2021-019770 Bijlage 3- Ontwerp-inpassingsplan-Zuid-West-380kV-Oost
Tekst van het document
Zuid-West 380 kV Oost
Versie Datum Status
inpassingsplan 18 november 2021 ontwerp
Colofon IMRO
NL.IMRO.0000.EZip15ZW380oost-0001
Pagina 2 van 166
Inhoud
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Inleiding—6 Aanleiding—6 Samenhang inpassingsplannen Zuid West 380kV—8 Het tracé van Zuid-West 380 kV Oost—9 Planvorm en vigerende bestemmingsplannen—10 Het inpassingsplan en de Rijkscoördinatieregeling—13 Leeswijzer—16
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Nut en noodzaak nieuwe hoogspanningsverbinding—17 Ontwikkelingen in de energiesector—17 Landelijke 380 kV-ring in Nederland—17 Energieproductie in Zeeland—18 Knelpunten in het transport naar het achterland—19 Oplossing—20
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 31 3.8 3.9 3.10 3.11 3.11.1 3.11.2 3.11.3 3.11.4 3.11.5 3.11.6 3.11.7 3.11.8 3.11.9 3.11.10 3.11.11 3.11.12
Proces en totstandkoming tracé—22 Inleiding—22 Voorgeschiedenis—23 Ontwerp van de alternatieven—23 Voorkeursalternatief 2011—25 Discussie over de alternatieven—25 Actualisatie van de alternatieven—27 Geactualiseerde alternatieven en varianten en meest milieuvriendelijk alternatief—
4 4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.4
Toelichting op tracé—53 Inleiding—53 Traceringsprincipes—53 Tracébeschrijving—54 Rilland-Roosendaal—54 Roosendaal-Moerdijk—56 Moerdijk-Geertruidenberg—57 Geertruidenberg-Tilburg—59 Aansluiting 150 kV-stations—60
Bepalen Meest milieuvriendelijke alternatief (MMA)—32 Voorgenomen tracé 2017—33 Uitwerking van het voorkeursalternatief—35 Voorkeurstracé—36 Masttype—39 Geoptimaliseerde VKA 2020—40 Uitwerkingsgebied 1: Rilland-Markiezaat—41 Uitwerkingsgebied 2: Brabantse Wal—41 Uitwerkingsgebied 3: Bergen op Zoom—43 Uitwerkingsgebied 4: Roosendaal-Halderberge—44 Uitwerkingsgebied 5: Oud Gastel-Standdaarbuiten—45 Uitwerkingsgebied 6: Moerdijk-Zevenbergschen Hoek—46 Uitwerkingsgebied 7: Hooge Zwaluwe—48 Uitwerkingsgebied 8: Geertruidenberg—49 Uitwerkingsgebied 9: 's Gravenmoer—50 Uitwerkingsgebied 10: Bosroute—50
Pagina 3 van 166
4.5 4.6 4.7 4.8
150 kV opstijgpunten en ondergrondse 150 kV-verbindingen—62 Masttype—64 Opstijgpunten—67 Tijdelijke verbindingen—69
5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.3
Ruimtelijk beleid—71 Rijksbeleid—71 Nationale omgevingsvisie (NOVI)—71 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening—72 Beleidsadvies inzake hoogspanningslijnen en het magneetveld (2005)—73 Provinciaal beleid—75 Omgevingsplan Zeeland (2018)—75 Omgevingsverordening Zeeland (2018)—76 Omgevingsvisie Noord-Brabant—76 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant—76 Conclusie—77
6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.5 6.5.1 6.5.2 6.5.3 6.6 6.6.1 6.6.2 6.6.3 6.6.4 6.7 6.7.1 6.7.2 6.7.3 6.8 6.8.1 6.8.2 6.9 6.9.1 6.9.2 6.9.3 6.9.4 6.9.5
Onderzoek—78 Inleiding—78 Leefomgeving: magneetvelden—79 Toetsingskader—79 Effecten voorkeurstracé—79 Conclusie—81 Landschap en cultuurhistorie—82 Toetsingskader—82 Huidige situatie—83 Effecten voorkeurstracé—83 Conclusie—87 Natuur—87 Toetsingskader—87 Huidige situatie—88 Effecten voorkeurstracé—91 Conclusie—95 Water—95 Toetsingskader—95 Waterparagraaf—96 Conclusie—96 Bodem, archeologie en aardkundige waarden—97 Toetsingskader—97 Referentiesituatie—99 Effecten voorkeurstracé—101 Conclusie—103 Geluid—103 Toetsingskader—103 Effecten voorkeurstracé—104 Conclusie—105 Veiligheid, kabels en leidingen—105 Toetsingskader—105 Effecten voorkeurstracé en conclusie—106 Tijdelijke verbindingen—107 Magneetveldzone—108 Landschap—108 Natuur—108 Bodem en water—109 Archeologie—109 Pagina 4 van 166
7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8
Juridische planbeschrijving—110 Inleiding—110 Toepassing Rijkscoördinatieregeling—110 Toelichting opzet Rijksinpassingsplan—111 Plangebied van het inpassingsplan—112 Toelichting op de bestemmingen—113 Toelichting op algemene regels—115 Coördinatie uitvoeringsbesluiten—118 Procedure voor provinciale inpassingsplannen en bestemmingsplannen—119
8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
Uitvoerbaarheid—121 Economische uitvoerbaarheid—121 Aankoopbeleid—121 Schadebeleid—121 Beschikbaarheid gronden—126 Procedurele uitvoerbaarheid—127 Conclusie—127
9 9.1 9.2 9.3 9.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid—128 Proces voorafgaand aan het inpassingsplan—128 Overleg met besturen en instanties—128 Zienswijzen—128 Beroep—128
1 1.1 1.2
Inleidende regels—131 Artikel 1 Begrippen—131 Artikel 2 Wijze van meten—134
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Bestemmingsregels—135 Artikel 3 Bedrijf - Nutsbedrijf—135 Artikel 4 Bedrijf - Opstijgpunt—136 Artikel 5 Leiding - Hoogspanningsverbinding voorlopig—137 Artikel 6 Leiding - Hoogspanning 150 kV-ondergronds—140 Artikel 7 Leiding - Hoogspanning 380 kV-ondergronds—143 Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV—146 Artikel 9 Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV—149
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
Algemene regels—152 Artikel 10 Antidubbeltelregel—152 Artikel 11 Algemene bouwregels—153 Artikel 12 Algemene gebruiksregels—154 Artikel 13 Algemene aanduidingsregels—156 Artikel 14 Algemene afwijkingsregels—159 Artikel 15 Verhouding met bestemmingsplannen—160 Artikel 16 Overige regels—161
4 4.1 4.2
Overgangs- en slotregels—162 Artikel 17 Overgangsrecht—162 Artikel 18 Slotregel—163
Pagina 5 van 166
toelichting
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Om de levering van stroom in de toekomst te kunnen garanderen, is er behoefte aan uitbreiding van het bestaande elektriciteitsnet. Een van de projecten die hier aan bij moet dragen is de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg: Zuid-West 380 kV (ZW380). Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. De nieuwe verbinding loopt van Borssele via Rilland naar Tilburg. In eerste instantie was dit één groot project. De bouw van het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland bracht hier verandering in. Over het westelijke deel van de verbinding, tussen Borssele en Rilland, heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Dit gedeelte van de verbinding (Zuid-West 380 kV-West of ZW380 West) wordt momenteel gebouwd. Ook de besluitvorming over het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg en de realisatie hiervan wordt momenteel afzonderlijk voorbereid. Dit station is namelijk zo snel mogelijk nodig om de verwachte ontwikkeling van de netbelasting en de duurzame productie van elektriciteit in Brabant op te kunnen vangen.
In Noord-Brabant lopen elektriciteitstransporten vanuit het westen - vanuit Zeeland en de productielocaties rond Moerdijk en Geertruidenberg - naar het oosten, waar een grote elektriciteitsvraag is, zoals bij Tilburg en Eindhoven. Het elektriciteitsnetwerk in Noord-Brabant, waarover deze transporten plaatsvinden, bestaat uit een 150 kV-net, waarin de 150 kV-stations met meerdere verbindingen aan elkaar gekoppeld zijn. Het 150 kV-net is op twee locaties in Noord-Brabant gekoppeld aan het 380 kV-net, namelijk op de 380 kV-hoogspanningsstations in Geertruidenberg en Eindhoven. Het 380 kV-net tussen Geertruidenberg en Eindhoven heeft in principe ruimte om deze transporten te faciliteren. Op het 380 kV-net is echter sprake van hoge weerstand, veroorzaakt door de 380/150 kVtransformatoren op de stations. Aangezien elektriciteit de weg van de minste weerstand volgt, volgt de elektriciteit daarom het 150 kV-net en niet het 380 kVnet. Als gevolg hiervan wordt het 150 kV-net te zwaar belast. Om dit knelpunt op te lossen en de levering van elektriciteit in Noord-Brabant te kunnen blijven garanderen, is uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk. Het versterken van het 150 kV-net in Noord-Brabant door extra 150 kV-verbindingen aan te leggen vergt niet alleen veel nieuwe verbindingen, maar leidt ook tot problemen voor de Pagina 6 van 166
kortsluitvastheid op de bestaande 150 kV-hoogspanningsstations: zij zijn onvoldoende bestand tegen mogelijke beschadiging van het hoogspanningsnet in geval van kortsluiting. Dit is daarom geen robuuste en toekomstvaste oplossing. Het realiseren van een nieuw 380 kV-hoogspanningsstation bij Tilburg, inclusief een koppeling met het 150 kV-net, biedt de mogelijkheid om een netsplitsing te creëren tussen Geertruidenberg en Eindhoven. De elektriciteit loopt dan direct naar het 380 kV-net en niet langer via de 150 kV-verbinding voor doorgaande transporten van Geertruidenberg naar Eindhoven. Dit is een robuuste en toekomstvaste oplossing. Tilburg is een geschikte locatie voor dit nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation, vanwege de centrale ligging tussen Eindhoven en Geertruidenberg en omdat het 150 kV-net en het 380 kV-net hier dicht bij elkaar liggen. De locatiekeuze is ook ingegeven door de toekomstige aansluiting van de verbinding Zuid West 380 kV oost (Rilland-Tilburg) op dit nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation. Aanvankelijk maakte het 380 kV-station bij Tilburg projectmatig deel uit van de verbinding Zuid West 380 kV Oost. De verbinding kan naar verwachting in 2030 in gebruik worden genomen.
Omdat de knelpunten in het Brabantse 150 kV-net al eerder kunnen optreden, is in januari 2020 besloten om de besluitvorming over het 380 kV-station bij Tilburg onder te brengen in een aparte procedure onder de Rijkscoördinatieregeling, met een zelfstandig inpassingsplan en een eigen besluitvormingstraject. Hierdoor kan dit station naar verwachting in 2025 gereed zijn. Om de hoogspanningsverbinding tussen het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland en het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Tilburg mogelijk te maken, wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de staatssecretaris*) van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor het oostelijk gedeelte van de verbinding (Zuid-West 380 kV-Oost of ZW380 Oost). *) Tot 12 juli 2021 was de minister van Economische Zaken en Klimaat verantwoordelijk voor het project Zuid-West 380 kV Oost. Sinds die datum ligt deze verantwoordelijkheid bij de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat-Klimaat en Energie.
Pagina 7 van 166
1.2
Samenhang inpassingsplannen Zuid West 380kV Het project Zuid West 380 kV is het overkoepelende project dat betrekking heeft op de realisatie van de hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Tilburg. Het tracé is circa 78 km lang. Hieronder vallen ook de uitbreiding en de realisatie van de verschillende hoogspanningsstations in Borssele, Rilland en Tilburg. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zijn verschillende inpassingsplannen opgesteld. Deze plannen hebben wel samenhang maar zijn onafhankelijk van elkaar leesbaar en hebben elk een eigen besluitvormingstraject doorlopen. Hoogspanningsstation Rilland Het eerste besluit voor het project betreft de ontwikkeling van het hoogspanningsstation in Rilland. De vaststelling van het inpassingsplan voor het hoogspanningsstation heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015. Dit inpassingsplan voorziet in de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation bij Rilland, waarbij is voorzien in een aansluiting op het (destijds) bestaande hoogspanningsnet. Dit plan is onherroepelijk. Hoogspanningsverbinding Zuid West 380 kV West De verbinding tussen het hoogspanningsstation in Borssele en Rilland is vastgelegd in een inpassingsplan dat is vastgesteld op 17 oktober 2018.
Dit inpassingsplan voorziet in de uitbreiding van het hoogspanningsstation bij Borssele, de realisatie van de nieuwe verbinding tussen Borssele en Rilland, het wegbestemmen van de bestaande 380 kV-verbinding door de Zak van Beveland en de aansluiting van de nieuwe verbinding op het nieuwe hoogspanningsstation in Rilland. Dit plan is onherroepelijk. Hoogspanningsstation Tilburg Voor het nieuwe hoogspanningsstation in Tilburg wordt een aparte procedure doorlopen. In een inpassingsplan wordt de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation bij Tilburg mogelijk gemaakt, inclusief de aansluiting van het station op het bestaande hoogspanningsnet. De procedure voor het inpassingsplan start in 2022. Hoogspanningsverbinding Zuid West 380 kV Oost Voor de verbinding tussen Rilland en Tilburg is het voorliggende inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan doorloopt zijn eigen procedure. Het inpassingsplan voorziet in de realisatie van de nieuwe verbinding tussen Rilland en Tilburg, alsmede in de aansluiting op het hoogspanningsstation in Rilland, de aanpassingen aan verschillende 150 kV-stations en 150 kV-verbindingen en de aansluiting op het nieuwe hoogspanningsstation in Tilburg.
Pagina 8 van 166
Met de vaststelling en het onherroepelijk worden van deze 4 verschillende inpassingsplannen is het hele project Zuid West 380 kV juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 1.3
Het tracé van Zuid-West 380 kV Oost Het inpassingsplan heeft betrekking op het nieuwe 380 kV-hoogspanningstracé tussen Rilland en Tilburg. Dit tracé loopt in hoofdlijnen van Rilland via Bergen op Zoom, Roosendaal, Oud Gastel, Standdaarbuiten, Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek, Hooge Zwaluwe, Geertruidenberg, Oosterhout en 's Gravenmoer naar Tilburg. In figuur 1.1 is de ligging van het nieuwe 380 kV-hoogspanningstracé weergegeven. In Hoofdstuk 4 wordt een uitgebreide beschrijving van het tracé gegeven. Een visualisatie en kaart van het tracé is tevens opgenomen in de Projectatlas. Deze zijn te raadplegen via: https://ten.projectatlas.app/zuid-west-380kV-oost.
Figuur 1.1 Ligging tracé (bron: TenneT) Naast het tracé van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding omvat het project:
de reconstructie van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding Geertruidenberg-Rilland nabij Oud Gastel en Standdaarbuiten, alsmede nabij Hooge Zwaluwe;
de reconstructie van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding Geertruidenberg-Eindhoven in de gemeente Loon op Zand;
de aansluiting van de 150 kV-hoogspanningsverbindingen op de 150 kVstations;
de aanpassing van de bestaande 150 kV-stations Zevenbergschen Hoek en Oosteind; Pagina 9 van 166
tijdelijke hoogspanningsverbindingen.
In Hoofdstuk 4 van deze toelichting zijn deze onderwerpen nader beschreven. Reconstructie: Het opnieuw aanleggen van een hoogspanningsverbinding. 1.4
Planvorm en vigerende bestemmingsplannen Het tracé ZW380 Oost loopt over het grondgebied van de gemeenten Reimerswaal, Woensdrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal, Halderberge, Moerdijk, Drimmelen, Geertruidenberg, Oosterhout, Dongen, Loon op Zand en Tilburg. De geldende bestemmingsplannen en beheersverordening voorzien niet in de mogelijkheid van de realisatie van de hoogspanningsverbinding Rilland-Tilburg. Daarom is voorliggend inpassingsplan opgesteld, zodat het initiatief is voorzien van een goede juridischplanologische regeling. Zie ook Hoofdstuk 7 van deze toelichting. Met dit plan wordt door het toevoegen van een dubbelbestemming aan de bestemmingen in de geldende bestemmingsplannen en beheersverordening de nieuwe verbinding mogelijk gemaakt. De verbinding wordt mogelijk gemaakt door middel van een dubbelbestemming waarin een bovengrondse 380 kV-verbinding mogelijk is dan wel een gecombineerde bovengrondse 380/150 kV-verbinding. Op het gedeelte van de verbinding tussen knooppunt Markiezaat en buurtschap Zoomvliet wordt de nieuwe 380 kV-verbinding als ondergrondse 380 kV-verbinding aangelegd en als zodanig bestemd. Combineren: Over een groot deel van de verbinding hebben de 380 kV-verbinding en de 150 kV-verbinding hetzelfde tracé. Deze verbindingen worden dan gecombineerd.
Dat betekent dat de geleiders van de nieuwe 380 kV- en de bestaande 150 kV-verbindingen in één mast worden gehangen. Voorts zijn in het plan nieuwe ondergrondse 150 kV-verbindingen opgenomen die vanaf de gecombineerde 380/150 kV-verbinding de bestaande 150 kV-stations aansluiten, of om een ondergrondse 150 kV-verbinding te maken tussen twee hoogspanningsstations. Daarnaast is op een aantal locaties met een enkelbestemming een nieuwe functie mogelijk gemaakt die de bestaande bestemming ter plaatse 'vervangt' of wijzigt. Deze enkelbestemming is bijvoorbeeld opgenomen ter plaatse van (de uitbreiding van) het 150 kV-station Zevenbergschen Hoek, de uitbreiding van het 150 kVstation Oosteind, en ter plaatse van de nieuwe 380 kV-, 380/150 kV- en 150 kVopstijgpunten. Het plan voorziet eveneens in tijdelijke verbindingen voor de aanlegfase. Voor de gebruiksfase voorziet het plan verder in de mogelijkheid en verplichting om Pagina 10 van 166
maatregelen te nemen ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de verbinding en compensatie voor de doorsnijding van Natuurnetwerk Nederland. Ten slotte voorziet het plan ook in een aanduiding voor het verwijderen van bestaande dubbelbestemmingen voor de te verwijderen verbindingen. Zie voor een nadere toelichting op de bestemmingen Hoofdstuk 7. Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van het inpassingsplan gelden momenteel de onderstaande bestemmingsplannen, inpassingsplan en beheersverordening:
Pagina 11 van 166
gemeente
bestemmingsplan/beheersverordening
vastgesteld
Reimerswaal
Buitengebied 2019
17 december 2019
Inpassingsplan Hoogspanningsstation Rilland
9 oktober 2015
Woensdrecht
Buitengebied 2019
23 januari 2019
Bergen op Zoom
Buitengebied Zuid
16 juli 2015
Buitengebied Oost
14 februari 2019
Buitenplaats Bergen op Zoom
28 februari 2018
Buitengebied Wouw
21 augustus 2012
Buitengebied Roosendaal Nispen
2 november 2016
Borchwerf I
3 oktober 2012
Borchwerf II veld C en F
29 oktober 2012
Borchwerf II
20 juni 2013
Eerste herziening Buitengebied Halderberge
14 december 2017
Borchwerf II
20 juni 2013
Herziening Buitengebied Halderberge
22 september 2011
Buitengebied Moerdijk
1 maart 2018
Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk
18 januari 2018
Golfbaan Moerdijk
25 januari 2012
Stationsgebied Lage Zwaluwe
22 september 2005
Inpassingsplan Windenergie A16 (partiële herziening)
13 september 2019
Buitengebied, Veegplan 1
1 februari 2018
Hoge Zwaluwe
28 januari 2018
Gasthuiswaard
26 mei 2015
Buitengebied
28 september 2016
Oosterhout
Buitengebied
28 augustus 2014
Dongen
Buitengebied
5 juli 2018
's-Gravenmoer Dorp
5 juli 2018
Waalwijk
Buitengebied
9 december 2010
Loon op Zand
Buitengebied
29 december 2016
Wereld van de Efteling
19 september 2019
Lobelia-Spinder-Rugdijk
10 september 2013
Bedrijventerrein Spinder
29 augustus 2017
De Zandleij 2012
19 juni 2014
Roosendaal
Halderberge
Moerdijk
Drimmelen
Geertruidenberg
Tilburg
Daarnaast geldt voor de aanpassing van de A27 bij Geertruidenberg een tracébesluit.
Pagina 12 van 166
1.5
Het inpassingsplan en de Rijkscoördinatieregeling Inpassingsplan en andere besluiten Het inpassingsplan is het besluit waarin het tracé van de 380 kV-verbinding planologisch wordt vastgelegd. Dat het besluit over de ruimtelijke inpassing van nieuwe hoogspanningsverbindingen wordt genomen in één of meerdere inpassingsplannen, volgt uit artikel 20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998. Een inpassingsplan is vergelijkbaar met een bestemmingsplan. Het inpassingsplan maakt na vaststelling deel uit van het onderliggende bestemmingsplan. In het inpassingsplan wordt in elk geval het tracé bepaald. Daarnaast kunnen er randvoorwaarden voor de uitvoering worden opgenomen. Zowel voor de aanleg, als voor de instandhouding van de hoogspanningsverbinding, zijn uitvoeringsbesluiten (vergunningen, ontheffingen en dergelijke) vereist, die worden verleend door Rijk, provincie, gemeenten en andere overheden. Alle gekoppelde uitvoeringsbesluiten staan hierna in de tabel beschreven. In artikel 20a, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat voor de besluitvorming over uitbreidingen van het landelijk hoogspanningsnet niet alleen een inpassingsplan wordt vastgesteld (de planologische module) maar ook de uitvoeringsmodule van de Rijkscoördinatieregeling wordt gebruikt.
Dat betekent dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK), samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) het inpassingsplan vaststelt en als coördinerend Minister, de besluitvorming coördineert en onder meer de beslistermijnen bepaalt. De verschillende bevoegde bestuursorganen blijven verantwoordelijk voor het nemen van hun besluiten en de inhoud daarvan. Bij toepassing van de Rijkscoördinatieregeling wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Dat betekent dat eerst (voor de te coördineren besluiten) een ontwerp wordt opgesteld en ter inzage wordt gelegd, waarop een ieder zienswijzen kan indienen. De ingediende zienswijzen worden in de Nota van Antwoord Zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. Daar waar nodig en mogelijk wordt het inpassingsplan gewijzigd ten opzichte van het ontwerp inpassingsplan. Hetzelfde geldt voor de uitvoeringsbesluiten. Daarna worden de besluiten vastgesteld en kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS). Gelet op de aard en omvang van het tracé zullen er meerdere modules worden doorlopen. Het besluit over het Inpassingsplan zal als eerste worden genomen.
In een tweede module komen de uitvoeringsbesluiten (zoals de Omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, de Watervergunning en Wbr-vergunning) aan de orde.
Pagina 13 van 166
In de volgende tabel staan de gekoppelde uitvoeringsbesluiten beschreven. nr.
bevoegd gezag
1.
Ministerie van Landbouw, Natuur Vergunning Wet Natuurbescherming
2. 3. 4.
vergunning
en Voedselkwaliteit (LNV)
(effecten op Natura 2000-gebieden)
Ministerie van Economische
Ontheffing Wet Natuurbescherming
Zaken en Klimaat (EZK)
(verstoren van beschermde soorten)
Ministerie van Infrastructuur en
Vergunning Wet Beheer
Waterstaat (RWS)
Rijkswaterstaatswerken (Wbr)
Ministerie van Infrastructuur en
Vergunning Spoorwegwet
Waterstaat (ProRail) 7.
Gemeente Reimerswaal
Omgevingsvergunning
8.
Gemeente Woensdrecht
Omgevingsvergunning
9.
Gemeente Bergen op Zoom
Omgevingsvergunning
10.
Gemeente Roosendaal
Omgevingsvergunning
11.
Gemeente Halderberge
Omgevingsvergunning
12.
Gemeente Moerdijk
Omgevingsvergunning
13.
Gemeente Drimmelen
Omgevingsvergunning
14.
Gemeente Geertruidenberg
Omgevingsvergunning
15.
Gemeente Oosterhout
Omgevingsvergunning
16.
Gemeente Dongen
Omgevingsvergunning
17.
Gemeente Waalwijk
Omgevingsvergunning
18.
Gemeente Loon op Zand
Omgevingsvergunning
19.
Gemeente Tilburg
Omgevingsvergunning
20.
Waterschap Scheldestromen
Watervergunning
21.
Waterschap Brabantse Delta
Watervergunning
22.
Waterschap De Dommel
Watervergunning
Procedure milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage dient om de milieueffecten van een voorgenomen besluit in beeld te brengen zodat het milieu een volwaardige rol kan spelen in de besluitvorming. 'Milieueffecten' zijn daarbij effecten op zowel de mens (veiligheid, gezondheid, hinder) als de leefomgeving (bodem en water, natuur, landschap en archeologie). De resultaten van het onderzoek worden neergelegd in een milieueffectrapport (MER). Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) bepaalt voor welke activiteiten en welke plannen en besluiten een MER moet worden opgesteld (zie verder ook paragraaf 5.5). Het opstellen van een MER is verplicht voor een besluit over een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 220 kV of meer en een lengte van meer dan 15 km.
Pagina 14 van 166
Voor ZW380 is in de Startnotitie (mei 2009) en de Richtlijnen (augustus 2009) uitgegaan van één MER en één inpassingsplan voor het gehele tracé van Borssele naar de ring bij Tilburg. De toenmalige ministers van EZ en IenM hebben op 6 mei 2014 (kenmerk: DGETM-EM/14075100) te kennen gegeven dat er twee inpassingsplannen worden gemaakt: één voor het tracédeel Borssele-Rilland (ZW380 West) en één voor het tracédeel Rilland-Tilburg (ZW380 Oost). Tussen de twee tracédelen is (inmiddels) het nieuwe 380 kV-station Rilland gebouwd. Doordat de planologische besluitvorming voor ZW380 gesplitst is, is ook het MER in twee delen gesplitst. Voor ZW380 Oost is derhalve een apart MER opgesteld. Daarbij zijn de uitgangspunten uit de Startnotitie gehandhaafd opdat de onderlinge samenhang tussen ZW380 West en ZW380 Oost bewaard is gebleven. Op die wijze is voldaan aan de doelstelling van de m.e.r.-procedure en wordt in het MER voor ZW380 Oost voldoende milieu-informatie geboden om een besluit over het tracédeel Rilland-Tilburg te kunnen nemen. Crisis- en herstelwet Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet, die aanvankelijk tijdelijk was, heeft vanaf 25 april 2013 een permanent karakter gekregen.
Doel van de wet is onder meer versnelling van projecten in het ruimtelijke domein, de economische crisis en haar gevolgen te bestrijden en een goed en duurzaam herstel van de economische structuur van Nederland te bevorderen. Op basis van artikel 1.1, eerste lid, onder a, in samenhang met Bijlage I, onderdeel 2.1 Chw is bij een inpassingsplan afdeling 2 van die wet van toepassing. Als gevolg van de toepasselijkheid van de Chw gelden de onderstaande procedurele voorwaarden:
gemeenten en andere niet tot de centrale overheid behorende overheden kunnen geen beroep instellen tegen het inpassingsplan, indien het inpassingsplan niet tot hen is gericht;
de ABRvS doet binnen 6 maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak. Ook is de beroepsprocedure verder gestroomlijnd (geen pro forma beroep mogelijk).
Als gevolg van de toepasselijkheid van de Chw gelden de onderstaande procedurele voorwaarden:
gemeenten en andere niet tot de centrale overheid behorende overheden kunnen geen beroep instellen tegen het inpassingsplan;
Pagina 15 van 166
het beroepsschrift dient meteen de gronden van beroep te bevatten (het indienen van een pro forma beroepschrift is niet mogelijk en leidt tot nietontvankelijkheid van het beroep) en de ABRvS doet binnen 6 maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak.
1.6
Leeswijzer Het voorliggende inpassingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) en regels. De bestemmingen zijn geometrisch bepaald en worden digitaal verbeeld en vastgesteld. De bestemmingen gaan vergezeld van regels ten aanzien van bouwen en het gebruik. Deze regels bepalen de randvoorwaarden waarbinnen de verbinding kan worden aangelegd en gebruikt. De toelichting dient als onderbouwing van het plan en kent geen rechtstreeks bindende werking. In de toelichting komen de elementen terug zoals vereist op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 de nut en noodzaak van de nieuwe verbinding. In Hoofdstuk 3 wordt vervolgens het proces van de totstandkoming van het tracé beschreven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op de tracébeschrijving. Hoofdstuk 5 bevat informatie over het Rijksbeleid en provinciaal beleid. Het toetsingskader voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan en de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd, zijn beschreven in Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de juridische toelichting op de verbeelding en de regels. Hoofdstuk 8 gaat nader in op de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. Ten slotte staan in Hoofdstuk 9 een beschrijving van het artikel 3.1.1 Bro-overleg en van de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Pagina 16 van 166
2
Nut en noodzaak nieuwe hoogspanningsverbinding
2.1
Ontwikkelingen in de energiesector De energiesector is sterk in beweging. De vraag naar elektriciteit neemt toe. De Europese elektriciteitsmarkt raakt steeds meer geïntegreerd, waardoor steeds meer sprake is van één markt, en er vindt meer grensoverschrijdend elektriciteitstransport plaats. De transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen zoals wind- en zonne-energie is in volle gang. Lokaal opgewekte energie vervangt een deel van de vraag naar centraal opgewekte energie. Steeds meer consumenten worden ook producent. Omdat het aanbod van elektriciteit uit wind en zon niet constant is, moet altijd een bepaalde hoeveelheid conventioneel opgewekte elektriciteit beschikbaar zijn om de gewenste leveringszekerheid te kunnen garanderen. Traditionele spelers in de energiemarkt passen zich op deze ontwikkelingen aan en krijgen in toenemende mate een centrale 'achtervang-functie'. Zij leveren elektriciteit voor het geval onvoldoende elektriciteit kan worden geleverd via hernieuwbare bronnen. Om de gewenste leveringszekerheid te realiseren, moet er niet alleen voldoende elektriciteit worden geproduceerd. Er moeten ook betrouwbare transportnetten met voldoende capaciteit aanwezig zijn, die de fluctuaties kunnen opvangen die optreden door variabele elektriciteitsopwekking.
De landelijke infrastructuur van elektriciteitsnetten faciliteert hiermee de energietransitie en waarborgt de leveringszekerheid.
2.2
Landelijke 380 kV-ring in Nederland Nederland beschikt over één van de meest betrouwbare landelijke elektriciteitsnetten ter wereld met een zeer hoge leveringszekerheid. TenneT is op grond van de Elektriciteitswet 1998 beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. TenneT heeft de wettelijke taak om het landelijk hoogspanningsnetwerk in werking te hebben, te beheren, te onderhouden en de veiligheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Ook is TenneT verantwoordelijk voor het herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het netwerk.
Pagina 17 van 166
Grootschalige energieopwekking op basis van fossiele brandstoffen vindt in Nederland vooral langs de kust plaats. Hier kunnen brandstoffen makkelijker worden aangevoerd en is voldoende koelwater beschikbaar. De locaties in Nederland waar elektriciteit feitelijk wordt opgewekt liggen relatief ver van de verbruikerscentra af. Daarom heeft TenneT een netconcept ontwikkeld met een landelijke ring van 380 kV-verbindingen in de nabijheid van de verbruikers in het midden en westen van Nederland en directe verbindingen van locaties van de elektriciteitsproductie naar de verbruikers of de landelijke 380 kV-ring. De ringstructuur maakt het mogelijk dat bij een storing bijna heel Nederland stroom kan blijven ontvangen. In figuur 2.1 is de ligging van de landelijke ring weergegeven.
Figuur 2.1 Ligging landelijke 380 kV-ring (Bron: TenneT) Dit netconcept kan flexibel inspelen op de belasting van het net, de decentrale opwekking van energie, de ontwikkelingen van windenergie op zee en internationale uitwisseling over land en over zee. 2.3
Energieproductie in Zeeland In Zeeland wordt meer energie geproduceerd dan wordt verbruikt. Er zijn twee nieuwe offshore windparken (Borssele Alpha en Beta) in gebruik genomen. Ook op land wordt windenergie geproduceerd. Daarnaast zullen de warmtekrachtcentrale in Terneuzen, de gascentrale SLOE en de kerncentrale Borssele nog voor langere tijd in Zeeland aanwezig zijn.
Pagina 18 van 166
Op basis hiervan is de hoeveelheid elektriciteit berekend die getransporteerd moet worden door de omvang van de productie te verminderen met de elektriciteit die lokaal in Zeeland wordt afgenomen. Tabel 2.1 geeft hiervan het overzicht. Tabel 2.1 Hoeveelheid te transporteren elektriciteit in 2020, in megawatt 2020
2030
Wind op Zee
1400
1400
Duurzame opwekking op Land
790
2360
Warmtekrachtcentrale Terneuzen
440
440
SLOE-centrale
860
860
Kerncentrale Borssele
490
490
Maximale verbruik Zeeland
-820
-1200
Totaal te transporteren
3160
4350
Tabel 2.1 laat zien dat er in de provincie Zeeland aanmerkelijk meer elektriciteit wordt geproduceerd dan wordt verbruikt. Het overschot moet via het 380 kV-net naar het achterland worden afgevoerd. De transportbehoefte neemt nog verder met 2000 megawatt toe wanneer rond 2028 de helft van het Offshore windpark IJmuiden Ver op het 380 kV-net in Zeeland wordt aangesloten. De minister van EZK heeft op 25 november 2020 gekozen voor een voorkeursalternatief voor het Net op Zee IJmuiden Ver naar Borssele (kenmerk: DGKE-WO/20250327). 2.4
Knelpunten in het transport naar het achterland Het hoogspanningsnetwerk vanuit Borssele wordt benut voor transport van de in Zeeland geproduceerde energie naar het achterland. Berekeningen laten zien dat er vanaf 2020 een knelpunt ontstaat, omdat de bestaande 380 kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg overbelast kan raken. Dit knelpunt ontstaat sinds het moment dat Wind op Zee in 2020 in bedrijf is gekomen. Het knelpunt wordt versterkt door duurzame opwekking op land, omdat de transportcapaciteit in het 150 kV-net van Zeeland naar Brabant ontoereikend is en de energie daarom naar het 380 kV-net wordt geleid. Met de realisatie van Zuid-West 380 kV-West is het knelpunt in het deel van het hoogspanningsnet tussen Borssele en Rilland opgelost. Het knelpunt op de 380 kVverbinding tussen Rilland en Geertruidenberg blijft echter bestaan. Op dit traject moet bij het uitvoeren van onderhoud aan één van de 380 kV-circuits van de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg – conform de wet – rekening worden gehouden met uitval van het andere circuit. Wanneer dit gebeurt, is het 150 kV-net tussen Zeeland en Brabant niet in staat de opgewekte elektriciteit af te voeren: het raakt overbelast. Op dat moment komt de gewenste leveringszekerheid, Pagina 19 van 166
zoals beschreven in de Elektriciteitswet 1998, in gevaar. De mate van overbelasting is afhankelijk van de totale hoeveelheid energie die wordt opgewekt in Zeeland, het lokale verbruik in Zeeland en de import /export met België. De omvang van het knelpunt neemt de komende jaren nog toe als gevolg van de voorziene groei van duurzame opwekking in Zeeland. Internationale afspraken staan niet toe dat het knelpunt op het buitenland mag worden afgewenteld. Er ontstaat ook ernstige overbelasting ingeval er sprake is van import vanuit België. Onderhoud kan dan alleen worden uitgevoerd met omvangrijke beperking van de productie in Zeeland. Het stilleggen van de energieproductie in Zeeland brengt echter hoge maatschappelijke kosten met zich mee. 2.5
Oplossing Het knelpunt kan worden opgelost door de transportcapaciteit in het 380 kVhoogspanningsnetwerk uit te breiden. In de provincie Zeeland is daarom gewerkt aan:
aanpassingen van het 380 kV-station Borssele;
een nieuw 380 kV-station Rilland.
Deze projecten zijn al gerealiseerd. Inmiddels is ook gestart met de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Rilland (ZW 380 West). Vanaf het nieuwe 380 kV-station Rilland moet de energie naar de landelijke ring getransporteerd worden. Er is bezien of de toepassing van een ander type geleider in de bestaande masten de transportcapaciteit van de bestaande verbinding Rilland-Geertruidenberg kan verhogen. Dit is het geval zolang er sprake is van export naar België, maar niet als er sprake is van import uit België. Ook het combineren van onderhoudswerkzaamheden aan het net met onderhoud aan een productie-eenheid biedt geen oplossing voor het knelpunt. De productie zou in zo'n geval tot circa een derde van de capaciteit beperkt moeten worden om de werkzaamheden aan de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg uit te kunnen voeren. Dit is economisch niet verantwoord vanuit het oogpunt van de producenten. Ook is onderzocht of de verhoging van de transportcapaciteit in het 150 kV-net van Zeeland en Brabant een oplossing kan bieden voor de tijdelijke transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg. Het bestaande 150 kV-net in Brabant is echter 'vol' als gevolg van de productie in Borssele, Moerdijk en Geertruidenberg.
De in dit gebied gelegen 150 kVverbindingen bieden geen mogelijkheden meer voor verhoging van de transportcapaciteit. Uitbreiding van het 150 kV-net in Zeeland en Brabant is geen toekomst-vaste oplossing, omdat de transportcapaciteit van een 380 kV-verbinding Pagina 20 van 166
tot 8 keer hoger is dan die van een 150 kV-verbinding, waarmee in één keer op een efficiënte wijze de transportcapaciteit toekomst-vast wordt verhoogd. Het is daarom noodzakelijk een nieuwe verbinding te realiseren om het overschot van de in Zeeland geproduceerde elektriciteit naar de landelijke 380 kV-ring te kunnen transporteren. Onderzocht is of aansluiting op de landelijke ring kan plaatsvinden bij het bestaande 380 kV-station in Geertruidenberg dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Dit brengt echter een aantal nadelen met zich mee. Er ontstaat een overschrijding van de kortsluitvastheid* van de installatie op het station. Ook ontstaat met deze oplossing een té grote afhankelijkheid van het 380 kV-station Geertruidenberg voor de Zeeuwse elektriciteitsvoorziening. Aansluiten op de landelijke ring bij het 380 kV-station Geertruidenberg is daarom geen realistische optie. *) De kortsluitvastheid van een component of samenstel van componenten (aanwezig in een hoogspanningsstation) bepaalt de maximaal toelaatbare kortsluitstroom en is van invloed op het maximaal vermogen dat op een hoogspanningsstation mag worden aangesloten. Een kortsluitstroom ontstaat bij een fout in het net en geeft blijvende schade als de componenten hier niet tegen bestand zijn.
Daarom wordt de elektriciteit getransporteerd naar het nieuw te bouwen 380 kVstation bij Tilburg, dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Hiermee wordt een betere geografische spreiding gerealiseerd van de twee 380 kV-verbindingen naar Borssele treedt er geen overschrijding van de kortsluitvastheid van het 380 kVstation in Geertruidenberg op. De ene verbinding betreft de huidige verbinding van Geertruidenberg – via 380 kVstation Rilland – naar Borssele. De andere verbinding betreft de nieuwe 380 kVverbinding van Tilburg – via 380 kV-station Rilland – naar Borssele. Waarbij voorliggend Inpassingsplan ziet op het gedeelte van de nieuwe 380 kV-verbinding tussen 380 kV-station Rilland en het (nieuwe) 380 kV-station bij Tilburg. Dit biedt een toekomst-vaste oplossing voor de transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg. Met de aansluiting op de landelijke ring bij Tilburg worden de geconstateerde knelpunten in het Brabantse 150 kV-net opgelost en worden investeringen in extra verbindingen in het 150 kVnet voorkomen. Tilburg is een geschikte locatie voor deze koppeling vanwege de ontwikkeling van de elektriciteitsvraag in dit gebied, vanwege de centrale ligging tussen Eindhoven en Geertruidenberg en omdat het 150 kV-net en het 380 kV-net hier dicht bij elkaar liggen. Pagina 21 van 166
3
Proces en totstandkoming tracé
3.1
Inleiding Het project ZW380 Oost kent een lange geschiedenis. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de verschillende stappen die zijn gezet in het proces van de totstandkoming van het tracé. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk is het proces nader beschreven. mei 2009
voornemen ministers nieuwe verbinding BorseleTilburg
najaar 2009
ontwerp eerste tracé-alternatieven
maart 2011
keuze Voorkeursalternatief door minister (VKA) 2011
2012-2014
technische uitwerking VKA 2011
mei 2014
splitsing Zuid-West 380 kV West (Zeeland) en ZuidWest 380 kV Oost (Brabant)
augustus 2014
heroverweging minister VKA 2011
februari 2015
verzoek minister aan regio voor alternatieven
augustus 2015
aanbieding alternatieven van Samenwerkende Overheden, instanties en bewoners(groepen) in de regio
2016-2017
uitwerking en onderzoek tracévarianten en alternatieven
maart 2017
presentatie geactualiseerde varianten (Paars, Blauw, Rood en Geel) en MMA 2017
mei 2017
advies Samenwerkende Overheden over varianten en Voorgenomen Tracé
juli 2017
vaststelling Voorgenomen Tracé door minister
september 2017
voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (een voorbereidingsbesluit wordt genomen voor een periode van 1 jaar, in het kader van het project is elk jaar een verlenging van dit voorbereidingsbesluit genomen)
december 2017-april 2019
uitwerking Voorgenomen Tracé in uitwerkingsgebieden
juni 2019
advies Samenwerkende Overheden over uitwerkingsgebieden
september 2019
Tracékeuze door minister
februari 2020
besluit over masttype en extra verkabeling Bergen op Zoom
februari 2021
besluit tracéwijziging Bosroute
Pagina 22 van 166
3.2
Voorgeschiedenis Het project is gestart in 2009. In mei 2009 hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het voornemen om een nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Tilburg aan te leggen bekend gemaakt door een Startnotitie voor de milieueffectrapportage te publiceren. De toenmalige ministers hebben voor het opstellen van de richtlijnen advies gevraagd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. Dit advies voor richtlijnen voor het milieueffectrapport is op 16 juli 2009 uitgebracht. De toenmalige ministers hebben het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage integraal overgenomen in de Richtlijnen voor het milieueffectrapport van augustus 2009. Aanvullend daarbij hebben de toenmalige ministers aangegeven dat, voor alle onderwerpen die niet in het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn genoemd, de in de Startnotitie voorgestelde aanpak als richtlijn voor het milieueffectrapport geldt.
3.3
Ontwerp van de alternatieven In de Startnotitie is een zoekgebied afgebakend waarbinnen alle tracés voor de nieuwe verbinding moeten liggen. Het tracé ligt tussen Rilland en Tilburg*. Het zoekgebied is bepaald door:
bestaande en toekomstige belemmeringen voor de nieuwe hoogspanningsverbinding (waaronder bijvoorbeeld woonkernen en bos- en natuurgebieden die voor een tracé minder gunstig zijn);
kansen voor bundeling van de nieuwe 380 kV-verbinding met de aanwezige 150 kV-verbindingen; en
mogelijkheden voor de combinatie met bestaande hoogspanningsverbindingen en hoofdinfrastructuur (wegen en spoorwegen).
Met behulp van deze informatie is het gebied bepaald waarin de nieuwe hoogspanningsverbinding met zo min mogelijk complicaties en milieugevolgen kan worden gerealiseerd. Dit heeft geleid tot een gebied ten noorden van de Brabantse stedenrij. In dit gebied liggen weinig knelpunten en zijn kansen aanwezig om tracés te bundelen.
Pagina 23 van 166
*) In SEV III was Geertruidenberg als mogelijk eindpunt van de nieuwe 380 kVverbinding vastgelegd. Bij aanvang van de voorbereiding van ZWO380 zijn enkele oplossingen beschouwd voor de genoemde knelpunten. Daarbij is uit de analyse naar voren gekomen dat het overschot aan productie in Zeeland naar de landelijke 380 kV-ring moet worden getransporteerd. Aansluiting op de landelijke ring kan plaatsvinden bij het bestaande 380 kV-station Geertruidenberg of bij een nieuw aan te leggen station Tilburg; beide stations zullen onderdeel zijn van de landelijke 380 kV-ring . Aansluiting op het 380 kV-station Geertruidenberg veroorzaakt echter een overschrijding van de kortsluitvastheid van de installatie aldaar. Tevens ontstaat met deze oplossing een te grote afhankelijkheid van het 380 kV-station Geertruidenberg. Aansluiten op 380 kV-station Geertruidenberg is daarom geen realistische optie. Aansluiten op de landelijke hoogspanningsring bij Tilburg door de bouw van een nieuw 380 kV-station voldoet wel. Een nieuwe koppeling op de landelijke 380 kV-ring ter hoogte van Tilburg zorgt voor een betere geografische spreiding van de twee 380 kV-verbindingen naar Borssele en er treedt geen overschrijding van de korsluitvastheid van de installatie op.
Met de aansluiting op de landelijke ring bij Tilburg worden daarnaast de geconstateerde knelpunten in het Brabantse 150 kV-net opgelost en worden investeringen in extra verbindingen in het 150 kV-net voorkomen.
Bundelen: Waar mogelijk wordt het tracé van de nieuwe, grotendeels gecombineerde verbinding gebundeld met andere bestaande hoogspanningsverbindingen en bovenregionale hoofdinfrastructuur, zoals wegen en spoorwegen. Binnen het zoekgebied zijn in het najaar 2009 diverse tracé-alternatieven getekend. Deze tracé-alternatieven zijn opgenomen in de notitie 'Tracé-alternatieven ten behoeve van het milieuonderzoek'. Hierbij is rekening gehouden met de richtlijnen die voor de tracering zijn opgenomen in de Startnotitie en Richtlijnen, het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (inmiddels opgegaan in de NOVI), het ruimtelijk beleid en de technische vereisten. Op basis hiervan zijn de volgende ontwerpprincipes geformuleerd:
nieuwe doorsnijdingen van het landschap moeten zoveel mogelijk voorkomen worden;
indien mogelijk en zinvol, moeten nieuwe verbindingen zoveel mogelijk gecombineerd worden met bestaande hoogspanningsverbindingen;
indien combineren met een bestaande verbinding niet kan, en indien mogelijk en zinvol, moeten nieuwe hoogspanningsverbindingen gebundeld worden met al bestaande hoogspanningsverbindingen of met infrastructuur (wegen of spoorwegen);
Pagina 24 van 166
in principe moet voorkomen worden dat woningen in de magneetveldzone komen te liggen (voorzorgsbeginsel van het (voormalig) Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu).
3.4
Voorkeursalternatief 2011 Op basis van deze traceringsprincipes zijn zes tracéalternatieven voor een nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Tilburg ontworpen en zijn de milieueffecten onderzocht. In 2010 is op basis hiervan een meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) bepaald. Vervolgens hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Infrastructuur en Milieu eind maart 2011 een besluit genomen over het tracé van de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Tilburg (Voorkeursalternatief 2011 (VKA 2011), vastgelegd in een brief van 31 maart 2011, kenmerk ETM/EM/11011048). Het MMA is in 2011 een belangrijk uitgangspunt geweest bij de tracékeuze. Bij de uiteindelijke keuze zijn de zes tracé-alternatieven vergeleken op basis van een aantal criteria. Naast de milieueffecten zijn ook andere aspecten meegewogen, zoals leveringszekerheid, (net)techniek, uitvoeringswijze en kosten. Ook zijn de opvattingen van regionale bestuurders en belangenorganisaties van bijvoorbeeld landbouw, natuur en milieu bij de keuze van het voorgenomen tracé betrokken. In 2011 is daarnaast als uitgangspunt benoemd dat de nieuwe verbinding tussen Borssele en Tilburg uitgevoerd zou worden met het nieuwe Wintrack-masttype (Notitie 'Nieuwe hoogspanningsverbinding van Borssele naar Tilburg; Voorgenomen tracé van april 2011').
3.5
Discussie over de alternatieven Het VKA 2011 is in de periode 2012-2014 ruimtelijk en technisch uitgewerkt. In het VKA 2011 werd de nieuwe 380 kV-verbinding op een aantal locaties gecombineerd met een bestaande 380 kV-verbinding. Dit houdt in dat de bestaande 380 kVverbinding en de nieuwe 380 kV-verbinding in één mast gehangen zouden worden. Op de betreffende locaties hingen er derhalve 4 circuits van 380 kV in één mast. De achtergrond hierbij was het uitgangspunt dat nieuwe doorsnijdingen zoveel als mogelijk moesten worden voorkomen door, waar mogelijk en zinvol, de nieuwe 380 kV-verbinding te combineren met de bestaande 380 kV-verbinding(en). In 2013 heeft KEMA onderzoek naar de stabiliteit voor het hoogspanningsnet uitgevoerd. Dit heeft geleid tot het rapport Systeemtechnische consequenties toepassing 4-circuit Wintrack in het EHS-net van 24 januari 2014. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Tilburg, en dan met name voor het tracédeel tussen Rilland en Tilburg, een combinatie van twee 380 kV-verbindingen in één mast niet realistisch is.
Pagina 25 van 166
De verbinding tussen Rilland en Tilburg is de netschakel tussen de grensoverschrijdende verbinding naar België en de nationale 380 kV-ringstructuur, waarin het nieuw te bouwen 380 kV-station Tilburg zal worden opgenomen. De nieuwe verbinding vormt na realisering onderdeel van het Europese elektriciteitsnet. Het toepassen van vier circuits 380 kV in één mast zou in dit geval leiden tot (te) grote (net)technische risico's. Naar aanleiding van het onderzoek van KEMA en de notitie van TenneT hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu in augustus 2014 geconcludeerd dat het VKA 2011 niet kon worden gehandhaafd. Zij kozen daarom tussen Roosendaal en Tilburg voor een zuidelijker tracé. Dit tracé liep over de Brabantse Wal naar Roosendaal-Borchwerf II en via Breda naar Tilburg. Dit zuidelijke tracé sluit aan bij een eerder als alternatief C150n opgenomen tracéalternatief uit de notitie Tracé-alternatieven ten behoeve van het milieuonderzoek uit december 2009. In 2014 werd ook duidelijk dat in verband met de gewenste vergroting van de interconnectiecapaciteit tussen België en Nederland de noodzaak ontstond om bij Rilland een nieuw 380 kV-hoogspanningsstation te realiseren.
Met het nieuwe station Rilland werd tevens een onderhoudsknelpunt op de 380 kV-verbindingen Borssele-Zandvliet, Borssele-Geertruidenberg en Zandvliet-Geertruidenberg verminderd. En door de bouw van station Rilland ontstaat eveneens de mogelijkheid om de verbinding tussen Borssele en Tilburg nettechnisch te verdelen in een deel BorsseleRilland en een deel Rilland-Tilburg. Door deze splitsing kon de planvorming voor Borssele-Rilland los van de problematiek op het tracégedeelte Rilland-Tilburg met de juiste urgentie worden doorlopen. De 380 kV-verbinding tussen Borssele en Rilland en het 380 kV-station Rilland zijn inmiddels separaat vastgelegd in het Inpassingsplan Zuid-West 380 kV-West (NL.IMRO.0000.EZip15ZW380west-3002 en NL.IMRO.0000.EZip14StatRilland-3000). Hett hoogspanningsstation Rilland leidt tot een nettechnische knip in de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar de landelijke ring bij Tilburg, met twee zelfstandig functionerende netdelen. Hierdoor kunnen het Zeeuwse tracédeel tussen Borssele en Rilland en het Brabantse tracédeel tussen Rilland en Tilburg los van elkaar worden aangelegd. Dit heeft er toe geleid dat de toenmalige ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu in mei 2014 hebben besloten het project ZW380 op te splitsen in ZW380 West (het Zeeuwse gedeelte) en ZW380 Oost (het Brabantse gedeelte) (brief d.d.
6 mei 2014, met kenmerk DGETM-EM/14075100). Pagina 26 van 166
3.6
Actualisatie van de alternatieven De keuze van de ministers van EZ en I&M in 2014 om niet langer uit te gaan van een noordelijk tracé maar van een zuidelijk tracé, leidde tot de nodige onduidelijkheid en zorgen in delen van West- en Midden-Brabant. De minister van Economische Zaken heeft de regio daarom in februari 2015 uitgenodigd om met alternatieven te komen voor het tracé van ZW380 Oost tussen Roosendaal en Tilburg. Van verschillende zijden is van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. In opdracht van de minister heeft onderzoeksinstituut Deltares in de zomer van 2015 de door de regio aangedragen alternatieven globaal beoordeeld op verschillende milieuaspecten om te kunnen beslissen of er één of meerdere alternatieven toegevoegd konden worden aan het MER voor ZW380 Oost (Deltares, Alternatieven ZW380 kV, Advies over de inpassing in de m.e.r.-procedure, kenmerk 1205876019). In haar rapport van augustus 2015 concludeert Deltares dat de meeste ingediende alternatieven meegenomen kunnen worden in de milieueffectrapportage en in de verdere uitwerking van een (nieuw) Voorkeursalternatief, met uitzondering van drie onderdelen van de voorgestelde alternatieven/varianten*). *) Drie onderdelen van de ingediende voorstellen werden beschouwd als buiten de scope van de betreffende m.e.r.-procedure, omdat ze niet gekoppeld zijn aan de oplossing van een knelpunt in het voorgestelde tracé.
Er is binnen het project Zuid-West 380 kV Oost geen noodzaak om de drie voorstellen uit te voeren. Het ging hierbij om: - een volledige reconstructie van de bestaande 380 kV-verbinding GeertruidenbergTilburg; - de verkabeling van het in Breda gelegen gedeelte van de 150 kV-verbinding Roosendaal-Breda; en - het amoveren/verkabelen van de bestaande 150 kV-verbinding BredaGeertruidenberg. NB: De verkabeling in Breda is/wordt wel separaat opgepakt. Dit valt echter buiten de scope van het project Zuid-West 380 kV Oost.
Verkabelen: Het middels ondergrondse kabels aanleggen van een hoogspanningsverbinding. Amoveren: Het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding, omdat deze wordt gecombineerd met de nieuwe 380 kV-verbinding . Het advies van Deltares en de daarin beoordeelde alternatieven zijn als volgt. 1. Betrek in de MER in totaal vijf alternatieven bij de keuze van een Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA) in stap 4. Het betreft:
het reeds bestaande noordelijke alternatief C150b1/b2; Pagina 27 van 166
het reeds bestaande noordelijke alternatief C380b/n;
het reeds bestaande zuidelijke alternatief C150n;
een nieuw "noordelijk midden-alternatief" (vanaf Zevenbergschen Hoek langs A16 en A59).
2. Neem twee aanvullende varianten op in de MER in stap 4, te weten:
een variant op het midden-alternatief, de zogenaamde Bosroute ten noorden van Tilburg;
een variant op zowel het midden- als het bestaande zuidelijke alternatief, die noordelijk langs Standdaarbuiten gaat.
3. Betrek voor het overige de voorgestelde alternatieven/varianten bij de gedetailleerde uitwerking om tot een Voorkeursalternatief (VKA) te komen in stap 5 en 6 van het proces. 4. Onderzoek drie onderdelen van voorgestelde alternatieven/varianten niet verder. Het betreft onderdelen van de ingediende voorstellen die niet gekoppeld zijn aan de oplossing van een knelpunt binnen de hoogspanningsverbinding tussen Borchwerf en Tilburg. Geadviseerd wordt deze in het verdere proces buiten beschouwing te laten. N2a2 - Verkabeling 150 kV-verbinding Roosendaal - Breda. Om tegemoet te komen aan de belangen van de inwoners van Breda wordt zowel in alternatief N2a als N2b voorgesteld om als aanvulling de bestaande zuidelijke 150 kV verbinding die door Breda loopt te verkabelen. Deze door de indieners als verbetering van de bestaande situatie geopperde aanvulling is niet gekoppeld aan het oplossen van een knelpunt in de betreffende tracés. Deze optie kan bij de keuze voor een noordelijk tracé - uiteraard door de belanghebbenden worden onderzocht, maar valt buiten de scope van het onderhavige project. M3-6 - Volledige reconstructie bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg Tilburg In het voorstel voor het alternatief M3 wordt door de partijen een suggestie gedaan om de gehele verbinding Geertruidenberg - Tilburg te verplaatsen en te vervangen door Wintrackmasten.
Hierdoor ontstaat ruimte om de nieuwe verbinding te bouwen op de hartlijn van de bestaande verbinding. Deze door de indieners als verbetering van de bestaande situatie geopperde vernieuwing valt buiten de scope van het onderhavige project, want de volledige reconstructie van de bestaande 380 kV verbinding Geertruidenberg-Tilburg is niet gekoppeld aan het oplossen van een knelpunt in de aanleg van de nieuwe verbinding. Op korte termijn is aanpassing/vernieuwing van de 380 kV verbinding niet aan de orde: bij de keuze voor Tilburg als eindpunt van de nieuwe Zuid-West 380 kV verbinding was juist een Pagina 28 van 166
argument dat met aansluiting op een station bij Tilburg een groter deel van het vermogen direct wordt afgevoerd naar de belastingscentra rond Tilburg, waarmee verzwaring van de ring tussen Geertruidenberg en Tilburg minder urgent werd (zie starnotitie MER, 2009). M3b - Amoveren / verkabelen bestaande 150 kV-verbinding Breda Geertruidenberg. In het M3b alternatief wordt in principe de 150 kV-verbinding tussen Breda en Geertruidenberg geamoveerd en grotendeels vervangen door een extra verkabeling tussen de nieuwe verbinding en station Breda. In deze optie wordt de te amoveren 150 kV verbinding maar ten dele gecombineerd met de nieuwe 380 kV verbinding, en voornamelijk vervangen door een ondergrondse verkabeling. Ondergrondse verkabelingen die een gecombineerde 150 kV verbinding aantakken op een 150 kV hoogspanningsstation vormen een noodzakelijk onderdeel van een nieuw gecombineerd 150/380 tracé, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De verdubbeling van de lus dient zuiver ter vervanging van de bestaande 150 kV verbinding. Er is dus geen technische noodzaak deze voorgestelde verkabeling uit te voeren. De minister van Economische Zaken heeft vervolgens besloten om, conform het advies van Deltares, alle ingediende alternatieven en varianten te betrekken bij de actualisering van de concept-MER.
Met, conform het advies van Deltares, uitzondering van de drie hiervoor aangehaalde onderdelen. Daarbij is door de minister eveneens aangegeven dat de varianten, die zijn gebaseerd op 4 x 380 kV in één mast, ook verder buiten beschouwing worden gelaten (brief d.d. 2 december 2015, kenmerk DGETM-EO/15169450). In vervolg hierop zijn in 2016 en de eerste helft van 2017 de verschillende tracévarianten en -alternatieven bezien om te komen tot een nieuw voorgenomen voorkeursalternatief. Bij de uitwerking van de tracés zijn de uitgangspunten uit de Startnotitie voor de milieueffectrapportage en de Richtlijnen voor het milieueffectrapport aangehouden. Daarnaast is bij de uitwerking gekeken naar relevante inzichten ten aanzien van ondergrondse aanleg, risicozonering windturbines, afstandsnormeringen buisleidingen en de toen actuele inzichten in de autonome ontwikkelingen. En zijn bij de verdere planvorming regionale overheden, maatschappelijke organisaties en initiatiefnemers van de ingediende alternatieven betrokken. Ten aanzien van de ondergrondse aanleg zijn de ervaringen binnen een ander hoogspanningsproject, Randstad 380, betrokken. Uitgangspunt was dat er in de verschillende 380 kV-verbindingen binnen het totale hoogspanningsnet in Nederland Pagina 29 van 166
maximaal 20 km ondergronds mocht liggen. In de Zuidring van Randstad 380, de 380 kV-verbinding tussen Wateringen en Bleiswijk (Zoetermeer) was ervaring opgedaan met de aanleg van 10 km ondergrondse kabel. Op basis hiervan kwam TenneT tot de conclusie dat het technisch mogelijk zou zijn om behoedzaam meer 380 kV te verkabelen dan de 20 km die op dat moment als voorlopig landelijk maximum gold. Per geval zou bekeken moeten worden wat er in de betreffende hoogspanningsverbinding mogelijk zou zijn, zonder dat de leveringszekerheid in het geding zou komen. Voor de verbinding Zuid-West 380 kV Oost heeft de minister van Economische Zaken in april 2015 aan TenneT gevraagd te onderzoeken of het technisch mogelijk zou zijn delen van het tracé Rilland-Tilburg ondergronds aan te leggen en of dit verantwoord zou zijn voor de leveringszekerheid (brief d.d. 2 april 2015, kenmerk DGETM-EM/15042423). De inzet van een ondergrondse kabel zou daarbij kunnen worden gebruikt om (ruimtelijke) knelpunten in de verschillende tracévarianten op te lossen, mits er geen andere oplossing is. Uit de door TenneT uitgevoerde quickscan (quickscan naar mogelijke 380 kVverkabeling in ZW380 kV Oost (Rilland-Tilburg), d.d.
18 november 2015 (documentnummer 002.678.20 0393453)) is gebleken dat het toepassen van 380 kV-kabel in de 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg realistisch werd geacht en dat dit niet zou leiden tot een toename van de kans op uitval. Het toepassen van een 380 kV-kabel over een lengte van 10 km om knelpunten op te lossen in de 380 kV-verbinding bleek mogelijk. Het was wenselijk om dit zoveel mogelijk in grotere stukken toe te passen (tracélengte van minimaal 3 km); korte stukken kabel zijn nettechnisch minder gunstig en duurder. Ook vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing heeft het de voorkeur om aaneengesloten stukken geheel te verkabelen, in plaats van meerdere korte ondergrondse tracés. De quickscan is voor de verdere uitwerking van de tracéalternatieven als volgt toegepast. Het uitgangspunt voor de tracering/uitwerking van de alternatieven is 'bovengronds, tenzij…', zoals verwoord in het SEV III (Nu NOVI). Een bovengronds uitgevoerde 380 kV-verbinding heeft derhalve nog steeds de voorkeur boven een alternatief dat geheel of gedeeltelijk in een ondergrondse 380 kV-kabel wordt uitgevoerd. Alleen in het geval van aanwezigheid van een knelpunt kan ondergrondse aanleg worden overwogen. Bij knelpunten kan het bijvoorbeeld gaan om een knelpunt op het gebied van milieu, vergunbaarheid en/of technische uitvoerbaarheid.
Indien bij de uitwerking van de tracé-alternatieven een knelpunt wordt geconstateerd, dan wordt – in het kader van de invulling van het principe 'bovengronds, tenzij…' – een zogenoemde toolbox doorlopen. Deze toolbox bestaan Pagina 30 van 166
uit de volgende (combinatie van) maatregelen die kunnen worden toegepast om knelpunten op te lossen: 1.
optimalisatie van de ligging van het bovengronds tracé (tracéwijziging of wijziging één of meerdere mastlocaties);