2021-006811 RV Bijlage1- Bestemmingsplan Boterweide - Dwarsweg Dongen
Tekst van het document
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting worden op basis van de landschappelijke ligging binnen het plangebied archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het gehele plangebied de dekzandafzettingen dermate diep verstoord zijn dat het oorspronkelijke podzolprofiel geheel is verdwenen.
Hoeveel de dekzandafzettingen hier zijn afgetopt is niet meer te achterhalen. Door de bodemverstoringen is het oorspronkelijke eerddek in het plangebied ook vermengd met dekzand, funderingszand en baksteen. In het noordelijke deel van het plangebied kunnen de bodemverstoringen zowel samenhangen met de historische bebouwing rond de huidige Dwarsweg als met moderne bodemingrepen. In de rest van het plangebied, dat pas sinds midden 20e eeuw bebouwd is geraakt, zal de bodemverstoring vermoedelijk uitsluitend een moderne oorsprong hebben. Op basis van de aangetroffen bodemverstoringen, waarbij geen intacte podzolprofielen meer aanwezig zijn in het plangebied, kan de gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld naar laag voor het gehele plangebied. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum kan op basis van de aangetroffen diepe bodemverstoringen voor het gehele plangebied ook worden bijgesteld naar laag. Diezelfde diepe bodemverstoringen maken dat het zuidelijke deel van het plangebied ook een lage gespecificeerde verwachtingswaarde heeft voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De bodemverstoringen in het noordelijke deel van het plangebied kunnen echter een
Rapport 12175.002 versie 2
historische oorsprong hebben. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is daarom op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek hoog voor het noordelijke deel van het plangebied en laag voor het zuidelijke deel van het plangebied. Advies In het zuidelijke deel van het plangebied waar het bodemprofiel vermoedelijk uitsluitend door moderne bodemingrepen is verstoord kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om dit deel van het plangebied vrij te geven. Voor het noordelijke deel van het plangebied waar nog archeologische waarden uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk op basis van het huidige bouwplan, waarbij geen grondroerende activiteiten in het noordelijke deel van het plangebied voorzien zijn (zie Bijlage 7). Mochten er in de toekomst alsnog bouwactiviteiten in het noordelijke deel van het plangebied worden gerealiseerd dan is vervolgonderzoek noodzakelijk.
Het vervolgonderzoek kan het dan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Dongen), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2). Dit kan telefonisch bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (tel. 06-18303225).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 12175.002 versie 2
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 13 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 15
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 15 Methoden ........................................................................................................................ 16 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 19 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21
Rapport 12175.002 versie 2
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische kaart (Mesolithicum) Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische kaart (Neolithicum) Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische kaart Vroege-Middeleeuwen Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische kaart Late Middeleeuwen Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen Kadastrale Minuut uit 1817-1832 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1870 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1897 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1936 Boorpuntenkaart Resultaten van het booronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 12175.002 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Dwarsweg en Boterweide te Dongen in de gemeente Dongen (zie figuur 1). De onderzoekslocatie betreft een schildersbedrijf. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming te wijzigen van bedrijf naar wonen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in april 2020 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en D.F.H. Schell (veldmedewerker). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);
SIKB.
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 1 van 21
opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Dongen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 1.800 m2, ligt aan de Dwarsweg en Boterweide, in de kern van Dongen in de gemeente Dongen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 4,0 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel bebouwd met een woning en schilderbedrijf, bestaande uit twee loodsen en een overkapping. De rest van het plangebied is verhard met een klinkerverharding en voor een klein deel in gebruik als tuin (zie figuur 3). Vigerend beleid5 Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Noord- en Oost-Dongen.
Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 50 cm -mv.
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 5 Ruimtelijkeplannen.nl 4
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 2 van 21
Huidig milieuonderzoek In 1994 is er voor het plangebied een milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is een lichte EOX verhoging in de bovengrond en een lichte verhoging van Nikkel in het grondwater aangetroffen. Deze verhoogde waarden vormen geen gevaar voor milieu en/of volksgezondheid.6 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zal een van de twee loodsen en een schuur worden gesloopt. Hiervoor in de plaats zal een nieuwe woning met bijgebouw worden gerealiseerd. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw zijn nog niet bekend (zie bijlage 7). 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Formatie van Sterksel met een dek van de Formatie van Boxtel (rivierzand- en grind met een zanddek) St1
Paleogeografische kaart8
Dekzandgebied, vanaf circa 2750 v. Chr. (Laat-Neolithicum) tot en met 800-1500 na Chr. (Middeleeuwen) afgedekt met een veendek.
Geomorfologie9
Bebouwd gebied (Terrasafzettingsvlakte (M41))
Bodemkunde10
Hoge zwarte enkeerdgrond; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21)
Grondwatertrap
VI
Landschappelijke ontwikkeling Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich op de Gordel van Sterksel; een gebied met afzettingen van de Formatie van Sterksel met een dek van de Formatie van Boxtel; rivierzand en – grind met een zanddek (St1). De afzettingen van de Formatie van Sterksel worden vaak dicht aan het maaiveld aangetroffen. De Formatie van Sterksel omvat alle sedimenten die door de Rijn en de Maas zijn afgezet in het Vroeg- en Midden-Pleistoceen (rond 875.000 BP). 11 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakNieuwesteeg, 1994 Mulder et al., 2003. 8 Vos & De Vries, 2013 9 Alterra, 2003. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 11 Berendsen, 2008 6 7
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 3 van 21
ket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt.12 Het Holoceen kenmerkt zich door een blijvende klimaatverbetering en sterke zeespiegelstijgingen en daarmee samenhangend sterke grondwaterstijgingen. Gedurende het Holoceen ontwikkelt zich door de stijgende grondwaterstanden een dik veenpakket in het westen van Brabant. In eerste instantie worden de kleipakketten in het westen hierdoor afgedekt, maar later ook de Pleistocene dekzandgebieden waarvan ook het plangebied deel uitmaakt. In de dekzandgebieden begon de veengroei in de laaggelegen beekdalen en breidde zich van daar uit naar de hogere delen van het dekzandgebied.
In de laagste delen van het beekdal van de Donge, welke op circa 500 meter ten westen van het plangebied ligt, kwam de veengroei in het Laat Atlanticum (rond 3850 BC) op gang, een periode die ongeveer overeenkomt met het Midden Neolithicum. In 2750 BC (Subboreaal, in het Laat Neolithicum) is het gehele dal van de Donge en de lager gelegen gebieden ten noorden van Dongen bedekt met een veenlaag, waaronder ook mogelijk al in het plangebied. Gedurende de Bronstijd en IJzertijd breidt dit veengebied zich uit over een groot deel van het grondgebied van Dongen (zie figuur 4-7).13 De omgeving van het plangebied is op basis van de bekende geologische kaarten afgedekt geweest met een veenpakket tot in de Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe tijd. Vooral in de periode 12001630 is veel van het veen afgegraven voor de turfwinning en plaatselijk mogelijk ook zoutwinning. Na deze periode wordt er geen veen meer op de zandgronden rond Dongen aangetroffen.14 Volgens de turfdatabank van de provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders 15, behoort het plangebied tot het uitgiftegebied De 12 Hoeven, welke vanaf 1330 is ontgonnen.16 DINO17 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.
Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een boring op 150 meter ten zuidoosten bestudeerd.18 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een ruim 2 meter dik pakket fijn zand op grove zanden. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Dongen bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 8). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied op een Terrasafzettingsvlakte ligt. De Mulder et al. 2003, Berendsen, 2008. Bazelmans et al., 2011. 14 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 15 Leenders, 1989. 16 Turfdatabank: http://geoloket.provincieantwerpen.be 17 Dinoloket. 18 DINO boornummers B44G0293. 12 13
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 4 van 21
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)19 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op de overgang van lager gelegen gronden in het noorden naar een hooggelegen rug in het zuiden. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen hoogteverschillen waarneembaar (zie figuur 9). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond (zie figuur 10). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.
Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.20 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van het bodemonderzoeken in 1994 boringen gezet. Uit deze boringen blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied bestaat uit fijn zand, afgedekt met bestrating. 21 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG).
Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.
Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
www.ahn.nl. Doesburg et al., 2007. 21 Nieuwesteeg, 1994 19 20
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 5 van 21
Grondwatertrappenindeling22
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).23 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 12. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.
De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Ze brengen focus aan in de inzet van de provinciale middelen hiervoor. De archeologische landschappen werken niet rechtstreeks door naar derden, maar zijn zelfbindend voor de provincie. De provincie zet in op samenwerken en stimuleren, met name voor wat betreft de afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid. Het plangebied ligt niet binnen een archeologisch landschap. Het plangebied ligt wel binnen het cultuurhistorisch landschap Langstraat. De Langstraat ligt op de overgang van zand naar klei. Het gebied maakte deel uit van een groot veenkussen dat zich bevond tussen Dordrecht, Woudrichem en Heusden. Bij de Sint-Elizabethsvloed van 1421 zijn grote delen van het veencomplex weggeslagen. In het overgangsgebied van zand naar klei is sprake van een enorme kweldruk. De veenontginningen van de Langstraat worden gekenmerkt door de typische slagenverkaveling met elzensingels, dijken en kades, waarbij de smalle kavels met een dicht slotenpatroon nagenoeg haaks op de ontginnings22 23
Locher & Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 6 van 21
basis liggen. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van lange, kaarsrechte dorpen, sterk verwant aan de Hollandse veendorpen. Een mooi voorbeeld hiervan is 's Gravenmoer. De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten slagenlandschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De lager gelegen polders maakten deel uit van de inundaties van de Zuiderwaterlinie. In het hele gebied zijn de noord-zuid georiënteerde turfvaarten en oostwestgerichte wegen de dragers van de landschapstructuur. De aanwezigheid van kweldruk leidt tot waardevolle flora en fauna gekoppeld aan waterlopen en natte graslanden. Dankzij de landinrichtingen is hier een goede productiestructuur voor de landbouw gecreëerd met veel ruimte voor grondgebonden teelten. Een aantal kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, SprangCapelle en Kaatsheuvel. Het westelijke deel heeft een meer landelijk karakter. Hier liggen langgerekte veenlintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Het gebied bestaat overwegend uit grasland, afgewisseld met enkele sterke clusters voor boomteelt, glastuinbouw en groenteteelt.
In de afgelopen tijd hebben verschillende ontwikkelingen geen rekening gehouden met de structuur van vaarten en lintdorpen/wegen. Hierdoor zijn de kwaliteiten van het landschap van de Langstraat onder druk komen te staan. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is. De Langstraat is grotendeels Belvedère gebied, en één van de twintig cultuurhistorische landschappen van Brabant. In het kader van de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier wordt de Overdiepse polder ingericht als rivierverruimingsgebied. Hiervoor heeft de provincie in samenwerking met betrokken partijen een plan voorbereid. Het plan komt zowel de veiligheid in deze regio ten goede als het landbouwkundige gebruik en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Waterschap de Brabantse Delta draagt zorg voor de uitvoering van het inpassingsplan. Archeologische beleidskaart Gemeente Dongen Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.
Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Dongen ligt het plangebied binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (zie figuur 11).24 AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied 25 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein, de historische kern van Dongen op 950 meter ten zuidwesten van het plangebied, welke teruggaat tot de 13e eeuw (zie bijlage 2 en figuur 12).
24 25
Koopmanschap, 2010 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 7 van 21
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 26 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 25 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleufonderzoeken en een veldkartering (zie bijlage 3 en figuur 12). De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat bij veel percelen de bodem verstoord is door de middeleeuwse veenontginning en latere graaf- en bouwactivieteiten. Veel van de overige uitgevoerde onderzoeken hangen met name samen met de historische kern van Dongen. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied27 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 12). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan hangen allen samen met menselijke activiteiten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn twee publicaties van Bureau voor Archeologie geraadpleegd van een plangebied aan de overzijde van de Dwarsweg direct ten noorden van het plangebied.
Uit deze onderzoeken blijkt dat het gebied in de Romeinse tijd onderdeel is geweest van een uitgestrekt veenmoeras. In de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen. Uit het AHN blijkt dat het plangebied mogelijk enkele decimeters is afgegraven. Verder zijn geen bodemverstoringen bekend, anders dan die door de sloop en bouwwerkzaamheden in de 19e en 20e eeuw. Op basis van oud kaartmateriaal is het plangebied vanaf het begin van de 19e eeuw bebouwd. Het huidige woonhuis dateert uit de jaren '50 van de 20e eeuw. Op basis van de landschappelijke ligging geldt een archeologische verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum onder het antropogene dek. Op basis van historische kaarten geldt een archeologische verwachting voor archeologische resten van bebouwing uit de Late Middeleeuwen en recenter direct onder het maaiveld. De aard en intactheid van het bodemprofiel kan met redelijke zekerheid al worden bepaald op basis van de boorstaten van een onlangs uitgevoerd milieuonderzoek. Deze bevestigen de aanwezigheid van een (deels vergraven) antropogeen dek.28 Uit het booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel bestaat uit een A-horizont van 35 tot 65 cm dik op een menglaag van 5 tot 30 cm dik (AC-horizont) op dekzand (C-horizont). De top van de C-horizont ligt tussen 40 en 85 cm-mv (291 en 338 cm +NAP).
Het antropogene dek is in de 19e of 20e eeuw vergraven gezien de aanwezigheid van recente indicatoren (vensterglas, plastic). Deze vergraving hangt waarschijnlijk samen met de sloop van de vroeg 19e eeuwse bebouwing op het perceel. Omdat een menglaag aanwezig is, is de top van het C-horizont eveneens geroerd. Deze menglaag is waarschijnlijk ontstaan bij de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen. Het booronderzoek heeft de landschappelijke ligging zoals die op basis van het bureauonderzoek gold, bevestigd. Er geldt een archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum onder het antropogene dek. Van dit complextype kunnen alleen diepe grondsporen nog intact aanwezig zijn. Op basis van bebouwing op de kadastrale minuut geldt ook een verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en recenter. De resten kunnen aanwezig zijn in de menglaag en in de top van de Chorizont. Bureau voor archeologie adviseert daarom de civiele graafwerkzaamheden voor de bouw
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 28 De Boer, 2017 26 27
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 8 van 21
archeologisch te laten begeleiden zodat eventuele archeologische resten kunnen worden gedocumenteerd voordat deze worden vernietigd.29 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Dongen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De naam 'Dongen' is ontstaan uit 'Donk-Aa' en wordt voor het eerst schriftelijk vermeld in 1269 als Donga.30 Een donk is een zandige ophoping in een moerassig gebied. Met Aa wordt het riviertje bedoeld dat langs zo’n donk stroomde. In 1281 leende Willem van Hoorne en Altena, heer van Loon op Zand, een deel van het huidige grondgebied van Dongen aan Wouter Volckaert. Ten oosten van de rivier de Donge richtte in 1287 dezelfde Willem de afzonderlijke heerlijkheid Dongen op.
Beide delen van Dongen kwamen in de daaropvolgende eeuw in handen van Willem van Duvenvoorde. Hij verkocht in 1350 zijn woning en landerijen aan zijn dochter Beatrijs en haar man Roelof van Dalem, die daarmee de eerste Heer en Vrouwe van de ‘Heerlijckheid Dongen’ werden. De ligging van Dongen ten zuiden van het plangebied en ’s Gravenmoer ten noorden van het plangebied is van grote invloed geweest op hun geschiedenis. De dorpen ondervonden voortdurend ernstige overlast van de langs trekkende legers. In juni 1672 werden Dongen en ’s Gravenmoer gedeeltelijk platgebrand door een Franse legerbende. Dongen en ’s Gravenmoer zijn zeer verschillende dorpen. 's Gravenmoer is een typisch landelijke gemeente, terwijl Dongen is geïndustrialiseerd en grotendeels bebouwd. Ook is 's Gravenmoer meer op het noorden georiënteerd en voornamelijk protestant. Dongen daarentegen is meer Brabants en overwegend katholiek. De grens tussen de dorpen vormde lange tijd de grens tussen Holland en Brabant. Op 1 januari 1997 werden Dongen en ’s Gravenmoer samengevoegd tot één gemeente waarbij de demarcatielijn, die al sinds 1287 bestond, verdween. De demarcatielijn was vastgesteld bij een wapenstilstand en geen der partijen mocht deze lijn overschrijden. Er was al vroeg bebouwing in de kernen rond de Heuvel en de huidige Kerkstraat.
De huizen werden gebouwd op een smalle zandrug, een uitloper van de Drunense Duinen. De huizen stonden er hoog en droog, er was voldoende drinkwater en er waren vruchtbare akkergronden en uitgestrekte weiden. Bovendien lagen er veengronden om turf te steken. Dit werd gebruikt als brandstof. Een eigen gebedshuis had een groot aandeel bij het ontstaan van de dorpskom. De eerste kapel werd in, of misschien al vóór de 12e eeuw gebouwd. Op deze plek staat nu de Protestantse kerk. Binnen het schip van de huidige kerk liggen de funderingen van die eerste kapel. De kerk werd rond 1450 over de kapel heen gebouwd. Toen deze klaar was, is de kapel afgebroken. 29 30
De Boer, 2017 Berkel en Samplonius, 2006.
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 9 van 21
In de 17e eeuw was landbouw de belangrijkste bron van inkomsten voor de bevolking van Dongen. Later vond in het dorp de fabricage van waterlaarzen en pantoffels plaats. In deze nijverheid lag de grondslag van de lederindustrie die vooral in de 19 e eeuw enorm toenam. Het merendeel van de beroepsbevolking verdiende met deze nijverheid de kost. Na de Tweede wereldoorlog nam dat af, maar nog steeds zijn er veel looierijcomplexen in Dongen. De in Dongen gevestigde congregaties van de zusters Franciscanessen van Dongen en de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes gaven les aan de kweekschool. Leden van de congregaties, maar ook talloze leken haalden hier hun akte van bekwaamheid.31 Zoals al eerder in dit rapport genoemd ligt het plangebied in het 14 e eeuwse ontginningsgebied De 12 Hoeven. Dit gebied werd in 1330 door de graaf van Holland wederrechtelijk op Brabants grondgebied ter ontginning uitgegeven.32 Het plangebied was van oudsher onderdeel van een cluster bebouwing aan de zuidoostelijke rand van de ontginning (één van de 12 hoeven?) (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: Ontginning De 12 Hoeven met het plangebied in de rode cirkel
31 32
http://www.dongen.nl/Over_de_Gemeente/Historie. Koopmanschap, 2010
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 10 van 21
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal33
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut
1811-1832
Gemeente Dongen, Sectie B, Blad 03
1:2.500
Woning (met erf?), dennenbos en bouwland.
Plangebied ligt op de zuidelijke rand van een bebouwingscluster / gehucht (Biezen). Procureurweg ten oosten van het plangebied al aanwezig.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1870
605
1:50.000
Woning (met erf?), dennenbos en akker.
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1897
605
1:50.000
Woning, erf, grasland en akker/tuin
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
605
1:50.000
Woning, erf, grasland en akker/tuin
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1920
605
1:50.000
Woning, erf, grasland en akker/tuin
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1936
44G
1:50.000
Woning, erf en grasland
-
Topografische kaart
1947
44G
1:25.000
Woning, erf en grasland
-
Topografische kaart
1959
44G
1:25.000
Woning met schuur en grasland
Dwarsweg gerealiseerd.
Topografische kaart
1969
44G
1:25.000
Woning met (huidige) schuur en loodsen
-
Topografische kaart
1981
44G
1:25.000
Woning met (huidige) schuur en loodsen
-
Topografische kaart
1988
44G
1:25.000
Woning met (huidige) schuur en loodsen
Woonwijk ten zuidwesten van het plangebied aangelegd.
Topografische kaart
1999
44G
1:25.000
Woning met (huidige) schuur en loodsen
Woonwijk ten oosten en noorden van het plangebied aangelegd.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin 19e eeuw onderdeel uitmaakte van een bebouwingscluster of gehucht (volgens de kaart met de naam Biezen). Ter plaatse van de huidige woning in het plangebied bevond zich begin 19e eeuw al een woning. De rest van het plangebied was in gebruik als erf dennenbos en akker. Het dennenbos is in de 19e eeuw gekapt om plaats te maken voor gras- en akkerland. Tot midden 20e eeuw verandert er weinig aan dit beeld. In de jaren ’50 van de 20e eeuw is de Dwarsweg ten noorden van het plangebied aangelegd. De schuren en loodsen in het plangebied zijn in de jaren ’60 van de 20 e eeuw aangelegd. In de jaren ’80 en ’90 zijn de woonwijken rond het plangebied gerealiseerd (zie figuur 13-16). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP).
De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de histo33
www.topotijdreis.nl.
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 11 van 21
rischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen een 350 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Dongen is niet geraadpleegd omdat het Regionaal Archief Tilburg i.v.m. de coronacrisis tot nader order gesloten is en er geen digitale bouwgegevens van het plangebied beschikbaar zijn. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat de huidige woning in het noorden van het plangebied in 1920 gebouwd zou zijn en de overige bebouwing in de jaren ’60 en ’80 van de 20 e eeuw is gerealiseerd.34 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 35 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Heemkundekring De Heerlyckheit Dongen. Van de heemkundekring is een publicatie over het voormalige veengebied rond Dongen ontvangen.
Hieruit blijkt dat de strook langs het riviertje de Donge onderdeel uitmaakte van de oudere veenontginningen in de omgeving. In ’s Gravenmoer werden 34 hoevestroken uitgegeven vanaf de Donge het veen in. De eerste koper was Steven van Waalwijk in 1293, die 15 hoeven in het huidige ’s Gravenmoer ontgon. De boerderijen zullen aanvankelijk aan het riviertje gestaan hebben: dat was in Holland de gebruikelijke opzet bij dit soort ontginningen. Op de boerderijen werd niet alleen geboerd, men stak er ook turf voor de “export”. In Dongen, op Brabantse grond, werden de gronduitgiften door de graaf gedaan als onderdeel van zijn grenspolitiek, tot hij in 1130 werd teruggefloten. Het plangebied was onderdeel van de ontginning 12 hoeven behorende tot de Dongense ontginingen. In Dongen kwam door de ontvening de onderliggende zandgrond aan het oppervlak te liggen. Het boerenbedrijf zal van karakter veranderd zijn, van veenlandbouw naar zandlandbouw, maar de boerderijen konden wel blijven bestaan. Men zat echter vast aan de lange stroken, anderhalve kilometer lang. Tussen de stroken zijn op aantal plekken nog altijd de karakteristieke stichten te vinden, de oorspronkelijke zandpaden, die het ontginningsgebied ontsloten. De naam sticht duidt op een weg die van de hoger gelegen ontginningsas het lager gelegen gebied in liep. De stichten kwamen uit op de Hoge en Lage Ham.
De Procureurweg ten oosten van het plangebied was één van de stichten.36
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 36 De Laat, 2014 34 35
Rapport 12175.002 versie 2
Indicatieve
kaart
Militair
Erfgoed/VEO
Bommen-
Pagina 12 van 21
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en het (rest)veen, in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en het (rest)veen, in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en het (rest)veen, in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In het (inmiddels afgegraven) veendek
IJzertijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In het (inmiddels afgegraven) veendek
Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In het (inmiddels afgegraven) veendek
Vroege-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In het (inmiddels afgegraven) veendek
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vanaf het maaiveld, in en onder het eerddek
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vanaf het maaiveld, in en onder het eerddek
Het plangebied ligt in de Langstraat, een dekzandgebied dat in het Neolithicum is overveend. Het veengebied is vanaf de 12e eeuw ontgonnen, vanaf de noordelijker gelegen Maas. De ontginning heeft in verschillende fases plaatsgevonden, waarbij de ontginningsassen en daarmee ook de bewoningsassen in zuidelijke richting opschoven. Het plangebied ligt in het 14e eeuwse ontginningsgebied De 12 Hoeven. Het veen is grotendeels verdwenen in de omgeving van het plangebied, al kan af-
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 13 van 21
gaande op de bodemtypes in de omgeving, nog wat restveen aanwezig zijn. In het dekzand is oorspronkelijk een podzolbodem of gooreerdgrond gevormd. Nadat het veen is verdwenen is door plaggenbemesting een dikke eerdlaag opgebracht, waardoor de bodem nu als enkeerdgrond geclassificeerd kan worden. Op basis van de landschappelijke ligging worden binnen het plangebied archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken.
Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.37 Vanwege de ligging op een terrasafzettingsvlakte afgedekt met dekzand, met in de nabijheid lager gelegen gebied waar in het verleden mogelijk beken kunnen hebben gestroomd, is de gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en het Mesolithicum middelhoog. Uit het Laat Paleolithicum en het Mesolithicum worden resten van kampementen verwacht in de vorm van een vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool. Deze vondstlaag bevindt zich in de top van het dekzand, direct onder de eerdlaag of het restveen. Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied voor de periode van veenvorming droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt bij de ontginning van het gebied in de Middeleeuwen. Voor landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.38 Op basis van de ligging van het plangebied in een iets hoger gelegen gebied ten opzichte van de naar het noorden gelegen vlakte lijkt het een voor landbouwers matig geschikte vestigingslocatie te zijn.
Vanaf het einde van het Neolithicum tot aan de ontginningen in de Middeleeuwen is het plangebied echter afgedekt geweest met een veenpakket. Omdat de grondwaterstanden gedurende de tweede helft van het Neolithicum sterk omhoog kwamen, was het plangebied vermoedelijk alleen in de eerste helft van het Neolithicum geschikt voor bewoning. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologisch resten uit het Neolithicum is daarom middelhoog. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologisch resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen is daarom laag. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 39 Na de ontginning van het gebied in de 14e eeuw ligt het plangebied nabij de oostelijke weg (sticht) van de veenontginning 12 hoeven. Het noordelijke deel van het plangebied was begin 19e eeuw, Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 39 Renes, 1999. 37 38
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 14 van 21
maar mogelijk al veel eerder, onderdeel van een klein gehucht of verzameling van boerderijen (mogelijk één van de 12 hoeven?). Het zuidelijke deel van het plangebied was aanvankelijk in gebruik als akker- en weiland en lag buiten deze bebouwingskern. Het plangebied heeft een hoge verwachting voor bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. In de noordelijke helft kunnen met name resten van voormalige bebouwing, bestaande uit resten van voormalige woningen/boerderijen worden verwacht. In de zuidelijke helft van het plangebied kunnen uit deze periode sporen van landgebruik, zoals greppels, sloten en akkerlagen worden verwacht. Organische resten en onverbrand bot kunnen voorkomen beneden de grondwater spiegel, in wateren beerputten en in vochthoudende ophogingslagen.40 Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden deels bebouwd geweest met zowel voormalige loodsen als een schuur en is verder in gebruik geweest als erf, tuin, dennenbos, grasland en akkerland.
Door ploegen/rooiwerkzaamheden en graaf-, sloop- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
40
Kars & Smit, 2003.
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 15 van 21
3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 16 april 2020 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, gebouwen en aanwezige kabels en leidingen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,40 meter -mv gezet (Figuur 17). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.41 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem Bij alle boringen zijn matig fijne, zwak siltige zandafzettingen aangetroffen. Bij de boringen 1, 2, 3 en 5 is er onder de klinkerverharding aan het maaiveld een 30-70 cm dikke laag funderingszand aangetroffen. Onder het funderingszand is een 10 tot 60 cm dik zwak humeus verstoord zandpakket aangetroffen. De verstoringen kenmerken zich door de aanwezigheid van fragmenten baksteen en de gevlektheid van het sediment. Het verstoorde pakket lijkt te zijn opgebouwd uit een mix van een voormalige eerddek en de onderliggende dekzandafzettingen. Boring 4 is als enige boring in de (onverharde) tuin geplaatst. Hier bestaat de bovenste 90 cm van het bodem profiel uit een vergelijkbaar verstoord pakket als er bij de overige boringen onder het funderingszand is aangetroffen. Bij alle boringen zijn onder de verstoorde lagen onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen. De top van het onverstoorde dekzandafzettingen bevindt zich op 90-100 cm -mv. In geen van de boringen zijn resten van een voormalig podzolprofiel aangetroffen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.
Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
41
Bosch, 2005.
Rapport 12175.002 versie 2
Pagina 16 van 21
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het gehele plangebied de dekzandafzettingen dermate diep verstoord zijn dat het oorspronkelijke podzolprofiel geheel is verdwenen. Hoeveel de dekzandafzettingen hier zijn afgetopt is niet meer te achterhalen. Door de bodemverstoringen is het oorspronkelijke eerddek in het plangebied ook vermengd met dekzand, funderingszand en baksteen. In het noordelijke deel van het plangebied kunnen de bodemverstoringen zowel samenhangen met de historische bebouwing rond de huidige Dwarsweg als met moderne bodemingrepen. In de rest van het plangebied, dat pas sinds midden 20e eeuw bebouwd is geraakt, zal de bodemverstoring vermoedelijk uitsluitend een moderne oorsprong hebben. Op basis van de aangetroffen bodemverstoringen, waarbij geen intacte podzolprofielen meer aanwezig zijn in het plangebied, kan de gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum worden bijgesteld naar laag voor het gehele plangebied. De gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum kan op basis van de aangetroffen diepe bodemverstoringen voor het gehele plangebied worden bijgesteld naar laag.