CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-007592 Bijl1h- aanv quickscan vleermuizen Holag

Besluitvormende raadsvergadering 13 juli 2023, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Eindsestraat 616.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvulling Vleermuizen

Quickscan Eindstraat 61 Dongen Aanvulling 2 Kenmerk zaak: 2021-047629

Terrein: Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 1

Mei / juni 2021

Opdrachtgever: Naam: Boomkwekerij E. de Jong Contactpersoon: Janny de Jong Postadres: Eindstraat 61, 5105 AB Plaats: Dongen, Noord Brabant E-mail: janny@entspecialist.nl

Nummer :

kenmerk zaak : 2021-047629

Uitgave:

16-02-2022, status: quickscan aanvulling

Aanvulling beschreven door: Holag H. Hofland

Holag werkt samen met Kaales Natuur en Ondernemen

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 2

Inhoud 1 .Aanleiding aanvulling quickscan 1.1 De aanvraag 1.2 Reactie van de omgevingsdienst.

4 4 4

2. De quickscan van Econsultancy 3. Specifieke ervaringen met vleermuizen 4. Vleermuisprotocol 2021 6. Conclusie vleermuizen 7. Aanbeveling 8. Contactgegevens

5 6 8 25 25 25

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 3

1 .Aanleiding aanvulling quickscan 1.1 De aanvraag Op 16 februari 2022 werd door de Omgevingsdienst Midden en West-Brabant, Bart Suntjes een reactie gegeven op de quickscan die gemaakt is in opdracht van Mevrouw de Jong, Eindstraat 61, 5105 AB te Dongen. Het doel van de quickscan is dat de familie de Jong het bedrijf wil gaan veranderen. Het bedrijf van de familie de Jong is een boomteeltbedrijf met de vestiging op het genoemde adres. De verandering van het bedrijf is nieuwbouw van een loods. Op de plaats waar deze loods moet komen staan nu 3 oude gebouwen, die gesloopt moeten worden.

1.2 Reactie van de omgevingsdienst. De heer Suntjes schrijft in de reactie het volgende. Hij vraagt of er is gewerkt volgens het vleermuisprotocol 2021. Hij vraagt op welke dagen waarnemingen zijn verricht, de tijdstippen en tijdsduur van de waarnemingen met de batdetector. Zijn de potentiële verblijfplaatsen inwendig onderzocht, zo ja, wanneer en hoe. Wat waren de weeromstandigheden. Tevens vraagt hij naar de specifieke ervaringen mbt onderzoeken naar vleermuizen, opleidingen en hij vraagt om dit aan te tonen. Het vleermuisprotocol 2021 is toegevoegd in hoofdstuk 4, de checklist in hoofdstuk 5. De vraag naar specifieke ervaringen is opgenomen in hoofdstuk 3.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 4

2. De quickscan van Econsultancy Econsultancy heeft op 19 februari 2021 een rapportage quickscan Wet natuurbescherming gemaakt voor de Eindstraat 61 te Dongen. Het rapportnummer is 14828.002. In hoofdstuk 5.2 van het genoemde rapport beschrijft Econsultancy de verspreidingsgegevens van de NDFF welke vleermuissoorten er kunnen voorkomen. De soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, de Rosse watervleermuis en de gewone grootoorvleermuis. Er is ook een beschrijving gegeven waar de soorten mogelijk kunnen verblijven en op welke plaatsen. Ook is aangegeven dat massawinterverblijfplaatsen er niet zijn. De locatie is ongeschikt voor boom bewonende vleermuizen zoals de Rosse vleermuis en watervleermuis. Deze soorten zouden mogelijk in de aanwezige rij bomen kunnen voorkomen. Plaatsen werden met foto’s aangegeven. Men geeft aan dat de plannen geen aantasting op het foerage gebied vormen. De buiten het plangebied gelegen omgeving zoals andere huizen met groen tuinen en weilanden zijn betere foerage terreinen. De bomen ten oosten van de onderzoeklocatie zouden als vliegroute kunnen fungeren.

Econsultancy geeft aan dat als er vleermuizen aanwezig zijn er een overtreding van de Wet natuurbescherming is. Indien vleermuizen aanwezig zijn, is er een ontheffing noodzakelijk, die zal worden afgegeven door de provincie Noord- Brabant. Gegevens/ inventarisatie van vleermuizen worden volgens het protocol vleermuisonderzoek van het Netwerk van de Groene Bureaus uitgevoerd. Econsultancy geeft aan dat onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen gewenst is, omdat ze er mogelijk kunnen voorkomen (in de gebouwen) Er geen onderzoek hoeft plaats te vinden naar foeragegebied en vliegroutes. Holag werkt ook met vleermuisprotocol 2021, zie ook hoofdstuk 4 & 5.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 5

3. Specifieke ervaringen met vleermuizen Het aantoonbaar maken van specifieke ervaringen met vleermuizen is een lastige vraag. Opleidingen met betrekking tot vleermuizen waren er in het verleden niet, dat begint nu pas te komen. Ervaringen met vleermuizen en vleermuisonderzoeken zijn er wel. Kennis over de habitat en verbeteringen zijn er zeer zeker. Hierbij toelichting en uitleg. Ervaringen met vleermuizen zijn er meerdere. Een van de eerste was door mij het geven van een opdracht voor vleermuisinventarisatie in de jaren 90 aan Peter Twisk. Hij maakte een inventarisatie van vleermuizen op de Oude Buisse Heide. De Oude Buisse Heide heeft verschillende oude gebouwen en oude vleermuis bewonende bomen. Doel van de inventarisatie was het onderzoeken van de vleermuizen ( voorkomen/aantallen) en rekening kunnen houden in het beheer van de gebouwen/ terreinen met betrekking tot vleermuizen. Later is het inventariseren van meerdere terreinen van Natuurmonumenten in West Brabant een vast onderdeel geworden. Vaak voerde we die uit in eigen beheer of isw met vrijwilligers. De inventarisatie was aanleiding tot het aanschaffen van mijn eerste bat detector. Ik woon op de Buisse Heide en boven mijn slaapkamer huisde een kolonie dwergvleermuizen. Hun dagelijkse rituelen werden onderdeel van ons bestaan.

Projecten heb ik meerdere uitgevoerd in het kader van natuurherstel maar ook de sanering van gebouwen. Voor dat de flora en faunawet en de natuurwet er was werden er al veldopnames gemaakt mbt flora en fauna. Feitelijk was dit een voorloper van de gedragscode natuurbeheer. Vleermuizen/ monitoring en daar rekening mee houden in projecten was dus al een normale zaak. Het sparen van bomen omdat het migratie/foerageroutes route zijn bij venherstel of baggerprojecten zijn daar ook onderdeel van. Wat dus voor die tijd moet gebeuren is het vaststellen/monitoren van vleermuizen, wat ik dan ook deed. Herstel projecten waren er diverse op de Kampina en Oisterwijkse vennen en bossen. Maar ook later met de Provinciale Leefgebiedenprojecten waren de inventarisaties, vaststellen van vleermuizen naast de andere checks een vast onderdeel. Vleermuizen en mitigerende maatregelen waren ook een onderdeel bij de sanering en bouw van Groot Speijck in Oisterwijk. Bij de mitigerende maatregelen de nodige input geleverd. Het combineren van beekherstel/ natuurherstel en de aanleg van een vleermuisverblijf gaf ook goede resultaten. In Vessem werd de kabouterberg hersteld met een vleermuisverblijf erin. Uit de monitoring bleek het een succesvolle maatregel.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 6

Onderzoeken en controle op het voorkomen beschermde soorten was dus al langer een vast onderdeel geworden. Na de komst van de flora en fauna wet / natuurwet werd dit een verplicht nummer ook binnen de natuurbescherming. Met de monitoring van vleermuizen ging ik mee, oa de monitoring ( Ad van Poppel)van vleermuisbunkers. Lange periode heb ik de FSC creditering gedaan en daar was de controle op naleving van de wettelijke bepalingen een vast onderdeel. De controle met de gedragscode natuurbeheer waar vleermuizen een onderdeel van zijn is daar een onderdeel van. Na de lange periode bij Natuurmonumenten maak ik nu op verzoek ook quickscans. Kernvraag in de quikscan is, of beschermde soorten aanwezig zijn, dus ook vleermuizen. De quikscans zijn gemaakt voor stoppende agrarische bedrijven, soms in opdracht voor de provincie. Dit werd ook gedaan in samenwerking met een collega. Indien er enige twijfel is bij het maken/ opnemen van een quikscan, dan heb ik een ruim kennisnet om expertise extra binnen te vragen.

Beleid, er de nodige energie gestoken in het beter beschermen van vleermuizen. De eerste trigger was de inventarisatie van de vleermuizen op de Oude Buisse Heide. Bij terreinbeheerders, maar ook bij overheden werd hiervoor aandacht gevraagd. Mijn voormalige collega Rombout de Wijs was iemand die hard heeft getrokken aan het beter borgen van de bescherming van vleermuizen. Hem komt feitelijk de meeste eer toe. Kennisdelen over vleermuizen is een vast onderdeel van het exchange project met de jeugd (14-16jr) Dit project draait ruim 15 jaar en is een uitwisseling van Nederlandse jeugd en Poolse jeugd. Het project is een samenwerking van de Society fort he Coast, Eurosite en Holag. Binnen het project laten we de jeugd kennismaken met diverse natuur gerelateerde zaken, vleermuizen zijn een vast onderdeel. De Petterson D 100 doet ook hierbij prima dienst om vleermuizen te herkennen. In mijn huidige werk heb ik contact met terreinbeheerders en ondernemers. De jarenlange ervaring maakt dat kennisdelen ook hier een belangrijk onderdeel zijn geworden. De vleermuizen en het voorkomen ervan is een onderdeel dat vaak ter sprake komt. Dit soort zaken komen ook terug in mijn regelmatige afstemming met bijvoorbeeld Dwight van Tiel van de omgevingsdienst. Maar ook met veldbezoeken van de gedeputeerde komt dit onderwerp onder de aandacht.

In de dagelijkse praktijk is vaak systeemherstel een belangrijk onderdeel. Het werken zonder chemie en meer aandacht voor een goed voedselweb is daarbij urgent. Een goed voedselweb is dus ook herstel van insectenpopulaties. Zonder voedsel geen vleermuizen. Maatregelen zoals die bij het bedrijf van de Jong op de Eindstaart in Dongen in de planning zijn ondersteun ik van harte. De maatregelen zijn oa het hangen van vleermuiskasten, nestvoorzieningen maken, geen chemie op het bedrijf, een vitale bodem, dus een goed voedselweb. Mijn verwachting is dan ook dat bij monitoring in de nabije toekomst een aanzienlijke verhoging van de natuurwaarde op het bedrijf incl de vestiging van vleermuizen.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 7

4. Vleermuisprotocol 2021 1. Aanwijzingen voor het gebruik van het protocol 1. De in te zetten personele capaciteit en/of gebruik van technische hulpmiddelen moet worden afgestemd op omvang, de complexiteit van het gebied of object, de aard van de ingreep en de in te zetten methoden. Als vuistregel hierbij kan worden gedacht aan het volgende: Voor uitvliegers in de avonduren; als in het donker vanuit één positie meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer ingeschakeld worden. Daarbij geldt voor die extra waarnemer weer dezelfde regel totdat het hele onderzoeksgebied goed in beeld is.

Wanneer het niet de vraag is of een vleermuisfunctie kan worden uitgesloten, maar welke soorten voorkomen, dan kan al lopend, fietsend of autorijdend met een detector en/of zicht worden gewerkt. *. Doordat bijvoorbeeld het zwermen 's ochtends meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen 's avonds, kan een waarnemer in de nanacht een groter gebied overzien door rond te lopen of te fietsen. Voor soorten als laatvlieger en tweekleurige vleermuis treedt dit eerder in de nacht op. Daar waar één ochtendbezoek verplicht is of als 'eventueel' wordt vermeld, verdient het de voorkeur alle bezoeken 's ochtends af te leggen. Alleen voor kleine overzichtelijke plangebieden kan met uitsluitend avondbezoeken worden volstaan.

2. De keuze van in te zetten methoden en technieken dient aan te sluiten bij de vraagstelling, de situatie en de te verwachten soorten. De keuze vereist kennis van de nieuwste methoden en technieken zodat een afweging kan worden gemaakt welke van de beschikbare methoden en technieken het meest geschikt en/of efficiënt is. Als uitgangspunt is in dit protocol daarbij het ecologische principe van de niche gehanteerd. Daaruit volgt dat soorten van elkaar verschillen en dat elke soort eigen specifieke tijden, data en perioden voor optimale waarneming heeft. Mede hierdoor is het tabblad 'werkwijzen' gecompliceerd. Wanneer op een locatie de uitvliegopeningen bekend of overzichtelijk zijn of door veel individuen gebruikt worden, kan voor elk veldbezoek worden volstaan met avond. Onbekende, meerdere of vermoede uitvliegopeningen kunnen vaak het beste 's ochtends aan de hand van het zwermen worden gevonden.

3. Andere omgevingscondities kunnen leiden tot ander gebruik van het gebied. Bij regenachtig winderig weer bijvoorbeeld wordt op andere plaatsen gefoerageerd dan bij warm en rustig weer. Onderzoek onder meerdere, verschillende condities is dus wenselijk. Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 8

Houd er rekening mee dat een geschikte verblijfplaats in de loop van het jaar verschillende functies voor verschillende soorten of het andere geslacht kan hebben.

4. Uit oogpunt van dierenwelzijn dient verstoring voorkomen te worden, bijvoorbeeld door zo min mogelijk te vangen en te hanteren, lichtbronnen te gebruiken die de minste warmte afgegeven (LED) en de mogelijk hinderlijke waarnemingsperiode zo kort mogelijk te houden.

5. De waarnemingen voor een gebiedsfunctie kunnen beëindigd worden wanneer de aanwezigheid van alle potentieel voorkomende soorten en functies is vastgesteld, ongeacht de voorgeschreven waarnemingsduur in de protocollen. Echter bij paarverblijfplaatsen van territoria gebonden soorten en kraam- en zomerverblijfplaatsen, moet het volgende worden bedacht. Soms is kort na zonsondergang de baltsactiviteit in een gebied veel lager dan een aantal uur na zonsondergang. Ophouden na een ronde door het gebied waarbij enkele paarverblijfplaatsen zijn gevonden is dan niet goed, omdat het aantal paarverblijfplaatsen dan nog flink groter kan blijken te zijn. Dit kan relevant zijn voor de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van de (locale) populatie. Het vaststellen van een kraamverblijfplaats maakt een tweede of derde ronde niet overbodig. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van de kraamgroep flink zijn toegenomen, kan de samenstelling veranderen, bijvoorbeeld door gemengde kraamgroepen, of kan de groep op een andere locatie zitten. Dat heeft invloed op de beoordeling van het effect van de ingreep en de kwaliteit van het juridisch-ecologisch advies.

6. Het protocol kan bij toepassing zodanige gegevens opleveren dat naast soorten en gebiedsfuncties ook het belang van de gebiedsfuncties voor de duurzame instandhouding van de populatie kan worden vastgesteld. Aanvullend onderzoek kan echter nodig zijn. Indien bijvoorbeeld tijdens een avondbezoek een verblijfplaats wordt vermoed maar deze of de precieze locatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld moet los van het protocol zo snel mogelijk en bij voorkeur 's ochtends, opnieuw worden gekeken.

7. In elk geval toetsing van ingrepen als de bouw en gebruik van windturbines moet bij aanwijzingen voor migratieroutes en foerageergebied in het onderzoeksgebied aandacht worden besteed aan deze gebiedsfunctie bij veldwerk en beoordeling conform: www.eurobats.org/publications/eurobats_publication_series en kies: pubseries_no3_english.pdf of www.batsandwind.org en kies: Products. Indien van deze richtlijn wordt afgeweken dient dit ecologisch te worden onderbouwd. Het risico van windturbines zit hem in het foerageren van vleermuizen rond windturbines, door zowel migrerende als niet-migrerende soorten. In de kern zijn dit alle typische aerial hawkers, Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 9

Voorbeelden in Nederland: o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, tweekleurige vleermuis, laatvlieger

8. Voor sommige situaties is een speciale aanpak noodzakelijk. Daarvoor dienen specialistische bureaus ingeschakeld te worden en is een ontheffing nodig, bijvoorbeeld bij de toepassing van mistnetten voor determinatie of seksen in de hand of het bepalen van de conditie en voortplantingsstatus.

9. In het protocol wordt een aantal methoden van determineren aangegeven. Voor soms aanvullend benodigde specialistische apparatuur kunnen specialistische bureaus worden ingeschakeld.

10. De invloed van een aantal inventarisatiecondities is locatie specifiek, bijvoorbeeld temperatuur, wind, neerslag of vaak als verblijfplaatsen gebruikte objecten of gebieden. Deze inventarisatiecondities en plaatsen zijn in dit protocol in groen weergegeven en niet bindend of volledig.

11. Een aantal inventarisatiecondities kent optimale en suboptimale waarden, zoals de waarneemperiode. De suboptimale waarden zijn in het protocol tussen normale haken weergegeven. Nadere aanwijzingen of verduidelijking staan tussen blokhaken. Bij inventarisatie onder deze omstandigheden kan niet voor elke plek en elk jaar volledig uitsluitsel geven worden dat soorten (niet) voorkomen. Indien het weer of de seizoenen of ecologische overwegingen dat nodig maken, kan maximaal een van de verplichte bezoeken in een suboptimale periode plaats vinden. Het uitsluiten van de aanwezigheid van een soort of een functie in een onderzoeksgebied kan nooit alleen op basis van onderzoek in de suboptimale periode plaats vinden.

12. Bij abnormale omstandigheden (bijvoorbeeld werkzaamheden met veel lampen langs snelweg, tijdelijke bouwlampen op object, tijdelijk verstorend geluid van manifestatie of bouwfase) van de te onderzoeken locatie, is het ontbreken van waarnemingen tijdens bezoek geen geldige reden voor uitsluiting van aanwezigheid van soorten en/of functies. Het uitsluiten van de aanwezigheid van een soort of een functie in een onderzoeksgebied kan niet onder abnormale omstandigheden plaats vinden.

13, Lege cellen in het protocol geven aan dat die functie voor die soort in Nederland niet bekend is, (vrijwel) niet voorkomt of dat voldoende kennis ontbreekt.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 10

14. Voor de rapportage geldt dat de handreiking Flora- en faunawet (DLG, 31 oktober 2006) gevolgd moet worden, zoals het vermelden van aantallen volwassen individuen, aantal jongen, samenstelling groepen, terreingebruik en plaats van gebiedsfuncties. Als 'goed gebruik' (good practice) en om dit juridisch navolgbaar te doen is rapportage nodig van: gebiedsbeschrijving en beschrijving van de ecologische situatie; weersomstandigheden (verloop van temperatuur, wind, zicht en neerslag) tijdens het veldwerk; waarnemers en gebruikte apparatuur in het veld en voor sonogramanalyse; datum, starttijd en tijd van beëindiging van het onderzoek; tijd van aanwezigheid, uit- of invliegen van aantal exemplaren van soorten per deellocatie ten opzichte van zonsondergang of -opkomst (in elk geval eerste en laatste waarneming). Vermeld op grond van welke waarnemingen conclusies zijn getrokken ten aanzien van aan- en afwezigheid van functies van soorten in het plangebied.

15. Voor het inventariseren van vliegroutes en zwermplaatsen zijn luistersets een goede aanvulling op waarnemers.

16. Het verdient aanbeveling bij meer bezoeken aan een mogelijke winterverblijfplaats, deze behalve 30 dagen uit elkaar, ook zo mogelijk te verdelen over weersomstandigheden met vorst en een meer gematigde temperatuur.

17. Wanneer er bij winterbezoeken 's winters, aan een ruimte die niet volledig is te overzien, geen waarnemingen worden gedaan en er in de rest van het jaar geen onderzoek is geweest dat een gebruiksfunctie uitsluit, mag de functie van winterverblijf nog niet worden uitgesloten. 18. Bij een vastgestelde functie kan het nodig zijn om de aantallen vast te stellen en te specificeren (bijvoorbeeld voor het aantonen van de gunstige staat van instandhouding). -o-

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 11

2. De definities van de gebiedsfuncties

Verblijfplaats: Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats: Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats: Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute: Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.

Migratieroute: Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied: Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

Houd er rekening mee dat een geschikte verblijfplaats in de loop van het jaar verschillende functies voor de soort, verschillende soorten of het andere geslacht van de soort kan hebben.

2.2 De definities van de criteria bij werkwijzen

periode van: data waartussen er maximale en suboptimale (tussen haakjes aangegeven) kansen zijn om een gebiedsfunctie van de soort waar te nemen als die zich voordoet. [maximaal donker]: 's zomers is het op veel plaatsen ook na zonsondergang bijvoorbeeld nog zeker een uur redelijk licht door reflectie van zonnestralen tegen de hemel of door andere omstandigheden (astronomische schemering). Een aantal soorten wordt pas actief wanneer die reflectie na ongeveer een uur afneemt. In bijvoorbeeld een bos is het voor vleermuizen vaak eerder donker genoeg.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 12

starttijd t.o.v. zonsondergang: tijd ten opzicht van het verdwijnen van de zon onder de horizon waarop de waarneming ten minste moet zijn begonnen. eindtijd t.o.v. zonsopkomst: tijd ten opzichte van het verschijnen van de zon boven de horizon waarop de waarneming kan worden beëindigd. #: Als het bijvoorbeeld in voor- of najaarsnachten snel afkoelt, valt de eindtijd eerder. aantal & duur veldbezoeken: het aantal keer dat er waarnemingen moeten worden gedaan en de tijd die daarbij ten minste moet worden besteed. periode tussen veldbezoeken: het aantal dagen, weken of maanden dat verstreken moet zijn voordat een vervolgwaarneming als relevant kan worden beschouwd. Hierbij moet het streven erop zijn gericht de veldwaarnemingen zo goed mogelijk te verdelen over de optimale periode voor elke waar te nemen functie per soort. Bij een winterverblijfplaats verdient het aanbeveling de bezoeken te verdelen over weersomstandigheden met vorst en een gematigde temperatuur. werkwijze bij determinatie: technieken die kunnen worden ingezet om vast te stellen dat het die soort betreft, staan in een voorkeursvolgorde. Als bewijs voor de aanwezigheid van een lastige soort of voor een soort in afwijkende situaties, is in het kader van dit protocol, een sonogram van een op het waarneemmoment geregistreerde digitale opname meestal essentieel.

Technieken tussen haakjes zijn niet altijd bruikbaar om de afwezigheid van soorten met zekerheid vast te stellen. Bij visuele inspectie van een object moeten alle voor vleermuis toegankelijke ruimten minutieus zijn geïnspecteerd om gebruik uit te kunnen sluiten. Veel gebouwde objecten kunnen niet voldoende worden onderzocht met behulp van zichtwaarneming, endoscoop en spiegeltje. sporen: onder meer keutels, krabsporen en gebruiksvegen (bruinverkleuring van klierafscheidingen en vacht) bij een invliegopening. Sporen zijn een aanwijzing voor gebruik door vleermuizen, maar behoeven nader onderzoek om soorten en gebieds- of gebruiksfuncties aan te tonen of uit te sluiten. (massa)zwermlocatie: waarschijnlijke winterverblijfplaats of paarverblijfplaats waar een vleermuiskolonie (groep mannetjes en vrouwtjes) zich gedurende beperkte tijd (per nacht en herhaald over dagen) verzameld. Voor gewone dwergvleermuis dient hier onderscheid gemaakt te worden tussen paar- en zomerverblijfplaatsen die ook in zachte winters worden gebruikt, en verzamelpunten voor groepen dieren in de winter, die zwermgedrag vertonen. Hier is niet het zwermen bij een kraamkolonie bedoeld (zie hieronder). zwermen: In korte tijdsperiode invliegen door een (grote) kolonie.

invasies: verschijnsel in augustus en september waarbij grote aantallen (vooral sub adulte) gewone dwergvleermuizen per ongeluk in woonruimten terecht komen. Dit doet zich vooral voor in de directe nabijheid van (massa-)winterverblijfplaatsen. sociale roep: melodieuze roep ter informatie van soortgenoten (mogelijk eventueel als uiting van gemoedstoestand). Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 13

baltsroep, werfroep of paarroep: melodieuze roep van mannetjes ter informatie over paringsbereidheid en/of aanduiding van locatie daarvoor. torpor: tijdelijke toestand van verlaagde lichaamsfuncties (temperatuur, hartslag, ademhaling, spijsvertering) in verblijfplaats ter overbrugging van periode waarin foerageren niet kosteneffectief is. fotobewijs: beeldmateriaal zoals foto of video waaruit de lichaamskenmerken en/of het vliegbeeld of de sporen, onmiskenbaar zijn te herleiden tot een soort. Als fotobewijs wordt voorgeschreven, is alleen zichtwaarneming onvoldoende.

2.3 De definities van de criteria bij veldcondities

temperatuur hoger dan: voor zover bekend is, vertoont de soort het gedrag dat hoort bij de gebiedsfunctie niet beneden de aangegeven temperatuur. Als dit varieert in de loop van het seizoen staat die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij lagere temperaturen kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen of uitgesloten. windkracht minder dan: voor zover bekend is, vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven windsnelheden. Als dit varieert in de loop van het seizoen staat die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij verschillende windsnelheden kan de functie in andere delen van het plangebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij grotere windkracht kan de functie niet overal in het onderzoeksgebied betrouwbaar worden waargenomen. De ervaring leert dat boven windkracht 5 Bft geen onderzoek met detector valt te doen in open gebied. maximale neerslag: voor zover bekend is, vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven hoeveelheid regen. Bij verschillende hoeveelheden neerslag kan de functie in andere delen van het leefgebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij hogere neerslag kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.

2.4 gebruikte symbolen ( ): begrenzen een suboptimale periode of een in de loop van het seizoen afwijkende grenswaarde. Het doen van een onderzoek onder suboptimale omstandigheden of met een suboptimale methode moet nader ecologisch gemotiveerd worden. Het ontbreken van waarnemingen in een suboptimaal onderzoek sluit het voorkomen van de functie of de soort juridisch onvoldoende uit (zie ook blad 1. aanwijzing voor gebruik, punt 11).

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 14

{}: begrenzen een methode of experimentele methode die niet of niet onder alle omstandigheden zekerheid biedt over de afwezigheid van soorten. Ook bij abnormale omstandigheden (zoals tijdelijke verlichting of geluid) van de te onderzoeken locatie is het uitsluiten van aanwezigheid niet mogelijk (zie ook: 1. aanwijzingen voor gebruik 12 en 17). [ ]: beschrijven een nadere toelichting, begrenzing of verduidelijking. *: op de beschreven regel zijn uitzonderingen, zie bijvoorbeeld tabblad 1. Aanwijzingen voor gebruik, nummer 1. over wenselijkheid van ochtendbezoeken.

2.2 De definities van de criteria bij werkwijzen

periode van: data waartussen er maximale en suboptimale (tussen haakjes aangegeven) kansen zijn om een gebiedsfunctie van de soort waar te nemen als die zich voordoet. [maximaal donker]: 's zomers is het op veel plaatsen ook na zonsondergang bijvoorbeeld nog zeker een uur redelijk licht door reflectie van zonnestralen tegen de hemel of door andere omstandigheden (astronomische schemering). Een aantal soorten wordt pas actief wanneer die reflectie na ongeveer een uur afneemt. In bijvoorbeeld een bos is het voor vleermuizen vaak eerder donker genoeg. starttijd t.o.v. zonsondergang: tijd ten opzicht van het verdwijnen van de zon onder de horizon waarop de waarneming ten minste moet zijn begonnen. eindtijd t.o.v. zonsopkomst: tijd ten opzichte van het verschijnen van de zon boven de horizon waarop de waarneming kan worden beëindigd. #: Als het bijvoorbeeld in voor- of najaarsnachten snel afkoelt, valt de eindtijd eerder. aantal & duur veldbezoeken: het aantal keer dat er waarnemingen moeten worden gedaan en de tijd die daarbij ten minste moet worden besteed. periode tussen veldbezoeken: het aantal dagen, weken of maanden dat verstreken moet zijn voordat een vervolgwaarneming als relevant kan worden beschouwd. Hierbij moet het streven erop zijn gericht de veldwaarnemingen zo goed mogelijk te verdelen over de optimale periode voor elke waar te nemen functie per soort.

Bij een winterverblijfplaats verdient het aanbeveling de bezoeken te verdelen over weersomstandigheden met vorst en een gematigde temperatuur. werkwijze bij determinatie: technieken die kunnen worden ingezet om vast te stellen dat het die soort betreft, staan in een voorkeursvolgorde. Als bewijs voor de aanwezigheid van een lastige soort of voor een soort in afwijkende situaties, is in het kader van dit protocol, een sonogram van een op het waarneemmoment geregistreerde digitale opname meestal essentieel. Technieken tussen haakjes zijn niet altijd bruikbaar om de afwezigheid van soorten met zekerheid vast te stellen. Bij visuele inspectie van een object moeten alle voor vleermuis toegankelijke ruimten minutieus zijn Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 15

geïnspecteerd om gebruik uit te kunnen sluiten. Veel gebouwde objecten kunnen niet voldoende worden onderzocht met behulp van zichtwaarneming, endoscoop en spiegeltje. sporen: onder meer keutels, krabsporen en gebruiksvegen (bruinverkleuring van klierafscheidingen en vacht) bij een invliegopening. Sporen zijn een aanwijzing voor gebruik door vleermuizen, maar behoeven nader onderzoek om soorten en gebieds- of gebruiksfuncties aan te tonen of uit te sluiten. (massa)zwermlocatie: waarschijnlijke winterverblijfplaats of paarverblijfplaats waar een vleermuiskolonie (groep mannetjes en vrouwtjes) zich gedurende beperkte tijd (per nacht en herhaald over dagen) verzameld. Voor gewone dwergvleermuis dient hier onderscheid gemaakt te worden tussen paar- en zomerverblijfplaatsen die ook in zachte winters worden gebruikt, en verzamelpunten voor groepen dieren in de winter, die zwermgedrag vertonen. Hier is niet het zwermen bij een kraamkolonie bedoeld (zie hieronder). zwermen: In korte tijdsperiode invliegen door een (grote) kolonie. invasies: verschijnsel in augustus en september waarbij grote aantallen (vooral sub adulte) gewone dwergvleermuizen per ongeluk in woonruimten terecht komen. Dit doet zich vooral voor in de directe nabijheid van (massa-)winterverblijfplaatsen. sociale roep: melodieuze roep ter informatie van soortgenoten (mogelijk eventueel als uiting van gemoedstoestand).

baltsroep, werfroep of paarroep: melodieuze roep van mannetjes ter informatie over paringsbereidheid en/of aanduiding van locatie daarvoor. torpor: tijdelijke toestand van verlaagde lichaamsfuncties (temperatuur, hartslag, ademhaling, spijsvertering) in verblijfplaats ter overbrugging van periode waarin foerageren niet kosteneffectief is. fotobewijs: beeldmateriaal zoals foto of video waaruit de lichaamskenmerken en/of het vliegbeeld of de sporen, onmiskenbaar zijn te herleiden tot een soort. Als fotobewijs wordt voorgeschreven, is alleen zichtwaarneming onvoldoende.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 16

2.3 De definities van de criteria bij veldcondities

temperatuur hoger dan: voor zover bekend is, vertoont de soort het gedrag dat hoort bij de gebiedsfunctie niet beneden de aangegeven temperatuur. Als dit varieert in de loop van het seizoen staat die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij lagere temperaturen kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen of uitgesloten. windkracht minder dan: voor zover bekend is, vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven windsnelheden. Als dit varieert in de loop van het seizoen staat die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij verschillende windsnelheden kan de functie in andere delen van het plangebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij grotere windkracht kan de functie niet overal in het onderzoeksgebied betrouwbaar worden waargenomen. De ervaring leert dat boven windkracht 5 Bft geen onderzoek met detector valt te doen in open gebied. maximale neerslag: voor zover bekend is, vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven hoeveelheid regen. Bij verschillende hoeveelheden neerslag kan de functie in andere delen van het leefgebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij hogere neerslag kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.

2.4 gebruikte symbolen ( ): begrenzen een suboptimale periode of een in de loop van het seizoen afwijkende grenswaarde. Het doen van een onderzoek onder suboptimale omstandigheden of met een suboptimale methode moet nader ecologisch gemotiveerd worden. Het ontbreken van waarnemingen in een suboptimaal onderzoek sluit het voorkomen van de functie of de soort juridisch onvoldoende uit (zie ook blad 1. Aanwijzing voor gebruik, punt 11). {}: begrenzen een methode of experimentele methode die niet of niet onder alle omstandigheden zekerheid biedt over de afwezigheid van soorten. Ook bij abnormale omstandigheden (zoals tijdelijke verlichting of geluid) van de te onderzoeken locatie is het uitsluiten van aanwezigheid niet mogelijk (zie ook: 1. aanwijzingen voor gebruik 12 en 17). [ ]: beschrijven een nadere toelichting, begrenzing of verduidelijking.: op de beschreven regel zijn uitzonderingen, zie bijvoorbeeld tabblad 1. Aanwijzingen voor gebruik, nummer 1. Over wenselijkheid van ochtendbezoeken.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 17

3. Inschatten mogelijke aanwezigheid vleermuizen in een Wet natuurbescherming vooronderzoek

Inleiding Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten. Er dient in het vooronderzoek en/of de rapportage van het vleermuisonderzoek aangegeven te worden welke potenties/functies en soorten aanwezig kunnen zijn (in tekst en/of op kaart). Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. Dat blijkt vaak pas uit het (nader) onderzoek.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 18

5. Checklist Vleermuisprotocol 2021 Eindstraat Dongen Kernvraag: zijn er vleermuizen aanwezig in de saneren panden 1. Dikke bomen Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig? Antwoord is ja, een bomenrij

a.2b Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten? Zo niet, nader onderzoek naar (winter-,) kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van boom bewonende soorten. Antwoord is ja is uit te sluiten, bomen zijn ‘jong en vitaal ‘(geen holtes ed aanwezig)

b.2a Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding? Nader onderzoek naar vliegroutes van alle (in de omgeving) voorkomende vleermuissoorten. Antwoord, ja zou mogelijk kunnen zijn. Er zijn geen waarnemingen gedaan tijdens de veldopname c. 2c Maakt de boom (bomen) deel uit of vormt deze mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied? Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. Antwoord: zie vraag b.2a

2. Opgaande gewassen Is op of grenzend aan het plangebied één (of zijn meerdere) dunne bomen (doorsnede globaal. < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/gewassen > 1,5 meter aanwezig? Antwoord is ja, en vaak tijdelijk, het bedrijf is een boomteeltbedrijf met ook grotere bomen. Het verladen van bomen is naast de te slopen panden

a. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding (lijnelement)? Onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen. . Antwoord, ja zou mogelijk kunnen zijn. Er zijn geen waarnemingen gedaan tijdens de veldopnames

b. Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom (bomen)? Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boom bewonende soorten. Antwoord is nee

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 19

c. Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied (let vooral op kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)? Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. Antwoord is nee, de bebouwde kom en tuinen vallen ruim buiten het projectgebied

3. Open water Is er open water aanwezig? Antwoord is nee

a. Is er water?Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute), tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis (> 1m breed) en meervleermuis (> 2m breed). Antwoord is nee

b. Is er water in tenminste iets besloten gebied?Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) gewone of ruige dwerg-, baard-, brandt’s-, ingekorven, franjestaart, grijze en gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Antwoord is nee

c. Is er water in open gebied? Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vliegen/of migratieroute) tweekleurige-, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Antwoord is nee, open water/ sloot ( watergang) is ruim buiten projectgebied.

d. Heeft het water een mogelijk essentiële functie als drinkwater? Nader onderzoek naar functie voor alle soorten vleermuizen. Antwoord is nee, zie 3c

4. Open gebied Is er open gebied (> 1 ha)? Antwoord is nee, opengebied is ruim buiten projectgebied

a. Bestaat het plangebied uit moeras, grasland, akker of anderszins (denk bij < 500meter van water breder dan 2 meter extra aan meervleermuis)?Nader onderzoek naar gebruik door rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis. Antwoord is nee

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 20

5. Gebouwen Zijn er gebouwen aanwezig? Antwoord is ja, projectgebied zijn te saneren objecten/gebouwen.

a. Biedt het gebouw of bieden de gebouwen mogelijk winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening ter inzage vragen). Nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Antwoord; mogelijk er zijn enkele lage muren met openingen en spouw (deels) een klein deel heeft inpandig een aftimmering. Plaatsen zijn goed te bereiken, voor opname.

b. Zijn er sporen van aanwezigheid, poepvlekken, keutels, vraatresten, bruinverkleuring langs de rand van invliegopeningen en dergelijke? Nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen. Antwoord is nee, het projectgebied is goed afgezocht, geen sporen of verwijzingen aanwezig.

c. Mogelijk foerageergebied? Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. Antwoord, ja zou mogelijk kunnen zijn. Er zijn geen waarnemingen gedaan tijdens de veldopname

d. Zijn er lange, mogelijk in het duister liggende, muren aanwezig? Nader onderzoek naar gebiedsfuncties vlieg- en/of migratieroutes. Antwoord, de directe omgeving heeft verlichting die ook in de slopen panden komt. Panden zijn open en er komt licht door het dak wat deels open is.

e. bij hoogbouw is een aandachtpunt voor paarverblijfplaatsen voor tweekleurige vleermuis Antwoord, er is geen hoogbouw aanwezig

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 21

6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? a. Zijn deze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen? Antwoord, niet aanwezig Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, met de nadruk op winter-, en paarverblijfplaatsen? Antwoord, gebouwen zijn niet geschikt als winter en verblijfplaats. In de quickscan van Econsultancy is aangegeven dat massawinterverblijfplaatsen er niet zijn

7. Grootschalige landschapselementen Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen zoals kustzones, grootschalige dijken, duinenrijen, rivierdalen of waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen tussen zomer- en winterleefgebieden (zie kaart bijlage 7 op werkblad 1. Aanwijzingen voor gebruik). Antwoord, nee zijn niet aanwezig, het is een erf van een boomkwekerij. Op het terrein is de nodige activiteit mbt de boomkwekerij.

Nader onderzoek naar mogelijke migratieroutes van o.a. meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in voor- en najaar Antwoord, In de quickscan van Econsultancy is aangegeven dat er geen onderzoek hoeft plaats te vinden naar foeragegebied en vliegroutes. Tijdens veldwerk geen waarnemingen gedaan mbt foerage- en migratieroutes.

Randvoorwaarden en vervolg De conclusies uit de veldverkenning in combinatie met deze checklist, gekende verspreiding, de ligging in het landschap, de relatie met het landschap en de uitgebreide tabel van het protocol, geven de onderzoeksinspanning (tijdstip, omstandigheden frequentie per te onderzoeken soort) voor het nader onderzoek aan. Er is zowel in deze checklist als bij de uitgebreide tabel uit het protocol aangenomen dat de onderzoeker een ervaren ecoloog is die kennis heeft van het landschap en potentieel geschikte habitat voor vleermuizen kan identificeren. Er is getracht een beknopte werkbare tabel te maken, uitgaande van voldoende basiskennis van ecologie bij vleermuizen van de uitvoerende ecoloog.

Gebiedsbeschrijving Deze is opgenomen met foto onderbouwing in de quickscan van 26-6-2021 Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 22

Terrein bezoeken van de projectlocatie Terreinbezoeken hebben plaats gevonden op, dinsdag 27 april 2021, 19.00-22.00 h temperatuur ca 16C, aangenaam open weer, woensdag 12 mei 2021,5.00 -7.30 h bedekt weer, met ca 10C en donderdag 3 juni 19.00 -23.00 h met ca 20 c zomerse dag ,woensdag/donderdag 16-17juni 2021 21.00-02.00h , mooi zomers weer ca 25C overdag, laatste nacontrole 21 oktober 2021, ca 12C herfstweer, tijd 18.00-20.00h Onderzoek gericht op: voorkomen, verblijfplaatsen, mogelijke kraamplaatsen, foerage- en vliegroutes vleermuizen. Met het terreinbezoek werd op geluid en zicht geïnventariseerd. Voor het waarnemen op geluid is gebruik gemaakt van de Petterson D100. De Petterson D 100 is bijzonder goed bruikbaar om de vleermuisgeluiden/ echo waar te nemen. De inventarisatie heeft in en buiten de gebouwen plaats gevonden. Er werd ook bij de bomen gekeken naar mogelijke waarnemingen van vleermuizen (foerage en migratie) Tijdens de inventarisatie is de Petterson altijd aan, met de oorfunctie. Er is altijd aandacht voor social talk van vleermuizen. Er waren geen geluiden waar te nemen tijdens de veldbezoeken. Er is tijdens het terreinbezoeken goed gekeken op de door Econsultancy benoemde plaatsen. Dit was de lage spouwmuur met daarin de aanwezige gaten. Er werd achter de aanwezige aftimmering gekeken naar mogelijke verblijfplaatsen.

Hierbij werd gebruik gemaakt van een lichtbron. Er werden geen vleermuizen of sporen aangetroffen in de door Econsultancy beschreven plaatsen. Op andere plaatsen werden eveneens geen vleermuizen of sporen aangetroffen. Dit was ook zo bij de extra nacontrole.

Projectlocatie met de te saneren gebouwen.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 23

Er werden geen vleermuizen of sporen, geluiden van vleermuizen of verblijf aangetroffen. Er is tijdens het terreinbezoeken goed gekeken op de door Econsultancy benoemde plaatsen.

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 24

6. Conclusie vleermuizen Betreft Gebouw bewonende vleermuizen

Vastgesteld? Verblijfplaats: niet vastgesteld, geen sporen gevonden. Opstal/berging niet geschikt voor vleermuizen. Extra controle: geen vleermuizen of sporen, verwijzingen aangetroffen op de locatie

7. Aanbeveling De voorgenomen sloop of sanering op korte termijn gaan uitvoeren, ruim voor het broedseizoen. In de nieuwbouwplannen goed zichtbaar maken welke natuurinclusieve maatregelen er genomen worden. Dat kunnen ook maatregelen zijn voor vleermuizen. Het bedrijf heeft hiermee een voorbeeldfunctie voor de boomkwekerij.

8. Contactgegevens

HOLAG Adviesbureau & Uitvoeringsdeskundige Roosendaalsebaan 13 4885 KC Achtmaal +31 6 54295163 info@holag.eu / www.holag.eu

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 25

Aanvulling quickscan Wet natuurbescherming Eindstraat 61 Dongen Noord Brabant 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12862269/1