2021-017387 Bijl1- Nota van Zienswijzen Noorderbunder (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Bovendien zijn de bomen die binnen de eerste 100 meter staan van tijdelijke aard en kunnen, zoals De Hollandsche Molen terecht ovenweegt, gesnoeid oÍ gekapt worden; sterker nog: juist vandaag zijn er acht van de (hoge) bomen die aan de oostzijde van de molen staan gekapt (met vergunning). Bovendien is er recentelijk een andere, hoge, boom, aan de oostkant, omgewaaid. Zolang er geen windonderzoek is, ontbreekt een deugdelijke motivering en kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Antwoord Er wordt allereerst verwezen naar het antwoord op reactie 6. Hieruit volgt dat in het bestemmingsplan nog maar één aanduiding zal worden gehanteerd, te weten ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’, en dat voor de molenbiotoopformule zal worden van ruwheidsklasse ‘Ruw’, Daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan deze reactie. Pagina 20 van 22
Over hetgeen is opgenomen over de gevolgen van de molenbiotoopformule in de straal van 100 meter van de molen, moet worden opgemerkt dat dit bestemmingsplan niet ziet op de deze straal omdat het bestemmingsplan niet ligt binnen een straal van de eerste 100 meter rondom de molen. Geconstateerd moet worden dat binnen deze straal al wel de nodige, hoge bebouwing en beplanting aanwezig is. Reactie 8 Reclamant is niet overtuigd van de overige redenen om van de door De Hollandsche Molen opgestelde biotoopformule af te wijken. • De molen is in gebruik voor het malen van graan en als opleidingsmolen. Hiervoor is een goede windvang essentieel. • Een molen kan alleen behouden blijven door frequent te draaien. Een goede windvang is hiervoor essentieel en wordt belemmerd door het ontwerpbestemmingsplan. • Reclamant wil geen verbetering van de positie van de molen, maar het gaat om het voorkomen van verslechtering. • Het college onderbouwt niet waarom het plan niet uitgevoerd kan worden waarbij wél de juiste biotoopformule wordt gebruikt. Antwoord Voor een antwoord op deze reactie, verwijzen wij naar de antwoorden op reacties 6 en 7.
In het bestemmingsplan zal worden aangesloten bij de biotoopformule zoals De Vereniging De Hollandsche Molen die heeft opgenomen in het advies en wordt aangesloten bij het standpunt dat afwijking hiervan slechts aan de orde kan komen met het verlenen van een vergunning. Voor het overige geldt nog het volgende. De molen wordt beoordeeld als niet-bedrijfsmatige molen. Dit is bij de vaststelling van bestemmingsplan Zuid en West Dongen aan de orde geweest tot aan de Raad van State. De gemeente is daarbij in het gelijk gesteld. Omdat er geen sprake is van een bedrijfsmatig gebruikte molen, kan eenvoudiger ervoor worden gekozen om de molen stil te zetten op het moment dat naar het oordeel van de molenaar en de vrijwilligers en schade aan het mechanisme zou kunnen ontstaan. In de inspraakreactie sprak reclamant over het verbeteren van de werking tot de molen. Dat nu het uitgangspunt is het handhaven van de werking van de molen kunnen wij onderschrijven. Daarvoor is de molenbiotoop ook opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan. Reactie 9 In artikel 7.2.2. van de planregels is de bouwhoogte niet gekoppeld aan het maaiveld. Reclamant stelt dat dit in de regel moet worden toegevoegd. Anders kunnen de gronden worden opgehoogd en zullen de bouwhoogte in praktijk nog hoger zijn. Antwoord Dit is niet juist.
Artikel 1.50 in combinatie met artikel 2.2 van de planregels zorgt voor de juiste wijze van meten van het peil. Het peil wordt aan de hand van het maaiveld berekend. In artikel 1.50 is het peil als volgt bepaald:
a. de kruin van een weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt; b. bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water; c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. Het ophogen van het maaiveld heeft tot gevolg dat de feitelijke bouwhoogte van de bebouwing beperkt wordt. Pagina 21 van 22
Reactie 10 Reclamant stelt dat noch uit de verbeelding, noch uit de planregels blijkt op welke manier de zichtlijn wordt geborgd op de molen Koningin Wilhelmina. In de nota van inspraak is aangegeven dat het stedenbouwkundig plan zo wordt aangepast dat het voetpad een rechte (zicht)lijn vormt met de molen, de weg kan hierbij verspringen. In de inspraakreactie is gevraagd om deze rechtdoorgaande zichtlijn als voeten fietspad in het nieuwe plan op te nemen als (langzaam)verkeersbestemming. Antwoord Vanaf de Laagstraat is nu zicht op de Wilhelminamolen. Hier liep van vroeger uit een karrenspoor vanaf de Groenstraat/Laagstraat naar de Windmolenweg. Deze sticht en zichtlijn blijft in het plan behouden. Het stedenbouwkundig plan houdt hier rekening mee door een onbebouwde zone vanaf de Laagstraat tot de molen. De weg kan hierbij weliswaar verspringen maar het voetpad vormt een rechtdoorgaande lijn. Om de zichtlijn te waarborgen zijn de planregels en de bijbehorende verbeelding aangepast en is een aanduiding ‘overige zone - zichtlijn’ opgenomen. Ook is de toelichting hierop aangepast. Conclusie De zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan. Voor de toepassing van de molenbiotoopformule wordt er slechts één ruwheidsklasse toegepast, te weten ‘Ruw’. Er zal dan ook sprake zijn van één aanduiding, te weten ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’.
De zichtlijn vanaf de Laagstraat op de molen wordt beter gebord in het juridisch deel van het bestemmingsplan en niet enkel op de stedenbouwkundige kaart / in de toelichting.
Pagina 22 van 22