CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-016571 Bijlage 2- Technisch Programma van Eisen IKC Anspach 2021

Besluitvormende raadsvergadering 16 december 2021, gemeente DongenBij agendapunt: 2021-016571 Raadsvoorstel Voteren krediet IKC J.J. Anspach5.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nieuwbouw IKC Anspach

Technisch Programma van Eisen April 2021

Inhoudsopgave 1.

Algemeen 1.1 Inleiding 1.2 Algemene ontwerpuitgangspunten 1.3 Algemeen kwaliteitseisen

3 3 3 3

2.

Gebruikskwaliteit 2.1 Toegankelijkheid 2.2 Vrije hoogte 2.3 Vaste inrichting 2.4 Bereikbaarheid technische installaties

5 5 5 5 6

3.

Energie en water 3.1 Energieprestatie 3.2 Energieopwekking 3.3 Gasaansluiting 3.4 Wateraansluiting 3.5 Afvoer hemelwater en vuilwater 3.6 Bemetering

6 6 6 7 7 7 8

4.

Gezondheid 4.1 Licht 4.1.1 Daglicht 4.1.2 Kunstlicht 4.2 Lucht en temperatuur 4.2.1 Luchtkwaliteit 4.2.2 Spuiventilatie 4.2.3 Luchttemperatuur 4.2.4 Lokaal thermisch discomfort 4.2.5 Gebouwbeheersysteem 4.2.6 Individuele beïnvloeding 4.2.7 Luchtkwaliteit toiletruimten 4.2.8 Emissies van apparatuur 4.2.9 Kwaliteitsborging 4.3 Geluid 4.3.1 Ruimteakoestiek 4.3.1 Geluidsisolatie 4.3.2 Geluidswering van de gevel 4.3.3 Installatiegeluid 4.3.4 Kwaliteitsborging

8 8 8 9 11 11 11 11 11 12 12 12 12 13 13 13 13 14 14 14

5.

Energie 5.1 Warmteafgifte 5.2 Elektra

14 14 14

6.

Elektra- en zwakstroom 6.1 Brandveiligheidsinstallaties 6.2 Bliksembeveiliging 6.3 Inbraakbeveiliging 6.4 Deurbelinstallatie 6.5 Terreinvoorzieningen 6.6 ICT-voorzieningen

15 15 15 16 16 16 16

7.

Materiaalkeuze

16

RO18062980

2

1. Algemeen 1.1

Inleiding

In het voorliggend technisch programma van eisen zijn de technische eisen geformuleerd waar het te ontwerpen gebouw aan moet voldoen. Daarmee vormt het technisch programma van eisen het uitgangspunt en toetsingskader voor de door het ontwerpteam te vervaardigen ontwerpproducten. Tijdens het ontwerpproces kan het technisch programma van eisen in overleg met de betrokken ontwerppartijen op onderdelen nader worden uitgewerkt en gedetailleerd. 1.2

Algemene ontwerpuitgangspunten

Het ontwerp moet voldoen aan alle vigerende regelgeving en andere eisen die worden gesteld door de overheid, brandweer en nutsbedrijven, waaronder:

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Wet op de ruimtelijke Ordening. Gemeentelijke Bouwverordening en het bestemmingsplan. Bouwbesluit 2015. BENG regelgeving (vervangt EPC, in werking getreden op 1 januari 2021). Wet Milieubeheer (WM). Bouwprocesbesluit. Bouwstoffenbesluit. Gemeentelijke eisen omtrent Duurzaam Bouwen. Gemeentelijke welstandseisen. Gemeentelijke verordening kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK). Kwaliteitskader huisvesting kinderopvang en kwaliteitskader huisvesting onderwijs. Eisen van de plaatselijke brandweer. Arbowet met bijbehorende uitwerking in beleidslijnen. Aan regelgeving gekoppelde normen Nederlands Normalisatie Instituut (NNI). Alle keuringsinstanties conform de Europese regelgeving, zoals ENEC-keur, met goedkeuring van het plaatselijke Nutsbedrijf en Waterschappen. Keuringsinstanties KEMA, TNO, VdE, Vds, etc. HACCP. Voorschriften GGD. Het convenant gevelonderhoud (veiligheidsvoorzieningen, ARBO). Wet op Primair Onderwijs (WPO)

Het gebouw moet ontworpen worden opdat alle noodzakelijke vergunningen kunnen worden verkregen. Tevens mogen er geen wettelijke belemmeringen zijn om het gebouw te kunnen gebruiken voor de beoogde functie. 1.3

Algemeen kwaliteitseisen

De nieuwbouw dient minimaal te voldoen aan het vigerende bouwbesluit. In aanvulling op deze minimumeisen worden aanvullende eisen gesteld met betrekking tot ‘Frisse Scholen’ en BENG-eisen.

Programma van eisen Frisse Scholen

RO18062980

3

Het gebouw moet minimaal voldoen aan de in het Programma van Eisen Frisse Scholen 2015 (Versie september 2015) gestelde eisen voor ‘Klasse B – Goed’ voor Nieuwbouw. Per fase dient op basis van de Frisse Scholen Toets (Versie 3, maart 2016) te worden aangetoond dat aan de gestelde eisen wordt voldaan. In dit programma van eisen zijn de eisen uit het Programma van Eisen Frisse Scholen integraal overgenomen. ‘Bijna Energie Neutraal Gebouw’ (BENG) Alle nieuwe gebouwen waarvan na 1 januari 2020 een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend, dienen te voldoen aan de eisen voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De gemeenteraad heeft eerder besloten dat voor alle nieuw te bouwen IKC’s het niveau Bouwbesluit (inclusief BENG) en volledig Frisse Scholen B geldt. Op basis van dat niveau wordt krediet beschikbaar gesteld. Als tijdens de ontwikkeling mogelijkheden ontstaan om (binnen budget) een hoger duurzaamheidsniveau te halen dan BENG, worden deze mogelijkheden benut.

RO18062980

4

2. Gebruikskwaliteit 2.1

Toegankelijkheid

Integrale toegankelijkheid Het ontwerp dient te voldoen aan de gestelde eisen voor integrale toegankelijkheid, zoals opgenomen in het bouwbesluit en het Handboek voor toegankelijkheid. Daarbij dient onder meer te worden voorzien in: • Zelfstandige toegang van mindervalide leerlingen, bezoekers of personeel tot het gebouw en alle verblijfsruimten in het gebouw; • Een liftinstallatie, indien het gebouw uit meer dan één bouwlaag bestaat. De liftkooi moet inwendig een afmeting hebben van minimaal 1,50 x 1,10 meter. Entrees en vluchtwegen Om tochtklachten te voorkomen dienen de entrees te worden uitgevoerd met tochtsluizen. De tochtsluizen dienen te zijn voorzien van schoonloopmatten. Buitenvluchttrappen dienen te worden vermeden. 2.2

Vrije hoogte

De vrije hoogte van de in het ruimteprogramma genoemde ruimten dienen minimaal als volgt te zijn: Vieringenruimten/aula Speellokaal Onderwijsruimten Kantoren en spreekkamers Gangen Sanitaire ruimten Bergingen 2.3

3,2 meter 3,5 meter 3,2 meter 2,7 meter 2,5 meter 2,4 meter 2,7 meter

Vaste inrichting

In het gebouwontwerp dient te worden voorzien in de volgende vaste inrichting: • •

• •

Bewegwijzering binnen en buiten het pand; Ruimteaanduiding, dusdanig uitgevoerd dat naambordjes e.d. door de gebruikers vervaardigd kunnen worden en eenvoudig kunnen worden vervangen; Naamsaanduiding op de gevel; Pantry’s en keukenblokjes, voorzien van inbouwapparatuur.

Op het terrein dient te worden voorzien in: • Een berging voor buitenspeelgoed; • Een containerberging voor afvalcontainers; • Vlaggenmast; • Fietsenstalling. Aan de straatzijde dient het schoolplein te worden begrensd met een veilige en hoogwaardige afscheiding.

RO18062980

5

2.4

Bereikbaarheid technische installaties

De in het gebouw aanwezige technische installaties dienen bereikbaar te zijn voor onderhoud, storingen en vervanging. Dit betekent dat de kruipruimten onder het gehele gebouw toegankelijk dienen te zijn, schachten toegankelijk dienen te zijn en plafonds uitneembaar dienen te zijn.

3. Energie en water 3.1

Energieprestatie

Het gebouw dient te voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). Deze BENG-eisen overtreffen de eisen met betrekking tot energieverbruik en duurzame energieopwekking die zijn opgenomen in het Programma van Eisen Frisse Scholen. Deze eisen houden voor onderwijsgebouwen het volgende in: 1. 2. 3.

De maximale energiebehoefte bedraagt 50 kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar; Het maximale primair fossiel energiegebruik bedraagt 60 kWh per m 2 gebruiksoppervlak per jaar; Het aandeel hernieuwbare energie bedraagt minimaal 50%.

Voor een nadere toelichting op deze eisen wordt verwezen naar de website van RVO: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wettenen-regels-gebouwen/nieuwbouw/energieprestatie-beng/wettelijke-eisen-beng Bij oplevering dient een oplevertoets te worden uitgevoerd, waarbij wordt gecontroleerd of de energiebesparende maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. 3.2

Energieopwekking

Om een Bijna Energie Neutraal Gebouw te realiseren, dient het principe van de ‘Trias Energetica’ te worden aangehouden: • • •

Beperk de toekomstige energiebehoefte; Pas maximaal duurzame energietechnieken toe; Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van (fossiele) energie.

De energiebehoefte dient zoveel mogelijk te worden gereduceerd met passieve maatregelen door onder andere gebruik te maken van de thermische massa van het gebouw en in de oriëntatie van het gebouw en de ruimten optimaal de zonne-energie te benutten door verblijfsruimten op het zuiden te situeren en niet-verblijfsruimten op het noorden. Voor de warmtevraag kan, indien dat technisch haalbaar is, gebruik worden gemaakt van bodem- of omgevingswarmte in combinatie met een elektrisch aangedreven warmtepomp, waarmee een laagtemperatuur verwarmingssysteem wordt gevoed. Bij toepassing van warmtepompen in combinatie met bodemwarmte is ook duurzaam koelen mogelijk.

RO18062980

6

3.3

Gasaansluiting

Nieuwe gebouwen worden niet meer aangesloten op het gastransportnet, tenzij het college van burgemeester en wethouders het gebied waarin gebouwd wordt heeft aangewezen als gebied waar aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang (zoals de maatschappelijke kosten en baten). Wel moet worden verkend hoe met het oog op de toekomst en waterstof een loze leiding kan worden gelegd van de meterkast naar de technische ruimte. 3.4

Wateraansluiting

Waterleidingnetwerk Ten behoeve van de tapwateraanvoer op diverse plaatsen in het gebouw alsmede enkele tappunten op het buitenterrein dient een leidingstelsel te worden voorzien. Dit stelsel wordt aangesloten op het openbaar drinkwaterdistributienet. De gehele drinkwaterinstallatie dient uitgevoerd te worden volgens de richtlijnen van het waterleverend bedrijf en conform een goedgekeurd Legionella-beheersplan (ISSO55.1). Desinfectie installatie ter voorkoming van legionella moet centraal worden voorzien op een nader te bepalen plaats in het gebouw (e.e.a. voorzien van een automatische spoeling). Brandslanghaspels worden aangesloten op de koud tapwaterinstallatie conform de geldende voorschriften en normen. Waterbesparende maatregelen Tijdens het ontwerpproces moet de wenselijkheid en financiële haalbaarheid worden getoetst voor het hergebruik van hemelwater door aanleg van een grijswatercircuit ten behoeve van het spoelen van toiletten. Het waterverbruik dient te worden geminimaliseerd door toepassing van toiletten met een waterbesparende spoeling en waterbesparende kranen met drukknopregeling in toiletruimten. Warmwater voorziening In het ontwerpproces dient te worden onderzocht of warm water centraal of decentraal wordt verwarmd.

Ter voorkoming van legionella heeft toepassing van decentraal warmtapwater middels elektrische boilers in keukens, pantry’s en werkkasten de voorkeur. Buitenaansluiting Er moet op logische plekken worden voorzien in één of meerdere afsluitbare vorstvrije buitenkranen. 3.5

Afvoer hemelwater en vuilwater

Er dienen gescheiden rioleringssystemen te worden gerealiseerd ten behoeve van afvoer van hemelwater en afvoer van vuilwater. Hemelwater dient op eigen terrein gebufferd en geïnfiltreerd te worden. Toepassing van een sedumdak heeft vanwege de buffercapaciteit de voorkeur. In afstemming met de gemeente Dongen dient te worden onderzocht of overtollig hemelwater op eigen terrein kan worden opgevangen of via een overloop geloosd wordt op het gemeentelijk riool. De riolering van het bestaande gebouw is via het naastgelegen particulier perceel aangesloten op het gemeenteriool. Deze situatie is niet wenselijk. Als onderdeel van de ontwerp- en bouwopgave dient deze aansluiting in samenspraak met de gemeente Dongen te worden verplaatst.

RO18062980

7

Indien inpandige hemelwaterafvoeren worden toegepast, dienen deze te worden geïsoleerd ter voorkoming van geluidsoverlast en condensvorming. indien niet mogelijk dient de onderste 1,5 meter van de hemelwaterafoeren in metaal uitgevoerd te worden. Noodoverstorten welke noodzakelijk zijn op aangeven van de constructeur dienen esthetisch verantwoord te worden vormgegeven. Het vuilwatersysteem dient geïsoleerd te worden ter voorkoming van geluidsoverlast en dient aangesloten te worden op het gemeentelijk rioolstelsel. Alle water verbruikende toestellen dienen hierop aangesloten te worden. Het leidingnet van de totale riolering dient uitgevoerd te worden van recyclebaar PP/PE. Toe te passen diameters van grond en standleidingen dienen conform de normen ontworpen en berekend te worden. Kleinere diameters dan 50 mm mogen niet worden toegepast. Er dienen voldoende ontspanningsputten, inspectieputten en ontstoppingsvoorzieningen te worden toegepast. 3.6

Bemetering

Het energieverbruik dient per hoofdgebruiker te worden bemeterd. Het energieverbruik dient per kwartier te worden gemeten en opgeslagen, zodat het verbruik geanalyseerd kan worden. Het elektriciteitsverbruik van de volgende onderdelen dient individueel gemeten te kunnen worden: • • • • • •

Verwarmen Koelen Ventilatie Bevochtiging (indien van toepassing) Verlichting Apparatuur

4. Gezondheid 4.1

Licht

Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen dat optimaal gebruik wordt gemaakt van daglicht, zonder dat dit het gebruik belemmert. Er dient een optimale modus te zijn tussen het gebruik van daglicht, wering van zoninstraling in de zomer en het benutten van de warmte door zoninstraling in de winter. 4.1.1

Daglicht

Daglichttoetreding Alle verblijfsruimten dienen aan de gevels gesitueerd te zijn om zodoende aan de Bouwbesluit eisen en ARBO richtlijnen met betrekking tot lichttoetreding en uitzicht te voldoen. De daglichtfactor op het werkvlak in de onderwijsruimten is gemiddeld over de ruimte minimaal 5%.

Zonwering

RO18062980

8

De zonlichttoetreding in ruimten mag geen hinder veroorzaken. Voor een optimale en adequate zonwering dient een zondiagram opgesteld te worden. In het ontwerp dient de noodzakelijkheid van het toepassen van zonwering echter te worden geminimaliseerd door het gebouw optimaal te oriënteren en te positioneren. Ter reductie van de koelbehoefte wordt de hoeveelheid externe warmte (zontoetreding) in ruimten zo veel mogelijk beperkt. Op zonbelaste gevels (zuid, oost en west) is in ieder geval buitenzonwering of zonwerende beglazing voorzien (LTA glas minimaal 0,75). Indien zonwering noodzakelijk wordt geacht, deze uit voeren als automatische zonwering aan de buitenzijde, bij voorkeur als screens, welke zowel centraal als decentraal bedienbaar zijn en zijn voorzien van een wind- en regensensor en glazenwasstand. Lichthinderwering In de kantoren en leslokalen (ook aan de noordzijde) is helderheidswering aanwezig, waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden voorkomen. De helderheidswering dient zodanig te worden geselecteerd dat luminantieverhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak (bijv. schrift), directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) maximaal 1:3:10 (taak:directe omgeving:periferie) bedragen De helderheidswering kan per ruimte worden bediend. Bij het gebruik van helderheidswering blijft enig uitzicht naar buiten mogelijk. 4.1.2

Kunstlicht

Kunstverlichting in leslokalen dient te voldoen aan de eisen uit NEN-EN 12464-1. De UGRL (waarde voor de beperking van de ‘verblindingshinder’)van de in de leslokalen toegepaste armaturen is ≤ 19. Lichtsterkte De verlichtingssterkte per ruimte dient als volgt te zijn: Onderwijs-, kantoor- en spreekruimten Entreegebied Speellokalen Sanitaire ruimte Verkeersruimten Buitenverlichting Overige niet benoemde ruimten

500 lux 150 lux 500 lux 150 lux 150 lux 5-10 lux 150 lux

Alle kunstlicht dient in LED te zijn uitgevoerd, met een kleurtemperatuur hoger dan 3000 K, waarbij de volgende indexen moeten worden aangehouden: Kleurweergave index Gelijkmatigheidsindex Nieuwwaarde index

RO18062980

Ra g ni

= 85 =≥ 0,70 = 1,25

9

Onderstaande lichtreflectie factoren worden als minimale waarde meegegeven voor het ontwerp: • • •

Plafond 0,7 Wanden anders dan glas 0,5 Vloeren 0,1

In de teamkamer moet rekening worden gehouden met het kunnen toepassen van eventuele losse sfeer- en accentverlichting. Hiervoor dienen voldoende aansluitmogelijkheden te zijn. In het speellokaal dienen de armaturen niet boven “velden” en “middellijnen” te worden geplaatst, maar 300 mm aan weerszijden van lijnen. In het speellokaal moeten balvaste armaturen worden toegepast. Regelbaarheid De verlichting in onderwijs- en kantoorruimten dient middels bewegingsmelders en daglichtafhankelijke regeling te schakelen te zijn. Verlichting in onderwijsruimten zijn in delen schakelbaar (de zone bij het bord apart) dan wel dimbaar per groepsruimte (individueel). Verlichting in de toiletten (niet de voorruimten) worden ook middels bewegingsmelders geschakeld. Verlichting in de algemene ruimten waaronder verkeersruimten, garderobes en gemeenschappelijke voorzieningen, worden centraal geschakeld (veegschakeling) via een centraal bedienpaneel nabij de hoofdentree van het gebouw dan wel op afstand via het GBS doormiddel van open protocollen. Noodverlichting Het gebouw dient conform de vigerende normen en voorschriften te worden voorzien van decentrale noodverlichting. Onderzocht dient te worden of centrale noodverlichting een verantwoorde optie is.

Terreinverlichting Uit het oogpunt van inbraak- en vandalismepreventie dient in en rondom het gebouw oriëntatie- en waakverlichting te worden voorzien. Tevens dient op het buitenterrein voldoende verlichting aanwezig te zijn in verband met sociale veiligheid en oriëntatie. Kwaliteitsborging Per fase (VO/DO/TO/1e oplevering/2e oplevering einde onderhoudstermijn) dient op basis van de Frisse Scholen Toets (versie maart 2016) te worden getoetst of het ontwerp/gebouw voldoet aan de gestelde eisen voor Frisse Scholen met betrekking tot visueel comfort. Bij oplevering wordt een instructie gegeven over het juiste gebruik van de verlichting en helderheidswering, zowel mondeling als schriftelijk.

RO18062980

10

4.2

Lucht en temperatuur

4.2.1

Luchtkwaliteit

De CO2-concentratie in leslokalen (in de ademzone) is tijdens gebruikstijd maximaal 950 ppm, uitgaande van door de gebruiker tijdens het ontwerpproces op te geven maximale bezetting per ruimte. Vanuit energetisch oogpunt dient de ventilatie te worden aangestuurd op basis van CO2 meting in de onderwijsruimten. De meting en sturing van de hoeveelheid ventilatielucht wordt per onderwijsruimte geregeld. Aanwezige mechanische ventilatiesystemen voldoen aan de Klasse B-eisen uit cahier P1 Eisen voor gezonde mechanische ventilatiesystemen (2003, Serie Praktijkboek Gezonde Gebouwen ISSO/SBR. 4.2.2

Spuiventilatie

De capaciteit van de spuiventilatievoorzieningen is minimaal 6 dm 3/s per m2 vloeroppervlak. Leslokalen hebben ten minste 4 te openen ramen. Van het oppervlak van de te openen delen is minimaal 30% aanwezig bovenin het raamvlak (> 1,8 m) en minimaal 30% onderin het raamoppervlak (< 1,8 m). Spuiventilatievoorzieningen zijn licht bedienbaar staand vanaf de vloer en hebben meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of zijn traploos instelbaar. De spuiventilatievoorzieningen zijn tegelijkertijd met de buitenzonwering te gebruiken. De luchtstroom wordt niet door bijvoorbeeld screens belemmerd. 4.2.3

Luchttemperatuur

De operatieve temperatuur ligt in het stookseizoen tussen 20 en 24ºC. Middels een TO-berekening dient onderzocht te worden of het gebouw koeling behoeft. Uitgangspunt is dat de maximale luchttemperatuur van onderwijs- en kantoorruimten niet meer dan 5% van de verblijfstijd boven de 25 ºC ligt. Het toepassen van een warmtepomp, waarbij bodemtemperatuur kan worden benut voor koeling heeft de voorkeur. Indien geen koeling wordt gerealiseerd, dan dient wel rekening te worden gehouden met het in de toekomst alsnog kunnen toevoegen van koeling aan het systeem. Bij toepassing van passieve koeling (bijv. te openen ramen en vloerkoeling door toepassing van een warmtepomp) geldt een glijdende temperatuursschaal, waarbij de grenswaarden van de temperatuur binnen enigszins oplopen met de buitentemperartuur volgens de volgende formule: Operatieve temperatuur binnen = 0,33 lopende gemiddelde buitentemperatuur + 18,8 ± 3ºC (NEN-EN 15251, annex A2, Cat II). Bij actieve zichtbare koeling ligt de operatieve temperatuur in het zomerseizoen tussen 23 en 26 ºC. 4.2.4

Lokaal thermisch discomfort

De luchtsnelheden in de leefzone zijn ’s zomers niet hoger dan 0,2 m/s en ’s winters niet hoger dan 0,16 m/s.

RO18062980

11

De vloertempereratuur ligt tussen 19 en 26 ºC. Daar waar kinderen op de vloer zitten is de vloertemperatuur minimaal 22 ºC. De verticale temperatuursgradiënt is < 3K/m. De stralingstemperatuurasymmetrie is: • bij een warm plafond < 5ºC; • bij een koude wand < 10ºC; • bij een koud plafond < 14ºC; • bij een warme wand < 23ºC. De gemiddelde stralingstemperatuur (de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van plafond, vloer, wanden, ramen, verwarmingspanelen en inrichting) in leslokalen is ’s winters hoger dan de luchttemperatuur. 4.2.5

Gebouwbeheersysteem

Voor het technisch gebouwbeheer dient het gebouw te worden voorzien van een gebouwbeheersysteem (GBS) op basis van open protocollen. De status van onder andere verlichting, lift(en), deurstanden, mindervalide alarmen, overige alarmen en de werktuigkundige installatie dient zichtbaar te zijn op een centraal bedienpaneel nabij de hoofdingang van het gebouw. Voor een optimaal en efficiënt werken van de gebouwinstallaties dient de gehele besturing van de installaties door het GBS plaats te vinden. Het GBS verzorgt ook de signalering van alle vanuit de installaties voortkomende alarmen en meldingen op een centraal bedienpaneel. Het GBS maakt bediening op afstand mogelijk. 4.2.6

Individuele beïnvloeding

Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 4 ºC binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur. De snelheid van de temperatuurregeling is minimaal 1 graad per half uur. De bedieningsknop voor de temperatuurregeling moet zonder instructie te begrijpen zijn. De temperatuur kan door de gebruiker worden beïnvloed met één bedieningsknop. Deze knop is buiten bereik van de leerlingen aangebracht. Incidenteel gebruik buiten reguliere tijden is mogelijk middels activering van een overwerktimer. 4.2.7

Luchtkwaliteit toiletruimten

In toiletruimten voor de onderbouw is spuiventilatie mogelijk door te openen ramen in de gevel. De toiletruimten worden op onderdruk gehouden t.o.v. de omliggende ruimten. De afvoercapaciteit van de toiletten bedraagt minimaal 50 m 3/uur afzuiging per toiletpot. De lucht uit toiletruimten wordt beschouwd als retourlucht en wordt direct uit deze ruimten naar buiten afgevoerd. 4.2.8

Emissies van apparatuur

Verontreinigende apparatuur (bijvoorbeeld printers en copiers) is voorzien van bronafzuiging. De lucht uit reproruimten wordt direct uit deze ruimten naar buiten afgevoerd.

RO18062980

12

4.2.9

Kwaliteitsborging

Per fase (VO/DO/TO/1e oplevering/2e oplevering einde onderhoudstermijn) dient op basis van de Frisse Scholen Toets (versie maart 2016) te worden getoetst of het ontwerp/gebouw voldoet aan de gestelde eisen voor Frisse Scholen met betrekking tot luchtkwaliteit en thermisch comfort. Er dient een contract te worden aangegaan voor het technisch en hygiënisch onderhoud van het ventilatiesysteem, bijvoorbeeld conform VDI 6022of VLA onderhoudsbestek. Dit contract omvat minimaal: • Reiniging gevelroosters • Vervanging filters • Controle ventilatoren • Reiniging warmtewiel/platenwisselaar, verwarmer, koelsectie, bevochtigingssectie; • Reiniging van het inwendige van de luchtbehandelingskast; • Inspectie en periodieke reiniging van kanalen. Bij oplevering wordt een instructie gegeven over het juiste gebruik van de ventilatievoorzieningen (basisventilatie en spuiventilatie), zowel mondeling als schriftelijk. Tevens wordt mondeling en schriftelijk een instructie gegeven over het juiste gebruik van de beïnvloedingsmogelijkheden voor de temperatuur. 4.3

Geluid

4.3.1

Ruimteakoestiek

Navolgende nagalmtijden voor de octaaf middenfrequentie van 250-2000Hz worden nagestreefd: Onderwijsruimten Speellokaal Kantoor- en spreekruimten Horizontale verkeersruimten Verticale verkeersruimten

max. 0,6 sec max. 0,8 sec max. 0,8 sec max. 0,8-1,0 sec max. 1,0-1,5 sec

De in de 125 Hz octaafband gemeten nagalmtijd mag maximaal 30% afwijken van de gemiddelde nagalmtijd. 4.3.1

Geluidsisolatie

Luchtgeluidisolatie De luchtgeluidsisolatie (DnT;A) tussen ruimten bedraagt minimaal:

tussen leslokalen onderling tussen kantoorruimten/spreekkamers onderling tussen leslokalen en aangrenzende verkeersruimten /bergingen tussen kantoorruimten/spreekkamers en verkeersruimten

R’w > 39 dB > 39 dB > 25 dB > 25 dB

Bij een tussendeur in de scheidingswand tussen twee leslokalen is de luchtgeluidsisolatie ten minste 34 dB.

RO18062980

13

Contactgeluidisolatie Het gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen leslokalen onderling, kantoor- en spreekkamers onderling en aangrenzende verblijfsruimten is ten hoogste 59 dB. Het gewogen contactgeluidsniveau (LnT;A) tussen leslokalen en aangrenzende verkeersruimten en bergingen is ten hoogste 69 dB. Hinderlijke trillingen van vloer of trappen door lopen/bewegen of muziek dienen te worden voorkomen. 4.3.2

Geluidswering van de gevel

De geluidswering van de gevel is gelijk aan het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en 33 dB met een minimum van 20dB. 4.3.3

Installatiegeluid

Het maximale geluidsniveau als gevolg van installaties bedraagt: Onderwijsruimten Speellokaal Kantoor- en spreekruimten Verkeersruimten Technische ruimten 4.3.4

33 dB(A) 35 dB(A) 35 dB(A) 40 dB(A) 80 dB(A)

Kwaliteitsborging

Per fase (VO/DO/TO/1e oplevering/2e oplevering einde onderhoudstermijn) dient op basis van de Frisse Scholen Toets (versie maart 2016) te worden getoetst of het ontwerp/gebouw voldoet aan de gestelde eisen voor Frisse Scholen met betrekking tot akoestisch comfort.

5. Energie 5.1

Warmteafgifte

Uitgangspunt voor verwarming is een concept gebaseerd op lage temperatuursverwarming met vloerverwarming en indien noodzakelijk aangevuld met lage temperatuur radiatoren. In verband met het schoon houden van de ruimten heeft het toepassen van radiatoren niet de voorkeur. Het verwarmingssysteem moet dusdanig flexibel zijn, dat toekomstige aanpassingen bij wijziging van gebouwindelingen mogelijk zijn. 5.2

Elektra

Centrale elektrotechnische voorzieningen Ten behoeve van elektriciteitsvoorziening dient onderzocht te worden of op eigen terrein een transformatorstation moet worden toegepast. Mede in het kader van de vereiste BENG-eisen dient te worden onderzocht in welke omvang duurzame energiebronnen zoals PV-panelen dienen te worden toegepast.

RO18062980

14

Infrastructuur De energievoorziening moet zodanig worden ontworpen dat op een efficiënte, overzichtelijke en veilige manier energie vanuit de hoofdverdeelinrichting via onderverdeelinrichtingen naar de verschillende punten wordt geleid. Vanuit de hoofdverdeelinrichting moeten aparte voedingen worden aangelegd voor alle in het gebouw aanwezige apparatuur waaronder werktuigbouwkundige installaties, lift(en), koelingen, koelmachines, alarminstallatie en patchkasten in serverruimten. De hoofdverdeelinrichtingen dienen te zijn ontworpen met een reservecapaciteit van 20%, de onderverdeelinrichtingen hebben een reservecapaciteit van 10%. Kabelgoten dienen een overcapaciteit te hebben van 25%. Bekabeling van sterkstroom en zwakstroom dienen van elkaar gescheiden te zijn. De elektrainfrastructuur dient gescheiden te zijn van de werktuigbouwkundige infrastructuur. De leidingsystemen dienen eenvoudig controleerbaar en gemakkelijk bereikbaar te zijn vanuit de technische ruimten. Inrichtingsgebonden voorzieningen Ten behoeve van de in het gebouw te plaatsen aanvullende voorzieningen zoals koffieautomaten, geluidsinstallaties, projectiemogelijkheden worden voedingen, wandcontactdozen, noodstoppen, wateraansluitpunten, afvoeren en data aansluitpunten voorzien. Deze wensen worden in de ontwerpfase door de gebruikers aangegeven.

In het ontwerp dient men rekening te houden met maximale belastingen en voldoende reserves. Er dienen geen installatievoorzieningen te worden aangebracht in de wanden tussen de gangen/lespleinen en de lokalen, zodat het mogelijk is om deze wanden zonder grote aanpassingen te kunnen verwijderen.

6. Elektra- en zwakstroom 6.1

Brandveiligheidsinstallaties

Het gebouw dient te zijn voorzien van een gecertificeerde brandveiligheidsinstallatie, bestaand uit een brandmeldinstallatie op basis van een nog nader op te stellen Basisdocument Brandbeveiliging/PVE, ontruimingsalarmering, noodverlichting en vluchtwegaanduiding. Indien noodzakelijk dient de centrale te worden uitgevoerd met doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer of PAC. De voorzieningen dienen te voldoen aan de vigerende wetgeving en voorschriften van de brandweer. 6.2

Bliksembeveiliging

In de ontwerpfase dient te worden onderzocht of het toepassen van een bliksembeveiliging wenselijk is.

RO18062980

15

6.3

Inbraakbeveiliging

Voor het beperken van toegang tot het gebouw voor onbevoegden worden alle toegangen in de buitenschil voorzien van deurstandsignaleringen met signalering op een centraal paneel nabij de hoofdentree. Het gebouw wordt uitgerust met een inbraakbeveiliginginstallatie met een centraal codebedienpaneel met display nabij de hoofdingang en aangesloten op een centrale meldkamer geheel compleet met detectoren (anti-mask), deur- en schootcontacten. Camera’s? 6.4

Deurbelinstallatie

Bij de hoofdentree moet worden voorzien in een deurbelinstallatie. De deurbel dient in het hele gebouw hoorbaar te zijn. Open protocol? GBS? Camera’s? 6.5

Terreinvoorzieningen

Op het terrein moet worden voorzien in een goed bereikbare en veilig afsluitbare evenementenaansluitng, voorzien van minimaal 2 elektra-aansluitingen. 6.6

ICT-voorzieningen

In het gebouw dient een data-netwerk te worden aangelegd ten behoeve van dataen telefonie (VOIP). Uitgangspunt zijn kabelwegen en een centrale bekabelingstructuur uitgevoerd in UTP cat.6 bekabeling voor spraak en data. Daarnaast dient te worden voorzien in een dekkend WIFI systeem met voldoende accespoint in het gehele gebouw.

7. Materiaalkeuze Algemeen Alle toe te passen materialen en installaties moeten duurzaam zijn en dienen dusdanig gekozen te worden zodat de onderhoudskosten zo laag mogelijk zullen zijn, ze niet snel vervuilen en ze eenvoudig te reinigen zijn. Bij de materiaalkeuze moet rekening gehouden worden met de milieubelasting van specifieke materialen gedurende de gehele levenscyclus. Materialen met een lage milieubelasting, zo mogelijk passend in het principe C2C (Cradle to Cradle), hebben de voorkeur. Waar toepasbaar dient gebruik gemaakt te worden van betonpuingranulaat in de fundering en de constructie. Toe te passen spaanplaat of houtvezelplaat, dient aantoonbaar formaldehydearm te zijn. Bij de Kleurstellingen moet worden nagedacht over de opwarming van de kleur en moet verbranding worden voorkomen. Vloeren en vloerafwerkingen Vloerconstructies dienen te zijn gedimensioneerd op de beoogde functie. Vloeren bij voorkeur uitvoeren in steenachtig materiaal, zodat voldoende warmte-accumulerend en geluidswerend vermogen aanwezig is. De vloerafwerkingen dienen voldoende sterk, te zijn. In onderwijsruimten en verkeersruimten dient gekozen te worden voor een harde vloerafwerking, die voldoende slijt- en slipvast, goed reinigbaar en onderhoudsarm is. In kantoor- en spreekkamer zachte vloerbedekking toepassen die goed reinigbaar is. In sanitaire ruimten een gietvloer toepassen.

RO18062980

16

Het speellokaal dient voorzien te zijn van een vloer met een hoge druksterkte die weerstand biedt tegen mechanische beschadigingen en geschikt is voor alle sporten en multifunctioneel gebruik. Vloeren en wanden (tot minimaal 1,5 meter hoogte) van toiletruimten zijn zo uitgevoerd dat urine niet in het materiaal kan trekken. Binnenwanden, binnenwandafwerkingen en binnenwandopeningen Binnenwanden dienen te worden uitgevoerd als niet-dragende wanden. De wanden dienen stoot- en slagvast te zijn. Wanden dienen boven het plafond te worden doorgezet om overspraakgeluid te voorkomen. In het ontwerp dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid om attributen, zoals digiborden, schoolborden, bovenkasten e.d. aan de binnenwanden te bevestigen. Binnenwanden moeten tot een hoogte van 1,5 meter nat te reinigen te zijn, zodat vervuiling eenvoudig kan worden verwijderd. De wanden van het speellokaal dienen over de gehele hoogte vlak en balvast te zijn. Bij binnenwandopeningen een zijlicht of glasstrook in de deur toepassen. Alle binnenbeglazing dient te voldoen aan NEN 3569. Daar waar nodig (units kinderen < 4 jaar) de deuren voorzien vingerbeschermingsprofielen (2-zijdig). De wanden van de sanitaire ruimten alsmede de wanden achter de wastafels, pantry’s, keuken en uitstortgootstenen dienen voorzien te worden van tegelwerk of waterdichte coating.

Hoeken en randen die een grote kans op mechanische beschadiging hebben dienen te worden afgewerkt met hoekbeschermers (volle hoogte wand). Waar deuren tegen wanden e.d. kunnen draaien, deurstoppen toepassen. De wanden in de technische ruimten dienen op passende wijze te worden afgewerkt. De wijze van afwerking is afhankelijk van toe te passen materialen. Hang- en sluitwerk Alle bewegende delen in de gebouwschil dienen van SKG*** hang- en sluitwerk te worden voorzien. Buitendeuren dienen voorzien te worden van meerpuntsluitingen. Buitendeuren moeten voorzien zijn van windvangers of deurstoppen. De bewegende delen binnen dienen van SKG** hang- en sluitwerk te zijn voorzien. In de ontwerpfase dient In overleg met de gebruikers een sluitplan te worden opgesteld. Plafondafwerking Het gebouw dient te worden voorzien van eenvoudig uitneembare systeemplafonds. De kwaliteit en vormgeving van de plafonds dient te passen bij de functie en het gebruik van betreffende ruimte. De akoestische eigenschappen dienen in overeenstemming te zijn met de in dit programma van eisen beschreven akoestische eisen. In de speellokalen dient het plafond te zijn uitgevoerd in een bal- en slagvaste uitvoering. In technische ruimten, bergingen en werkkasten behoeft geen plafond te worden aangebracht.

RO18062980

17

Trappen en leuningen Afwerking van trappen en hellingbanen dient afgestemd te zijn op het gebruik en op het voorkomen van geluidsoverlast. Alle trappen dienen voorzien te zijn van een leuning (aan beide zijden) die zowel geschikt is voor de jongste kinderen als voor volwassenen en te voldoen aan de huidige normen en voorwaarden. Trappen bij voorkeur uitvoeren als dichte trappen met een anti slip voorziening welke tevens geschikt is als hulpmiddel voor slechtzienden. Buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen De toe te passen materialen en detaillering van de buitenwanden, kozijnen, ramen en deuren dient onderhoudsarm te zijn. Gevels dienen slag- en stootvast te zijn. In het ontwerp moet tevens worden vermeden dat er opklimvoorzieningen, nissen en donkere hoeken ontstaan. De kozijnen dienen zodanig te worden gesitueerd dat ze in verband met schoonmaak en onderhoud gemakkelijk – en indien van toepassing, op de verdieping van binnenuit bereikbaar zijn. Te openen ramen zijn tegelijkertijd met buitenzonwering te gebruiken. Dak en dakafwerking Toepassing van een steenachtige dakvloer verdient de voorkeur in verband met het warmte-accumulerend vermogen. Ten behoeve van onderhoud en inspectie dient het dak betreedbaar te zijn. Installatieonderdelen dienen bereikbaar te zijn middels daktegels.

Er dient te worden voorzien in valbeveiliging om veilig werken op het dak mogelijk te maken. Het dak en de dakafwerking dient geschikt te zijn voor de plaatsing van zonnepanelen. Sanitair Verspreid in het gehele gebouw dienen keramische sanitaire toestellen te worden geplaatst. De toe te passen toiletten dienen van het type diepspoel te zijn in een vrij hangende uitvoering. Sanitair voor mindervaliden dient uitgevoerd te worden conform de eisen in het Bouwbesluit en het handboek voor Toegankelijkheid. Nabij de onderwijsruimten en of lokalen voor de kleinste kinderen worden sanitaire ruimten ingericht met specifiek op kinderen afgestemd kindersanitair. Alle werkkasten dienen voorzien te zijn van een uitstortgootsteen met emmerrek. In specifieke onderwijsruimten dient te worden voorzien in wastafels of -troggen of aanrechten met wasbak. Terreinverharding Rondom de gevel dient dusdanig te worden voorzien in bestrating zodat de gevel bereikbaar is voor glasbewassing. Groenvoorzieningen De groenvoorzieningen op het terrein dienen een beperkte hoogte te hebben en eenvoudig te onderhouden te zijn.

RO18062980

18

RO groep Zuid Postbus 3086, 6202 NB Maastricht Wilhelminasingel 58, 6221 BK Maastricht T 043 – 350 00 50, F 043 – 325 72 12 info@rogroep.nl, www.rogroep.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10791030/1