2021-007592 Bijl1b- archeologisch onderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK EINDSESTRAAT 61 TE DONGEN GEMEENTE DONGEN
Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Eindsestraat 61 te Dongen Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Rapportnummer
14828.001
Versienummer1
1
Datum
5 maart 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw P. Beurskens, MA
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Boxmeer Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
14828.001
Toponiem
Eindsestraat 61
Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte
Gemeente
Dongen
Plaats
Dongen
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Dongen, sectie M, nummer 214
Omvang plangebied
circa 4.090 m2
Kaartblad
44G (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 126.116 /Y: 403.211
Bevoegde overheid
Gemeente Dongen Hoge Ham 62 5104 JJ Dongen T: 14 0162 E: www.dongen.nl
Contactpersoon: De heer J. Schellekens E: john.schellekens@dongen.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Monumentenhuis Brabant Markt 9 4931 BR Geertruidenberg
Contactpersoon: Mevrouw K. Kersten E: k.kersten@monumentenhuisbrabant.nl
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
4955770100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Boxmeer/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerders
Econsultancy, Mevrouw P. Beurskens, MA, (KNA Prospector), de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en de heer N. Otten (stagiair)
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte in maart 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Eindsestraat 61 te Dongen in de gemeente Dongen. In het plangebied zal de huidige bebouwing worden gesloopt en een nieuwe bedrijfsloods worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek geldt er een lage verwachting voor de jagers en verzamelaars tijdens het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum vanwege de landschappelijke ligging. Tijdens het Neolithicum tot en met de Late-IJzertijd was de dekzandrug een geschikte bewoningslocatie waardoor een hoge verwachting geldt. In de Midden-IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen is het plangebied overgroeid met veen. Het veen wordt in de Late-Middeleeuwen ontgonnen waarbij ook eventuele vondsten en sporen uit de Midden-IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen zullen zijn verdwenen. Er geldt een lage verwachting voor deze periodes.
Voor de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting voor sporen van de ontginningen en een lage verwachting voor bewoningssporen. Op basis van de historische kaarten blijkt dat het zuidelijk deel vanaf het begin van de 19 e eeuw is bebouwd. Het overige deel is in gebruik als achterterrein/ landbouwgrond en wordt doorsneden door een weg. Voor het zuidelijke deel geldt een hoge verwachting voor historische bebouwing en voor de rest van het gebied een hoge verwachting voor infrastructuur en sporen van agrarisch gebruik. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een donkerbruin geel gevlekte laag die is geïnterpreteerd als verstoring. De diepte van de verstoring varieert tussen 80 tot 160 centimeter onder het huidige maaiveld. De onderliggende laag betreft grijs rivierzand van de Formatie van Sterksel.
Rapport 14828.001 versie 1
Conclusie De verwachte eerdgrond en dekzandafzettingen op basis van de gegevens van het bureauonderzoek zijn niet waargenomen vanwege de verstoring. De verstoring is waarschijnlijk veroorzaakt door de bouw van de huidige stallen/loodsen en de eerdere agrarische werkzaamheden. De hoge verwachting voor het Neolithicum tot en met de Vroege-IJzertijd, de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kunnen worden bijgesteld naar laag. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Dongen), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14828.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 19
Rapport 14828.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale Minuut Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1897 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1936 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1969 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1981 Bouwdossiers Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 3 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 14828.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Eindsestraat 61 te Dongen in de gemeente Dongen (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft voornemens om de huidige bebouwing te slopen en een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in maart 2021 door mevrouw P. Beurskens, MA (KNA Archeoloog/ KNA Prospector) en de heer N. Otten (stagiair). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd door mevrouw P. Beurskens, MA (KNA Archeoloog/ KNA Prospector) en de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. A.H.
Schutte (Senior KNA Archeoloog/Senior KNA Prospector).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);
SIKB.
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 1 van 20
beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Dongen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 4.090 m2, ligt aan de Eindsestraat 61, ongeveer 2,5 kilometer ten zuidoosten van de kern van Dongen in de gemeente Dongen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 5,4 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Dongen, sectie M, nummer 214. Volgens de topografische kaart van Nederland, 44G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 126.116/Y: 403.211. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel bebouwd bestaand uit drie oude bedrijfsgebouwen.
De rest van het plangebied bestaat uit verharde wegen en gras (zie figuur 3).
4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 2 van 20
Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dongen’ (vastgesteld op 10-02-2020). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld.5 Op de beleidskaart van gemeente Dongen ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (Figuur 4). 6 Omgevingsrapportage De provincie initieert middels Omgevingsrapportage inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering).
Ook laat Omgevingsrapportage zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op Omgevingsrapportage voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen Omgevingsrapportage geen milieuhygiënisch onderzoeken uitgevoerd.7 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zullen de oude bedrijfsgebouwen (totaal 1.200 m 2) worden gesloopt. Hiervoor in de plaats zal een werkruimte van 1.100 m 2 worden gebouwd waarin grote bomen voor transport gereed worden gemaakt. Ten zuidwesten van de werkruimte wordt een kantoor en een spreekkamer gerealiseerd met parkeerplaats. Dit gebouw heeft een oppervlakte van circa 225 m 2 (zie bijlage 5). De diepte van de funderingen is nog niet bekend. Over het algemeen worden funderingen aangelegd tot een diepte van 80 tot 100 centimeter onder het maaiveld. Er zullen geen kelders worden gerealiseerd.8 De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Koopmanschap et al., 2010. 7 Omgevingsrapportage Noord-Brabant. 8 Mailwisseling tussen de heer J. Dingemanse (Rho Adviseurs) en mevrouw. P. Beurskens (Econsultancy), d.d. 2-3-2021. 6
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 3 van 20
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie9
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk; stuifzand (Bx1) met hieronder de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (Bx6)
Paleogeografie10
Dekzandgebied, vanaf 500 voor Chr. (periode Midden-IJzertijd) tot 1500 na Chr. (LateMiddeleeuwen) afgedekt met een veendek
Geomorfologie11
Dekzandrug-of kopje (3L5)
Bodemkunde12
Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21)
Grondwatertrap
VI
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het Brabants zandgebied. De landschappelijke ontwikkeling van dit gebied begint tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.150 jaar geleden). In de koudste fase van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (28.000 – 13.000) zijn voornamelijk nat-eolische zanden afgezet. Deze zanden zijn als een zacht golvende deken afgezet over het landschap, door wind in combinatie met sneeuwsmeltwater. De zanden worden ook wel Oude Dekzanden of ten dele verspoelde dekzanden genoemd en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend.13 De afzettingen bestaan overwegend uit zeer fijn tot matig fijn, siltarm tot siltig zand, waarin ook leembandjes en grindsnoertjes kunnen voorkomen. Tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.150 jaar geleden) verbetert het klimaat. De permafrost verdwijnt, het land raakt begroeid en er komt een einde aan grootschalige sedimentatie van nat-eolische zanden. Tijdens de koude fases van het Laat-Glaciaal, de Oude Dryas (12.000 - 11.800 jaar geleden) en de Jonge Dryas (10.800 – 10.150 jaar geleden), is er sprake van discontinue permafrost. Het vegetatiedek breekt open en lokaal kan zand gaan verstuiven. Dit zand, dat in ruggen en kopjes wordt afgezet, wordt ook wel Jong Dekzand genoemd en vormt binnen de Formatie van Boxtel het Laagpakket van Wierden.
De afzettingen zijn beter gesorteerd dan de nat eolische zanden en bestaan uit matig fijn, zwak siltig zand. Tijdens de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.150 jaar geleden), verbetert het klimaat weer, het land raakt begroeid en er treedt bodemvorming op. Erosie en sedimentatie blijven beperkt tot de beekdalen. Beekafzettingen vormen het Laagpakket van Singraven binnen de Formatie van Boxtel. Vanaf het Atlanticum (7.000 – 3.000 jaar geleden) vindt op grote schaal veenvorming plaats, waarbij ook grote delen van het dekzandlandschap door veen worden overdekt. Dit veen is in de loop van de Middeleeuwen veelal verdwenen door turfwinning of door oxidatie. Volgens de paleogeografische kaarten van Vos en De Vries (2015) is het plangebied tussen 500 voor Chr. en 1500 voor Chr. door veen overdekt geraakt. Het veen is in de Late-Middeleeuwen afgegraven voor turfwinning, waardoor dekzanden weer aan het maaiveld zijn komen te liggen. Vanaf de Late-Middeleeuwen ontstaan door bodemdegradatie als gevolg van overbegrazing en het steken van plaggen lokaal zandverstuivingen. Deze zanden vormen het Laagpakket van Kootwijk binnen de Formatie van Boxtel. Volgens de paleogeografische kaarten van Vos en De Vries heeft in het centrale deel van het plangebied zandverstuiving plaatsgevonden.14
9
De Mulder et al., 2003. Vos & De Vries, 2013. 11 Wageningen Environmental Research, 2017. 12 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 13 De Mulder et al., 2003. 14 Vos & De Vries, 2013??????. 10
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 4 van 20
DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.16 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een dik pakket dekzand van circa 1,80 tot 3 meter onder het huidige maaiveld. Het dekzand behoort tot de Formatie van Boxtel. Onder het dekzand bevindt zich matig grof zand wat is geïnterpreteerd als rivierzand wat behoort tot de Formatie van Sterksel. Er is geen stuifzand waargenomen zoals verwacht wordt op basis van de geologische kaart van Nederland. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een dekzandrug- of kopje (3L5). Ten zuiden van het plangebied ligt een lage landduin met bijbehorende vlakten/laagten (3L8) en twee laagtes ontstaan door afgraving (3N8).
Ten noorden en ten zuiden van het plangebied ligt een terrasafzettingsvlakte bedekt met dekzand (2M20a) (zie figuur 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op de rand van een dekzandrug op een hoogte van circa 5,4 meter +NAP. Deze dekzandrug loop van noordwest naar zuidoostelijke richting. In het noorden van het plangebied is een verhoging te zien, deze verhoging ligt op een hoogte van 5,7 m +NAP. Op basis van de rechte lijnen, is dit zeer waarschijnlijk een onnatuurlijke hoogte (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond met leemarm en zwak lemig zand (zEZ21) (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen.
Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeolo-
15
Dinoloket. DINO boornummers B44G0260, B44G0140, B44G0364, B44G0365. 17 AHN. 16
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 5 van 20
gische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.18 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog.
Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling19
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke be-
18
Doesburg et al., 2007. Locher en De Bakker, 1990. 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 19
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 6 van 20
leidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied 21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Ook in het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureau- en booronderzoeken (verkennend/karterend) (zie bijlage 2 en figuur 8). Van het dichtstbijzijnde onderzoek, onderzoeksmeldingnummer 2199615100, is geen rapport bekend in Archis of Dans Easy. Eindsestraat 76 (onderzoeksmeldingnummer 4858457100) Aan de Eindsestraat 76, circa 200 meter ten zuidoosten van het onderhavige plangebied, heeft een bureau- en booronderzoek plaatsgevonden. Uit het booronderzoek blijkt dat door afgraving voor zandwinning de ondergrond tot een diepte van 75-110 centimeter onder het maaiveld 4,2 – 4,5 meter +NAP) verstoord is geraakt. Het oorspronkelijke dekzandpakket is hierdoor verdwenen in het plangebied.
De aangetroffen natuurlijke afzettingen bestaan uit verspoeld dekzand, waarin geen aanwijzingen voor bodemvorming zijn aangetroffen. Door deze afgraving kunnen de archeologische verwachtingen worden bijgesteld naar laag voor alle archeologische periodes. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor toekomstige ontwikkelingen. 23 Eindsestraat 25 (onderzoeksmeldingnummer 4012889100) Circa 450 meter ten westen van het plangebied bevindt zich Eindsestraat 25. Voor dit terrein is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw bestaat uit een plaggendek op dekzandafzettingen. De dikte van het plaggendek varieert; in het zuidelijk deel is dit dikker dan in het noordelijk deel van het plangebied. In één boring is een restant van een podzolbodem aangetroffen. In het zuidoostelijke deel van het plangebied is de bodem recent verstoord waarbij een puinpakket van ongeveer 60 centimeter dik is opgebracht. Omdat er maar in één boring een restant van de oorspronkelijk podzolbodem is aangetroffen, kan geconcludeerd worden dat het oorspronkelijke bodemprofiel is afgetopt tot in de C-horizont.
Hierdoor kunnen de archeologische verwachtingen van het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld naar laag. De verwachting van de periode Neolithicum tot en met Middeleeuwen kan gehandhaafd worden. Het puinpakket dat in het zuidoosten is aangetroffen is waarschijnlijk opgebouwd uit puin dat is vrijgekomen bij de sloop van de boerderij. Of er nog funderingen van de oude boerderij in de ondergrond aanwezig zijn, is op basis van dit onderzoek niet te concluderen. Er wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De bevoegde overheid (Monumentenhuis Brabant te Geertruidenberg) heeft het advies beoordeeld en geadviseerd om het gebied vrij te geven en geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.24
21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archis onderzoeksmeldingnummer 4858457100. 24 Kalisvaart, 2010. 22
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 7 van 20
Oude baan (onderzoeksmeldingnummer 2093975100) Het plangebied Oude Baan ligt 500 meter ten zuidwesten van het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in (een deel van) het plangebied een afgraving heeft plaatsgevonden. De diepte en de omvang van de afgraving is onbekend. Desondanks geldt er een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit alle periodes op de locaties waar geen afgraving heeft plaatsgevonden. Tijdens het booronderzoek is de afgraving bevestigd. De ondergrond blijkt door de afgraving tot een diepte van 75-110 centimeter onder het maaiveld (4,2 – 4,5 meter +NAP) verstoord geraakt. Het oorspronkelijke dekzandpakket is hierdoor verdwenen in het plangebied. De aangetroffen natuurlijke afzettingen bestaan uit verspoeld dekzand, waarin geen aanwijzingen voor bodemvorming zijn aangetroffen. Op basis van de resultaten van het bureau- en booronderzoek wordt er geen vervolgonderzoek geadviseerd.25 Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan ook geen vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 8). Wetenschappelijke publicaties en archieven In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd anders dan de hierboven besproken publicaties.
Voor aanvullende informatie over de huidige bebouwing is bij het gemeentelijk archief een aanvraag voor bouwdossiers gedaan. Verder is er contact opgenomen met de lokale heemkundekring. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Dongen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 3. De naam ‘Dongen’ is ontstaan uit ’Donk-Aa’ en wordt voor het eerst schriftelijk vermeld in 1269 als Donga.27 Een donk is een zandige ophoping in een moerassig gebied. Met Aa wordt het riviertje bedoeld dat langs zo’n donk stroomde. In 1281 leende Willem van Hoorne en Altena, heer van Loon op Zand, een deel van het huidige grondgebied van Dongen aan Wouter Volckaert. Ten oosten van de rivier de Donge richtte in 1287 dezelfde Willem de afzonderlijke heerlijkheid Dongen op. Beide delen van Dongen kwamen in de daaropvolgende eeuw in handen van Willem van Duvenvoorde.
Hij verkocht in 1350 zijn woning en landerijen aan zijn dochter Beatrijs en haar man Roelof van Dalem, die daarmee de eerste Heer en Vrouwe van de ’Heerlijckheid Dongen’ werden.
25
De Boer, 2005. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27 Berkel en Samplonius, 1995. 26
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 8 van 20
De ligging van Dongen is van grote invloed geweest op hun geschiedenis. Het dorp ondervond voortdurend ernstige overlast van de langs trekkende legers. In juni 1672 werden Dongen gedeeltelijk platgebrand door een Franse legerbende. Er was al vroeg bebouwing in de kernen rond de Heuvel en de huidige Kerkstraat. De huizen werden gebouwd op een smalle zandrug, een uitloper van de Drunense Duinen. De huizen stonden er hoog en droog, er was voldoende drinkwater en er waren vruchtbare akkergronden en uitgestrekte weiden. Bovendien lagen er veengronden om turf te steken. Dit werd gebruikt als brandstof. Een eigen gebedshuis had een groot aandeel bij het ontstaan van de dorpskom. De eerste kapel werd in, of misschien al vóór de 12e eeuw gebouwd. Op deze plek staat nu de Protestantse kerk. Binnen het schip van de huidige kerk liggen de funderingen van die eerste kapel. De kerk werd rond 1450 over de kapel heen gebouwd. Toen deze klaar was, is de kapel afgebroken. In de 17e eeuw was landbouw de belangrijkste bron van inkomsten voor de bevolking van Dongen. Later vond in het dorp de fabricage van waterlaarzen en pantoffels plaats. In deze nijverheid lag de grondslag van de lederindustrie die vooral in de 19e eeuw enorm toenam. Het merendeel van de beroepsbevolking verdiende met deze nijverheid de kost.
Na de Tweede Wereldoorlog nam dat af, maar nog steeds zijn er veel looierijcomplexen in Dongen. De in Dongen gevestigde congregaties van de zusters Franciscanessen van Dongen en de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes gaven les aan de kweekschool. Leden van de congregaties, maar ook talloze leken haalden hier hun akte van bekwaamheid. 28 Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant29 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een archeologisch landschap. Het plangebied ligt in het cultuurhistorisch landschap ‘Langstraat’. Het landschap de ‘Langstraat’ is een middeleeuws veenontginningslandschap. De Langstraat bestaat nu uit een noordwaarts afhellende dekzandvlakte met veenresten, waar de dorpenreeks van Baardwijk tot Raamsdonkj op ligt en de zuidelijker gelegen veenontginningen van ’s-Gravenmoer, Dongen en westelijk Loon op Zand. Vroeger bestond vrijwel het hele gebied uit veen.
Het veen is door de eeuwen verdwenen door landbouw en turfwinning. De Langstraat is in de Late-Middeleeuwen (1050 na Chr. – 1500 na Chr.) ontgonnen. Het gebied waartoe het plangebied hoort is een agrarische ontginning en turfwinning.30 De veenontginning van de Langstraat wordt gekenmerkt door de typische strokenpercelering met elzensingels, dijken en kades. De lange smalle percelen en het dichte slotenpatroon staan haaks op de ontginningsbasis. De oudste ontginningen kenden het recht van opstrek, dat wil zeggen dat de percelen steeds verder in het veen konden worden verlangd. In ’s-Gravenmoer was de oever van de Donge ontginningsbasis, in Dongen werd daarvoor een dekzandrug gebruikt. In deze plaatsen hadden de hoevestroken een vaste lengte zonder opstrekrecht. De boeren konden dus niet hun land verder uitbreiden door het verlengen van de sloten. Het westelijke deel van de Langstraat heeft een landelijk karakter. Hier liggen langgerekte lintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Volgens de turfdatabank van de 28
http://www.dongen.nl/Over_de_Gemeente/Historie. Cultuurhistorische Waardenkaart, provincie Noord-Brabant. 30 Turfdatabank, provincie Antwerpen. 29
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 9 van 20
provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders31, behoort het plangebied tot de oostelijke rand van het voormalige veengebied, tegen het dekzandgebied aan. 32 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut33
1817
Gemeente Dongen, Sectie C, Blad 03
1:2.500
Het plangebied bestaat uit vier percelen. Het zuidelijk deel is gebouwd.
Lintbebouwing aan de Eindsestraat ten zuiden van het plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1870
605
1:50.000
Door het plangebied loopt een weg. Zuidelijk deel bebouwd.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1897
605
1:50.000
-
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
605
1:50.000
-
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1920
605
1:50.000
-
-
Topografische kaart
1936
44G
1:25.000
Het plangebied bestaat uit één perceel en is in gebruik als weiland.
De omliggende percelen worden ook opnieuw ingedeeld.
Topografische kaart
1947
44G
1:25.000
-
-
Topografische kaart
1959
44G
1:25.000
-
-
Topografische kaart
1969
44G
1:25.000
Zuidelijk deel is bebouwd.
In de omgeving worden meerdere gebouwen gerealiseerd.
Topografische kaart
1981
44G
1:25.000
De huidige bebouwing is gerealiseerd.
In de omgeving worden meerdere gebouwen gerealiseerd of uitgebreid.
Topografische kaart
1994
44G
1:25.000
-
-
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw onderdeel uitmaakte van de lintbebouwing aan de Eindsestraat. Het plangebied is opgedeeld in meerdere percelen. In het zuidelijk deel bevindt zich bebouwing (Figuur 9). Op de kaarten van 1870 tot en met 1920 is te zien dat door het plangebied een weg loopt. De weg bevindt zich ten westen van de bebouwing. Waarschijnlijk is dit een eigen landweg die toegang verleend tot de achterliggende langwerpige landbouwpercelen (Figuur 10). In de eerste helft van de 20e eeuw vind een herverkaveling plaats waarna het plangebied bestaat uit één perceel dat in gebruik is als weiland/grasland (Figuur 12). De weg door het plangebied is verwijderd en de bebouwing in het zuidelijk deel van het plangebied is gesloopt. Ook de omgeving van het plangebied wordt opnieuw ingedeeld. Deze situatie van het plangebied en de omgeving blijft onver-
31
Leenders, 2013. Turfdatabank, provincie Antwerpen. 33 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 32
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 10 van 20
anderd tot circa 1969. In de jaren ’60 wordt in het zuidelijk deel van het plangebied bebouwing gerealiseerd. De bebouwing wordt rond het jaar 1981 uitgebreid tot het hedendaagse beeld (Figuur 13). Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Dongen is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (dhr. Snoeren, d.d. 25-02-2021). Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied (). Voor een deel van de huidige bebouwing zijn geen bouwdossiers beschikbaar. Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen
Jaartal
Omschrijving
1969
Realisatie van een varkensstal in het noordoostelijke deel van het plangebied. De funderingen bevinden zich op een diepte van 65 centimeter onder het huidige maaiveld.
1973
Realisatie van een varkensstal in het westelijke deel van het plangebied. De funderingen bevinden zich op een diepte van 80 centimeter. In de stal zijn twee mestgangen tot een diepte van 165 centimeter onder het huidige maaiveld.
1989
Verbouwing van de zuidoostelijke veestal. De funderingen bevinden zich op een diepte van 120 centimeter onder het huidige maaiveld.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 34 In Dongen hebben in de Tweede Wereldoorlog gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor mogelijke resten zijn achtergebleven. Dit is ook uit de al bekende ruimingsrapporten te herleiden. Aan de Eindsestraat zijn meerdere locaties van Conventionele Explosieven bekend. 35 Mogelijk zijn er ook nog resten van de Tweede Wereldoorlog bekend in het plangebied. De kans wordt klein geacht. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging De Heerlyckheit Dongen (02-03-2021). Op 5-3-2021 heeft de heemkundevereniging (mevrouw E. Oerlemans) een reactie gegeven waaruit blijkt dat er geen aanvullende informatie beschikbaar is. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Amersfoort en Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/ BeoBom Ruimingskaart/Klep en Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 35 BeoBom Ruimingskaart. 34
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 11 van 20
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-IJzertijd
Hoog
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Midden en Late-IJzertijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Sporen van ontginning
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de stuif-/dekzandafzettingen
Laag
Nieuwe tijd
bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Zuidelijk deel: hoog Overig: laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Zuidelijk deel: laag Overig: hoog
Infrastructuur, zoals een onverharde weg en sporen en vondsten gerelateerd aan agrarisch gebruik
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de stuif/dekzandafzettingen
Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.36 Het plangebied ligt op een grote afstand van een beekdal of een ven, waardoor dit geen geschikte locatie was voor (tijdelijke) bewoning in het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. In de omgeving zijn ook geen vondsten bekend uit deze periodes. Er geldt een lage verwachting voor de jagers en verzamelaars tijdens het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum.
36
Louwe Kooijmans et al., 2005.
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 12 van 20
Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.37 Door de ligging op een dekzandrug was het plangebied tijdens het Neolithicum, Bronstijd en de Vroege-IJzertijd een geschikte bewoningslocatie. Voor deze periodes geldt een hoge verwachting. Tijdens de Midden-IJzertijd is het plangebied overgroeid geraakt met veen. Dit veen was ook aanwezig tijdens de Romeinse tijd en Vroege-Middeleeuwen. Rond 1050 is het veen ontgonnen waarbij ook alle eventuele archeologische resten uit de Midden-IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen zullen zijn verdwenen. Voor deze periodes geldt een lage verwachting. Het plangebied maakt onderdeel uit van een ontginningsgebied ‘Langstraat’ dat in de LateMiddeleeuwen (1050 na Chr. – 1500 na Chr.) is ontgonnen. Het gebied is door middel van agrarische ontginningen en turfwinning geschikt gemaakt voor landbouw. Voor de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van sporen gerelateerd aan deze ontginningen, maar een lage verwachting voor bewoningssporen.
Op basis van de historische kaarten is het duidelijk dat het plangebied onderdeel is van het achterterrein van de lintbebouwing aan de Eindsestraat vanaf minstens het begin van de 19e eeuw. In het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich bebouwing. Tevens loopt er een weg door het plangebied tot circa eind jaren ’30. Hierna wordt het in gebruik genomen als weiland/grasland tot de tweede helft van de 21e eeuw waarna het wordt bebouwd met de huidige bebouwing. Voor het zuidelijke deel geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van historische bebouwing. Voor de rest van het gebied geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van infrastructuur en sporen gerelateerd aan agrarisch gebruik. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld.
Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als achterterrein van een woonerf, weiland en is bebouwd geweest. Uit de bouwdossiers blijkt dat de huidige bebouwing die een groot deel van het plangebied beslaat funderingen heeft van 65 tot 120 centimeter onder het maaiveld. Een deel van de bebouwing heeft mestkelders/mestgangen tot 165 centimeter onder het huidige maaiveld. Ter plaatse van de bebouwing wordt verwacht dat de eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, verloren zijn gegaan.
37
Louwe Kooijmans et al., 2005.
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 13 van 20
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek geldt er een lage verwachting voor de jagers en verzamelaars tijdens het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum vanwege de landschappelijke ligging. Tijdens het Neolithicum tot en met de Late-IJzertijd was de dekzandrug een geschikte bewoningslocatie waardoor een hoge verwachting geldt. In de Midden-IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen is het plangebied overgroeid met veen. Het veen wordt in de Late-Middeleeuwen ontgonnen waarbij ook eventuele vondsten en sporen uit de Midden-IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen zullen zijn verdwenen. Er geldt een lage verwachting voor deze periodes. Voor de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting voor sporen van de ontginningen en een lage verwachting voor bewoningssporen. Op basis van de historische kaarten blijkt dat het zuidelijk deel vanaf het begin van de 19 e eeuw is bebouwd. Het overige deel is in gebruik als achterterrein/ landbouwgrond en wordt doorsneden door een weg. Voor het zuidelijke deel geldt een hoge verwachting voor historische bebouwing en voor de rest van het gebied een hoge verwachting voor infrastructuur en sporen van agrarisch gebruik.
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatieen/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 februari 2021 door mevrouw P. Beurskens (KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Dit PvA is gecontroleerd door de heer M. Stiekema (Senior KNA Prospector/fysisch geograaf). Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 180 centimeter onder
Rapport 14828.001 versie 1
Pagina 14 van 20
het huidige maaiveld gezet (Figuur 16). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.38 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (xen y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De boorprofielen van boring 1, 2 en 4 hebben een vergelijkbare bodemopbouw. De top van de boringen bestaat uit een bouwvoor (boring 2) of een puinlaag met bouwzand (boring 4). Bij boring 1 bevindt zich aan het maaiveld een gevlekte laag, die bij boring 2 en 4 onder de bouwvoor/bouwzand bevindt. De gevlekte laag heeft een donkerbruin gele kleur en is geïnterpreteerd als een verstoring. De gele vlekken zouden dekzandafzettingen kunnen zijn. De diepte van de verstoring varieert tussen 80 tot 130 centimeter onder het huidige maaiveld. De C-horizont bestaat uit matig fijn, grijs zand. Dit zand betreft rivierzand van de Formatie van Sterksel. In boring 3 bevindt zich in de top van het profiel een 20 centimeter dikke bouwvoor. De onderliggende laag betreft een donkerbruin humeus pakket. In het veld werd vermoed dat dit een slootvulling betreft. Op het historisch kaartmateriaal is er echter geen sloot weergeven. Dit kan ook een aanvulling zijn van de bodem of een verstoring door de bouw van de nabij gelegen varkensstal. Op een diepte van 130 centimeter onder het maaiveld is er een gevlekte, verstoorde laag aangetroffen. De C-horizont bevindt zich op 160 centimeter onder het huidige maaiveld. Dit betreft grijs zand van de Formatie van Sterksel.
Boring 5 bevindt zich ten noordoosten van het plangebied nabij de varkensstal uit 1969. De boring is op een diepte van 70 centimeter op gestuit. Dit betreft puin die waarschijnlijk tijdens de bouw of andere grondwerkzaamheden in de bodem terecht is gekomen. Het bodemprofiel komt niet overeen met de verwachte bodemopbouw op basis van de Bodemkaart, de geologische en geomorfologische kaart. Er is geen sprake meer van een eerdgrond. Ook is er geen dekzand aangetroffen zoals verwacht op de geologische en geomorfologische kaart. Het dekzand zal net zoals de eerdgrond zijn verstoord/opgenomen in de geroerde lagen. De verstoring zal zijn veroorzaakt door de bouw van de veestallen en wellicht ook door het eerdere agrarisch gebruik. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.