2021-014849 Bijlage 2c- Nota van Wijziging Statutenwijziging BRAVOO 2021 2-9-21 definitief
Tekst van het document
Nota van Wijziging Statutenwijziging Stichting BRAVOO Aanleiding De huidige statuten van Stichting BRAVOO dateren van 15 maart 2011. Deze dienen in verband met de volgende constateringen te worden geactualiseerd: In de voorbije 10 jaren is de onderwijswetgeving op diverse onderdelen aangepast wat maakt dat de statuten op onderdelen niet meer in overeenstemming zijn met de wetgeving; Sinds november 2020 geldt er voor het primair onderwijs een nieuwe Code Goed Bestuur PO; Op 1 juli 2021 treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) in werking. Het initiatief tot het realiseren van de statutenwijziging ligt bij het College van Bestuur. De Raad van Toezicht heeft als intern toezichthouder van de stichting een goedkeuringsbevoegdheid. De GMR van BRAVOO heeft geen formele rol bij de statutenwijziging maar wordt geïnformeerd. Stichting voor openbaar onderwijs Stichting BRAVOO is een zogenaamde openbare stichting in de zin van artikel 48 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) waarvan lid 7 bepaalt: “De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.” Daarom is de statutenwijziging vooraf afgestemd met de betrokken gemeenten. Overzicht wijzigingen -
-
-
-
-
-
Artikel 6 lid 2 is geschrapt. De inhoud is reeds opgenomen in de artikelen waarnaar wordt verwezen en is dan ook dubbelop. Bovendien zegt het huidige artikel 6 lid 2 niets over de organisatie van de stichting, doch slechts iets over de wijze van benoeming van de RvT- en CvB-leden. Benoeming van het CvB geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profiel (artikel 17a lid 2 WPO). Dit is niet opgenomen in de huidige statuten. Voor de RvT geldt hetzelfde en staat dat er wel in, namelijk in het huidige artikel 10 lid 3 van de statuten. In artikel 6 lid 2 nieuw is deze verplichting nu algemeen voor zowel RvT als CvB opgenomen. De desbetreffende zin in artikel 10 lid 3 van de statuten is geschrapt. In het huidige artikel 6 lid 4 staat opgenomen dat het College van Bestuur het bevoegd gezag is van de stichting. In artikel 1 van de WPO is bepaald dat de stichting het bevoegd gezag vormt. Het huidige lid 4 is dus niet in overeenstemming met de WPO en is geschrapt. Daarvoor in de plaats is de ‘rol van besturen’ algemeen geformuleerd opgenomen. Aan artikel 6 zijn de leden 6 en 7 toegevoegd als uitvloeisel van de nieuwe Code Goed Bestuur. Voor de RvT is dat deels een vervanging/kopie van het huidige artikel 10 lid 5. De resterende aanvullende onverenigbaarheid voor de RvT zoals opgenomen in het huidige artikel 10 lid 5 is opgenomen in artikel 6 lid 8.
De WBTR voert expliciet in dat “de bestuurders zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie” moeten richten. Artikel 7 lid 3 van jullie statuten voorziet daarin deels en is geëxpliciteerd. Artikel 7 lid 4 klopt niet meer: sinds de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is er geen sprake meer van een aanstelling maar van een arbeidsovereenkomst. Is dus aangepast.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Artikel 7 lid 8 bevat de ontstentenisbepaling voor het CvB. Die is met de WBTR ook verplicht geworden. De huidige statuten voorzien daar dus in. De begrippen ‘ontstentenis’ en ‘belet’ zijn nader geduid. Artikel 7 lid 9 bepaalt dat CvB-leden niet middellijk of onmiddellijk deelnemen aan leveringen of aannemingen t.b.v. de stichting. Dit voorziet onvoldoende in een regeling m.b.t. een tegenstrijdig belang voor bestuurders zoals bepaald in artikel 2:291 lid 6 BW (WBTR-wijziging). In het verlengde van deze wetswijziging zijn twee volzinnen aan artikel 7 lid 9 toegevoegd. Artikel 7 lid 10 was in strijd met de nieuwe Code Goed Bestuur. Dat is dus geschrapt. Daarvoor in de plaats is artikel 6 leden 6 en 7 ingevoegd (zie hiervoor). Terminologie in artikel 8 lid 1 is met de zinsnede "in stand gehouden organisatie en scholen” gelijk getrokken met de terminologie in artikel 6 lid 4. Artikel 8 lid 2 m.b.t. de vrijwillige opheffing van een openbare school is niet meer in overeenstemming met de WPO. Artikel 159 WPO schrijft inmiddels een andere procedure voor. Geldt ook voor artikel 8 lid 4 sub i van de statuten. Omdat de procedure van de opheffing van een basisschool bij wet is geregeld, wordt die hier niet meer apart/expliciet genoemd. De verwijzing is in beide bepalingen dus geschrapt.
Artikel 10 lid 2 is aangevuld met de voorkeur om de bindende voordrachten voor de benoeming van de RvT-leden vanuit de ouders van de leerlingen van de scholen, enigszins te organiseren en te structureren. In de huidige tekst wordt alle ruimte geboden, in de nieuwe aangevulde tekst wordt statutair de mogelijkheid geboden het initiatief voor de totstandkoming van deze voordrachten bij de oudergeleding van de GMR te leggen. In artikel 10 lid 2 is aangegeven dat de GMR “een" lid van de RvT bindend mag voordragen. Omwille van de duidelijkheid is “een” voorzien van een accent grave, dus: “één”. De WBTR schrijft voor dat in de statuten een regeling moet worden opgenomen voor het geval er belet of ontstentenis is van een of meer leden van de RvT dan wel een volledige RvT. Dat is in de huidige statuten niet opgenomen en derhalve nu opgenomen in artikel 10 lid 9 nieuw. Indien de gehele RvT in ontstentenis of belet is, dienen de raden van de betrokken gemeenten voor waarnemers te zorgen. Immers, benoeming van de leden van de RvT vindt plaats door de raden (artikel 10 lid 2) en de vier betrokken gemeenten zijn verantwoordelijk voor het openbaar onderwijs. Het is derhalve een logische keuze om deze taak ook bij de raden te leggen. In artikel 10 lid 10 nieuw is de mogelijkheid van het toekennen van een bezoldiging aan de leden van de RvT opgenomen (artikel 2:292a lid 8 BW, WBTR).
Daarmee is deze mogelijkheid statutair verankerd. Artikel 12 algemeen: De WBTR schrijft voor: “Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.” Dat staat momenteel niet expliciet in de statuten en is ingevoegd als nieuw lid 1. Het huidige artikel 12 lid 1 gaat m.b.t. de Code Goed Bestuur nog uit van het ‘pas toe of leg uit’-principe. De wet biedt die ruimte nog (artikel 17c lid 1 sub b WPO). De huidige code voor het PO is echter een zgn. ‘principle based code’ en laat afwijking niet meer toe. Aanpassing van de statuten op dit punt is dus nodig. Hetzelfde geldt voor artikel 14 lid 2 sub f van de statuten. Het huidige sub f is geschrapt. Het huidige lid 1 is gesplitst in een nieuw lid 2 en een nieuw lid 3. Lid 2 is aangepast en overzichtelijker gemaakt. Artikel 13: de WBTR schrijft voor dat een RvT-lid niet deelneemt aan “beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie.” Dat staat niet in de huidige statuten en is alsnog opgenomen als nieuw lid 3.
-
-
-
Artikel 13 lid 5 nieuw komt overeen met artikel 17c lid 3 WPO. Artikel 14 lid 2 gaat over de informatieverschaffing van het CvB aan de RvT. Artikel 2:292a lid 11 BW bepaalt: Het bestuur stelt ten minste een keer per jaar de raad van commissarissen schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, van de algemene en financiële risico’s en van de gebruikte beheers- en controlesystemen. M.a.w.: de huidige statuten sluiten niet (volledig) aan bij deze wettelijke bepaling. E.e.a. is aangevuld/geherformuleerd. Artikel 16 gaat over geheimhouding. De titel heeft het over geheimhouding ‘van stukken’, maar de bepaling heeft een bredere strekking. Vandaar dat de kop is aangepast. Artikel 17 lid is aangepast. Daarmee is expliciet bepaald dat ook personeelsleden een volmacht kunnen krijgen. De huidige tekst biedt op dat punt ruimte voor discussie. Oisterwijk, 2 september 2021 Christon van Vught