Bijl-4 24-72 Toelichting bestemmingsplan Vaartweg 78A
Tekst van het document
Met de ruimtelijke ontwikkeling die gaat plaatsvinden blijven deze bomen behouden. Echter, gedurende de aanlegfase en de gebruiksfase kan wel sprake zijn van verstoring waardoor deze soorten een mogelijk aanwezig nest zouden kunnen verlaten. Ook bestaat de mogelijkheid dat deze soorten het plangebied als leefgebied gebruiken en dit belangrijk of essentieel is om de functionaliteit van een nest in of in de omgeving van het plangebied te behouden. Met de uit te voeren ruimtelijke ontwikkeling kan dit leefgebied (tijdelijk) verloren gaan en kan dit ertoe leiden dat een
8
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. ’s Gravenmoer, Vaartweg 78. Projectnummer: 210391. 11 oktober 2023. 28
bovengenoemde vogelsoort het nest verlaat en dat hiermee de functionaliteit van dit nest verloren gaat. Door de quick scan is duidelijk geworden dat essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen en leefgebied van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoor vleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis), bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, das, eekhoorn, alpenwatersalamander en kamsalamander. De genoemde vleermuissoorten en de kamsalamander zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. De bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, das, eekhoorn kamsalamander en alpenwatersalamander vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden. Ook onder dit beschermingsregime is het onder andere doden van individuen of het vernietigen van verblijfplaatsen verboden.
Op basis van de resultaten van de quick scan natuur is nader onderzoek9 uitgevoerd naar de soorten huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, ransuil, buizerd, sperwer, wespendief, boomvalk, vleermuizen, eekhoorn, das, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, poelkikker, alpenwatersalamander en kamsalamander. Uit het onderzoek volgt dat het plangebied functioneert als foerageergebied voor steenuilen en leefgebied van de wezel, Daarnaast zijn er enkele verblijfsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aangetroffen en foerageergebied van de gewonde dwergvleermuis. Gelet op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en deze onderzoeksresultaten is het noodzakelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aan te vragen en mitigerende maatregelen te treffen. De ontheffingsaanvraag is ingediend en de mitigerende maatregelen zijn in voorbereiding/uitvoering. De mitigerende maatregelen bestaan onder meer uit het plaatsen van steenuilkasten, een faunastal voor onder meer de grootoorvleermuis en het aanbrengen van takkenhoop/-stapels, takkenril en dergelijke.
Inrichtingsplan met mitigerende maatregelen (bron: SpaceValue) 9
SAB (2022). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. ’s Gravenmoer, Vaartweg 78. Projectnummer: 210391.01. 22 december 2022. 29
Faunastal vleermuizen (bron: Bogor Projectontwikkeling)
Houtopstanden In het plangebied zijn drie houtopstanden aanwezig en als onderdeel van het plan worden enkele bomen of struiken van deze houtopstanden geveld. Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstanden die worden geveld bevinden zich op een erf. Tevens zal een groot deel van de houtopstanden behouden blijven en is de aanplant van nieuwe houtopstanden beoogd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Het oostelijk deel van het plangebied kent de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 1'. Met deze dubbelbestemming is juridisch-planologisch vastgelegd dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 centimeter archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om de beoogde woningen in dit gebied te kunnen realiseren, zal deze onderzoeksgrens overschreden worden. Daarom is archeologisch onderzoek10 uitgevoerd. Uit het archeologisch onderzoek volgt dat het grootste deel van het bodemprofiel bestaat uit een A- op C-horizont. Ter hoogte van het kassencomplex is tevens een pakket 10
Bureau voor Archeologie (2022). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Vaartweg, ‘s Gravenmoer. Projectnummer: 2021091702. 7 oktober 2022. 30
verstoorde grond aanwezig. Alleen in het noorden van het plangebied, in het perceel dat als weiland in gebruik is, is een restant van een B-horizont aanwezig. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand. De top van de natuurlijke ongeroerde ondergrond (de B- en C-horizonten) kan worden beschouwd als potentieel archeologisch niveau. Aangezien het natuurlijke bodemprofiel vrijwel geheel verdwenen is in het grootste deel van het plangebied is de kans groot dat eventuele prehistorische resten reeds zijn vergraven. Daarnaast bevestigen de boringen de vrij vlakke (natte) landschappelijke ligging. Het plangebied lijkt geen geschikte vestigingsplaats voor prehistorische kampementen. Archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zullen waarschijnlijk uitsluitend zijn gerelateerd aan agrarische werkzaamheden (voornamelijk sloten en greppels). Geconcludeerd wordt dat aangezien het oorspronkelijke bodemprofiel grotendeels is verdwenen, de kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden vergraven als klein wordt ingeschat. Daarom wordt geacht dat geen vervolgonderzoek benodigd is. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet.
In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Dongen Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Raadpleging van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016 van de provincie Noord-Brabant laat zien dat het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol gebied. ’s Gravenmoer is een goed bewaard gebleven Middeleeuwse veenontginning. Dat speelde zich af vanaf de 13e eeuw (1288) tot circa 1900. Het leverde volgende vaarten op: • Klein-Dongense Vaart 1288-1565 • Molenvaart/Dongense Vaart 1300-1700 • 's-Gravenmoerse Vaart 1335-1900 • Dongense Vaart 1564-1700 • Molenvaart 1300-1600 Deze vaarten zijn nog als waterloop of weg of pad nog herkenbaar in het landschap.
31
De bebouwing van ’s-Gravenmoer heeft zich in de loop der tijd gevormd langs deze vaarten. Nadat de eerste bebouwing langs de Donge in verval raakte heeft zich een eerste bebouwingslint gevormd aan de huidige Hoofdstraat, waar de Klein Dongense Vaart heeft gelegen. Vervolgens werd verder naar het oosten de Molenvaart/Dongense Vaart (Dwarsdijk) aangelegd, waar ter hoogte van de molen rond 1900 wat bebouwing is ontstaan. Nog meer naar het oosten ontstond de ’s-Gravenmoerse Vaart. Deze is tot 1900 gebruikt en nog steeds zichtbaar. Ook langs deze vaart ontstond een lang bebouwingslint. Tussen de twee bebouwingslinten is er langs de verbindingsweg (Molensteeg, thans Molendijk en Julianalaan) na 1900 langzaam en na 1940 sneller een verbindingslint ontstaan. De ontginning van het landschap vanaf deze vaarten resulteert in het typische zogenaamde slagenlandschap dat op een aantal locaties nog zeer herkenbaar aanwezig is. De grens tussen het Hertogdom Brabant en het Graafschap Holland strekte zich uit van de Donge, langs de Brouwersdijk, Hoge Dijk en Lage Dijk. Het doel van de bescherming is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden behouden blijven. Ontwikkelingen dienen hiermee rekening te houden zodat de waarden en kenmerken niet worden aangetast In een cultuurhistorisch onderzoek11 is nader bekeken welke cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig zijn.
Uit het onderzoek volgt dat de gronden van het plangebied bestonden uit moerassig veengebied, dat in de middeleeuwen is ontgonnen. De naam van de gemeente 's Gravenmoer, ook wel des Graven Moer, zegt alles over het grondgebruik. Met de ontginning is het voor de streek kenmerkende slagenlandschap ontstaan met smalle, langgerekte percelen en ontwateringssloten. De opzet rondom het plangebied is voor het merendeel in de middeleeuwen tot stand gekomen. De Dwarsdijk is net als de Hoge Dijk vermoedelijk al tijdens de ontginning aangelegd. De Lage Dijk wordt voor het eerst gekarteerd in 1819, maar is als structuur ouder. De kromming in de Dwarsdijk staat al op de kaart van 1747 aangegeven. De dijken liggen nog altijd hoger in het landschap. De ‘s Gravenmoerse Vaart, gegraven tussen 1421 en 1509, vormt een belangrijke structuur in de gemeente. Net als langs de Hoofdweg vormde zich langs deze vaart een belangrijke ontsluitingsweg en een bebouwingslint. Van oudsher is er bebouwing aan de oostzijde van het studiegebied aanwezig. De turfwinning was in de 17e eeuw over zijn hoogtepunt heen. Landbouw, met name hooiland, en scheepvaart verdrongen turfnering als voornaamste bron van inkomsten. De percelen van het plangebied zijn voor het eerst duidelijk in kaart gebracht het Kadastraal Minuutplan uit 1819.
Het merendeel van de gronden bestaat uit bouwland en weiland, met moestuinen in de nabijheid van het huis. Veel van de grondbezitters in het plangebied zijn ten tijde van het KMP schipper van beroep. In 1899 werd in het midden van het plangebied een kwekerij gestart door Pieter van der Dussen die in de loop van de 20e eeuw, mede door verdere grondaankopen, zich uitbreidt tot het huidige kassencomplex. Een groot
11
Stichting in Arcadië (2023). Kassencomplex Vaartweg 78a te ’s Gravenmoer Cultuurhistorisch onderzoek en waardestelling. 11 juli 2023. 32
deel van het slagenlandschap in het plangebied is met de bouw en uitbreiding van de kwekerij met kassen, warenhuizen en overige gebouwen verloren gegaan. Aan de noord-, west- en zuidzijde zijn restanten van het voormalig agrarisch landschap nog aanwezig. In het plangebied zijn nog enkele cultuurhistorische restanten te herkennen. Het gebied ligt ingesloten tussen de weilanden aan de noordzijde, de dijken aan de west -en zuidzijde en het bebouwingslint aan de Vaartweg aan de oostzijde. De hoofdstructuren en opzet van de omgeving, de perceelgrenzen, de dijken en ontwateringssloten, zijn nog herkenbaar aanwezig. Het oude slagenlandschap is in de 20e eeuw door uitbreiding van de kwekerij en verkaveling verdwenen en/of zwaar aangetast. Ook de ruimtelijkheid van het plangebied is hierbij gewijzigd, waarbij het open weidelandschap en het zicht erop vanaf de Lage Dijk zijn verstoord door de bouw van het kassencomplex. Langs de randen van het kassencomplex zijn nog restanten van het oud agrarisch en slagenlandschap aanwezig. De cultuurhistorische waarde van de inrichting het plangebied met het kassencomplex is indifferent. De landschappelijke inrichting rond het kassencomplex is positief, vanwege de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle elementen van het oud agrarisch en slagenlandschap.
Met dit plan wordt het kassencomplex gesaneerd dat ertoe heeft geleid dat het kenmerkende slagenlandschap met bijbehorende zichtlijnen en ruimtelijkheid ter plaatse verloren is gegaan. De ontsluitingsweg loopt onder een hoek door het slagenlandschap. De beoogde woningen staan aan deze weg maar volgen het patroon van het slagenlandschap. Door de beoogde woningen direct achter het bebouwingslint van de Vaartweg te realiseren kan het achterliggende gebied hersteld worden als slagenlandschap en blijven de oude historische en altijd onbebouwd gebleven Dwarsdijk en Lage Dijk ook richting de toekomst behouden en herkenbaar als cultuurhistorische hoofdstructuren. Op deze manier blijft de bebouwing zo compact mogelijk en kan een zo groot mogelijk deel van het plangebied heringericht worden als het kenmerkende oud agrarisch en slagenlandschap met bijbehorende openheid en ruimtelijkheid. Door de toekomstige agrarische percelen te voorzien van watergangen met semi-transparante worden ook oude zichtlijnen vanuit de Dwarsdijk en Lage Dijk, die door het huidige kassencomplex niet aanwezig zijn, hersteld. Op deze manier zorgt de ontwikkeling voor het behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden van het gebied. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
33
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Om de toekomstige verkeersefecten van de voorgenomen ontwikkeling in kaart te brengen is een notitie verkeerseffecten opgesteld 12. Hierin is de huidige verkeersgeneratie van het kassencomplex en de toekomstige situatie van de woningen berekend. Hoewel het kassencomplex in de huidige situatie leeg staat, is in het onderzoek wel gekeken naar wat een bedrijf van een dergelijke omvang aan verkeersbewegingen zou generen. Vervolgens zijn de huidige en toekomstige situatie van elkaar afgetrokken, waardoor een netto verkeersgeneratie van de ontwikkeling ontstaat. De huidige, toekomstige en netto verkeersgeneratie staan navolgend weergegeven.
Verkeersgeneratie huidige situatie (bron: Goudappel).
Verkeersgeneratie toekomstige situatie (bron: Goudappel).
Uit de berekening volgt dat zowel de huidige als toekomstige situatie zorgen voor een beperkte verkeersgeneratie, waarbij geen noemenswaardige verschillen worden verwacht. Het huidige verkeersbeeld is relatief rustig. Uitgaande van een verkeersbelasting van circa 160 motorvoertuigen in het drukste spitsuur en de berekende toename als gevolg van de ontwikkeling valt de toename binnen de verkeerskundige marges van de verkeersintensiteit die fluctueert over de dag, dagen van de week en maanden van het jaar. Een dergelijke toename is niet waarneembaar. Op de Vaartweg verdeelt het toekomstige verkeer zich over beide richtingen en gaat hierdoor op in de bestaande verkeersbelasting op de Vaartweg en kan goed en verkeersveilig worden afgewikkeld. De ontsluiting van het plangebied wordt voorzien middels een centrale weg. Het profiel van de weg past bij de functie van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Hierop worden gemotoriseerd- en langzaam verkeer gemengd. Vanwege de zeer geringe verkeersintensiteit zijn aanvullende voorzieningen voor bijvoorbeeld voetgangers niet noodzakelijk. In geval van een calamiteit kan het verkeer het plangebied aan de noordzijde verlaten. In een reguliere situatie is dit wegvak afgesloten middels een ‘sleutelpaal’.
Vanwege de beperkte verkeersintensiteit en het monotone verkeersbeeld (’s ochtends vooral vertrekken en in de middag vooral aankomsten) zal de aansluiting op de Vaartweg in de huidige vormgeving goed functioneren. Incidenteel kan kortstondig enige hinder ontstaan als twee voertuigen gelijktijdig willen in- en uitrijden.
12
Goudappel (2023). Notitie verkeerseffecten. Vaartweg, ‘s Gravenmoer. Projectnummer: 2021091702. 10 januari 2023. 34
Parkeren De gemeente Dongen heeft in het Parapluplan Parkeren Dongen haar eigen parkeernormen vastgesteld. De gemeente wordt daarbij in de stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’ ingedeeld. De gebieden binnen de gemeente zijn verdeeld in verschillende zones. ’s Gravenmoer kan worden gekwalificeerd als zone C, waardoor de parkeercijfers van ‘rest bebouwde kom’ mogen worden aangehouden. In het plan wordt voorzien in 10 vrijstaande koopwoningen. Als worst-case wordt gekeken naar de maximale parkeernormen dient uitgegaan te worden van en parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein bij de woningen gerealiseerd. Op deze manier kan worden voorzien in de benodigde parkeervraag. In de regels van dit bestemmingsplan wordt een parkeerregeling juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
35
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
36
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
37
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘’s Gravenmoer Dorp’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden - Landschap- en cultuurhistorie’, ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Wonen'. Verder geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 1’. Agrarische met waarden - Landschap en cultuurhistorie De westelijke helft van het plangebied is bestemd als 'Agrarisch met waarden - Landschap en cultuurhistorie'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met het behoud en versterking van de aanwezige landschaps- en cultuurhistorische waarden. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde – met uitzondering van overkappingen en voorzieningen voor opslag –, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige teeltondersteunende voorzieningen worden gebouwd. Van diverse activiteiten zijn specifieke gebruiksregels opgenomen, zoals voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en fruitteelt. Groen De groene buffer richting de bestaande woningen langs de Vaartweg is als zodanig bestemd. Hier zijn alleen beplantingen met bijbehorende voorzieningen toegestaan en is het uitsluitend toegestaan om bouwwerken, geen bouwen zijnde met een maximaal hoogte van 2 meter te bouwen.
Tuin De gronden achter het bouwvlak en de aanduiding ‘erf’ zijn voorzien van een tuinbestemming. Hier zijn geen erven en gebouwen toegestaan. Het is uitsluitend mogelijk om hier bouwwerken, geen gebouwen zijnde te realiseren. Verkeer - Verblijfsgebied De ontsluitingsstructuur van het plan is bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied', waar verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen het hoofdgebruik vormt. Hier mogen alleen bebouwen voor nutsvoorzieningen en jongerenontmoetingsplaatsen en abri’s en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Hiervoor zijn specifieke bouwregels opgenomen. Wonen De woonpercelen zijn bestemd als ‘Wonen’, waarmee het wonen in een woning met aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn gemaakt. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de maximum goot- en bouwhoogte, zoals opgenomen op de verbeelding. Ook het maximum aantal wooneenheden is op de verbeelding vastgelegd. Ter plaatse van de aanduiding 'erf' zijn aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel toegestaan. Buiten het bouwvlak en de aanduiding ‘erf’ zijn alleen bouwwerken, geen
38
gebouwen zijnde mogelijk. Voor de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn diverse bouwregels opgenomen. Tot slot zijn er nog specifieke gebruiksregels opgenomen voor enkele activiteiten. Waarde - Archeologie - 1 In een deel van het plangebied is sprake van mogelijke archeologische waarden. Om die reden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming voorziet in een omgevingsvergunningstelsel waarmee eventueel aanwezige archeologische waarden worden beschermd en is geregeld dat bij bepaalde bodemingrepen archeologisch onderzoek moet worden verricht. 5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Parkeren In de algemene regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.
39
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: − de bouw van een of meer woningen; − de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; − de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; − de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; − de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m2. Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.
Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
40
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf vrijdag 17 november 2023 tot en met donderdag 28 december 2023 ter inzage gelegen. In deze periode heeft de provincie Noord-Brabant een zienswijze ingediend. Met de provincie Noord-Brabant heeft nader overleg plaatsgevonden over de ontwikkeling, met name over onder meer de landschappelijke inpassing en de cultuurhistorische waarden. De Nota van zienswijze is als een bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de Lijst van wijzigingen is inzicht gegeven in de doorgevoerde (ambtshalve) wijzigingen.
41