2022-016066 Bijl1- Lijst categorieën gevallen verplichte participatie
Tekst van het document
Lijst met categorieën van gevallen waarbij participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht wordt gesteld.
Uitleg en leeswijzer Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Het is daarnaast verplicht voor het bevoegd gezag om participatie te regelen. Participatie speelt een rol bij het opstellen van een omgevingsivisie of een omgevingsplan, maar ook bij het verlenen van vergunningen. Onder de Omgevingswet kunnen vergunningen verleend worden door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarmee kan – ondanks strijd met het omgevingsplan – toch een vergunning worden verleend door het college. De gemeenteraad kan het besluit nemen om participatie verplicht te stellen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Hoe dit nu precies in elkaar zit, is te lezen in hoofdstuk 1 (algemene participatie in Omgevingswet) en hoofdstuk 2 (uitleg over de verplichte participatie). Een lijst met categorieën van gevallen waarvoor de verplichte participatie geldt, is opgenomen in hoofdstuk 3. Wanneer deze lijst met categorieën in werking treedt is te lezen in hoofdstuk 4. In datzelfde hoofdstuk wordt ook beschreven hoe de monitoring plaats zal vinden.
Hoofdstuk 1 – Algemene participatie Omgevingswet Participatie in de Omgevingswet Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. En het is verplicht voor het bevoegd gezag. De gemeente moet ervoor zorgen dat alle belanghebbenden hun meningen kunnen geven over een visie of plan. Zoals een omgevingsvisie of een omgevingsplan. Belanghebbenden zijn bijvoorbeeld inwoners, bedrijven, verenigingen of scholen. Bij een omgevingsvergunning moet de aanvrager aangeven of hij omwonenden bij de aanvraag betrokken heeft. Daarnaast moet hij duidelijk maken wat er uit die participatie is gekomen. De aanvrager mag zelf bepalen op welke manier hij de belanghebbenden bij de aanvraag betrekt bij kleine en middelgrote plannen. Bij grote plannen maakt de gemeente afspraken met de aanvrager over de participatie. Opstellen omgevingsvisie – omgevingsplan Bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan is het participatietraject maatwerk. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is dit vastgelegd in het opgestelde communicatieplan. Het gemeentedekkend omgevingsplan zal gefaseerd tot stand komen. De participatie wordt bij het plan van aanpak als maatwerk geformuleerd. Denk hierbij aan: 1. Individuele gesprekken 2. Tafelgesprekken 3. Informatieavond 4. Inloopmoment 5. Klankbordgroep
Hoofdstuk 2 - Verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Vergunningverlening: toets omgevingsplan In veruit de meeste gevallen is de gemeente het bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunning. De gemeente toetst dan ook of het initiatief past in het omgevingsplan. Daarbij zijn er drie mogelijkheden: 1.
Het initiatief past binnen de regels. Gemeente verleent de vergunning, want het past binnen de kaders.
2.
Het initiatief past met een binnenplanse afwijking. Zo’n afwijking kennen we nu ook in onze bestemmingsplannen. Dit heet onder de Omgevingswet een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (binnenplanse opa).
3.
Het initiatief past niet. Als de gemeente wil meewerken aan het initiatief, moet ze een vergunning gaan verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Zo’n initiatief is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (buitenplanse opa).
Participatie bij vergunningverlening Bij mogelijkheid 1 en 2 is participatie voor een initiatiefnemer niet verplicht. Dit zijn activiteiten die binnen de regels van het omgevingsplan vallen. En bij het vaststellen van het omgevingsplan zelf heeft al participatie plaatsgevonden. Participatie door de initiatiefnemer wordt wel gestimuleerd. Om dit te stimuleren is er voor een initiatiefnemer een participatiefolder beschikbaar waarin de participatiemogelijkheden zijn benoemd. Participatie kan wel verplicht worden gesteld als iemand een vergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (mogelijkheid 3) aanvraagt. Dat zijn activiteiten die niet in het omgevingsplan staan. Hierover heeft dus nooit eerder participatie plaatsgevonden. Of participatie in deze situatie wel of niet
verplicht is, bepaalt de gemeenteraad. Deze kan namelijk categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor deze verplichting geldt. Dat staat in artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet. Bij deze categorieën van verplichte participatie geldt dat de aanvrager bij de aanvraag van de vergunning moet laten zien hoe hij belanghebbenden bij de aanvraag heeft betrokken. De aanvrager mag zelf bepalen op welke manier hij de belanghebbenden bij de aanvraag betrekt bij kleine en middelgrote plannen. Bij grote plannen maakt de gemeente afspraken met de aanvrager over de participatie. Het besluit van de gemeenteraad De gemeenteraad beslist dus of participatie ook verplicht moet zijn bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (opa’s). Er is gekozen voor drie uiteenlopende opties: 1.
Participatie bij buitenplanse opa’s is niet verplicht;
2.
Alleen in bepaalde categorieën van gevallen is participatie verplicht;
3.
Participatie bij buitenplanse opa’s is zo vaak mogelijk verplicht.
Ad 1. Voorstanders van deze optie willen terughoudend zijn in het opleggen van regels en dus ook de verplichting van participatie. Een argument kan zijn dat het verplichten van participatie tot weerstand of ‘afvinkparticipatie’ leidt. De keuze voor optie 1 wil niet zeggen dat bij een initiatief geen participatie plaatsvindt, maar dat dit op vrijwillige basis gebeurt en niet verplicht wordt opgelegd. Ad 2. Voorstanders van deze optie kiezen ervoor om heel bewust te kijken naar initiatieven die het meest impact maken. Veel gemeenten zoeken hierbij aansluiting bij de nu nog geldende ‘kruimelregeling’ (artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) vaak aangevuld met enkele actuele onderwerpen, bijvoorbeeld woningbouw, huisvesting arbeidsmigranten. Maar het staat de gemeenteraad geheel vrij om eigen categorieën van gevallen aan te wijzen. Ad 3. Voorstanders van deze optie menen dat het niet logisch is dat participatie in alle instrumenten van de Omgevingswet verplicht is, behalve bij deze buitenplanse opa’s. Als je het overal verplicht, wees dan ook consequent. Vooral ook omdat er bewust wordt afgeweken van de regels uit het omgevingsplan. Dat kan nogal consequenties hebben voor omwonenden en belanghebbenden. Echter, een algemeen besluit het ‘in alle gevallen’ van buitenplanse opa’s participatie verplicht te stellen, is niet toegestaan.
Er dient expliciet gemaakt te worden in welke gevallen de verplichte participatie dus wel geldt. In deze optie wordt een zo compleet mogelijke lijst van categorieën van gevallen vastgesteld. De voorkeur van de raadswerkgroep Omgevingswet gaat uit naar optie 2. Lijst met categorieën verplichte participatie In hoofdstuk 3 staat de voorgestelde lijst met categorieën voor verplichte participatie.
Hoofdstuk 3 – Categorieën van gevallen van verplichte participatie De gemeenteraad wil in de volgende gevallen participatie verplicht stellen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten: Participatie verplicht (mits initiatief niet passend binnen regels bestemmingsplan/omgevingsplan en geen binnenplanse afwijking mogelijk is)
1 2
Volgend uit kruimelgevallenregeling Windturbines Zonneweiden
3
Overige vormen duurzame energie
4
Infrastructurele werken
5 6A
Antenne-installatie Bijbehorende bouwwerken
6B
Bijbehorende bouwwerken
7 8
Actuele thema’s Woningbouw Huisvesting arbeidsmigranten
9
Bedrijvigheid
10
Maatschappelijke voorzieningen
11
Recreatie
De realisatie van één of meer windturbines. De realisatie van zonneweiden of andere vormen van grondopstelling van zonnepanelen, waarbij meer dan 50 m2 aan bij elkaar horende panelen wordt opgesteld, tenzij dit op een bedrijventerrein plaatsvindt. Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie (zoals buurtbatterij, biomassa-installatie en waterstof) anders dan genoemd onder windturbines of zonneweiden. De realisatie van bouwwerken ten behoeve van een infrastructurele voorziening, een nutsvoorziening, of een openbare voorziening hoger dan 5m, of groter dan 50m². De realisatie van antenne-installaties hoger dan 40 meter. (uitbreiding van) bijbehorende bouwwerken, gebouwen zijnde, hoger dan 6 m of wanneer de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken groter is of wordt dan 150m². (uitbreiding van) bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, hoger dan 3,5 m of wanneer de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken groter is of wordt dan 150m². Het realiseren van meer dan twee woningen/woonruimtes. Het oprichten van bouwwerken en/of het gebruiken van bouwwerken voor het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten.
Een van het omgevingsplan afwijkend gebruik waarbij de afwijking leidt tot een (conform de VNG- brochure Bedrijven en Milieuzonering) hogere milieucategorie dan ingevolge het omgevingsplan is toegestaan en voor zover daardoor een hogere categorie dan 3.2 wordt toegestaan. Het realiseren van maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, zorgcentra, gemeenschapshuizen, sportparken en sporthallen. Projecten ten behoeve van recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen (zoals paden, ontsluiting en groen) met uitzondering van extensieve recreatie.
Toelichting 1. 2.
3.
Punten 1 tot en met 6 sluiten aan bij de kruimelregeling zoals deze is/was opgenomen in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Punt 7 - Bij elke toevoeging van een woning wordt geadviseerd met de buren/omgeving het gesprek aan te gaan. Het realiseren van 1 woning kan nog zijn voor een eigen particuliere ontwikkeling (nieuwbouw of gewijzigd gebruik van een bestaand pand). Bij 2 of meer woningen is het vaak niet alleen voor eigen gebruikt. Voorgesteld wordt dit als ondergrens te nemen voor verplichte participatie. Punt 8 - Dit sluit aan bij het nu geldende beleid ten aanzien van huisvesting arbeidsmigranten.
4. 5. 6.
Punt 9 - In het bestemmingsplan is een hogere categorie tot 3.2 vaak al meegenomen. Punt 10 - De impact voor de omgeving kan groot zijn, vandaar dat wij voorstellen participatie verplicht te stellen. Punt 11 - De impact van recreatie kan voor eenieder verschillen. Met uitzondering van de extensieve recreatie (recreatief medegebruik van gronden voor wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte), stellen wij voor participatie verplicht te stellen (hieronder valt bijvoorbeeld dagrecreatie en verblijfsrecreatie).
Hoofdstuk 4 – Inwerkingtreding en monitoring participatiebeleid De inwerkingtreding van de in hoofdstuk 3 opgenomen ‘lijst met gevallen waarbij participatie verplicht is voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, als bedoeld in artikel 16.55 lid 7’ is gelijk aan de datum inwerkingtreding van de Omgevingswet. Met het vaststellen van het definitieve omgevingsplan ontstaat de noodzaak om deze ‘lijst met gevallen’ te actualiseren. Maar ook nieuwe inzichten kunnen ertoe leiden dat aanpassingen nodig zijn. Ook dit actualisatiebesluit is aan de gemeenteraad. Om inzicht te krijgen in de werking van het participatiebeleid is monitoring hiervan de eerste jaren gewenst. Hoe pakt het beleid in de praktijk uit? Waar lopen initiatiefnemers en gemeente tegen aan? Is bijstelling wenselijk/noodzakelijk? Voorgesteld wordt deze monitoring elke 2 jaar uit te voeren en dit door te zetten tot twee jaar nadat het gemeentedekkend omgevingsplan gereed is gekomen.