2022-013646 Bijlage 4- Beantwoorden technische vragen
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Raadsinformatieavond APV 1. Artikel 2:28: moet de exploitatievergunning worden aangepast als de leidinggevende/exploitant wijzigt? De exploitatievergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV). De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Wanneer de exploitant wijzigt, zal een nieuwe vergunning moeten worden aangevraagd. Ook de persoon van de leidinggevende speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie. Gelet hierop is slecht levensgedrag van de leidinggevende een reden om de exploitatievergunning te weigeren. De leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar ook iemand die bij hem in dienst is. De exploitant is verplicht iedere verandering in de exploitatie van zijn inrichting waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens aan de burgemeester te melden. Op verzoek kan ondersteuning worden geboden bij het aanvragen of wijzigen van een exploitatievergunning. 2.
Artikel 2:29: Zijn paracommerciële rechtspersonen ‘inrichtingen’ en zijn daarmee de sluitingstijden als bedoeld onder 2:29 van toepassing? Uit artikel 2:27 APV volgt dat onder een openbare inrichting wordt verstaan ‘een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discoheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt’. Paracommerciële rechtspersonen worden dus als openbare inrichtingen aangemerkt. De sluitingstijden uit artikel 2:29 zijn daarom van toepassing. 3. Artikel 2:29, lid 1: waarom wordt maandag tot en met vrijdag en zaterdag/zondag apart benoemd? Op zaterdag en zondag kunnen andere sluitingstijden gelden dan van maandag tot en met vrijdag. Voorgesteld wordt om dit onderscheid niet langer te hanteren, aangezien de sluitingstijden overeenkomen. De voorliggende APV zal worden aangepast en de aangepaste APV zal aan de raad worden toegezonden. 4. Artikel 2:29, lid 2: wat wordt bedoeld met ‘Openbare inrichtingen die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor of bij activiteiten van sportieve aard’? Hiermee worden o.a. kantines en clubhuizen bedoeld. Niet bedoeld is de strekking van lid 2 te veranderen.
Voorgesteld wordt daarom om aan te sluiten bij de tekst van de Paracommercie verordening gemeente Dongen 2017 en de APV 2019. Voorgesteld wordt om ‘openbare inrichtingen die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor of bij activiteiten van sportieve aard’ te vervangen door ‘openbare inrichtingen behorende bij of op een sportveld c.q. park/accommodaties (kantines/clubhuizen)’. Gelet op voorgaande wordt tevens voorgesteld om ‘openbare inrichtingen die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor of bij activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt’ te vervangen door ‘openbare inrichtingen die gebruikt worden voor sociaal/culturele doeleinden (ontmoetings-, jeugd- en buurtcentra e.d.)’. Dit conform de Paracommercie verordening gemeente Dongen 2017 en de APV 2019.
De voorliggende APV zal worden aangepast en de aangepaste APV zal aan de raad worden toegezonden. 5. Artikel 2:34c: waarom kan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet worden beperkt tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Een Alcoholwetvergunning kan worden beperkt tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank wanneer dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is. 6. Artikel 2:75: Is dit artikel ooit toegepast? Artikel 2:75 is gebaseerd op artikel 154a van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan uit de hand lopende demonstraties en rellen. De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede ‘overeenkomstig 154a van de Gemeentewet’ impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Dit artikel is niet eerder toegepast in de gemeente Dongen. 7. Artikel 2:77: Is dit artikel ooit toegepast? De camera’s kunnen alleen worden ingezet ter handhaving van de openbare orde.
Artikel 2:77 is de afgelopen jaren niet toegepast. Wel is er verschillende keren aanleiding geweest om het artikel toe te passen (zoals bijvoorbeeld in Park Vredeoord), maar omdat het gaat om een middel wat als ultimum remedium moet worden gezien is hier (nog) niet toe overgegaan. 8. Artikel 2:79: Is dit artikel ooit toegepast? Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat dit instrument alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. De wens om artikel 2:79 in de APV op te nemen komt met name van de politie. Er zijn in het verleden diverse casussen geweest waar de wens bestond om dit artikel toe te passen. Nu deze bevoegdheid (nog) niet bij verordening aan de burgemeester was toegekend, kon van dit instrument echter geen gebruik worden gemaakt. 9.
Artikel 4:2, lid 6: waarom gelden hier de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet? De bevoegdheid om te bepalen dat de in het eerste lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij door het college aangewezen collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder een collectieve festiviteit wordt verstaan een festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals bijvoorbeeld Koningsdag of carnaval. Op grond van artikel 4:2, lid 6 van de APV mag gedurende deze festiviteiten dus meer geluid geproduceerd worden dan anders. Dit lid is in overeenstemming met de huidige APV.
10. Artikel 4:3, lid 1: waarom is er gekozen voor ’12 dagen of dagdelen’ i.p.v. ’12 incidentele festiviteiten’? Artikel 2.21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer schrijft voor dat de waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 niet van toepassing zijn op de dagen of dagdelen in verband met de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijk verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van inrichtingen kan verschillen en niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar. Een verordening mag niet in strijd zijn met hogere regelgeving. Gelet hierop is ’12 incidentele festiviteiten’ vervangen door ’12 dagen of dagdelen’. Een festiviteiten die maximaal 24 uur duurt staat voor één dag. Niet bedoeld is de mogelijkheden die de huidige APV biedt, te beperken. De raadsinformatieavond heeft tevens geleid tot 2 aanpassingen in de huidige APV: 1. Artikel 2:10, lid 3: aangepast conform bestaande tekst Artikel 2:10, lid 3 van de voorgestelde APV is in overeenstemming gebracht met artikel 2:10a, lid 4 van de huidige APV. Conform de huidige APV kan het college in het belang van de openbare orde of de woon- of leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg.
Het college heeft hier invulling aan gegeven door vaststelling van de ‘Beleidsregels voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan’. Deze beleidsregels zien op allerlei voorwerpen die op of aan de openbare weg kunnen worden geplaatst. Voorgesteld werd om bij de modelverordening aan te sluiten. Hiermee werd echter, onbedoeld, de strekking van lid 4 (bestaande tekst) beperkt. Hierdoor zouden de grondslag voor de beleidsregels deels vervallen. Voorgesteld wordt daarom om opnieuw aansluiting te zoeken bij de bestaande tekst. De voorliggende APV zal hierop worden aangepast. 2. Artikel 4:12b huidige APV weer opgenomen Abusievelijk is artikel 4:12b van de huidige APV niet opgenomen in de nieuwe tekst. De voorliggende APV zal hierop worden aangepast.