2021-019770 Bijlage 7- Landschapsplan-Zuid-West-380-kV-Oost
Tekst van het document
Zuid-West 380kV Oost Hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg
N CO
T P E C
Landschapsplan mitigerende- en compenserende maatregelen
landschap in verandering
Zuid-West 380kV Oost Hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg
Landschapsplan mitigerende en compenserende maatregelen Opdrachtgever: TenneT TSO B.V. Auteurs: Jhon van Veelen Landschap in Verandering Edward de Boer Bureau Waardenburg - ecologische aspecten Beoordelaar TenneT: Jaap ter Haar dd: 7 december 2021
Inhoudsopgave
1. Inleiding 2. Wat is inpassing ? 3. De verbinding
3.1 Het tracé (VKA) 3.2 Verschijningsvorm van masten en installaties
4. Achtergronden inpassingsmaatregelen 4.1 4.2 4.3 4.4
Milieu Effect Rapport Natuurcompensatie Goede Ruimtelijke Ordening Principes voor ruimtelijke inpassingsmaatregelen
5. Inpassingsmaatregelen 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Kader: Projectgerelateerd Aansluiten bij het Landschap Landschappelijk Hoofdpatroon Gebiedskarakteristieken Aansluiten op provinciaal beleid Aansluiten bij gemeentelijk beleid Natuurcompensatieopgave Overzicht inpassingsmaatregelen
7 8
15
15 15 15 16
25
26 27 27 30 39 43 44 47
10. Inpassingsmaatregelen in Halderberge
60
11. Inpassingsmaatregelen in Moerdijk
64
12. Inpassingsmaatregelen in Drimmelen
67
13. Inpassingsmaatregelen in Geertruidenberg
70
14. Inpassingsmaatregelen in Oosterhout
72
15. Inpassingsmaatregelen in Dongen
75
10.1 Bestaand relevant beleid en plannen 10.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 11.1 Bestaand relevant beleid en plannen 11.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 12.1 Bestaand relevant beleid en plannen 12.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 13.1 Bestaand relevant beleid en plannen 13.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 14.1 Bestaand relevant beleid en plannen 14.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 15.1 Bestaand relevant beleid en plannen 15.2 Te nemen inpassingsmaatregelen
60 61 64 65 67 68 70 71 72 73 75 76
6. Maatregelen in Reimerswaal
51
16. Inpassingsmaatregelen in Waalwijk
78
7. Inpassingsmaatregelen in Woensdrecht
53
17. Inpassingsmaatregelen in Loon op Zand
80
8. Inpassingsmaatregelen in Bergen op Zoom
55
9. Inpassingsmaatregelen in Roosendaal
57
18. Inpassingsmaatregelen in Tilburg 19. Uitvoering en beheer 20. Verklarende woordenlijst 21. Referenties 22. Bijlage: Compensatiebepaling
87 88 89 91 93
6.1 Bestaand relevant beleid en plannen 6.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 7.1 Bestaand relevant beleid en plannen 7.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 8.1 Bestaand relevant beleid en plannen 8.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 9.1 Bestaand relevant beleid en plannen 9.2 Te nemen inpassingsmaatregelen
3
4 5 7
51 52 53 54 55 56 57 58
16.1 Bestaand relevant beleid en plannen 16.2 Te nemen inpassingsmaatregelen 17.1 Bestaand relevant beleid en plannen 17.2 Te nemen inpassingsmaatregelen
78 79 80 83
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
1. Inleiding
Dit landschapsplan voor de hoogspanningsverbinding Zuid-West 380kV Oost Rilland-Tilburg, staan alle inrichtingsmaatregelen die noodzakelijk zijn voor een goede inpassing van deze nieuwe verbinding in het landschap en daarmee voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid ervan. Deze maatregelen zullen worden uitgevoerd tenzij bij de nadere uitwerking en bespreking met de omgeving een beter alternatief wordt gevonden. Het zijn inrichtingsmaatregelen vanuit alle relevante milieuaspecten: landschap en cultuurhistorie, natuur, leefomgeving en water. Waar mogelijk en zinvol zijn de opgenomen maatregelen gecombineerd en zijn integrale inrichtingsmaatregelen ontworpen die een functie vervullen voor bijvoorbeeld zowel de landschappelijke inpassing als de compensatie van schade aan de natuur. Het geheel aan maatregelen vormen samen met een goede tracering een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe verbinding. Doel van de in dit plan opgenomen inrichtingsmaatregelen is de effecten van de nieuwe hoogspanningsverbinding te mitigeren en te compenseren. Deze effecten zijn beschreven en beoordeeld in het Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg. Het mitigeren van effecten op het landschap gebeurt door het aanbrengen nieuwe beplanting, het wijzigen van bestaande beplanting en/of het versterken van de bestaande landschapsstructuur of elementen daarvan.
4
Het compenseren van de effecten het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gebeurt door het inrichten van nieuwe natuurgebieden volgens regels van de Wet natuurbescherming (onderdeel houtopstanden; de voormalige Boswet) en de Interim omgevingsverordening van de provincie NoordBrabant Alle in dit plan opgenomen locaties voldoen aan de gestelde doelen: het mitigeren en compenseren van de effecten van de nieuwe hoogspanningsverbinding op natuur en landschap.
Rijkscoördinatieregeling (RCR) Projecten voor energie-infrastructuur die van nationaal belang zijn, worden gecoördineerd door de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) In de Rijkscoördinatieregeling worden de verschillende besluiten die voor een project nodig zijn tegelijkertijd en in onderling overleg genomen. Voor de nieuwe verbinding wordt een Inpassingsplan opgesteld. Dit is een ruimtelijk plan van het Rijk, vergelijkbaar met een bestemmingsplan. Het Landschapsplan is als bijlage bij van het Inpassingsplan opgenomen. De maatregelen in dit plan of naar aard en doel vergelijkbare maatregelen, zijn op die wijze planologisch verankerd in het Inpassingsplan. Een beschrijving van het landschap is ook opgenomen in het MER achtergronddocument Landschap en Cultuurhistorie.
Een beschrijving van het traceringsproces en het Voorkeurstracé staat in het MER en het Inpassingsplan
Leeswijzer De hoofstukken 2 t/m 4 geven algemene informatie over de benaderingswijze van het inpassingsvraagstuk, een korte beschrijving van de nieuwe verbinding en achtergronden van de inpassingsmaatregelen In hoofstuk 5 is aandacht voor het kader waarbinnen is gewerkt en het relevante vigerend beleid en plannen. In de hoofstukken 6 t/m 18 zijn het relevante gemeentelijk beleid en de inpassingsmaatregelen per gemeente beschreven en gevisualiseerd.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
2. Wat is inpassing ?
De inpassing van hoogspanningslijnen is primair het zoeken naar de juiste plaats en vormgeving van de hoogspanningslijn in het landschap, binnen de gestelde randvoorwaarden, zodat zo veel mogelijk een vanzelfsprekende en ontspannen verhouding tussen lijn en landschap ontstaat. Hoogspanningslijnen en zeker de 380 kV lijnen, zijn infrastructurele voorzieningen van nationale, soms van internationale betekenis. Ze verbinden energiecentrales en schakel- en transformatorstations op grote afstand van elkaar, maar hebben over het algemeen geen functionele relatie met het lokale landschap. Men zou kunnen zeggen dat ze het lokale landschap slechts ‘passeren’. Een goede lijn is een eenvoudige lijn Hoogspanningslijnen mogen gezien worden maar voorkomen moet worden dat ze te dominant worden in het landschapsbeeld. Het ontwerpen van lijnen met een lage visuele complexiteit blijft daarom het hoofdstreven, ook als een rechte lijn niet gerealiseerd kan worden. Bij het ontwerpen van hoogspanningslijnen in het landschap is het uitgangspunt: ‘hoe eenvoudiger hoe beter’. Om dit beter te begrijpen is een vergelijking met het montuur van een bril verhelderend. Als iemand een nieuwe bril aanschaft zal het montuur de eerste dagen opvallend aanwezig zijn. Vrij snel echter verdwijnt het montuur uit het beeld, niet omdat het er niet meer is maar omdat onze hersenen het montuur als het ware wegfilteren.
5
De bril zit altijd op dezelfde plaats in het blikveld, geeft steeds dezelfde informatie die na enige tijd niets meer toevoegt aan de waarneming en dus naar de achtergrond zal verdwijnen. Op vergelijkbare manier wordt de geleiderail naast de autosnelweg uit onze waarneming gefilterd. Hij is er bijna altijd maar we nemen hem maar zelden bewust waar. Het montuur van een bril en de geleiderail naast de snelweg is voor de waarnemer eenvoudige visuele informatie die “kan worden overgeslagen”. De lage visuele complexiteit, eenvoudige vormen, steeds op min of meer dezelfde plaats in het blikveld, zorgt ervoor dat deze objecten naar de achtergrond verdwijnen en de waarneming niet verstoren. Hier kan een parallel getrokken worden met de vormgeving van hoogspanningslijnen. Eenvoudige lijnen met steeds dezelfde masten in een helder ritme, zonder afwijkingen in richting of hoogte verdwijnen snel naar de achtergrond van de waarneming. Het tracé van een hoogspanningslijn moet zoveel mogelijk autonoom zijn, zo veel mogelijk los staan van de kleinschalige verschijnselen in het lokale landschap. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, moeten die bij voorkeur een samenhang krijgen met andere landschapspatronen van een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf.
Dit kan het geval zijn bij bovenregionale grootschalige infrastructuur zoals een snelweg of landschapselementen zoals grote rivieren, heuvelruggen en patronen van verstedelijking
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
die onderdeel zijn van landschappelijk hoofdpatroon. Het inpassen van hoogspanningslijnen is primair het zoeken naar de juiste plaats en vormgeving van de lijn in het landschap op een wijze die leidt tot een vanzelfsprekende en ontspannen nieuwe verhouding tussen lijn en landschap.
Omgeving Bij het ontwerpen van hoogspanningslijnen is kennis van en inzicht in ontwikkelingen in de omgeving van belang. Deze ontwikkelingen zijn voor het hele plangebied beschreven. Vervolgens zijn ze gebruikt bij de totstandkoming van het Voorkeurstracé. Het Voorkeurstracé is ontworpen vanuit een integrale benadering. Dit betekent dat bijvoorbeeld zowel de visueel-ruimtelijke, als de ecologische en de functionele aspecten van de lijn én het landschap aan de orde gekomen zijn. De kenmerken van de omgeving kunnen invloed hebben op het ontwerp van de lijn. Andersom is het ook mogelijk dat de kenmerken van de lijn aanleiding kunnen zijn voor inrichtingsmaatregelen in de omgeving. Dat kunnen maatregelen zijn waardoor landschappelijke structuren of specifieke landschappelijke objecten ruimtelijk worden versterkt of ruimtelijke knelpunten worden opgelost. De bestaande landschapsopbouw zou kunnen worden versterkt of zelfs aangepast. Steeds met als doel: het tot stand brengen van een nieuwe goede samenhang tussen lijn en landschap.
6
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
3. De verbinding
3.1
Het tracé (VKA1)
De nieuwe verbinding is een koppeling tussen het hoogspanningsstation Rilland in de provincie Zeeland naar een nieuw te bouwen hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg in de provincie Noord Brabant. Het VKA bundelt waar mogelijk en zinvol met een bestaande verbinding (een 380 kV-verbinding of 150 kV-verbinding). De bestaande verbinding blijft hierbij staan. In dat geval wordt de nieuwe verbinding naast en parallel aan de bestaande verbinding gebouwd. De nieuwe verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met bovenregionale infrastructuur zoals deen autosnelweg.
afb. 1 Het tracé (Voorkeursalternatief - VKA)
Vanaf het 380 kV-hoogspanningsstation Rilland kruist het tracé het Schelde-Rijnkanaal. Na deze kruising volgt het tracé de A58 tot het knooppunt A4/A58. Daar gaat het tracé ondergronds. Op zo’n locatie wordt een opstijgpunt gerealiseerd. Het ondergrondse tracé loopt tussen de rand van het landgoed Mattemburgh en het Natura2000-gebied Markiezaatsmeer. Aan de zuidelijke stadsrand van Bergen op Zoom kruist het tracé de A4/A58, waarna het oostelijk van Zoomland weer bovengronds komt. De bestaande 150 kV-verbinding wordt verwijderd. Ten noord-westen van Roosendaal-Borchwerf volgt de nieuwe verbinding naar het oosten de bestaande 380 kV-verbinding richting de A17 om daar parallel aan de westzijde van de A17 richting het noorden af 1
7
Voorkeursalternatief
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
te buigen. Nabij Standdaarbuiten buigt het tracé af richting het oosten. Het tracé loopt hier tussen de bestaande 380 kV-verbinding en de A17. Ten westen van Zevenbergen kruist het tracé de A17 en loopt vervolgens naast de bestaande 380 kV-verbinding tot aan Geertruidenberg. Bij Zevenbergschenhoek wordt de A16 gekruist. Bij Hooge Zwaluwe wordt een deel van de bestaande 380 kV-verbinding iets naar het noorden verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwe verbinding, die hier op de plaats van de bestaande verbinding wordt gebouwd. De 150 kV-verbinding tussen Roosendaal en Geertruidenberg wordt bijna helemaal verwijderd en bij Oud-Gastel in de nieuwe masten gehangen. Hiermee wordt ook het deel dat door HoogeZwaluwe loopt, afgebroken. Door middel van een ondergrondse kabelverbinding wordt de nieuwe verbinding verbonden met de bestaande 150 kV-verbinding en de150 kV-stations Moerdijk en Geertruidenberg. Het tracé gaat van Geertruidenberg naar het zuiden en kruist daarbij de Amertak en de Donge. De bestaande 150 kV-verbinding richting Breda wordt hier een over een korte lengte ondergronds gebracht om ruimte te maken voor de nieuwe verbinding. Het tracé loopt hier parallel aan de bestaande 380 kVverbinding richting Tilburg. Bij De Moer wordt de bestaande 380kV-verbinding verwijderd en verplaatst richting het noordoosten.
De nieuwe verbinding wordt parallel aan deze verplaatste verbinding gebouwd..
8
De 150 kV-verbinding tussen Geertruidenberg en Tilburg-West wordt helemaal verwijderd. De 150 kV-stations Geertruidenberg, Oosteind en TilburgWest worden aangesloten met ondergrondse kabelverbindingen. Het tracé eindigt op het nieuw te bouwen 380 kV-hoogspanningsstation in het noorden van Tilburg op de locatie de Spinder
3.2
Verschijningsvorm van masten en installaties
De verbinding wordt in beginsel bovengronds uitgevoerd met vakwerkmasten. Voor de verbinding tussen Rilland en Tilburg is een specifiek ontwerp voor de masten gemaakt, de zogeheten Moldau-masten. Er zijn zowel trekmasten als steunmasten ontworpen: de trekmasten staan op de knikken van het tracé, de steunmasten staan op de rechte delen van het tracé. Het grootste deel van de verbinding wordt als een gecombineerde verbinding (380-150kV combi-verbinding) uitgevoerd (afb 4-8). Aan deze masten worden aan elke arm drie bundels van 380kV-geleiders en 150 kV-geleiders gehangen. Enkele delen van het tracé worden met alleen 380kVgeleiders (380-solo-verbinding) uitgevoerd (afb 1)
Over een deel van het tracé wordt de nieuwe verbinding ondergronds aangelegd. Omdat de nieuwe verbinding niet altijd op hetzelfde tracé ligt als de bestaande 150 kV-verbindingen moeten er nieuwe aansluitingen van de 150 kV-verbindingen op de bestaande 150 kV-hoogspanningsstations worden aangelegd. Ook dit gebeurt met ondergrondse kabelverbindingen. Op locaties waar bovengrondse hoogspanningslijnen moeten worden aangesloten op ondergrondse verbindingen worden opstijgpunten (OSP’s) aangelegd. In een opstijgpunt worden de lijnen afgespannen en naar beneden gebracht. Er zijn verschillende typen opstijgpunten: • Voor de aansluiting van 380-150kV combi-lijnen op ondergrondse kabels (afb12a); • Voor 380 kV-solo-verbindingen (afb 12b); • Voor de aansluiting van de 150 kV lijnen van de combi-hoogspanningslijn op ondergrondse 150 kV-kabels (afb 12c).
Boven in de mast worden, aan de uiteinden van de bovenste traverse bliksemdraden aangebracht. De masten zijn in over het algemeen 57 m hoog. Indien nodig wordt de mast hoger uitgevoerd, zodat bijvoorbeeld waterwegen op grotere hoogte kunnen worden gekruist. In de buurt van bijvoorbeeld een vliegveld worden juist lagere masten toegepast.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 2 Bundelen met 2x380kV verbinding ten tussen Rilland en Geertruidenberg links de bestaande 2x380kV verbinding, rechts de Moldau combi-verbinding
9
afb. 3 Bundelen met 3x380kV verbinding ten tussen Geertruidenberg en Tilburg links de bestaande 3x380kV verbinding, rechts de Moldau combi-verbinding
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 4 Moldau combimast: 380kV+150kV - Steunmast
10
afb. 5 Moldau combimast 380kV+150kV - Trek/hoekmast
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 6 Moldau combimast 380kV+150kV - Deel van een verbinding
afb. 7 Afstandhouders gebruikt in de bundels van 380kV geleiders
11
afb. 8 In de bliksemdraden worden soms ‘Varkenskrullen’ toegepast om de kans op vogelaanvaringen te verminderen.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 9 Moldau solomast 380kV - Steunmast
12
afb. 10
Moldau solomast 380kV - Trek/hoekmast
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 11
13
Moldau solomast 380kV - Deel van een verbinding
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 12 Impressie opstijgpunten fig. 12 a 380/150kV opstijgpunt
14
fig. 12 b
380kV opstijgpunt
fig. 12 c 150kV opstijgpunt: overgang van solo naar combi verbinding door inlussing van een 150kV kabel.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
4. Achtergronden inpassingsmaatregelen
Inrichtingsmaatregelen worden waar mogelijk en zinvol gecombineerd. Er zijn zo veel mogelijk ‘integrale’ inrichtingsmaatregelen ontworpen die een functie kunnen vervullen voor bijvoorbeeld zowel de landschappelijke inpassing als de compensatie van ecologische waarden. Waar bijvoorbeeld watercompensatie noodzakelijk is kan dat worden gecombineerd met bijvoorbeeld het verbeteren van een natte ecologische verbinding. Waar bijvoorbeeld compensatie volgens de boswet noodzakelijk is kan dat worden gecombineerd met bijvoorbeeld het versterken van de landschapsstructuur. Hoewel de zichtbaarheid van een nieuwe verbinding vaak een belangrijke rol speelt is het niet primair het streven om het hoogspanningsnet zoveel mogelijk aan het zicht onttrekken. Een goede samenhang tussen hoogspanningsnet en landschap vereist immers een balans tussen begrijpelijkheid en het behoud van specifieke kenmerken van het landschap. Ingrepen om zaken aan het zicht te onttrekken, kunnen er toe leiden dat er juist extra aandacht op wordt gevestigd. Het ‘verstoppen’ van de 380kV masten en lijnen door beplanting, zoals dat vaak gebeurt bij bedrijfsgebouwen is niet zinvol. De masten zijn immers aanzienlijk hoger dan de meeste in Nederland voorkomende bomen en zullen er dus altijd bovenuit komen. Beplanting kan wel zinvol zijn in een groter gebied rond de lijn en vanuit het perspectief van
15
verschillende waarnemers. Het kan ook zinvol zijn om, met behulp van inrichtingsmaatregelen, de bestaande landschapsopbouw te versterken, door aanplant langs bijvoorbeeld kavelgrenzen of wegen of zelfs aan te passen met als doel een nieuwe goede samenhang tussen lijn en landschap tot stand te brengen.
4.1
Milieu Effect Rapport
Als een project, zoals Zuid-West 380kV Oost, onder de Rijkscoordinatieregeling (RCR) valt wordt een Milieu Effect Rapport-MER opgesteld. Een MER voor een RCR-project is over het algemeen een regionale opgave en heeft een daarbij passend uitwerkingsniveau. Bij de verdere uitwerking en detaillering van het project kunnen echter lokale effecten naar voren komen die in het MER niet zijn geconstateerd. Deze kunnen aanleiding zijn om aanvullende inrichtingsmaatregelen te formuleren die ook in het Landschapsplan worden opgenomen.
4.2
Natuurcompensatie
Bij het aanleggen van de ZWO380kV-verbinding worden verschillende natuurwaarden gekruist. Waaronder het Natura 2000-gebied Brabantse Wal, Natuur Netwerk Brabant (NNB) en landschapselementen zoals hagen en struwelen. In het rapport Nadere uitwerking compensatieopgave 380 kV lijn Rilland - Tilburg is beschreven op welke manier
de natuurcompensatie opgave is bepaald. Deze opgave is, voor wat betreft de inrichtingsmaatregelen, opgenomen in dit Landschapsplan De natuur compensatieopgave is beschreven in §5.8
4.3
Goede Ruimtelijke Ordening
Volgens de Wet ruimtelijke ordening moet een nieuwe hoogspanningsverbinding voldoen aan de eis van goede ruimtelijke ordening. Uit overleg met lokale en regionale overheden en andere actoren kan blijken dat andere aanvullende inrichtingsmaatregelen gewenst zijn om tot een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar plan te komen. Daarbij kan worden gedacht aan het versterken van de recreatiestructuur van het gebied waar een nieuwe hoogspanningsverbinding wordt gerealiseerd door middel van bijvoorbeeld aanleg van nieuwe recreatieve routes of beplantingen langs bestaande routes. Met het geheel van tracering, inpassing, detaillering en uitvoering van deze nieuwe 380kV verbinding, de bijbehorende transformatorstations, het verkabelen van een aantal 150kV verbindingen inclusief de in dit Landschapsplan opgenomen inrichtingsmaatregelen, wordt aan de eis van goede ruimtelijke ordening voldaan.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
4.4
Principes voor ruimtelijke inpassingsmaatregelen
Zoals in het vorige hoofdstuk aangegeven vormt het ontwerp van de lijn zelf in samenhang met de omgeving de belangrijkste basis voor een goede inpassing. Dit ontwerp is vastgelegd in het Inpassingsplan. In dit hoofdstuk is een “gereedschapskist” voor aanvullende inpassingsmaatregelen van nieuwe 380kV verbindingen beschreven en gevisualiseerd. Het geeft een overzicht van de voor dit project relevante principes voor inrichtingsmaatregelen die een rol kunnen spelen bij de inpassing van een nieuwe hoogspanningsverbinding. Bij het toepassen van de inrichtingsprincipes is het belangrijk dat er niet primair moet worden gestreefd de lijn zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. Een goede samenhang van lijn en landschap vereist immers een balans tussen begrijpelijkheid en dus zichtbaarheid en het behouden van specifieke kenmerken van het landschap. De hier gepresenteerde ‘gereedschapskist’ kan worden ingezet om de gebiedskarakteristiek, de specifieke kenmerken van een landschap, te versterken en daarmee de ruimtelijke en ecologische kwaliteit van het landschap te verbeteren. Daardoor kan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de nieuwe verbinding worden vergroot.
De inrichtingsprincipes worden toegelicht aan de hand van een aantal voor dit project relevante representatieve situaties: • zicht op de verbinding; • doorsnijding van lineaire beplantingen; • inpassing van installaties; • doorsnijding van natuurgebieden.
16
Bij de toepassing van deze principes sprake zal er altijd sprake zijn van maatwerk. Elke inpassingslocatie vraagt om een specifieke aanpak en een op de locatie toegesneden ontwerp.
4.4.1
Zicht op de verbinding
Het “verstoppen” van de 380 kV masten en lijnen door bijvoorbeeld het aanbrengen van beplanting nabij de verbinding is praktisch niet mogelijk. De masten zijn immers aanzienlijk hoger dan de meeste in Nederland voorkomende bomen en zullen er dus altijd bovenuit komen. Beplantingen kunnen echter een zinvolle rol spelen als bij het inpassen van de verbinding wordt uitgegaan van mogelijke posities van waarnemers in de weidere omgeving. Aanpassing van de ruimtelijke opbouw van het gebied waarin een nieuwe hoogspanningsverbinding wordt gerealiseerd door het aanbrengen van beplantingen langs bijvoorbeeld kavelgrenzen of wegen kan zinvol zijn. Beplantingen tussen lijn en waarnemer zal de oriëntatie in het landschap veranderen en daarmee het zicht op de lijn verminderen. Dit werkt sterker naarmate de beplanting dichter bij de waarnemer wordt gesitueerd. Dit inpassingsprincipe kan worden toegepast in situaties waarin bijvoorbeeld een recreatieve fietsof wandelroute op enige afstand van de verbinding ligt en het zicht op de lijn als hinderlijk kan worden ervaren. Door bomen en/of heesters direct langs de recreatieve route te plaatsen wordt de lijn aan het zicht onttrokken en zal de aandacht van de waarnemer zich op een ander deel van het landschap richten.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 13 Zicht op een hoogspanningsverbinding. Fictief landschap met een 380kV lijn.
De afbeelding onder is een vogelvluchtperspectief van een fictief landschap met daarin een hoogspanningsverbinding. Deze 380-150 combi-verbinding is gevisualiseerd met Moldau-masten van 57m hoog en een afstand tussen de
fig. 13 a
Hoogspanningsverbinding met een masthoogte van 57m en veldlengte van 400m in open landschap.
fig. 13 b
Bomen met een hoogte van 20m op een afstand van 50m van de lijn. De lijn is zichtbaar boven de beplanting.
fig. 13 c
Bomen op een afstand van 100m van de hoogspanningslijn. De lijn is zichtbaar boven de beplanting
masten (veldlengte) van 400m. De afbeeldingen rechts en op de volgende pagina geven een beeld op maaiveld, kijkend in de richting van de hoogspanningslijn. De rode pijl hierboven geeft de standplaats en kijkrichting van een waarnemer aan op een afstand van circa 400m van de lijn. In de figuren is geïllustreerd dat beplantingen (bomen van circa 20m hoog) dicht bij de hoogspanningslijn het zicht op de lijn slechts beperkt zullen beinvloeden. Beplantingen (bomen met of zonder struiken) dicht bij de waarnemer het zullen het zicht op de lijn meer beperken.
17
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
fig. 13 d Beplanting op 300m van de verbinding en dichter bij de waarnemer. Door de beplanting is de hoogspanningslijn nauweljks zichtbaar.
fig. 13 e Beplanting op een afstan van 400m van de verbinding en dicht bij de waarnemer. Het zicht op de lijn wordt ‘ingekaderd’. De hoogspanningsverbinding is zichtbaar onder de kruinen van de beplanting door.
fig. 13 f Beplanting op een afstand van 400m van de verbinding en dicht bij de waarnemer. Struweelbeplanting onder de bomen neemt het zicht op de lijn weg, de aandacht van de weggebruiker zal een andere kant op worden gericht.
18
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 14 Zicht op een hoogspanningsverbinding. Hoogspanningslijn nabij bebouwde kom. Links vogelvluchtweergave van de situatie, de witte pijl geeft het standpunt en kijkrichting van de waarnemer aan. Rechts beeld vanuit dorpsplein kijkend in de richting van het landelijk gebied met het silhouet van andere dorpskern. fig. 14 a Situatie voor realisatie van de lijn.
19
fig. 14 b
Situatie nadat de hoogspanningslijn is gebouwd, een mast staat prominent en storend in het beeld.
fig. 14 c
Door het aanbrengen van beplantingen in de dorpsrand wordt de mast aan het zicht onttrokken
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
Voor locaties waar door een hoogspanningslijn een specifiek fraai uitzicht op het landschap wordt verstoord, zoals een doorzicht naar bijvoorbeeld een dorpssilhouet of een bepaald landmark, is dit inpassingsprincipe ook toepasbaar. De afbeeldingen op de pagina hiernaast tonen een fictieve situatie waarin , als voorbeeld vanuit een dorpskern uitzicht is op de kerktoren van het naburige dorp. Dit principe (beplanting dichtbij waarnemer) is ook toepasbaar bij het beperken van zicht op de lijn vanuit een woning/tuin
4.4.2
Doorsnijding lineaire beplantingen
Hoge beplantingen onder een hoogspanningsverbinding zijn vanuit veiligheidsoverwegingen ongewenst. Bij het kruisen van bestaande laanbeplantingen is een onderbreking daarvan in een aantal gevallen niet te vermijden. Dit kan landschappelijk maar ook ecologisch negatieve gevolgen hebben. Als beplanting onder de geleiders onvermijdelijk is zal de hoogte ervan moeten worden beperkt. Dat kan met regelmatig onderhoud, bijvoorbeeld het regelmatig snoeien van de beplanting, of door het toepassen van soorten struiken of bomen die van nature beperkt in hoogte blijven. De onderbreking van de continuïteit van een laan kan voor een deel worden opgelost door de kruinen van de bomen onder de geleiders te snoeien tot een veilige hoogte. De kruinen worden lager maar het ritme van de stammen blijft gehandhaafd. De draden van een hoogspanningsverbinding hangen dicht bij de masten hoog en midden tussen twee masten laag. Door bij de tracering en optimalisatie van de
20
verbinding een mast dicht bij een laanbeplanting te situeren, hangen de geleiders ter plaatse van de laanbeplanting hoog. Hierdoor wordt de schade aan de kruinen van de bomen als gevolg van de noodzakelijke snoei zoveel mogelijk beperkt. Beplantingen zoals houtwallen en laanbeplantingen hebben dikwijls ook een ecologische betekenis, bijvoorbeeld als geleiding van vliegroutes van vleermuizen. Onderbreking van deze beplantingen door een hoogspanningsverbinding kan een aantasting van het leefgebied van deze, over het algemeen beschermde dieren, tot gevolg hebben. Deze aantasting kan worden voorkomen of beperkt door onder de geleiders een struweelbeplanting aan te brengen of te handhaven. Hierdoor wordt de ecologische continuïteit in de beplanting hersteld. Om de eenheid in vorm van een dergelijke beplanting te herstellen kan worden overwogen deze struweelbeplanting over grotere lengte aan te brengen.
4.4.3
Inpassing van installaties
Het aanbrengen van beplantingen nabij installaties, zoals opstijgpunten en schakelstation, die bij de verbinding horen, met de bedoeling ze aan het zicht te onttrekken, kan zinvol zijn. Deze installaties hebben immers een geringere hoogte dan de masten van een
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 15 Doorsnijding van lineaire beplanting. Een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding zal onvermijdelijk veel lineaire beplantingen zoals houtwallen en bomen langs bestaande wegen kruisen. In de aanlegfase is schade aan deze beplantingen vaak niet te voorkomen. In de gebruiksfase gelden vanuit veiligheid onder de geleiders beperkingen in hoogte.
fig. 15 a (boven) Beeld van een onderbreking van wegbeplanting ter plaatse van de ZRO-strook met een breedte van circa 70m.
fig. 15 b (midden) Vaak zijn lineare beplantingen in het landschap onderdeel van het natuurnetwerk en hebben ze een functie als onderdeel van vliegroutes van bijvoorbeeld vleermuizen. Het handhaven en snoeien van de bomen voorkomt onderbreking van deze route en handhaafd het ritme van de stammen
fig. 15 c (onder) Om de continuiteit van de beplanting (zowel ruimtelijk als ecologsich) te behouden kan over grotere lengte struweelbeplanting worden aangebracht.
21
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
bovengrondse verbinding. Daarbij moet overigens direct worden opgemerkt dat door het aanbrengen van deze beplantingen weliswaar de installaties deels aan het oog worden onttrokken, maar dat daarmee niet in alle gevallen een betere situatie ontstaat. Een transparant opstijgpunt of station in een open gebied kan, als dat wordt voorzien van beplanting, een grotere invloed op de openheid hebben dan niet beplante installaties. Met een neutrale, zakelijke en terughoudende vormgeving en materiaalgebruik zullen installaties over het algemeen het beste in het landschap worden opgenomen en het minst storend zijn. Aanvullend hierop kan er in specifieke situaties voor gekozen worden met beplantingen de samenhang met de omgeving te verbeteren. Dit levert het beste resultaat op in meer (half)besloten gebieden, waar vanuit specifieke locaties het zicht op de omgeving kan worden gewijzigd, zodat de installatie een minder grote invloed zal hebben op de karakteristiek van het gebied. Bij de inpassing van installaties is in een aantal gevallen ook watercompensatie als gevolg van de verharde oppervlakten in de installatie noodzakelijk. Waar mogelijk en zinvol wordt dit gecombineerd met ecologische inrichtingsmaatregelen. Rietkragen kunnen ook bijdragen aan het beperken van de visuele impact op de omgeving.
22
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 16 Inpassing van installaties : Voorbeeld van de inpassing van een opstijgpunt (overgang van ondergrondse naar bovengrondse verbinding) in een open slagenlandschap.
fig. 16 a (boven) Situatie zonder aanvullende inrichtingsmaatregelen, het opstijgpunt, een redelijk transparante, technische installatie, is zichtbaar in het open landschap.
fig. 16 b (midden) Situatie waarin rond het opstijgpunt een houtwal van bomen en struiken is gerealiseerd. Het opstijgpunt wordt daardoor deels aan het zicht onttrokken, de aansluitende bovengrondse verbinding blijft zichtbaar.. Het geheel is minder transparant.
fig. 16 c (onder) De landschapsstructuur is versterkt door langs een nabij liggende weg een forse beplanting te realiseren. Het opstijgpunt en de bovengrondse verbinding is minder dominant aanwezig.
23
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 17
Doorsnijding van een bos
fig. 17 a (boven) Soms is het doorsnijden van een bos met een bovengrondse verbinding onvermijdelijk. Onder de geleiders gelden beperkingen in hoogte in verband met veilige afstanden ten opzichte van de geleiders. Dat betekent dat er binnen de belemmerde-strook geen volwaardig bos kan worden gehandhaafd, dat het bestaande bos deels zal worden omgevormd naar laag bos en dat er een meer open plekken in het bos zullen ontstaan. Op de overgang van het bos naar deze open plekken zullen gradienten met zoomvegetaties ontstaan.
fig. 17 b (midden) Een andere mogelijkheid is een deel van het bos om te vormen tot bijvoorbeeld een half open heidelandschap. De nieuwe verbinding staat dan, min of meer vanzelfsprekend op de overgang van twee landschapstypen. fig. 17 c (onder) Het is ook denkbaar dat een deel van het bos wordt omgevormd tot landbouwgrond en dat de boscompensatie wordt ingezet voor de aanleg van nieuw bos dat een rol kan spelen als ecologische verbinding en daarmee in het versterken van het natuurnetwerk.
24
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5. Inpassingsmaatregelen
In dit hoofdstuk worden de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen beschreven en gevisualiseerd. De opgenomen inrichtingsmaatregelen hebben tot doel de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de nieuwe verbinding. Daarbij zijn de volgende randvoorwaarden gehanteerd: • De maatregelen moeten passen binnen de situatie, en geen afbreuk doen aan de wezenlijke lokale kenmerken; • De maatregelen moeten praktisch en op relatief korte termijn ruimtelijk uitvoerbaar zijn, onder andere met het oog op de eigendomssituatie. De werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de verbinding te bouwen en enkele bestaande verbindingen te verwijderen kunnen op verschillende plaatsen schade aan beplantingen tot gevolg hebben. Soms kan worden volstaan met het snoeien van bomen of struiken. Soms, bijvoorbeeld ter plaatse van tijdelijke werkwegen en werkterreinen, is het kappen en rooien onvermijdelijk. Deze schade zal worden hersteld. Schade wordt zoveel mogelijk voorkomen en waar mogelijk zal, in overleg met de eigenaar en gemeente herplant plaatsvinden aansluitend op het vigerend ruimtelijk beleid ter plaatse. De inrichtingsmaatregelen in het landschapsplan zijn aanvullend op het herstel van deze schade.
25
Als bij de uitvoering van dit landschapsplan blijkt dat beter op een andere wijze invulling kan worden gegeven aan een opgenomen inrichtingsmaatregel, zal, in overleg met de betreffende gemeente en grondeigenaren een naar aard en doel vergelijkbare inrichtingsmaatregel worden gezocht.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
afb. 18
5.1
Kader: Projectgerelateerd
De inrichtingsmaatregelen die in dit Landschapsplan zijn opgenomen moeten gerelateerd kunnen worden aan de nieuwe 380kV verbinding. Over het algemeen zullen deze landschappelijke inrichtingsmaatregelen in de nabijheid van het project worden gesitueerd. In de Landschapsplannen bij inmiddels vastgestelde Inpassingsplannen blijkt dat de opgenomen maatregelen veelal liggen binnen een zone van circa 1,5 km breed aan beide zijden van een nieuwe verbinding. Deze afstand tot de nieuwe verbinding als grens voor in een Landschapsplan op te nemen maatregelen is met name bepaald door de ‘Kritische kijkafstand’. De kritische kijkafstand bedraagt ca. 1200 meter. Dit is de afstand waarop de contouren en het onderscheid van individuele ‘gewone’ objecten vervagen en versmelten met de achtergrond. Er is op een grotere afstand geen dieptezicht meer.
26
Kader voor het Landschapsplan
Kader Landschapsplan vastgesteld door ministerie van EZK Het landschapsplan omvat ruimtelijke maatregelen op het gebied van landschap en cultuurhistorie. Maatregelen in het landschapsplan hebben een projectrelatie: Maximaal 1,5 km aan weerszijden verbinding voor puntobjecten. Deze eis geldt niet voor structuren . Alle maatregelen kunnen planologisch worden gerealiseerd, de intentie is om enkel maatregelen uit te voeren die obstakelvrij zijn en gedragen worden in de regio.
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.2
Aansluiten bij het Landschap
In dit Landschapsplan is, net als in het Milieueffectrapport Zuid-West 380 kV Oost, een beschrijving van het landschap gehanteerd die uitgaat van een vergelijkbare benadering zoals die door de provincie Brabant wordt gehanteerd bij de Gebiedspaspoorten (zie § 5.4). Ze gaat uit van dezelfde gebiedskenmerken. In de volgende paragrafen is het en de op meer lokale schaal uitgewerkte in Gebiedskarakteristieken beschreven Zowel bij het bepalen van het tracé en de lokaties van , de bijhorende installaties als bij het opstellen van de in dit plan opgenomen landschappelijke maatregelen zijn deze gebiedskenmerken leidend geweest.
5.3
Geomofologie en water Een geomorfologische kaart laat de verschijningsvorm van het aardoppervlak zien, met zijn verschillen in hoogte, in ‘nat en droog’, vlak en hellend. Het is voor een belangrijk deel een gevolg van geologische processen, zoals tektoniek, erosie en sedimentatie door water, ijs en wind. Daardoor zijn er heuvels, beekdalen, dekzandruggen, stroomruggen, en rivierterrassen ontstaan. Ook menselijk ingrijpen drukt zijn stempel op het uiterlijk van ons land, met dijken, dammen, terpen, polders. Terreinvormen en -reliëf bevorderen de ‘leesbaarheid’ van het landschap, zijn authentiek en hebben betekenis voor mensen. afb. 19
De geomorfologische kaart laat een samenhang zien tussen de locatie van de verstedelijking (het occupatiepatroon) en de overgang tussen het lagere kleigebied en het hogere zandgebied. Het Noord-Brabantse zeekleigebied bestaat uit jonge zeekleipolders. Op de overgang van de Brabantse zand- naar de kleigronden liggen verschillende kleinere veenontginningen . Het zandlandschap bestaat uit kampontginningen, heideen bosontginningen en het turfwinningslandschap. Het inmiddels afgegraven veen lag hier op zand, dit in tegenstelling tot het veenontginningenlandschap dat op klei ligt.
Geomorfologie en water + VKA
Landschappelijk Hoofdpatroon
Het Landschappelijk Hoofdpatroon (LHP) is als het ware ’de vingerafdruk van een landschap’. Het zijn elementen en patronen in het landschap die bepalend zijn voor het specifieke karakter ervan én die een vergelijkbaar schaalniveau hebben als de nieuwe verbinding. Het LHP wordt hier uiteengerafeld in drie lagen die vergelijkbaar zijn met de lagen zoals de provincie die hanteert bij de gebiedspaspoorten. Het Landschappelijk Hoofdpatroon wordt primair samengesteld op basis van: • Geomorfologische patronen; • Historische-geografisch indelingen; • Infrastructuur.
27
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
Het zandgebied ligt duidelijk hoger dan het kleigebied. In het westelijk deel zijn deze hoogteverschillen heel goed zichtbaar. Hier bestaat de overgang tussen zand en klei uit een ‘steilrand’, de Brabantse Wal. Deze steilrand loopt van Ossendrecht langs Hoogerheide, Woensdrecht, Bergen op Zoom en Halsteren tot Steenbergen. De steilrand bereikt hoogten van ongeveer 20 meter boven NAP. Meer oostelijk is het landschap een zwak golvend landschap. De dekzandkommen hadden hiet een slechte ontwatering waardoor er op grote schaal veen ontstond. Grote delen van de venen zijn door stormvloeden weggeslagen of door de mens afgegraven en ontgonnen. Deze geomorfologisch patronen en elementen dienen als uitgangspunt voor het localiseren en vormgeven van landschappelijke inpassingsmaatregelen.
bodem maakt het tot het belangrijkste akkergebied in Noord-Brabant. Grootschalige teelten zijn bepalend voor de inrichting en ontsluiting. De Brabantse Wal is een kleinschalig besloten landschap met natuur gekenmerkt door de afhankelijkheid van bos, water en beslotenheid. Op de overgang naar de zeeklei liggen nederzettingen met oude akkercomplexen. Op de meer geleidelijke overgang naar het oosten zijn de agrarische percelen omzoomd door bospercelen. Bijzonder zijn de vestingstad Bergen op Zoom en de omliggende forten die deel zijn van de Zuiderwaterlinie. Ondanks deze ontwikkeling zijn de natuurwaarden van de natuurgebieden aanzienlijk. Op de steile westflank afb. 20
van de Brabantse Wal is het stedelijk gebied sterk gegroeid. Halsteren en Bergen op Zoom zijn nagenoeg aan elkaar vastgegroeid. Hoogerheide is sterk gegroeid en is bijna vastgegroeid aan Woensdrecht. In de West Brabantse Venen is de turf ontgonnen vanuit langgerekte veendorpen die de hogere ruggen in het landschap volgen. Hierdoor hebben de dorpen een vrij grillig verloop. Ten behoeve van de ontwatering van de zandgronden zijn er verschillende noord-zuidlopende beken en waterlopen gegraven. De oude en jonge zandontginningen zijn visueel nog goed van elkaar te onderscheiden. De ontginningen hebben geleid tot een sterk
Historische geografie indeling van het plangebebied zoals ook gebruikt bij de gebiedspaspoorten +VKA
Historische geografie De historische geografie houdt zich bezig met het bestuderen van de ruimtelijke patronen op het aardoppervlak en hun ontwikkeling in de tijd. Het beschrijft de historische ontwikkeling van wat je het natuurlijk landschap zou kunnen noemen naar het cultuurlandschap. De nadruk daarbij ligt op de rol van de mens in de verschijningsvorm van het landschap. Een historisch-geografische kaart laat een indeling zien in gebieden elk met een eigen gebiedskarakteristiek. Het gaat daarbij niet alleen over historische occupatie- en verkavelingspatronen maar zeker ook over de recente verstedelijkingsprocessen. Het zeekleigebied is een open en rationeel ingericht landschap. Kenmerkend zijn de door dijken omgeven grootschalige polders. In het zeekleigebied ligt het defensiestelsel van de Zuiderwaterlinie met vesting(sted)en, forten en liniedijken. De vruchtbare
28
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
landbouwkundig gebruik. Er liggen twee grotere suburbane kernen, Roosendaal en Etten-Leur . Vooral infrastructuur heeft de ontwikkeling van het stedelijke gebied bepaald. Verspreid in het buitengebied, liggen kleinere dorpskernen met een echt landelijk woonmilieu. Het overige gebied heeft een agrarisch karakter met relatieve openheid en blokverkavelingen, dat wordt doorsneden door bebouwingslinten en boscomplexen. De Langstraat ligt op de overgang van zand naar klei met een enorme kweldruk. Het heeft een typische slagenverkaveling met elzensingels, dijken en kades, waarbij de smalle kavels met een dicht slotenpatroon nagenoeg haaks op de ontginningsbasis liggen. Dit heeft geleid tot lange, kaarsrechte dorpen zoals ´s Gravenmoer. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten slagenlandschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Er zijn veel langgerekte veenlintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Het gebied bestaat overwegend uit grasland, afgewisseld met enkele sterke clusters voor boomteelt, glastuinbouw en groenteteelt. In het gebied heerst een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is.
De Langstraat is één van de twintig cultuurhistorische landschappen van Brabant. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau doorsneden door het bekensysteem van Aa of Weerijs en de Mark. De Baronie is een afwisselend zandlandschap met een grofmazig mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Door de afwisseling in het landschap van de Baronie is de natuur rijk aan soorten die karakteristiek zijn
29
voor kleinschalig cultuurlandschap, open agrarisch landschap, hooilanden, vochtige graslanden, poelen en sloten.
Infrastuctuur De infrastructuur op regionaal, nationaal en internationaal niveau heeft zich in een relatief korte periode (de afgelopen twee eeuwen) ontwikkeld tot een belangrijk onderdeel van het landschap. Vaarwegen, spoorlijnen, autosnelwegen, bruggen, dijken zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen voor het transport van energie en zelfs de luchtvaart heeft grote invloed op de verschijningsvorm en de ontwikkelingsmogelijkheden van het landschap. afb. 21
• Weg- en spoorinfrastructuur Het gebied wordt doorsneden door verschillende rijkswegen. De A4, A17, A17 en A16 zijn noord-zuid gericht. De A58 en A59 doorkruisen het gebied van west naar oost. Door het gebied lopen meerdere spoorwegen: de Hogesnelheidslijn (HSL), Spoorlijn Antwerpen - Lage Zwaluwe (gebundeld aan de A16), Roosendaal - Breda - Eindhoven en Tilburg Nijmegen. Autosnelwegen en spoorlijnen zijn noordzuid georiënteerd haaks op de klei-zand overgang of west-oost min of meer parallel aan de klei-zand overgang. • Waterwegen De belangrijkste watergangen zijn de Mark en het Wilhelminakanaal (Markkanaal en Amertak). De
Infrastructuur
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
Mark (in het westelijk deel Dintel genoemd) loopt van Dintelmond aan het Volkerak naar Breda. Tussen Breda en Oosterhout ligt ihet Markkanaal (deels ook Roosendaalse Vliet genoemd). Het Wilhelminakanaal loopt van de Bergsche Maas via Oosterhout richting Tilburg en verder. • Buisleidingenstraat De buisleidingstraat Rotterdam-Antwerpen is zichtbaar in het gebied als gevolg van de bebouwingsvrije zone die via de Brabantse Wal richting Oud Gastel loopt. • Bestaand hoogspanningsnet/ of bestaande hoogspanninsginfrastructuur De locatie van het hoogspanningsnet 380kV (rood) en150kV (blauw) vertoont een samenhang met de klei-zand, hoog-laag, open-besloten overgang. De bestaande 380kV-hoogspanningsverbinding (Borsele-Geertuidenberg) loopt vanuit Zeeland via de Oesterdam langs Bergen op Zoom en vanaf Halsteren in een rechte lijn door open agrarisch gebied richting het noordoosten. Ter plaatse van Oud Halsteren buigt de verbinding af en loopt parallel aan de A17 richting het noorden. Van dit punt loopt de verbinding eveneens parallel op met de 150kV-verbinding uit Roosendaal. Beide buigen bij Zevenbergen af en lopen gebundeld door het open zeekleilandschap richting Geertruidenberg. De hoogspanningsverbindingen met een bovenregionale functie vormen op een andere manier onderdeel van het LHP dan de snelwegen.
Waar de snelwegen plat (tweedimensionaal) zijn, gaan de hoogspanningslijnen de hoogte in en vormen op een meer driedimensionale manier onderdeel van het landschappelijk hoofdpatroon.
30
5.4
Gebiedskarakteristieken
In deze paragraaf worden de relevante verschillen in gebiedskarakteristiek in het gebied aansluitend op van?? het tracé beschreven. De in dit Landschapsplan opgenomen landschappelijke maatregelen sluiten aan op deze gebiedskarakteristieken.
afb. 22
De onderscheiden gebieden (in het MER aangegeven als subgebieden) zijn: • Rilland • Brabantse Wal • Wouw • Oudenbosch en Oudgastel • Zevenbergen, Made en Drimmelen • ’s-Gravenmoer • Dongen en De Moer • Huis ter Heide / Tilburg
Gebiedskarakteristieken met gebiedspaspoorten +VKA
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.1
De gebiedskarakteristiek van Rilland2
Dit gebied maakt onderdeel uit van de jonge zeekleipolders. De nieuwere polders van na 1800 liggen rondom het dorp Rilland en kennen onderling weinig karakterverschillen. Het gebied heeft een regelmatige en rechthoekige verkaveling. De wegen en dijken zijn recht en houden geen verband met de oorspronkelijk landschapsvormen (kreken en poelen). De beplante dijken geven geleding aan de openheid van het landschap en verdelen het in grote eenheden. Het gebied vormt, samen met de Brabantse Wal, de markante begrenzing tussen de polders van Zeeland en de hogere zandgronden van Brabant. Het dorp Rilland heeft met een rationeel verkavelingspatroon en een harde dorpsrand, grotendeels gebouwd in de 20e eeuw. Daarnaast is een bedrijventerrein aanwezig (De Poort) en ten noorden van de snelweg een modern kassengebied. De polders worden, 2
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen; • Zeer vlak, plaatselijk markante hoogteverschillen door dijken, zeer open, rationeel karakter, aan oostzijde markante begrenzing door Brabantse Wal; • Overwegend akkerland, weinig bebouwing, Schelde-Rijnverbinding vormt bepalende structuur, bundel van infrastructuur die deels ruimtelijk bepalend is. Zuidelijke horizon sterk bepaald door grootschalige industrie (havengebied van Antwerpen) en windturbines. • Enkele bestaande kleine en forsere hoogspanningsverbindingen met beperkte tot grotere bestaande invloed op de gebiedskarakteristiek • Dorpssilhouet Woensdrecht • Inundatievlakte Bathstelling.
Subgebied Rlland in het MER
afb. 23
31
naast de grootschalige infrastructuur (snelwegen en knooppunt, spoorlijn en provinciale weg in oostwest richting) doorsneden door de noord-zuid gelegen Schelde-Rijnverbinding en het bijhorende Bathse Spuikanaal. Aan de noordzijde van polders bevinden zich in het kanaal de Kreekraksluizen en een buitendijks gelegen groen- en recreatiegebied. In het gebied liggen in oost-westrichting een 150kV en een 380kV-hoogspanningsverbinding. Bij het kanaal sluit een noord-zuid gesitueerde 380kV-verbinding aan. Langs het kanaal staat aan beide zijden een rij windturbines. Het gebied heeft een sterk rationeel en moderne karakteristiek. De zichtbaarheid van de grote infrastructurele lijnen is groot. Vanaf verschillende plekken in het gebied is het havengebied van Antwerpen zichtbaar.
Kleipolders tussen Rilland en de Brabantse Wal. Op de achtergrond de huidige 380kV verbinding door de Markiezaat en de windturbines langs het Schelde-Rijnkanaal
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.2
De gebiedskarakteristiek van de Brabantse Wal 3
De Brabantse Wal is vanuit het westen vanaf grote afstand zichtbaar. Gezien vanuit Zeeland rijst het gebied als het ware op uit de verder vlakke zeekleipolders. Vanaf de Brabantse Wal zijn er uitzichten naar open poldergebied en de Markiezaat. Het centrale deel wordt gekenmerkt door een afwisseling van bosgebieden, heide-terreinen en verspreid liggende kleine landbouwenclaves. Aan de randen, op de overgang naar de lager gelegen gebieden, liggen de dorpen met oude kampontginningen en plaatselijk essen (akkers). Bij Woensdrecht liggen direct ten westen van de Brabantse Wal de oudste poldertjes, die nog hun oorspronkelijke kleinschalige opstrekkende verkaveling hebben. 3
subgebied Brabantse Wal in het MER
afb. 24
32
Tussen Bergen op Zoom en Steenbergen ligt sinds de Tachtigjarige Oorlog de West-Brabantse Waterlinie. Ter verdediging van de twee vestingsteden en de vaarroute tussen Holland en Zeeland konden grote delen van West-Brabant onder water worden gezet. Op de hogere delen in het landschap werden aarden forten gebouwd. Nog bestaande forten ten noorden van Bergen op Zoom zijn Fort de Roovere, Fort Pinssen en Fort Moermont. Het gebied Brabantse Wal is een overgangszone van klei naar zand. Op deze overgangszone ligt landgoed Mattemburg . Op de Brabantse Wal liggen in de bosgebieden landgoederen zoals Landgoed Zoomland. Het gebied wordt doorsneden door verschillende infrastructurele lijnen. Van zuid naar noord ligt de N289 en in het verlengde daarvan liggen de A58 en de spoorlijn Bergen op Zoom - Roosendaal. Daarnaast wordt het bosgebied doorsneden door de buisleidingstraat, een brede open zone die vanaf het kleigebied over de Brabantse Wal richting Roosendaal loopt.
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen; • Vlak, halfopen tot besloten karakter; • Afwisselend akkerland en weiland met boselementen en bossen; • Bestaande kleine hoogspanningsverbinding; • Open zone van de leidingstraat.
Overgang van Brabantse Wal naar Markiezaatsmeer met de 150kV verbinding en links de spoordijk
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.3
De gebiedskarakteristiek van Wouw4
Het kampenlandschap ten westen van Roosendaal en nabij Oud Gastel is onder meer ontstaan door jarenlange lokale ophogingen met potstalmest op de akkers (essen). Hierdoor heeft het landschap, in samenhang met onderliggend reliëf, een zwakgolvend karakter. Het gebied vertoont een onregelmatige verkaveling met gras en akkerland en wegenpatroon (kronkelige wegen soms begeleid met laanbeplanting) met verspreid gelegen bebouwing (hoeves), hooggelegen bouwlanden en grasland in de lagere delen met enkele bosjes in de beekdalen (beekdalbos). Het landgebruik is voornamelijk akkerbouw met verspreid liggend fruitboomgaarden. Het landschap heeft een open karakter met enkele beken, waaronder de Rissebeek. Nabij Roosendaal wordt het landschap meer bepaald door stedelijke elementen. Het gebied 4
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen; • Vlak, open tot halfopen, vrij rationeel karakter; • Afwisselend akker- en grasland, veel bos- en beplantingselementen; • Bij Roosendaal verstedelijkingskenmerken en bepalende infrastructuur; • Vrij veel (agrarische)bebouwing, horizon bij Roosendaal plaatselijk bepaald door stedelijke elementen; • Bestaande kleine hoogspanningsverbinding.
subgebied Wouw in het MER
afb. 25
33
wordt doorsneden door de A58, de buisleidingstraat en de spoorlijn Bergen op Zoom - Roosendaal. De oostrand wordt begrensd door de A17. Door het gebied lopen twee hoogspanningsverbindingen (380kV en 150kV), een verbinding die grotendeels parallel loopt aan de A17 en een verbinding die het gebied in oost - west richting in een rechte lijn doorsnijdt
Landschap ten westen van Roosendaal
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.4
De gebiedskarakteristiek van Oudenbosch en Oud Gastel5
Tussen de kern Oud Gastel en Oudenbosch ligt een open tot halfopen akkerbouw- en weidegebied met een onregelmatig blokverkavelingspatroon. Plaatselijk komen boselementen voor. Aan de kronkelige wegen ligt bebouwing en erfbeplanting. Hier en daar liggen kassen- en tuinbouwcomplexen. De rivier de Mark met aansluitende bebouwing vormt een bepalende structuur. Het gebied wordt doorsneden door de A17, de buisleidingstraat, een 380kV en een 150kV hoogspanningsverbinding en een spoorlijn. De provinciale weg N264 bepaalt mede het zicht op de bebouwingsrand van Oud Gastel. 5
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen; • Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter; • Afwisselend akker- en weideland, plaatselijk boselementen; • Mark als bepalende structuur, oostelijk van Oud Gastel overwegend grasland; • Vrij veel agrarische bebouwing, plaatselijk windturbines • Basiliek van Oudenbosch als vertekenmerk • Bestaande 380kV en 150kV hoogspanningsverbindingen.
subgebied Oudenbosch in het MER
afb. 26
34
De rand met Oudenbosch bestaat uit woonwijken en bedrijventerreinen omgeven door opgaande beplanting. Te westen hiervan ligt het natuurgebied Gastels Laag. Het beeld van Oudenbosch wordt bepaald door de Basiliek van Oudenbosch.
Landschap tussen Stoof (links) en Oudenbosch (rechts)
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.5
De gebiedskarakteristiek van Zevenbergen, Made en Drimmelen6
Het landschap kent een grote mate van openheid. Dorpen, dijken, agrarische bebouwing en infrastructurele lijnen zijn op grote afstand goed zichtbaar. Het open landschap wordt doorsneden door kronkelige dijken, met beplanting, vaak zuidwestnoordoost georiënteerd zijn. Daarnaast zijn er verschillende rivieren en kanalen, zoals Roode Vaart, Amertak, Mark en de Dinkel en zijn kreekrestanten aanwezig. Aan de rand van de waterlopen staat hier en daar beplanting of kleine bosschages. Het landschap is over het algemeen rationeel verkaveld en kent, op enkele kleinere gebieden na, weinig karakterverschillen. Het gebied is grotendeels in gebruik als akkerland, hier en daar afgewisseld met weiland en een enkele boomgaard. Ten westen van Hooge Zwaluwe ligt een slotenrijk 6
subgebied Zevenbergen in het MER
afb. 27
35
graslandgebied. Tussen Steenbergen en Halsteren ligt een groot glastuinbouwgebied. Het wegenpatroon is op de dijken na doorgaans rechtlijnig. Een aantal wegen en dijken wordt begeleid door beplanting. De verspreid liggende agrarische bebouwing is vaak omgeven door windsingels. Van de in het gebied gelegen dorpen zijn van sommige hun oorspronkelijke vorm nog herkenbaar zoals Hooge en Lage Zwaluwe die zijn beschermd als stads- en dorpsgezicht. Langs de bebouwingslinten is de overgang tussen kern en landelijk gebied vaak ‘korrelig’ van karakter. Buiten de nederzettingen komt er verspreide bebouwing voor. De rijks- en provinciale wegen en spoorwegen met hun kunstwerken zijn in het open landschap goed zichtbaar. Ook de grotere industriegebieden bij Stampersgat, Moerdijk en Zevenbergen geven een markant silhouet. Door het gebied lopen twee hoogspanningslijnen in grote rechtstanden parallel aan elkaar. Op enkele locaties zijn kleine windparken.
Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen, enkele kleinere gebieden met wat afwijkend karakter; • Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter; • Ten noorden van Zevenbergen meer besloten door boselementen, ten westen van Hooge Zwaluwe meer organisch karakter; • Overwegend akkerland, boselementen, ten westen van Hooge Zwaluwe slotenrijk grasland, plaatselijk beplante dijken; • Dorpssilhouet Hooge Zwaluwe; • Enige verspreid liggende bebouwing; • Ten westen van Geertruidenberg beeld bepalende industrieën en markant silhouet; • Bestaande bundel van kleine en forse hoogspanningsverbindingen; • Enkele windmolens in lijnopstelling ten zuiden van Zevenbergen.
Landschap bij Zevenbergschen Hoek, foto rechts situatie bij Hooge Zwaluwe
Zuid-West 380kV Oost
Rilland-Tilburg
Landschapsplan
5.4.6
De gebiedskarakteristiek van ‘s Gravenmoer7
Het landschap is veenontginningsgebied op de overgang naar de heideontginningen. Delen daarvan zijn nog intact. Rond ’s Gravenmoer is nog een karakteristiek heggenlandschap. De kern ‘s Gravenmoer heeft een aantal uitbreidingen buiten het oorspronkelijke bebouwingslint. Het gebied is aan de westzijde begrensd door de Donge, een kronkelig riviertje omgeven door begroeiing. Het overige deel van het gebied tussen de A17 en de Donge heeft een open karakter. Dit van oorsprong moerasgebied, is begin 18e eeuw ingepolderd. Restanten van het slagenlandschap zijn nabij Oosteind nog herkenbaar. Het dorpslint van Oosteind is nog duidelijk als ontginningsas herkenbaar. De 150kV-verbinding kruist Oosteind in rechte lijn . De bebouwing en beplanting liggen in een lint langs 7
subgebied Z’s-Gravenmoer in het MER
afb. 28
36
de doorgaande wegen. ’s Gravenmoer, ten oosten van de Donge, ligt relatief verscholen in het groen. De 380kV-verbinding tussen Geertruidenberg en Eindhoven is markant aanwezig. De industriële bebouwing nabij Geertruidenberg geeft een markant silhouet. Het gebied heeft een hoge cultuurhistorische waarde (voormalig Belvedèregebied Langstraat). De ontginning van het veen gebeurde in het kenmerkende opstrekkende verkavelingspatroon met lange smalle percelen en sloten. Na verloop van tijd klonk het veen in en was men genoodzaakt meer naar het zuiden te trekken. In de loop van de tijd verplaatsen zich de (lint)dorpen en akkers steeds meer naar het zuiden. Vanaf circa 1300 vond er turfwinning plaats in het gebied. Turfvaarten werden gegraven om de turf af te voeren en speelden een rol in de afwatering. De verkaveling langs de noord-
zuid lopende vaarten was vaak oost-west gericht. Op kruisingen tussen de vaarten en de wegen ontstonden dorpskernen. Belangrijkste kenmerken van de gebiedskarakteristiek: • Weinig karakterverschillen; • Vlak, open tot halfopen, rationeel karakter, Donge en Kromgat als bepalende structuren; • Overwegend grasland met plaatselijk akkers, plaatselijk boselementen en markante bomenrijen, ten zuiden van Geertruidenberg industrieel karakter door markant silhouet van de Amercentrale; • Weinig bebouwing, boerderijlinten ten westen en zuiden van ’s Gravenmoer; • Bebouwingslint Oosteind; • Infrastructuur weinig bepalend, in noorden plaatselijk windturbines; • Deels kleine hoogspanningsverbinding deels forse hoogspanningsverbinding, deels gebundelde hoogspanningsverbindingen.