2021-007592 Bijl1e- quickscan Econsultancy
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING EINDSESTRAAT 61 TE DONGEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Eindsestraat 61 te Dongen Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Rapportnummer Versienummer
14828.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
19 februari 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
De heer N. Zwartjes, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw M.M.J. van der Aa, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 14 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Reptielen en vissen ........................................................................................................ 16 Ongewervelden............................................................................................................... 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 17
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 18 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Broedvogels .................................................................................................................... 18 Vleermuizen .................................................................................................................... 19 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 20 Amfibieën ........................................................................................................................ 20 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 21
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 22 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 22 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 23
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 25
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 14828.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Eindsestraat 61 te Dongen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen ingreep op de locatie. De initiatiefnemer is voornemens de gebouwen op de onderzoekslocatie te slopen en hier nieuwbouw te realiseren, ook zal een parkeerterrein gerealiseerd worden. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
R 14828.002 versie D1
Pagina 1 van 27
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 4.285 m²) ligt aan de Eindsestraat 61, circa 2,5 kilometer ten oosten van de kern van Dongen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een bebouwd perceel met twee schuren, een grasveld en een open opstal. Tussen de opstal en schuren in is gras aanwezig. De twee schuren zijn in het oostelijke deel van de onderzoekslocatie aanwezig en het grasveld in het zuidwestelijke deel. De twee schuren zijn opgetrokken uit verschillende materialen. Voor het onderzoek zijn de schuren opgedeeld in schuur 1 en schuur 2. Schuur 1 bestaat uit een grote en een kleine ruimte en is opgetrokken uit baksteen, de kleine ruimte is aan de binnenzijde deels betegeld. Schuur 2 bestaat uit een grote ruimte en is opgetrokken uit hout en baksteen. Beide schuren hebben een dak van golfplaten. De schuren worden gebruikt als opslag. De open opstal (3) die in het oostelijke deel van de onderzoekslocatie aanwezig is, is opgetrokken uit baksteen en heeft een dak van golfplaten. De open opstal (3) bevat ook klimop aan de buitenzijde van de muur. Direct ten noorden van de onderzoekslocatie ligt een stort van materialen, bestaande uit puin en betonnen elementen. Direct ten noorden van het puin loopt een greppel met talud van circa 45 graden, momenteel gevuld met water. Ook zijn er diverse agrarische percelen direct ten noorden en circa 600 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie aanwezig.
Op circa 500 meter afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt de N632 en op 1 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich het Wilhelminakanaal. Ten oosten van de onderzoekslocatie, op circa 1,5 kilometer afstand ligt het industrieterrein ‘Vossenberg I’. De woonwijken van Dongen beginnen circa 800 meter ten westen van de onderzoekslocatie.
R 14828.002 versie D1
Pagina 2 van 27
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
2 1 3
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie met de desbetreffende gebouwen (1 t/m 3) en directe omgeving.
Figuur 3. Noordkant van schuur 1.
R 14828.002 versie D1
Figuur 4. Westkant van schuur 2
Figuur 5. Noordkant van schuur 2.
Pagina 3 van 27
Figuur 6. Binnenzijde van schuur 1. Met aan de achterzijde de kleine ruimte die aan de binnenkant deels betegeld is.
Figuur 7. Kapotte golfplaat van schuur 1.
Figuur 8. Oostkant van schuur 1.
Figuur 9. Binnenzijde van schuur 2
Figuur 10. Oostkant van de open opstal (3).
Figuur 11. Binnenzijde van de open opstal (3).
Figuur 12. Stort van materialen, gelegen ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 13. Grasveld gelegen in het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 14. Aanwezige heg gelegen in het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie, ten noorden van het grasveld.
R 14828.002 versie D1
Pagina 4 van 27
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een bestemmingsplanwijziging aan te vragen, de gebouwen op de onderzoekslocatie te slopen en hier nieuwbouw te realiseren (figuur 15). Daarnaast zal er in het zuidwesten van de onderzoekslocatie, waar momenteel een grasveld aanwezig is, een parkeerterrein worden gerealiseerd. Voor de realisatie van het parkeerterrein dient een gedeelte van de heg verwijderd te worden.
Figuur 15. Schetsontwerp van de nieuwe situatie (Kees Jacobs Architect BNA, 2021).
R 14828.002 versie D1
Pagina 5 van 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 26 januari 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 14828.002 versie D1
Pagina 6 van 27
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 14828.002 versie D1
Pagina 7 van 27
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 14828.002 versie D1
Pagina 8 van 27
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 14828.002 versie D1
Pagina 9 van 27
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Deze groep betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze broedvogelsoorten zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, kerkuil, steenuil, slechtvalk, ooievaar, roek, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. De huismus is een koloniebroeder die in Nederland gebonden is aan gebouwen als broedlocatie. De huismus maakt gebruik van nissen in het dak, onder dakpannen of andere geschikte openingen, zoals gaten en kieren, om te broeden. Vanwege de afwezigheid van deze geschikte ruimtes in de schuren op de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de huismus op de onderzoekslocatie broedt. Tijdens het veldbezoek van de quickscan zijn op en in de omgeving van de onderzoekslocatie huismussen waargenomen (figuur 16), tijdens het veldbezoek is waargenomen dat de huismussen gebruik maken van de heg die op het westelijke deel van de onderzoekslocatie staat. Voor de realisatie van het parkeerterrein dient een gedeelte van de heg verwijderd te worden.
Indien de heg door de huismus gebruikt wordt als functioneel leefgebied, dan kan de voorgenomen een negatief effect hebben op de huismus (zie hoofdstuk 6). Nader onderzoek naar huismus wordt noodzakelijk geacht. De gierzwaluw is evenals de huismus een (semi-)koloniebroeder die in Nederland gebonden is aan gebouwen als broedlocatie. Nesten van de gierzwaluw worden veelal in kleine ruimtes achter dakgoten en regenpijpen, onder kanten nokpannen alsmede in gaten en kieren in muren gebouwd. Nestlocaties van gierzwaluwen bevinden zich minimaal op 3 meter hoogte en vereisen een vrije invliegroute. Alleen de nokken van de schuren op de onderzoekslocatie zijn hoger dan drie meter en hebben een vrije invliegroute. Deze nokken bevatten geen geschikte ruimte voor de gierzwaluw. Vanwege de afwezigheid van geschikte broedlocaties in de schuren op de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de gierzwaluw op de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect kan ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de gierzwaluw wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt het liefst bij stromend water in vegetatie of structuren die beschutting bieden. Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op of nabij de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen exemplaren waargenomen.
Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect kan ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht.
R 14828.002 versie D1
Pagina 10 van 27
De steenuil broedt vaak in natuurlijke holtes van bomen, en in rustige hoeken en nissen van gebouwen of schuren, vaak op boerenerven. Ook worden nestkasten voor de steenuil in bijvoorbeeld bomen bij weilanden of boomgaarden geplaatst. In schuur 2 zijn er braakballen van de steenuil gevonden, wat kan wijzen op een roestplek van de steenuil. Een lokale uilendeskundige van de uilenwerkgroep ‘Ken en Geniet’ heeft aangegeven dat er diverse nestkasten van de steenuil in de nabije omgeving hangen, de dichtstbijzijnde steenuilenkast hangt op 100 tot 200 meter afstand van de onderzoekslocatie. Indien de schuur gebruikt wordt als functioneel leefgebied, dan kan de voorgenomen ingreep verstorend of schadelijk zijn voor de steenuil (zie hoofdstuk 6). Nader onderzoek naar steenuil wordt noodzakelijk geacht. De kerkuil broedt veelal in nestkasten en zeer incidenteel in boomholten. Verder broedt de soort in toegankelijke hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken en torens. Tijdens het veldbezoek zijn er in de schuren en opstal geen nestkasten, sporen en mogelijke broedlocaties waargenomen van de kerkuil. Vanwege het ontbreken van een geschikte broedlocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de kerkuil op de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect kan ondervinden van de voorgenomen ingreep.
Nader onderzoek ten aanzien van de kerkuil wordt niet noodzakelijk geacht. De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals torens, kantoorgebouwen en fabrieksschoorstenen. Dit is niet aanwezig op de onderzoekslocatie, waardoor het redelijkerwijs uit te sluiten is dat deze soort broedt op de onderzoekslocatie en een negatief effect kan ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de slechtvalk wordt niet noodzakelijk geacht. De ooievaar broedt op ooievaarspalen en andere menselijke bouwwerken, maar soms ook in zelfgemaakte nesten in bomen. De roek maakt gebruik van agrarische gebieden om te foerageren en broedt in koloniën in hoge bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) exemplaren of grote nesten van deze soorten waargenomen op en nabij de onderzoekslocatie. Ook is de onderzoekslocatie niet geschikt als broedlocatie, vanwege het ontbreken van bomen. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken.
Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten, vanwege het ontbreken van bomen, of andere sporen van de bovengenoemde soorten waargenomen op de onderzoekslocatie. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Door het ontbreken van geschikt broedbiotoop op de onderzoekslocatie, vanwege de afwezigheid van bomen, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de bovenge-
R 14828.002 versie D1
Pagina 11 van 27
noemde soorten broeden op de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Tevens zijn er geen nesten op de onderzoekslocatie waargenomen tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek zijn eksters en een eksternest, circa 20 meter ten oosten van de onderzoekslocatie, waargenomen. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
Van de overige voorkomende broedvogels zijn de nesten alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Tijdens het veldbezoek zijn twee nesten waargenomen in de open opstal (3) (figuur 17). Tevens zijn de bomen en struiken nabij de onderzoekslocatie en de klimop op de onderzoekslocatie potentieel geschikt broedhabitat voor verschillende algemene broedvogelsoorten, zoals houtduif, merel en roodborst, die zijn waargenomen tijdens het veldbezoek. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Figuur 16. Huismus aanwezig op een opstal, ten westen van de onderzoekslocatie.
5.2
Figuur 17. Aanwezige duivennest in de open opstal (3), vermoedelijk afkomstig van een houtduif.
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF, van de afgelopen vijf jaar en binnen enkele kilometers, en de verspreidingsatlas zoogdieren is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De schuren en de opstal op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de ruimte onder de dakrand. De schuren en opstal zijn allemaal geschikt voor de gewone grootoorvleermuis, gezien de aanwezigheid van steunbalken. In gebouw 1 zijn vlindervleugels van de dagpauwoog gevonden, wat kan duiden op de aanwezigheid van een gewone grootoorvleermuis (figuur 18). Verder is er aan de binnenzijde van schuur 1 op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen en beplating waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 19). In schuur 2 zijn er verscheidene openingen, zowel aan de buitenzijde als binnenzijde, die toegang verlenen tot de spouw (figuur 20). De andere gebouwen beschikken niet over een spouw. Doordat de bebouwing circa 4 meter hoog is, is het te laag en te klein in omvang als massawinterverblijfplaats en tevens ongeschikt als zwermplaats voor de gewone dwergvleermuis.
De bebouwing wordt derhalve als ongeschikt geacht als massawinterverblijfplaats. De bebouwing is echter wel ge-
R 14828.002 versie D1
Pagina 12 van 27
schikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en individueel winterverblijfplaats (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie is ongeschikt voor boombewonende vleermuizen, zoals rosse vleermuis en watervleermuis, vanwege het ontbreken van bomen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Buiten de onderzoekslocatie, op circa 10 meter van de onderzoekslocatie af, bevinden zich diverse woningen die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen, gelet op de aanwezigheid van open stootvoegen en ruimte achter beplating (figuur 21 & 22). Direct ten oosten van de onderzoekslocatie staat een rij bomen, deze bomen kunnen een mogelijke verblijfplaats zijn voor boombewonende vleermuissoorten, zoals de rosse vleermuis en watervleermuis. Door het treffen van maatregelen kan verstoring van eventueel aanwezige verblijfplaatsen in de gebouwen en bomen op voorhand voorkomen worden (hoofdstuk 6).
Figuur 18. Vlindervleugels gelegen in schuur 1.
Figuur 19. Ruimte tussen tegels en betimmering (aangegeven met rode cirkel), aanwezig aan de binnenzijde van schuur 1.
Figuur 21. Open stootvoeg, aanwezig aan de buitenkant van het gebouw direct ten westen van de onderzoekslocatie.
Figuur 22. Ruimte achter beplating, aanwezig aan de buitenkant van het gebouw direct ten westen van de onderzoekslocatie.
Figuur 20. Gat in de muur, gelegen op circa 1,5 meter boven de grond, die toegang verleent tot de spouw aan de binnenzijde in schuur 2.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de omliggende weilanden en groene tuinen van de omliggende woningen. Om de functionaliteit van het omliggende foerageerhabitat te behouden kunnen maatregelen getroffen worden en kan op voorhand verstoring voorkomen worden (hoofdstuk 6).
R 14828.002 versie D1
Pagina 13 van 27
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, gevels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomen ten oosten van de onderzoekslocatie kunnen als potentiële vliegroute fungeren. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie kan verstoring optreden van de potentiële vliegroute. Door het treffen van maatregelen kan verstoring van eventueel aanwezige vliegroutes op voorhand voorkomen worden (hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren in de provincie Noord-Brabant: wezel, das en eekhoorn De wezel leeft bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap zoals bossen, wei- en akkerland. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, steenhopen, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen. Daarnaast eten ze ook bosmuizen, (woel)ratten, vogels, eieren, en sporadisch jonge konijnen en haasjes. Wezels doorkruisen hun leefgebied regelmatig en slapen op verschillende rustplaatsen in dat gebied. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de wezel, omdat geschikte verblijfsmogelijkheden, habitatskenmerken en holen ontbreken. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van marterachtigen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Nader onderzoek naar de wezel wordt niet noodzakelijk geacht. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving.
De waarnemingen van de das hebben betrekking tot nabijgelegen open percelen, die circa 1,5 km ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie liggen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de das wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de eekhoorn. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos, waardoor de bomen rondom de onderzoekslocatie niet een geschikt habitat zijn. Er zijn ook geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Vanwege ongeschikt habitat en de afwezigheid van eekhoornnesten kan de aanwezigheid van een vaste rust of voortplantingsplaats van de eekhoorn worden uitgesloten.
Verstoring ten aanzien van de eekhoorn als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de eekhoorn wordt niet noodzakelijk geacht. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.
R 14828.002 versie D1
Pagina 14 van 27
De onderzoekslocatie, met name het omliggende groen, is geschikt voor grondgebonden zoogdieren als de huisspitsmuis en egel om te verblijven. Voor deze algemeen voorkomende soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt (zie hoofdstuk 6). 5.4
Amfibieën
Alle amfibieën in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de rugstreeppad, alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander waargenomen. De rugstreeppad is een streng beschermde soort en heeft een voorkeur voor natuurlijke of door mensen veroorzaakte zanderige gebieden. Voorbeelden van geschikte terreinen zijn braakliggende bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen en uiterwaarden, maar ook meer stabiele gebieden als ondergelopen weilanden en sloten in akker- en graslandgebied. De soort heeft een goed vergraafbare bodem nodig en structuren om onder te schuilen, en plant zich veelal voort in ondiep (tijdelijk) water dat snel opwarmt. Op de onderzoekslocatie bevindt zich in de huidige situatie matig geschikt landhabitat voor de rugstreeppad gezien het terrein geen goed vergraafbare bodem heeft. Op de onderzoekslocatie zijn echter wel schuilmogelijkheden aanwezig in de vorm van dekkend onkruid, takkenhopen en een stort van materialen.
Hiernaast is de rugstreeppad een typische pionierssoort, waarvan het bekend is dat ze kunnen worden aangetrokken tot een projectlocatie vanwege het habitat met goed vergraafbare zand- of grondhopen dat wordt gecreëerd tijdens sloop- en bouwwerkzaamheden. Tijdens werkzaamheden kan de onderzoekslocatie een geschikt zomer- en winterhabitat bieden voor de rugstreeppad. De onderzoekslocatie biedt in de huidige situatie geschikt voortplantingshabitat door de aanwezigheid van ondiepe plassen. Echter kunnen deze plassen opgedroogd zijn in de voortplantingsperiode. Het wordt aannemelijk geacht dat mogelijk aanwezige individuen van rugstreeppad een negatieve invloed ondervinden door de werkzaamheden. Tevens zijn tussen de waarnemingen van de verspreidingsgegevens, op 2,5 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie, en de onderzoekslocatie geen barrières aanwezig in de vorm van grote watergangen of grote wegen. Derhalve moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van de rugstreeppad op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar rugstreeppad wordt noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6). De alpenwatersalamander is weinig kieskeurig wat betreft zijn landhabitat, het landhabitat moet wel nabij een voortplantingsbiotoop liggen. De soort wordt onder andere aangetroffen op zandbodems, in weidelandschappen, struwelen en parken, maar ook regelmatig in sloten en tuinen.
Geschikt landhabitat bestaat wanneer er een voortplantingsbiotoop relatief nabij de omgeving aanwezig is. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei typen water, zolang het maar niet te stromend is, het water niet kan droogvallen en er weinig vissen aanwezig zijn. In de nabije omgeving van de onderzoekslocatie is er geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig, de plassen die momenteel aanwezig zijn, zijn te ondiep en kunnen mogelijk droogvallen tijdens de voortplantingsperiode. In de nabije omgeving van de onderzoekslocatie, circa 20 meter ten noorden van de onderzoekslocatie, ligt een greppel gevuld met water. Het water is te ondiep en de greppel kan ook droogvallen tijdens de voortplantingsperiode. Tevens zijn tussen de waarnemingen van de verspreidingsgegevens, op 2,5 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie, en de onderzoekslocatie barrières aanwezig in de vorm van grote watergangen en grote wegen. Het is daarom voor deze soort redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op de onderzoekslocatie voorkomt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek naar alpenwatersalamander wordt niet nodig geacht.
R 14828.002 versie D1
Pagina 15 van 27
Voor de soorten bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming. De bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geven de voorkeur aan habitat met bosjes, overhoekjes en ruigten in kleinschalige landschappen met een vochtige bodem. Zij komen dan ook geregeld voor in bossen, parken, tuinen en weilanden. De overhoekjes op de onderzoekslocatie bieden hierdoor een potentieel geschikt landhabitat voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie geen waarnemingen gedaan van bovengenoemde soorten. Indien deze algemene amfibiesoorten aanwezig zijn tijdens de voorgenomen werkzaamheden, kunnen negatieve gevolgen voor hen ontstaan, waardoor het zaak is om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.5
Reptielen en vissen
Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan de habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie wel de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. Deze waarneming heeft echter betrekking tot het natuurgebied ‘Huis ter Heide’, wat circa 2,5 km ten oosten van de onderzoekslocatie ligt. Door afwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie is het derhalve redelijkerwijs uit te sluiten dat de onderzoekslocatie in gebruik is door reptielen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.6
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
R 14828.002 versie D1
Pagina 16 van 27
5.7
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en erf is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.
R 14828.002 versie D1
Pagina 17 van 27
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1
Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus De huismus en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van de huismus vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nestplaatsen en functioneel leefgebied van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie functioneel leefgebied aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming en zal er mogelijk een ontheffing verkregen moeten worden. Om vast te stellen of de desbetreffende heg onderdeel is van het functioneel leefgebied van de huismus dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soort. Voor de huismus valt het broedseizoen tussen 1 april en 20 juni. Deze periode betreft een richtlijn voor het uitvoeren van nader onderzoek, waar in beperkte mate binnen het inventarisatieprotocol van kan worden afgeweken.
Voor het nader onderzoek naar de huismus dienen twee gerichte veldbezoeken plaats te vinden in de periode 1 april tot en met 15 mei, of vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot 20 juni (Kennisdocument ‘huismus’ van BIJ12). Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • •
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.
Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het
R 14828.002 versie D1
Pagina 18 van 27
broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). De onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het functioneel leefgebied, vanwege de aanwezigheid van de soort in de omgeving en de geschikte bebouwing, als roestplek, en draagt daarmee mogelijk bij aan het functioneren van de voortplantingsplaats (nestkast) in de nabije omgeving. Wanneer functioneren van de voortplantingsplaats in het geding komt is er spraken van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is benodigd om de functie van de onderzoekslocatie voor de betreffende soort te bepalen. Voor het nader onderzoek naar de steenuil dienen drie gerichte veldbezoeken plaats te vinden in de periode 1 februari tot en met 30 april (Kennisdocument ‘steenuil’ van BIJ12). 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor gebouwbewonende vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De gebouwbewonende vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. De verblijfplaatsen die onderzocht dienen te worden zijn zomer-, kraam-, paar- en individuele winterverblijfplaatsen. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2021).
Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met septem-
R 14828.002 versie D1
Pagina 19 van 27
ber een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie, foerageergebied en vliegroutes Met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie, in de omgeving foeragerende vleermuizen en potentiële vliegroute wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken. Door de verlichting vleermuisvriendelijk in te richten zullen de mogelijke verblijfplaatsen, het foerageergebied en de potentiële vliegroute niet in zijn functie beperkt worden.
Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de plaatsing van de verlichting is niet hoger dan aanwezige open stootvoegen en dakrand, de armaturen zijn weggericht van de naastgelegen woningen en bomen, en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Door rekening te houden met de kwetsbare periode van deze soorten wordt voldoende aan de zorgplicht voldaan. Wanneer gewerkt wordt tijdens de kwetsbare periode wordt geadviseerd om te werken conform een ecologisch werkprotocol.
Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om een separaat op maat gemaakt ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. 6.4
Amfibieën
Rugstreeppad De rugstreeppad is een beschermde inheemse diersoort volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soort in zijn natuurlijk verspreidingshabitat opzettelijk te doden, vangen of verstoren, alsook om de voortplantings- en rustplaatsen van de soort te beschadigen of vernielen. Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de rugstreeppad aanwezig zijn, zoals voortplantingslocatie of schuil- en overwinteringslocaties, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zullen de voorgenomen
R 14828.002 versie D1
Pagina 20 van 27
ingrepen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Hierdoor wordt nader onderzoek met betrekking tot de rugstreeppad noodzakelijk geacht. Nader onderzoek tussen de maanden april en juli is noodzakelijk om vast te stellen of, en zo ja, voor welke functies de rugstreeppad de onderzoekslocatie gebruikt. Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden) van de rugstreeppad bevinden. Algemene soorten De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden.
Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Aantoonbaar werken volgens de zorgplicht kan gebeuren middels het laten opstellen van een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Het ecologisch werkprotocol is een document waarin beschreven staat hoe te handelen omtrent de te verwachten licht beschermde amfibieënsoorten. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
R 14828.002 versie D1
Pagina 21 van 27
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen en tevens stikstofgevoelige Natura 2000gebied, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, bevindt zich op circa 1,3 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 23).
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de ingreep, sloop en nieuwbouw, op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).
R 14828.002 versie D1
Pagina 22 van 27
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 24 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland/Brabant weergegeven.
Figuur 24. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland/Brabant.