25-31 Advies Commissienotitie Uitvoeringsprincipes Participatiewet Gemeente Dongen
Tekst van het document
Adviesraad Participatiewet Secretariaat: adviesraad.pwet@gmail.com Aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dongen t.a.v. Mevrouw A. de Hoon i.a.a. de griffie van de gemeenteraad Dongen, 1 maart 2025 betreft advies inzake: Notitie Uitvoeringsprincipes Participatiewet Gemeente Dongen (januari 2025)
Geacht college, Op 3 februari jl. ontvingen wij bij monde van uw beleidsadviseur, mevr. Deniz Yerlikaya, het verzoek u te adviseren over bovengenoemde notitie. U spreekt bewust van een “notitie”, omdat in dit document “werkwijzen, uitvoeringsprincipes en beleidsuitgangspunten” samen komen. Daarmee is het toch een vrij uitvoerige notitie geworden, ondanks uw intentie om er geen lang beleidsstuk van te maken. In de notitie zijn de verschillende invalshoeken dan ook niet altijd even duidelijk te (onder)scheiden. En hoewel het onze taak is te adviseren omtrent beleid, zullen wij - door de gekozen opzet van de notitie- soms ook iets zeggen over werkwijze en uitvoering. U neemt met deze notitie een voorschot op het wetsvoorstel “Participatiewet in Balans”. De titel geeft al aan, dat er sprake was van een disbalans in de P-wet, een disbalans waarop onze adviesraad vanaf haar eerste advies heeft gewezen. De nieuwe wet moet beter aan sluiten bij wat mensen (aan)kunnen en nodig hebben; vertrouwen en de menselijke maat worden bij de uitvoering kernwaarden. (zie: memorie van toelichting). Het verheugt ons dat u in deze notitie de uitgangspunten van de nieuwe wet omarmt en vertaalt naar de toepassing ervan in onze gemeente.
Ook u wilt uitgaan van vertrouwen en gelooft in de menselijke maat vanuit de wetenschap dat ieder mens uniek is en eigen mogelijkheden heeft om aan de samenleving deel te nemen. Toch wordt ons in de notitie niet helemaal duidelijk wat dat mens-centraal werken nu precies betekent. Op blz. 12 bijvoorbeeld schrijft u nog eens expliciet dat “maatwerk niet wil zeggen, dat geen stappen worden gezet langs ‘geijkte paden’ … als dat passend is, dan is dat passend.” Maar ook op andere plaatsen binnen de notitie blijkt de gehechtheid aan bestaande werkwijzen groot. (Denk daarbij aan instrumenten als groepstrainingen, doelgroepenindeling, participatietredes e.d.)
De intentie van de nieuwe wet lijkt ons een oproep te bevatten aan de uitvoering om “out of the box” te durven denken en aan het beleid om de ruimte daarvoor te bieden. Bij participatie gaat het er - naar de mening van onze adviesraad – om, dat mensen voelen dat zij deel uitmaken van een samenleving, dat zij gezien zijn en meetellen en dat zij, ieder naar eigen mogelijkheden, een zinvolle bijdrage leveren aan die samenleving. Wanneer u deze visie op participatie met ons deelt dan moet zich dat vertalen in de werkwijze van de gemeentelijke uitvoeringsprincipes. De ondersteuningsvraag van de client; het persoonlijk verhaal; zijn of haar beleving van de eigen leefwereld; zijn of haar mogelijkheden en beperkingen moeten het vertrekpunt zijn voor een zorgvuldige analyse en een daarop gebaseerd persoonlijk begeleidingsproces. Het is daarbij van groot belang, dat doelen worden geformuleerd in relatie tot de mogelijkheden en beperkingen van de client. Die keuze wordt ingegeven door het besef dat alles wat ertoe bijdraagt dat iemand zich deel van de samenleving voelt en dat iedere bijdrage aan de samenleving, hoe gering ook, van waarde is voor de persoon én voor de samenleving. Daarin past geen rangorde, geen meer of minder, geen gevoel van “nog niet…”. En precies daar zit wat ons betreft een valkuil in de notitie en (waarschijnlijk) ook in de nieuwe wet.
Onder de notitie (en de wet) ligt de overtuiging dat een mens pas echt volwaardig participeert als hij zelfredzaam is en kan voorzien in eigen onderhoud (lees: een betaalde baan heeft!). Het hoogste doel is eigenlijk pas bereikt, wanneer iemand uitstroomt uit de uitkering. Die voorkeur vertaalt zich in het instrument van de participatieladder met als hoogste trede in participatie: het vinden van een betaalde baan. Die classificatie doet onrecht aan die vele mensen in de uitkering die met soms heel beperkte mogelijkheden op hun eigen plek en vaak onbetaald onze samenleving mooier kleuren. Op pagina 8 van de notitie lezen we: “Als de doelgroep wordt verdeeld op basis van de treden van de participatieladder, dan is 9% kansrijk om zelfstandig, met lichte ondersteuning een baan te vinden. 37% heeft arbeidsvermogen, maar is niet in staat om zich zelfstandig op de arbeidsmarkt te begeven . Een ruime meerderheid van 54% beschikt niet over arbeidsvermogen.” Deze cijfers maar ook de andere analyses van de cliëntengroep in de notitie tonen klip en klaar aan, dat het formuleren van betaald werk als hoogste doel een illusie is. Dát durven erkennen, maakt de weg vrij om iedere eigen plaats van mensen en iedere eigen bijdrage aan de samenleving op haar eigen waarde te beoordelen.
Naar het oordeel van onze adviesraad zou dat het uitgangspunt moeten zijn van de door u op pg.16 voorgestelde ABC-methode en van de werkwijze van de regievoerder. Het zou daarbij niet langer moeten gaan om het bereiken van hogere tredes, maar van voor de cliënt bereikbare doelen gelet op zijn of haar eigen mogelijkheden en beperkingen, waarbij bevestiging en uitdaging hand in hand gaan en elkaar nimmer loslaten. Bij dit alles mag wat ons betreft de vraag naar doelmatigheid van ingezette middelen prevaleren boven de vraag naar rechtmatigheid. Op pg.4 schrijft u, dat u “de uitvoering van de P-wet wilt stroomlijnen door rechtmatigheid en doelmatigheidstoetsen met elkaar te verbinden. Dat betekent in de praktijk dat we het bieden van een inkomen rechtstreeks koppelen aan de bemiddeling naar werk”. In het licht van het hierboven door ons gestelde, hopen wij dan dat u “werk” in deze context wilt verstaan als “participatie”, in de brede zin zoals wíj dat wensen te verstaan.
Dit alles vraagt van de uitvoering een nieuwe kijk op participatie, gebaseerd op absolute gelijkwaardigheid van elke vorm van participatie van mensen aan de samenleving. Het verheugt ons dan ook dat binnen de uitvoeringsprincipes (pg 12 en 13) deze ruimte om te leren en te verbeteren is vast gelegd. Ook waarderen wij de ruimte die in de uitvoering wordt geboden om samen met de client te zoeken “naar wat wel werkt”. Het gekozen middel van de intervisie kan daarbij een waardevol instrument zijn, maar juist waar een organisatie haar blikrichting moet verleggen kan ook hulp van buitenaf in training en supervisie een belangrijk hulpmiddel zijn. Geacht college, wanneer u onze visie op participatie deelt en – zoals wij – van mening bent dat ieder bijdrage aan de samenleving op haar eigen verdienste moet worden beoordeeld, dan adviseren wij u de maximale ruimte te benutten, die de wet u biedt om mensen te begeleiden naar een eigen, veilige, waardevolle plek in de samenleving. Dan maken we waar wat we belijden: In Dongen doet iedereen mee! Dan is de vraag naar de doelmatigheid afdoende beantwoord en de rechtmatigheid vanzelfsprekend. Wij hopen u met ons advies inzake deze notitie van dienst te zijn geweest en dat het mag bijdragen aan een goede besluitvorming in het belang van onze meest kwetsbare medeburgers. Wij wensen u wijsheid toe bij het besturen van onze gemeente.
Met vriendelijke groet namens de adviesraad participatiewet
Harrie Broeders (voorzitter a.i.)