CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl-10 24-72 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Besluitvormende raadsvergadering 17 oktober 2024, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 24-72 Vaststellen bestemmingsplan Vaartweg 78 A5.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

’s Gravenmoer, Vaartweg 78A

Gemeente Dongen

Datum: 11 oktober 2022 Projectnummer: 210391

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 3 5

2

Kenmerken van het plan

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

6 6 6 6

3

Plaats van het plan

8

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

8 8 8

4

Kenmerken van het potentiële effect

13

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

13 14 15 16 17

5

Conclusie

19

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Achter de lintbebouwing aan de Vaartweg 78A is een verouderd, in onbruik geraakt, kassencomplex gesitueerd. Het voornemen bestaat om de bebouwing te saneren en het perceel te herontwikkelen met maximaal tien vrijstaande woningen in een landschappelijke setting. Hierbij wordt het bebouwd oppervlak drastisch teruggedraaid, waarbij de westelijke helft van het plangebied in de vorm van agrarische gronden volgens de kenmerken van het slagenlandschap wordt ingericht. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r.

en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

3

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag.

Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor ontwikkelingen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling (de realisatie van maximaal 10 vrijstaande woningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.”

4

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 10 vrijstaande woningen. Het totale plangebied betreft circa 5,7 hectare. Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit.

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de ontwikkeling besproken. De aard en de omvang van de ontwikkeling worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving plan Achter de lijn van de lintbebouwing aan de Vaartweg bevindt zich een in onbruik geraakte glastuinbouwlocatie. Het voornemen bestaat om het bestaande kassencomplex te saneren en het perceel te herontwikkelen met 10 vrijstaande woningen in een landschappelijke setting. De woningen worden aardgasloos gerealiseerd. Met deze ontwikkeling zal sprake zijn van grote ruimtelijke kwaliteitswinst. 2,5 hectare van het perceel zal gebruikt worden voor de realisatie van de woningen. De overige 3,2 hectare krijgt een agrarische invulling zonder bebouwingsmogelijkheden, waarbij het slagenlandschap wordt versterkt door de aanleg van nieuwe watergangen, hier en daar aangevuld met elzenhagen.

2.3

Omvang van het plan Met deze ontwikkeling wordt voorzien in maximaal 10 vrijstaande woningen. De woningen krijgen een massa en uitstraling die past bij de landelijke omgeving. Daarnaast krijgt circa 3,2 hectare van het plangebied een agrarisch invulling zonder bebouwingsmogelijkheden.

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde woningen wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de

6

graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt de ontwikkeling hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de ontwikkeling wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavige ontwikkeling vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

7

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt in de tweede lijn van de lintbebouwing van de Vaartweg. Het betreft een in onbruik geraakte glastuinbouwlocatie van circa 5,7 hectare. De bebouwing bestaat uit een sterk verouderd, verloederd en in onbruik geraakt kassencomplex van circa 3 hectare met een volume van circa 94.000 m3. De locatie is te bereiken via de toegang aan de Vaartweg tussen de huisnummers 80A/82A. Aan de noordzijde wordt het perceel begrensd door een houtsingel en aan de west- en zuidzijde loopt een recreatief pad dat begeleidt wordt door een bomenlaan. Ten slotte zijn rondom de kassen boom- en fruitkwekerijen velden te vinden die een bloksgewijze vormgeving hebben.

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

8

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

•

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

•

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van de EHS.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

in een berg- en bosgebied.

3.3.2.1

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen

bied liggen Natura 2000-gebie-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

den (zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in gebie-

nautaire wetgeving vastgestelde

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

den waar basis van communau-

normen inzake milieukwaliteit

derrichtlijn water)

taire wetgeving reeds normen

reeds worden overschreden

worden overschreden.

Gebieden met hoge bevolkings-

Het plangebied is niet gelegen

dichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

•

Verdrag van Valletta

In het plangebied zijn geen his-

•

historisch belang

•

Monumentenwet

torische bouwwerken, monu-

•

cultureel belang

•

Gemeentelijk landschaps-

mentale panden met een cul-

ontwikkelingsplan

tuurhistorische of

o •

beschermd stads- en dorpsgezicht

beeldbepalende waarde te be-

archeologisch belang

noemen. Wel ligt het plangebied in een cultuurhistorisch waardevol gebied (zie verder onder 2). Het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’, waaruit volgt dat mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied (zie verder onder 3).

1. Natura 2000 gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen de Natura 2000-gebieden “Langstraat” en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk 3 en 7 kilometer van het plangebied verwijderd. Navolgende afbeelding geeft dit weer.

9

Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebied (geel) (Bron: pdok.nl).

Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000 gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 2. Cultuurhistorie Raadpleging van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016 van de provincie Noord-Brabant laat zien dat het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol gebied. ’s Gravenmoer is een goed bewaard gebleven Middeleeuwse veenontginning, met tal van sporen die herinneren aan de turfwinning in de zestiende eeuw. Het doel van de bescherming is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden blijven behouden. Ontwikkelingen dienen hiermee rekening te houden zodat de waarden en kenmerken niet worden aangetast. Middels de sanering van de verouderde kassen en de landschappelijke inrichting die aansluit bij de waarden gesteld in de CHW, geldt dat de cultuurhistorische waarden van het plangebied worden behouden en versterkt. Om die reden wordt dit aspect niet verder behandel in deze notitie. 3. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden.

In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 10

Het oostelijk deel van het plangebied kent de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 1'. Met deze dubbelbestemming is juridisch-planologisch vastgelegd dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 centimeter archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om de beoogde woningen in dit gebied te kunnen realiseren, zal deze onderzoeksgrens overschreden worden. Gezien voorgaande kunnen voor wat betreft archeologie op voorhand geen negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied maakt geen deel

heen: Ecologische Hoofdstruc-

uit van het Natuurnetwerk Ne-

tuur)

derland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 4).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 5).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

4. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.

11

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het Brabants Natuurnetwerk (gestreept). (Bron: Provincie Brabant).

Het plangebied ligt niet binnen NNN (zie hiervoor opgenomen afbeelding). Wel bevindt het plangebied zich op ongeveer 950 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN. Omdat het NNN en het Brabants natuurnetwerk geen externe werking kent, zijn negatieve effecten op het NNN uit te sluiten en wordt dit niet nader beschouwd. 5. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

12

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van de ontwikkeling en de plaats van de ontwikkeling zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Hoofdstuk 2 laat zien dat de ontwikkeling de realisatie maximaal 10 vrijstaande woningen. Daarnaast krijgt circa 3,2 hectare van het plangebied een agrarisch invulling zonder bebouwingsmogelijkheden. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een Natura 2000-gebied. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − verkeer: de ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: de ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. − archeologie: De functies in onderhavig plan kunnen leiden tot negatieve effecten van archeologische waarden. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken van de concrete ontwikkeling en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − water: er is met het plan sprake van een sterke afname van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand daarom niet te verwachten.

13

− externe veiligheid: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot externe veiligheidseffecten. − cultuurhistorie: de functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden. − bodem: onderhavige ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. − geurhinder: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. Daarbij geldt dat – indien noodzakelijk – aandacht is voor: − het grensoverschrijdende karakter van het effect; − 'de waarschijnlijkheid van het effect; − de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich achter de eerste lijn van de lintbebouwing aan de Vaartweg. De omgeving kenmerkt zich door een slagenlandschap met hoge natuurwaarden. Een groot deel van het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt als kassencomplex. Deze is echter niet meer in gebruik en is sterk verloederd.

4.2.2

Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Natura 2000-gebieden “Langstraat” en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen” liggen in de omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk 3 en 7 kilometer van het plangebied verwijderd. Op een dergelijke afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling is een onderzoek stikstofdepositie1 uitgevoerd. Uit het betreffende onderzoek volgt dat er in de gebruiksfase rekenresultaten van maximaal 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht kunnen worden. Hieruit volgt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie en dat significant negatieve effecten derhalve kunnen worden uitgesloten. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

1

SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. ’s Gravenmoer, Vaartweg 78. Projectnummer: 210391. 29 juni 2022. 14

Beschermde soorten Door middel van een quick scan natuur2 is onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Uit het onderzoek blijkt dat er mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied van vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, das, eekhoorn, alpenwatersalamander en kamsalamander aanwezig zijn. Verder zijn mogelijk nesten van de huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil niet op voorhand uit te sluiten. Naar deze soorten wordt nog nader soortonderzoek verricht. Mocht hieruit vervolgens blijken dat inderdaad sprake is van de verstoring van de betreffende soorten, dan zal hiervoor een ontheffing moeten worden aangevraagd en in dit kader zal een mitigatieplan moeten worden opgesteld. In dit plan moet worden uitgewerkt op welke wijze de gevolgen kunnen worden geminimaliseerd (gemitigeerd). Deze maatregelen zullen vervolgens als voorwaarde bij de verleende ontheffing worden gevoegd. Ervan uitgaand dat de voornoemde werkwijze wordt gevolgd en de eventueel benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, dan kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven.

Hiernaast kan ervan worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. Nader soortenonderzoek zal plaatsvinden.

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft een locatie achter de eerste bebouwingslijn van de lintbebouwing aan de Vaartweg. De locatie heeft in de huidige situatie een beperkte verkeersaantrekkende werking met het kassencomplex. De realisatie van maximaal 10 vrijstaande woningen zal een verkeersaantrekkende werking hebben.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij de voorgenomen ontwikkeling, is een notitie verkeerseffecten3 opgesteld. Hieruit volgt dat de beoogde 10 woningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 103 2

SAB (2021). Quick scan natuur. ’s Gravenmoer, Vaartweg 78. Projectnummer: 210391. 13 oktober 2021.

3

Goudappel (2021). Notitie verkeerseffecten. Vaartweg, ‘s Gravenmoer. Projectnummer: 2021091702. 12 oktober 2021. 15

motorvoertuigbewegingen per weekdag zal genereren. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan; de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. In de huidige situatie (glastuinbouw) wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 40 motorvoertuigbewegingen. Uit de berekening van de toekomstige netto verkeersgeneratie volgt dat er een toename van 63 verkeersbewegingen zal ontstaan. Geconcludeerd wordt dat dit een relatief lage toename is die in de praktijk niet waarneembaar is. Bovendien verdeeld het verkeer zich vrijwel direct over de Vaartweg. Verder is de verwachting dat het aantal vrachtbewegingen afneemt. Omdat een glastuinbouwbedrijf meer vrachtritten genereert dan woningen zal de overlast van vrachtverkeer naar verwachting afnemen. De verwachting is dat het verkeer gezien de geringe toename in de toekomst goed en veilig kan worden afgewikkeld. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie Het plangebied is gelegen achter het eerste bebouwingslint langs de Vaartweg, waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien de binnenstedelijke ligging.

4.4.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van maximaal 10 vrijstaande woningen zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal worden ontsloten op de Vaartweg. Nabij deze weg zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. In het kader van het op te stellen bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai4 uitgevoerd. Voor de Vaartwegn geldt ter hoogte van het plangebied een etmaalintensiteit van 1.374 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op 103 motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is daarmee te verwachten dat de verkeerstoename op de aangrenzende Vaartweg lager zal zijn dan 40 %. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst ca. 7,5 %. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename.

4

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Vaartweg 78, ‘s Gravenmoer. Projectnummer: 210391. 3 augustus 2022. 16

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie (2018, huidig) 16 - 18 µg/m3 15 - 17 µg/m3 10 - 11 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).

4.5.2

Effecten ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 10 vrijstaande woningen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriele regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen ruim onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds ruim onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

4.6

Archeologie

4.6.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een kassencomplex waarbij een deel van het complex een archeologische waarde heeft. Een deel van de beoogde woningen is voorzien ter plaatse van deze archeologische verwachtingswaarde.

17

4.6.2

Effecten ontwikkeling Gelet op het voorgaande is archeologisch onderzoek5 uitgevoerd. Uit het archeologisch onderzoek volgt dat het grootste deel van het bodemprofiel bestaat uit een A- op C-horizont. Ter hoogte van het kassencomplex is tevens een pakket verstoorde grond aanwezig. Alleen in het noorden van het plangebied, in het perceel dat als weiland in gebruik is, is een restant van een B-horizont aanwezig. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand. De top van de natuurlijke ongeroerde ondergrond (de B- en C-horizonten) kan worden beschouwd als potentieel archeologisch niveau. Aangezien het natuurlijke bodemprofiel vrijwel geheel verdwenen is in het grootste deel van het plangebied is de kans groot dat eventuele prehistorische resten reeds zijn vergraven. Daarnaast bevestigen de boringen de vrij vlakke (natte) landschappelijke ligging. Het plangebied lijkt geen geschikte vestigingsplaats voor prehistorische kampementen. Archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zullen waarschijnlijk uitsluitend zijn gerelateerd aan agrarische werkzaamheden (voornamelijk sloten en greppels). Geconcludeerd wordt dat aangezien het oorspronkelijke bodemprofiel grotendeels is verdwenen, de kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden vergraven als klein wordt ingeschat.

Daarom wordt geacht dat geen vervolgonderzoek benodigd is en zal geen sprake zijn van een negatief milieuaspect wat betreft het aspect archeologie.

5

Bureau voor Archeologie (2022). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Vaartweg, ‘s Gravenmoer. Projectnummer: 2021091702. 7 oktober 2022. 18

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 10 vrijstaande woningen achter de lintbebouwing aan de Vaartweg in de gemeente Dongen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Lucht

Archeologie

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofonderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Er is geen sprake van negatieve milieueffecten op het gebied van gebiedsbescherming. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat op zijn hoogst sprake is van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd. Nader soortenonderzoek zal plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met de aansluiting op de Vaartweg. Er zijn hier geen afwikkelingsproblemen te verwachten. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Deze hoeft echter niet als een merkbare geluidstoename te worden gezien. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Middels archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot het verstoren van archeologische waarden. Er is daarom geen sprake van een negatief milieueffect wat betreft archeologie.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14503508/1