basisschool komen. Het onderwijsachterstandenbeleid kan gemeentebreed versterkt worden als scholen, voorscholen en andere relevante maatschappelijke partners met elkaar samenwerken. De gemeente kan daar een verbindende rol in spelen. Een onderdeel van het onderwijsachterstanden beleid, ook wel onderwijskansenbeleid genoemd, betreft Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE). Voordat wordt ingegaan op de lokale situatie op het gebied van VVE, wordt in hoofdstuk 1 eerst het wettelijk kader nader besproken. De specifieke duiding van de verschillende wetten is als bijlage 1 opgenomen aan het einde van dit document. Wat betreft de lokale situatie wordt deze geschetst in hoofdstuk 2 aan de hand van de aantallen kinderen en de rollen van alle partijen die betrokken zijn bij de beleidsopstelling en -uitvoering van VVE in de gemeente Dongen. In hoofdstuk 3 wordt de doelgroepdefinitie omschreven en in hoofdstuk 4 en 5 worden de direct betrokken factoren zoals de doorgaande leerlijn en ouderbetrokkenheid besproken.
Hoe we omgaan met de monitoring en evaluatie van VVE komt in hoofdstuk 6 ter sprake. Vervolgens wordt de uitvoering uitgelegd in hoofdstuk 7 en de wijze van financiering in hoofdstuk 8.
4
1. Inleiding Het Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE)-beleid is bedoeld om (dreigende) leerachterstanden onder 0-6 jarigen ten gevolge van sociale, economische of culturele oorzaken te voorkomen en om eenmaal opgelopen achterstanden te verminderen. De voorschoolse educatie is gericht op de 2 tot 4-jarigen en wordt uitgevoerd door kinderopvangorganisaties (per 01-012018 vallen hier ook de peuterspeelzalen onder). De vroegschoolse educatie is gericht op de 4 tot 6-jarigen en wordt uitgevoerd door het basisonderwijs. 1.1 Verplichtingen Op het terrein van voorschoolse educatie hebben gemeenten een aantal verplichtingen. Deze zijn vastgelegd in de wet- en regelgeving onderwijsachterstandenbeleid in de Wet Primair Onderwijs (WPO 1981, artikel 166 en 167): •
Eenmaal per jaar overleg voeren met de schoolbesturen en de kinderopvang in de gemeente
•
Over de doorlopende leerlijn van voorschoolse educatie naar basisonderwijs. Dit gebeurt vaak in de LEA (Lokale Educatieve Agenda);
•
Aangeven op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie;
•
Zorgen voor een aanbod voorschoolse educatie: een programma dat door gekwalificeerd personeel wordt verzorgd in kinderdagverblijven en peuteropvanggroepen voor doelgroepkinderen;
•
Verantwoording van de resultaten: m.n. over het aantal peuters dat deelneemt aan voorschoolse educatie en het bereiken van alle doelgroepkinderen.
Gemeenten hebben wettelijke taken in de uitvoering van VVE-beleid. Om hier op een goede manier invulling aan te geven is het monitoren en evalueren van het beleid van belang, gevolgd door eventuele verbeteringen. De Inspectie van het onderwijs heeft dit dan ook als beoordelingspunt opgenomen in haar toezichtskader. 1.1.2 Lokale Educatieve Agenda De wetsartikelen (artikel 161 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.42 van de Wet voortgezet onderwijs 2020), verplichten de gemeente, schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs en houders kinderopvang om jaarlijks overleg te voeren over vier thema’s: •
Het bevorderen van integratie,
•
Het voorkomen van segregatie,
•
Het bestrijden van onderwijsachterstanden, en
•
De afstemming over toelatings- en inschrijvingsprocedures.
Het overleg moet gericht zijn op het maken van afspraken die zoveel mogelijk het karakter hebben van meetbare doelen.
5
1.2 Toetsing door de Inspectie van het Onderwijs Gemeenten en schoolbesturen van basisscholen krijgen extra geld om specifiek Onderwijsachterstandenbeleid van de Rijksoverheid uit te voeren. Dit budget is bekend onder de naam Onderwijsachterstand-bestrijding (OAB)-middelen. De Inspectie van het onderwijs toetst bij gemeenten die OAB-middelen ontvangen de wijze waarop ze hun VVE-beleid evalueren. Verplichtingen die hieruit voortvloeien zijn: •
De gemeente dient het eigen VVE-beleid, de afspraken, de uitvoering en de resultaten jaarlijks te evalueren. Deze jaarlijkse evaluatie wordt vastgelegd en kan leiden tot conclusies voor verbeteringen of aanpassingen van het beleid. Sommige gemeenten zetten een monitor in om het VVE-beleid, het bereik en de resultaten jaarlijks in kaart te brengen. Dit kan een monitor zijn van de eigen onderzoeksafdeling. Sommige gemeenten kiezen echter voor het inzetten van een onafhankelijk extern bureau.
•
Criteria bij toetsing door de onderwijsinspectie: a) Het VVE-beleid en/of de afspraken met partners over de uitvoering van VVE worden jaarlijks geëvalueerd; b) Over de bevindingen uit de evaluatie wordt gerapporteerd; c) Verbeterpunten worden benoemd en opgenomen in plannen voor komende jaren.
1.3 OAB-budget De OAB-middelen dienen jaarlijks middels de SiSa-systematiek te worden verantwoord en vierjaarlijks definitief te worden afgerekend met de rijksoverheid. De laatste periode (2019-2022) moet in 2023 worden afgerekend en voor de nieuwe periode 2023-2026 mogen de eventueel overgebleven bedragen mee overgenomen worden naar de volgende jaren van de periode. 1.4 Doelgroepdefinitie Gemeenten hebben de beleidsvrijheid gekregen om voor voorschoolse educatie zelf de definitie van de doelgroep te bepalen. Burgemeester en wethouders van een gemeente bepalen op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie.
6
2. Lokale situatie De doelgroep-definitie bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor het VVE programma. De gemeente Dongen wil dat alle kinderen die het nodig hebben extra begeleiding krijgen. Niemand mag buiten de boot vallen. Sinds 1 januari 2016 wordt de peuteropvang, inclusief voor-en vroegschoolse educatie (VVE) uitgevoerd door drie aanbieders (Stichting Kinderopvang In Dongen (KIDDY), Kindcentrum Petito's en De Toverdroom) op vier locaties in de kernen Dongen, Dongen-Vaart en 's Gravenmoer. Jaarlijks zijn er circa 56 tot 60 kinderen die VVE-geïndiceerd worden. 2.1 Aantallen In de gemeente Dongen stonden er in 2023 de volgende kinderopvangvoorzieningen ingeschreven: 13 x kinderopvang (KO) locaties 11 x Buitenschoolse opvang (BSO) locaties 1 x Gastouderbureau (GOB) 25 x Voorziening Gastouder (VSO) Een gastouderbureau (GOB) helpt gezinnen aan een passende gastouder (Voorziening Gastouder -VSO-) en helpt gastouders aan werk. Hierbij kijken ze naar de juiste gastouder die bij het kind past zodat het kind zich kan blijven ontwikkelen, maar daarnaast ook plezier kan maken. Naast het begeleiden voor opvang en werk, heeft het gastouderbureau nog meer taken zoals het zorgen dat de gastouder voldoet aan de GGD-inspectievereisten en het regelen van de (financiële) administratie.
2.2 Rolverdeling Er zijn verschillende partijen die een rol spelen bij het voorkomen van onderwijsachterstanden en daarmee het vergoten van kansengelijkheid. Centraal hierin staan de landelijke en lokale overheid, de jeugdgezondheidszorg (GGD), het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen. In de gemeente Dongen zijn er drie kinderopvangorganisaties die VVE aanbieden. 2.2.1. Rol landelijke overheid De landelijke overheid geeft de wettelijke kaders aan en stelt middelen beschikbaar voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid door gemeenten en onderwijsorganisaties (inclusief voorschoolse educatie). 2.2.2 Rol gemeente De gemeente heeft op grond van de WPO (artikel 166, 167) en de wet OKE (Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie) een verplichting tot het aanbieden van voldoende voorschools aanbod in volume, spreiding en kwaliteit voor de doelgroepkinderen binnen de gemeente. 2.2.2.1
Visie en doelstellingen gemeente Dongen
In het document ‘(Op)groeien in de gemeente Dongen’ is de visie van de gemeente Dongen en netwerkpartners als volgt geformuleerd. “Alle kinderen moeten kunnen meedoen, niemand mag buiten de boot vallen. De gemeente Dongen zet in op het versterken van de doorgaande lijn van focus op het jonge kind tot het uitstromen naar activiteiten naar vermogen.
7
Het VVE-beleid heeft raakvlakken met het jeugdbeleid in brede vorm: daarom hebben we als gemeente aandacht voor de doorgaande lijnen tussen de voor- en vroegschool en de samenwerking hierin met passend onderwijs en de lokale partners die een rol spelen in het kader van jeugdhulp en veiligheid.” Om de start eerder te laten zijn dan de 2-jarige leeftijd waarop de Voorschoolse Educatie (VE) begint, wordt gekeken naar het aanhaken bij het programma Kansrijke Start dat zich richt op de eerste 1000 dagen. Vervolgens wordt intensief aandacht besteed aan de overgangen in het onderwijs om deze zo soepel mogelijk te laten verlopen. Het begint bij de zogenaamde ‘warme overdracht’ van kinderopvang naar het primair onderwijs en vervolgens door naar een passend vervolg op ieders niveau. Teneinde het bereik zo groot mogelijk te laten zijn, is gekozen voor een verruiming van de eerder door de gemeentelijke partners geformuleerde doelgroepdefinitie waardoor meer kinderen in aanmerking kunnen komen voor een indicatie (zie hoofdstuk 2.3 rolverdeling, waarin de doelgroepdefinitie verder wordt toegelicht). 2.2.3 Rol kinderopvang In de gemeente Dongen krijgen VVE-geïndiceerde peuters vier dagdelen (16 uur) peuteropvang met een VVEprogramma aangeboden.
Bekostiging Het eerste en tweede dagdeel wordt op dezelfde wijze berekend als bij alle andere ouders het geval is (met of zonder kinderopvangtoeslag, afhankelijk van de inkomenspositie van de ouders). Het derde en vierde dagdeel wordt geheel bekostigd door de gemeente. Aanbod Er wordt gewerkt met de volgende VVE-programma’s: Uk & Puk en Piramide. Er is sprake van een thematische koppeling tussen reguliere peuteropvang-activiteiten en VVE activiteiten. De doelen hebben zowel betrekking op taalontwikkeling als op de sociaal-emotionele ontwikkeling: o.a. vergroten van de woordenschat, taalbegrip, het doen en ervaren omzetten in taal, leren benoemen en communiceren en interactie met speelgenootjes. 2.2.4 Rol schoolbesturen primair onderwijs De schoolbesturen primair onderwijs zijn verantwoordelijk voor het bevorderen van onderwijskansen bij hun leerlingen. Het primair onderwijs is specifiek verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie voor kinderen in de groepen 1 en 2. Daarnaast kunnen in de groepen 3 tot en met 8 ook programma’s ingezet worden om onderwijskansen te bevorderen. Binnen het primair onderwijs kan onderscheid gemaakt worden tussen het basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Afhankelijk van het aantal doelgroepkinderen en de omgevingsfactoren, krijgen scholen van de rijksoverheid extra geld voor het bevorderen van onderwijskansen.
Gezamenlijk aanbod Er wordt in samenwerking met de gemeente op diverse plaatsen in Dongen een aanbod gerealiseerd voor de voorschoolse educatie voor kinderen in de groepen 1 en 2 op het gebied. Daar vindt co-financiering op plaats tussen de gemeente en de schoolbesturen. In het LEA overleg en in de VVE uitvoeringsnotitie wordt daar Dongen breedt uitvoering aan gegeven.
8
2.2.5 Rol GGD / JGZ Omdat het consultatiebureau van de GGD bijna alle kinderen ziet, zijn zij een belangrijke samenwerkingspartner op het gebied van signaleren, indiceren en toeleiden naar voorschoolse voorzieningen. De GGD verzorgt na het constateren van een (taal-)achterstand de verwijzing/indicatie voor een VVE plek waar het nodig en passend is en ziet toe op de toeleiding naar een voorschoolse voorziening. Doelgroepkinderen worden zo veel als mogelijk toegeleid naar voorschoolse educatie locatie. De GGD (consultatiebureau) belt ouders na wanneer het niet duidelijk is of een geïndiceerde peuter is aangemeld bij een VE-locatie. De JGZ investeert in voorlichting over de spraak- en taalontwikkeling en het belang van voorlezen. De JGZ werkt aan een goede samenwerking met (voor-)scholen en ondersteunen hen bij hun vragen over de ontwikkeling van kinderen. Samen met de gemeente Dongen en netwerkpartners wordt gewerkt aan een goede toeleiding van doelgroepkinderen naar VVE en desgewenst naar zorg. 2.2.6 Rol Bibliotheek Het taalverwervingsproces voltrekt zich tussen de leeftijd van nul en vijf jaar. Een vijfjarige beheerst de taal als volwaardig communicatiemiddel. Het eindpunt van de taalontwikkeling ligt rond de leeftijd van negen of tien jaar (Schaerlaekens, 2008). Het is dan ook belangrijk dat ouders al vroeg beginnen met hun kind voor te lezen.
Een kind dat voorgelezen wordt bouwt een grotere woordenschat op, waardoor leren lezen makkelijker wordt. De bibliotheek vervult een rol in het aanleveren van kinderboeken om samen voor te lezen en materiaal aan te leveren dat gebruikt kan worden door vrijwilligers. Ook kan een medewerker van de bibliotheek ondersteunende workshops verzorgen. De kinderen krijgen op deze manier meer taalvaardigheid door extra aandacht te geven aan taal, voorleesmomenten en later taalspelletjes. Hierdoor krijgen zij meer plezier in het lezen en spreken van de Nederlandse taal. Tevens raken ouders meer betrokken bij de taalontwikkeling van hun kinderen en zien hoe zij zelf de kinderen kunnen stimuleren (door voorlezen en taalspellen). 2.2.7 Relatie met aanpak laaggeletterdheid Vanaf 2025 hebben gemeenten de regierol over de aanpak van laaggeletterdheid, en daarmee ook over de gezinsaanpak. In Dongen ligt sinds medio 2021 al de opdracht bij het Taalhuis om zich te focussen op de preventie van laaggeletterdheid door zich te richten op het taalniveau van het gezin en het systeem rond het kind. Hierin wordt samengewerkt met Kansrijke Start, kinderopvanglocaties en basisscholen, zowel op individuele basis als viaoverlegstructuren.
Het Taalhuis is ook regelmatig aanwezig op locatie om, in samenwerking met genoemde organisaties, ouders aan te spreken over het belang van lezen, schrijven en digitale vaardigheden. Daarnaast creëert het Taalhuis aanbod voor ouders. Zo willen we ouders in staat stellen om een actieve rol te spelen in de taalontwikkeling van hun kind (empowerment, taalstimulering en ouderbetrokkenheid). 2.2.8. Netwerkbijeenkomsten In de driemaandelijkse netwerkbijeenkomsten met de aanbieders, bibliotheek, gemeente en de JGZ is bereik en toeleiding een vast gespreksonderwerp: hebben wij alle (zorg-)peuters in beeld, moet er een extra interventie of oproepmoment worden ingezet, moeten wij ouders nabellen, is er aanvullende zorg benodigd. Eventuele casussen
9
worden geanonimiseerd besproken. Tevens wordt tijdens deze netwerkbijeenkomsten input opgehaald ter versterking van het VVE beleid en worden themabijeenkomsten georganiseerd. 2.3
Doelgroepdefinitie
Voor- en Vroegschoolse educatie (VVE) is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid. Het doel is om peuters met een mogelijke (taal)achterstand, ook wel 'doelgroepkinderen' genoemd, beter voor te bereiden op de basisschool en er voor te zorgen dat kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen. Als gemeente Dongen hebben wij in overleg met de partners de volgende doelgroepdefinitie opgesteld. Doelgroeppeuters zijn peuters van 2-4 jaar: 1.
met een taalachterstand, die wordt veroorzaakt door onvoldoende blootstelling aan de Nederlandse taal (blootstellingsachterstand) of;
2.
met een taalontwikkelingsstoornis, waarbij verwacht mag worden dat de taalontwikkeling positief zal worden beïnvloed door deelname aan een VVE-traject of;
3.
met een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand waarbij verwacht mag worden dat deze ontwikkeling
4.
met een motorische achterstand waarbij verwacht mag worden dat deze ontwikkeling positief zal worden
positief zal worden beïnvloed door deelname aan een VVE-traject of; beïnvloed door deelname aan een VVE-traject of; 5.
bij wie de beoordelende GGD/JGZ-professional om overige redenen van mening is dat er een zodanige achterstand is (of wordt verwacht) dat door deelname aan een VVE-traject de ontwikkeling positief zal worden beïnvloed. De verpleegkundige mag de indicatie afgeven in overleg met de jeugdarts.
De gemeente Dongen hanteert een zo ruim mogelijke doegroepdefinitie zodat geen enkel kind ‘buiten de boot valt’. Dit betekent dat in uitzonderingsgevallen, zoals bijvoorbeeld bij kinderen die op de wachtlijst voor een medisch kinderdagverblijf staan, het aanbod van VVE zal worden gecontinueerd tot zij een passende plek voor een volgende stap hebben gevonden. Het Primair Onderwijs (de basisscholen) toetst de kinderen bij binnenkomst op de basisschool of extra vroegschoolse educatie nodig is of niet.
10
3. Doorgaande lijn Beleid: -De gemeente zet zich actief in (voert regie, stelt financiën beschikbaar, brengt partijen bijeen); -Er is een coördinator per kinderdagverblijf die verantwoordelijk is voor de doorgaande lijn van voor- naar vroegschools; -De directie van de basisschool zorgt voor randvoorwaarden en er is doorlopende scholing van nieuwe onderbouwleerkrachten; -Er is een duidelijke structuur voor gezamenlijk overleg, activiteiten en scholing met de voorschoolse instelling(en). Een doorgaande lijn voor kinderen van de voorschool naar groep 1 draagt bij aan een ononderbroken ontwikkeling van kinderen. Het gaat hierbij om: •
VVE-coördinatie tussen de voor- en vroegschool.
•
Voldoende doorstroom van voor- naar vroegschool (alleen voor voorschoolse educatie).
•
Warme overdracht.
•
Om een kind als het vier jaar wordt soepel door te laten stromen naar school, is het belangrijk dat de gegevens van het kind over zijn behoeften en ontwikkeling goed worden overgedragen. Eenzelfde kindvolgsysteem kan hierbij helpen, net als standaard overdrachtsdocumenten.
•
Ook dient er persoonlijk contact te zijn tussen de beroepskrachten over het kind: warme overdracht.
•
Afstemming aanbod.
•
Hetzelfde VVE-programma in kinderdagverblijf of peuterspeelzaal en groep 1 en 2 van de basisschool zorgt voor meer continuïteit in de ontwikkeling van kinderen. Afstemming van het aanbod kan ook betekenen dat gedurende het jaar parallel dezelfde thema's worden gekozen, zodat de kinderen allemaal met hetzelfde thema bezig zijn. Verder kan het aanbod samen ingevuld worden en kunnen er gezamenlijke activiteiten rond het thema georganiseerd worden.
•
Afstemming pedagogisch-educatief handelen.
•
Afstemming in omgang met ouders.
•
Afstemming interne begeleiding en zorg. Bron: GOAB.eu Binnen het voorliggend VVE-beleid, streven we naar een doorlopende ontwikkellijn voor kinderen in de leeftijd van 2 jaar tot het eind van de basisschool. Voor het jonge kind is het belangrijk dat voorschoolse voorzieningen en basisscholen samen een doorgaande ontwikkellijn neerzetten. Bij voorkeur handelen partijen hierbij vanuit één gedachte en een gezamenlijk doel. Gegevens over de ontwikkeling van kinderen worden van voor- naar vroegschool overgedragen. Als er sprake is van een VVE-indicatie gebeurt dit met een zogenaamde warme overdracht. VVEgeïndiceerde kinderen zijn hier het vertrekpunt maar het is wenselijk dat dit voor alle kinderen gebeurt. De onderbouwdocent kan zo een goede aansluiting realiseren. Het realiseren van een doorgaande ontwikkellijn is de verantwoordelijkheid van de kinderopvangorganisaties en de basisscholen.
11
3.1 Kansrijke Start De eerste 1000 dagen van een kind zijn cruciaal om een goede start te kunnen maken. In de eerste duizend dagen van het leven, vanaf de bevruchting tot de tweede verjaardag, worden we gevormd tot wie we zijn. Invloeden in deze periode zijn bepalend voor de rest van het leven. Juist omdat de ontwikkeling van een kind in de eerste 1000 dagen razendsnel gaat, is het van fundamenteel belang dat deze goed verloopt. Om dit doel te bereiken zijn binnen het actieprogramma Kansrijke Start drie actielijnen geformuleerd: voor de zwangerschap, tijdens de zwangerschap en na de geboorte. Ook is aangegeven dat het vormen van lokale coalities essentieel is om resultaten te bereiken. (Bron: Voortgangsrapportage actieprogramma Kansrijke Start, juni 2019) Vanuit het belang van Kansrijke Start doet de gemeente Dongen hier actief aan mee. 3.2. Tegengaan van segregatie en het bevorderen van integratie Segregatie is een scheiding tussen verschillende groepen mensen met gemeenschappelijke kenmerken in een samenleving. Om alle kinderen gelijke kansen in het onderwijs te kunnen geven, dient segregatie voorkomen te worden en integratie te worden bevorderd. In de gemeente Dongen heeft kansengelijkheid op alle onderwijsinstellingen en kinderdagverblijven prioriteit. Een gemeente kan geen maatregelen uitvoeren zonder de medewerking van de kinderopvang, schoolbesturen, scholen en ouders.
Maatregelen om segregatie tegen te gaan, moeten dan ook in overleg met de besturen genomen worden en samen worden gedragen. In de Lokale Educatieve Agenda (LEA) kunnen hierover afspraken worden gemaakt.
12
4. Ouderbetrokkenheid Een hoge mate van ouderbetrokkenheid of ‘ouder-community’ levert een positieve bijdrage aan het functioneren van leerlingen binnen de school, zo bewijzen diverse onderzoeken (Menheere & Hooge, 2010). Een reviewstudy van de Radboud Universiteit ‘Leraren en ouderbetrokkenheid’ uit 2013 (door Joep Bakker e.a.) toont aan dat voor leerlingen van alle leeftijden de betrokkenheid van ouders thuis de belangrijkste bijdrage levert aan hun ontwikkeling. Aanzienlijk minder groot is de bijdrage van de betrokkenheid op school en het contact tussen ouders en leraren. Wel blijkt dat leraren in staat zijn om een bijdrage te leveren aan de betrokkenheid van ouders, mits zij over positieve attituden beschikken en over het vermogen om ouders concrete en praktisch bruikbare adviezen te geven en hen te respecteren in de rol die ouders zichzelf toedichten bij het leren van hun kinderen. Bij ouderbetrokkenheid wordt vaak gedacht aan de betrokkenheid van ouders bij de schoolontwikkeling van hun kind, maar ouderbetrokkenheid gaat verder dan dat. Ouderbetrokkenheid gaat over de wijze waarop ouders in de thuissituatie de kinderen ondersteunen bij school en hun algehele ontwikkeling. De opgave is om alle ouders te bereiken, rekening te houden met verschillende verwachtingen en de dialoog gaande te houden.
De betrokkenheid van ouders met een lager opleidingsniveau en anderstalige ouders, vraagt speciale aandacht, juist vanwege de stimulerende rol die zij thuis kunnen spelen. De school kan hun betrokkenheid stimuleren door rekening te houden met hun wensen en behoeften. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de volgende condities belangrijk zijn voor ouderbetrokkenheid van deze ouders: •
Betrokkenheid van ouders staat hoog op de beleidsagenda van de school. De school vraagt ouders naar belangen en wensen.
•
De school ziet ouders met een migratieachtergrond en laagopgeleide ouders als serieuze gesprekspartners.
•
Alle ouders, van verschillende achtergrond, werken samen aan ouderbetrokkenheid.
•
Focus is gericht op ontwikkeling van de leerlingen.
•
Scholen stellen duidelijke doelen samen met de ouders wat betreft hun samenwerking.
In Dongen streven wij ernaar de samenwerking tussen de verschillende partijen (consultatiebureau, voorschool, bibliotheek, Taalhuis, PO en VO) te intensiveren. Ouderbetrokkenheid is immers een belangrijk item in de doorgaande lijn.
13
5. Monitoring en evaluatie 5.1 Toezicht Er zijn twee organisaties als toezichthouder betrokken bij het toezicht op kinderopvang en VVE. Dat zijn de GGD, die verantwoordelijk is voor het directe en jaarlijkse toezicht in de kinderopvang.De Inspectie van het Onderwijs, die meer op de achtergrond actief is en zogeheten ‘risicogestuurd toezicht’ houdt bij de gemeenten en de directe en jaarlijkse inspecties uitvoert binnen het Primair onderwijs. 5.2 Wettelijke taak gemeente Gemeenten hebben wettelijke taken in de uitvoering van VVE-beleid. Om hier op een goede manier invulling aan te geven is het monitoren en evalueren van het beleid van belang, gevolgd door eventuele verbeteringen. De Inspectie van het onderwijs heeft dit dan ook als beoordelingspunt opgenomen in haar toezichtskader. De wet schrijft het maken van afspraken voor en het jaarlijks overleggen met de schoolbesturen en aanbieders van voorschoolse educatie. De wettelijke verplichtingen ten aanzien van VVE aan gemeenten zijn weergegeven in WPO art. 167. In Dongen vinden deze overleggen binnen het LEA- overleg plaats (LEA = Lokale Educatieve Agenda). Verder is er de verplichting voor gemeenten om een voldoende aanbod VVE te bieden (WPO artikel 166) en om toezicht te houden op VVE in de peuterspeelzalen en kinderopvang.
Dit laatste gebeurt – in opdracht van de gemeente - door de GGD die de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie toetst. (Uit: Handreiking gemeentelijke kwaliteitszorg VVE-beleid – Oberon – CED-groep, 2017) 5.3. Peutermonitor Om te kunnen sturen op een (nog) groter bereik en grotere deelname van doelgroeppeuters, heeft de gemeente managementinformatie nodig omtrent het bereik van peuters. Voor GGD Hart voor Brabant is het van belang dat juist het non-bereik van de doelgroeppeuters in een beveiligde omgeving wordt gerapporteerd om vervolgens contact op te kunnen nemen met ouders die (nog) geen gebruik maken van voorschoolse educatie. Dit alles met als doel de toeleiding naar een VVE-locatie te stimuleren. Om informatie over het bereik en de doelmatigheidscontrole op de subsidie te kunnen organiseren, dient de data van de kinderopvangaanbieders gecombineerd te worden met data van GGD Hart voor Brabant e
n met gemeentelijke data uit de BRP.
De Peutermonitor is een tool die de data van de kinderopvangaanbieders, GGD Hart voor Brabant en de BRP verzamelt, controleert en valideert, zodat de gemeente in overzichtelijke dashboards beschikt over de juiste informatie. Onderdeel van de peutermonitor is ook een resultaatmodule die de ontwikkeling van de kinderen in beeld brengt. In 2025 zal de Peutermonitor in de gemeente Dongen in gebruik worden genomen. 5.4. Uitvoeringsplan In het uitvoeringsplan zal de uitwerking van een monitor voor bereik en resultaten, het totale pakket aan ingezette interventies, het uitwerken van een evaluatiekader en de jaarlijkse kwaliteitsdialoog verder worden uitgewerkt.
14
6. Samenwerking en overleg Aandachtspunten en concrete actiepunten (wie, wat, wanneer) voor de huidige beleidsperiode (2023-2026).
Wat?
Wie?
2024
2025
2026
Opstellen uitvoeringsplan
Werkgroep vve
X
Subsidieregeling ve-aanbod evalueren
Werkgroep vve
X
Het aantal ve-peuters bijhouden om te
Werkgroep vve
X
X
X
De doelgroepdefinitie jaarlijks evalueren
Werkgroep vve
X
X
X
Bereikcijfers per kwartaal bespreken
Werkgroep vve
X
X
X
volgen of de doelgroep groeit t.o.v. eerdere jaren; per kwartaal bespreken
De werkgroep VVE wordt gevormd door vertegenwoordigers uitde VVE-aanbieders in de kinderopvang, het Primair Onderwijs, de GGD / JGZ, het Taalhuis en de gemeente. Vanaf 2025 wordt de situatie in de gemeente Dongen jaarlijks geëvalueerd aan de hand van de resultaten in de Peutermonitor. Deze evaluatie wordt vastgesteld door het college en ter informatie aan de gemeenteraad voorgele
15
16
7. Financiën 7.1 Middelen voor Onderwijsachterstandenbeleid (OAB-middelen) Gemeenten en scholen krijgen geld van de Rijksoverheid om onderwijskansen te vergroten, waaronder voorschoolse en vroegschoolse educatie (vve). De overheid verdeelt dat geld sinds 2019 volgens een nieuwe methode. Die gaat ervan uit dat het risico op onderwijsachterstanden te maken heeft met omgevingskenmerken. De OAB-middelen (onderwijsachterstandsmiddelen volgens de rijksregeling) die de gemeente ontvangt, betreffen geoormerkte middelen. Dat wil zeggen dat de uitgaven moeten passen binnen de SISA-verantwoording in de jaarrekening. Het betreft een specifieke uitkering die alleen voor dit doel mag worden ingezet. Het beschikbare OAB-budget per gemeente is berekend op basis van de start op 2,5-jarige leeftijd. Het OAB-budget wordt breder beschikbaar gesteld namelijk vanaf de leeftijd van 2 jaar. Op welke wijze het budget wordt ingezet is lokaal maatwerk en dient voor de accountant terug te herleiden te zijn naar (door raad/college) vastgesteld beleid. In 2023 heeft de gemeente Dongen € 554.931,- aan onderwijskansenmiddelen ontvangen en het voorlopig toegekende budget voor 2024 bedraagt € 526.331,-. De hoogte van het budget is afhankelijk van een berekening door de Rijksoverheid. De Rijksoverheid gebruikt sinds 1 augustus 2019 een nieuwe methode.
Bij de verdeling van het geld gaat het Rijk uit van meer actuele cijfers en beter bepalende kenmerken. De overheid verdeelt bedragen tussen gemeenten en scholen en kijkt daarbij naar de achterstandsscores die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berekent van elke school en elke gemeente. Dit gebeurt op basis van data over achtergrondkenmerken van ouders. Hiermee berekent het CBS hoeveel risico op achterstand elke peuter en elke basisschoolleerling loopt. Het CBS telt de scores van afzonderlijke peuters en kinderen op per gemeente en school. Scholen en gemeenten met voldoende kinderen die behoren tot de groep met het grootste risico op onderwijsachterstand, komen op basis van hun achterstandsscore in aanmerking voor extra geld. Dat extra geld neemt toe naarmate scholen en gemeenten meer kinderen met een groot risico op achterstand hebben, en naarmate het risico zelf ook groter is. Om deze reden kan het bedrag dat de gemeente ontvangt jaarlijks fluctueren.
7.2 Peuteropvangmiddelen In de gemeente Dongen zetten wij in op het zo goed mogelijk voorbereiden van de peuters in onze gemeente op het schoolse traject. Wij doen dit door zo vroeg mogelijk begeleiding te bieden op zowel het cognitieve (onderdeel van voorschoolse educatie) als het sociale vlak (ontmoeten van leeftijdsgenoten). Voor ouders die daarvoor, vanwege hun inkomen, in aanmerking komen, is subsidie uit bovenstaande gemeentelijke peuteropvang-middelen beschikbaar. Deze subsidie betreft de inzet van gemeentelijke middelen en staat los van de VVE-subsidie (OAB-middelen) die toeziet op alleen de geïndiceerde peuters.
Binnen de kinderopvang hebben we dus te maken met twee verschillende subsidies / geldstromen: 1.
Peuteropvangmiddelen: gemeentelijke middelen (voormalige Ascher-middelen) om ouders wiens inkomen niet toereikend is, tegemoet te komen in de kosten van peuteropvang. Het doel hiervan is de peuters tijdig in beeld te hebben en tijdig te zorgen voor voldoende cognitieve ondersteuning en sociale interactie.
2.
VVE-subsidies (OAB-middelen): dit betreft de inzet van geoormerkte Rijksmiddelen ter bevordering van onderwijskansen in de gemeente. 17
8. Bronvermelding Vakliteratuur Menheere, A. & Hooge, E. (2010). Ouderbetrokkenheid in het onderwijs. Een literatuurstudie naar de betekenis van ouderbetrokkenheid voor de schoolse ontwikkeling van kinderen. Amsterdam: Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding Publicaties Actieprogramma Kansrijke Start Voortgangsrapportage juni 2019 (Ministerie van VWS) TIJD OM DOOR TE PAKKEN in de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang (Rijksoverheid) De doelgroepdefinitie VVE in de nieuw GOAB periode een handreiking (Oberon) Handreiking gemeentelijke kwaliteitszorg VVE-beleid (Oberon) Scheuren in het fundament (De toekomst van kinderopvang en funderend onderwijs – Sardes) Websites www.onderwijsinspectie.nl www.duo.nl www.rijksoverheid.nl www.onderwijsconsument.nl www.ouders.pactvoorkindcentra.nl www.sardes.nl www.oberon.eu www.waarstaatjegemeente.nl www.kinderopvangtotaal.nl
18
Bijlage 1: Wettelijk Kader Wet Primair Onderwijs (WPO) Het Onderwijsachterstandenbeleid betreft een onderdeel van de Wet op het Primair Onderwijs (afdeling 10). De WPO stamt uit 1981 en wordt vrijwel jaarlijks bijgewerkt met dieverse updates. Op 13 juni 2025 wordt een volgende wijziging verwacht. Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid Dit besluit is gepubliceerd in Staatsblad 2018, nr. 315 met de bijbehoren nota van toelichting. In het kader van het OAB (onderwijsachterstandsbeleid) ontvangt de gemeente middelen van het Rijk om achterstanden te voorkomen door vroegtijdig Voorschoolse Educatie te organiseren en mogelijk (op basis van lokaal beleid) andere interventies in te zetten. Wet Kinderopvang Sinds 1 januari 2005 is er de ‘Wet kinderopvang'. In de Wet kinderopvang worden minimum eisen gesteld aan (de kwaliteit van) de kinderopvang. Deze wet bestaat uit drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Kinderopvang (1.1 algemene bepalingen; 1.2 regels omtrent de kinderopvangtoeslag; 1.3 kwaliteitseisen kindercentrum, voorziening voor gastouderopvang en gastouderbureau; 1.4 handhaving (toezicht, inspectie, geschillen); 1.5 opsporing en sanctie; 1.6 experimenten) Hoofdstuk 2: Kwaliteitseisen peuterspeelzalen Hoofdstuk 2 'kwaliteitseisen peuterspeelzalen' van de Wet kinderopvang is per 1 januari 2018 komen te vervallen.
Dit is het gevolg van de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Voor peuterspeelzalen gelden nu dezelfde kwaliteitseisen als voor kinderdagverblijven of crèches, hoofdstuk 1 dus. Hoofdstuk 3: Overgangs- en slotbepalingen In het laatste deel van de Wet kinderopvang staan een aantal voetnoten, onder andere over het verstrekken van gegevens van de gemeenten aan de verantwoordelijk minister. Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK) Branchepartijen uit de kinderopvang en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben diverse kwaliteiteisen aangescherpt en nieuwe kwaliteiteisen opgesteld die tussen 1 januari 2018 en 1 januari 2023 zijn/worden ingevoerd. Deze kwaliteiteisen zijn vastgelegd in de Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK). Elke kwaliteitseis die van kracht wordt is/wordt op dat moment opgenomen in de Wet kinderopvang. Wet OKE Met de invoering van de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (wet OKE) op 1 augustus 2010 hebben gemeenten en scholen nieuwe verantwoordelijkheden gekregen m.b.t. het bestrijden van onderwijsachterstanden. De wet OKE heeft drie wetten gewijzigd: de wet kinderopvang, de wet op het onderwijstoezicht en de wet op het primair onderwijs. Een nevendoel van de wet OKE was het harmoniseren van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk en daarmee een kwaliteitsimpuls geven aan het peuterspeelzaalwerk.
De Wet harmonisatie kinderopvang en
19
Peuterspeelzaalwerk is in januari 2018 in werking getreden. De harmonisatie van voorschoolse voorzieningen is in de meeste gemeenten positief verlopen. De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk houdt een wijziging in van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (WKO) en enkele andere wetten. De wijzigingen in kwaliteitseisen in kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is apart geregeld in de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (IKK). Deze wet is ook in januari 2018 inwerking getreden. De nieuwe kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit kinderopvang en enkele ministeriële regelingen. Deze wetten vormen samen met de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, het wettelijk kader voor dit beleidskader. Besluit basisvoorwaarden Voorschoolse Educatie (VE) Geldend van 01-01-2022 t/m heden Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft vastgelegd aan welke kwalificatie-eisen de Voorschoolse Educatie (VE) moet voldoen. Mogelijkheid tot meertalige kinderopvang per wet vastgelegd Kinderopvangcentra mogen vanaf 1 februari 2024 meertalige dagopvang aanbieden. De Eerste Kamer heeft ingestemd met een wetsvoorstel van toenmalige minister Van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid).
Hierdoor mag kinderopvang voor maximaal 50% van de dagelijkse opvangtijd in het Duits, Engels of Frans aangeboden worden. Buitenschoolse opvang mag al langer meertalig worden aangeboden.
20