CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-006811 RV Bijlage1- Bestemmingsplan Boterweide - Dwarsweg Dongen

Besluitvormende raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-006811 Vaststellen bestemmingsplan Dwarsweg / Boterweide27.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Dongen Boterweide - Dwarsweg BESTEMMINGSPLAN

Boterweide ‐ Dwarsweg

Dongen

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0766.2021000075‐VG01

27‐01‐2021 26‐03‐2021 21‐05‐2021

concept ontwerp vastgesteld

projectnummer:

4400166.20181744 opdrachtleider:

ing. J.C.C.M van Jole auteur:

ing. H.A.Q. Maas

Torenallee 20 Gebouw SFJ (Videolab) 5617 BC Eindhoven T: 040-4022734 E-mail: info@rho.nl

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding en doel

7

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

7

1.3

Geldend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planvoornemen

11

2.1

Huidige situatie plangebied en omgeving

11

2.2

Toekomstige situatie

15

Hoofdstuk 3

Beleidskader

19

3.1

Inleiding

19

3.2

Rijksbeleid

19

3.3

Provinciaal beleid

21

3.4

Gemeentelijk beleid

23

Hoofdstuk 4

Milieu‐ en omgevingsaspecten

29

4.1

Inleiding

29

4.2

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

29

4.3

Verkeer en parkeren

30

4.4

Bedrijven en milieuzonering

31

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

32

4.6

Geluid

37

4.7

Externe veiligheid

38

4.8

Luchtkwaliteit

40

4.9

Kabels en leidingen

42

4.10

Bodem

42

4.11

Water

43

4.12

Ecologie

49

4.13

Duurzaamheid

54

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

57

5.1

Wettelijke eisen

57

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

57

5.3

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

59

5.4

Toelichting op de algemene regels

59

5.5

Toelichting op de overgangs‐ en slotregels

60

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

4

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

61

6.1

Economische uitvoerbaarheid

61

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Archeologisch bureau‐ en verkennend booronderzoek

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 4

Quickscan flora en fauna

Bijlage 5

Vooroverleg Waterschap Brabantse Delta

Bijlage 6

Vooroverleg Provincie Noord‐Brabant

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

79

Artikel 1

Begrippen

79

Artikel 2

Wijze van meten

83

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

85

Artikel 3

Wonen

85

Artikel 4

Waarde ‐ archeologie ‐ 1

88

Hoofdstuk 3

Algemene regels

91

Artikel 5

Anti‐dubbeltelregel

91

Artikel 6

Algemene bouwregels

92

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

93

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

94

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

95

Artikel 10

Overige regels

96

Hoofdstuk 4

Overgangs‐ en slotregels

97

Artikel 11

Overgangsrecht

97

Artikel 12

Slotregel

98

Bijlagen bij de regels Bijlage 1

Rho adviseurs voor leefruimte

Parkeernormen Dongen

20181744

TOELICHTING

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aan de Dwarsweg te Dongen is momenteel een woonhuis en het bedrijfspand van J. Asselman Schilderwerken B.V. gesitueerd. Het betreffende perceel wordt kadastraal aangeduid als DGN01-B-3258 en heeft een oppervlakte van circa 1.710 m2. De initiatiefnemer is op termijn voornemens om de bedrijfsactiviteiten op het perceel te staken en het perceelgedeelte met bedrijfsbestemming te herbestemmen voor de bouw van een vrijstaande woning. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal een gedeelte van het bestaande bedrijfspand worden gesloopt. Het gedeelte van het bedrijfspand parallel aan de Dwarsweg blijft behouden, evenals het aangrenzende gemeentelijk depot ten behoeve van het onderhoud van de groenvoorzieningen in de buurt. Ook het woonhuis en de tuin behorend bij het adres Dwarsweg 4 zullen worden behouden. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Noord en Oost Dongen' dat vastgesteld is op 24 mei 2012. De locatie is op basis van dit bestemmingsplan bestemd als 'Bedrijf'. De beoogde woningbouwontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan. Door middel van een nieuw bestemmingsplan kan de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied aan de Boterweide - Dwarsweg bevindt zich nabij het centrum van Dongen, ten westen van de Procureurweg. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven de figuren 1.1 en 1.2. Het aangrenzende gemeentelijk depot ten behoeve van het onderhoud van de groenvoorzieningen in de buurt maakt geen deel uit van het plangebied. De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door een woonfunctie. Aan de Weide en de Boterweide bevinden zich voornamelijk twee-onder-een-kap- en rijwoningen met een verspringende rooilijn, aan de Dwarsweg en de Procureurweg bevinden zich voornamelijk vrijstaande woningen. Op korte afstand van het plangebied bevinden zich daarnaast sportvelden (De Biezen) en diverse maatschappelijke en dienstverlenende functies. Ook zijn er enkele groen- en speelvoorzieningen aanwezig in de directe omgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

8

Figuur 1.1

Ligging plangebied ten opzichte van het centrum van Dongen (Bron: Google Maps)

Figuur 1.2

Begrenzing plangebied Boterweide ‐ Dwarsweg (Bron: Google Maps)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Noord en Oost Dongen' dat vastgesteld is op 24 mei 2012. Een uitsnede van de planverbeelding met daarbij de begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.3. De gronden in het plangebied kennen de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Bedrijf' en geldt ter signalering de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1'.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

9

De gronden die op basis van dit bestemmingsplan bestemd zijn als 'Bedrijf' kennen de functieaanduidingen 'Bedrijf van Categorie A' en 'Specifieke vorm van bedrijf – 1'. Voor de gronden met de aanduiding 'Bedrijven uit categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" geldt dat enkel de specifiek in deze lijst opgenomen bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. De aanduiding 'Specifieke vorm van bedrijf – 1' regelt dat tevens een schildersbedrijf annex glashandel met SBI‐code 453 is toegestaan. Aangezien conform het geldende bestemmingsplan op deze gronden de beoogde functie 'Wonen' wordt aangeduid als zijnde strijdig gebruik, dient een nieuw bestemmingsplan (ook wel postzegelplan genoemd) te worden opgesteld.

Figuur 1.3 Bestemmingsplan 'Noord en Oost Dongen' met begrenzing plangebied in rood (Bron: ruimtelijkeplannen)

1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie in en rond het plangebied en geeft inzicht in de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord‐Brabant en de gemeente Dongen. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de sectorale milieu‐ en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

10

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

11

Hoofdstuk 2

2.1

Planvoornemen

Huidige situatie plangebied en omgeving

Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Dwarsweg. Het betreft een schildersbedrijf met een bestaand bedrijfspand en een verhard buitenterrein met een overkapping en parkeerplaatsen. Ook het woonhuis en de privétuin behorend bij het adres Dwarsweg 4 maken onderdeel uit van het plangebied. Ontsluiting vindt in noordelijke richting plaats via de Dwarsweg, in zuidelijke richting via de Boterweide en de Weide. Via deze wegen wordt ontsloten op de Procureurweg. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van 1.710 m2. Conform het bestemmingsplan 'Noord en Oost Dongen' hebben de gronden in het plangebied een woonbestemming of een bedrijfsbestemming. Een aantal afbeeldingen van de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving zijn weergegeven in de figuren 2.1 t/m 2.5.

Figuur 2.1

Foto bestaande woning aan Dwarsweg 4

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

12

Figuur 2.2

Foto genomen vanaf noordzijde plangebied

Figuur 2.3

Foto genomen vanaf zuidwestzijde plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

13

Figuur 2.4

Foto genomen vanaf zuidzijde plangebied

Figuur 2.5

Foto genomen vanaf Weide / Boterweide

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

14

Het plangebied maakt deel uit van de buurt Biezen, ten noorden van het centrum van Dongen. Een woonbuurt die is opgebouwd vanaf de jaren '80 van de vorige eeuw. De buurt bestaat uit een stedenbouwkundige raster met in lengterichting een slagenpatroon waarbij een harde en abrupte overgang naar het landelijk gebied bestaat. Het gehele woongebied is aangemerkt als verblijfsgebied (30 km/uur‐zone) met daarbij twee centrale noord‐zuidroutes (Bolkensteeg en Procureurweg) die verbinding verzorgen met onder meer centrum en buitengebied. Er is een duidelijke hiërarchie herkenbaar in wijkontsluiting, buurtontsluiting en woonstraat/erf. Veel woonstraten eindigen doodlopend, waardoor oriëntatie in de buurt wordt bemoeilijkt. In figuur 2.6 is de ontsluiting in beeld gebracht. Parkeerplaatsen zijn veelal geconcentreerd op pleintjes tussen woonblokken of op koppen hiervan. Binnen het profiel van de woonstraten en op woonerven is weinig of geen parkeerruimte aanwezig. Door deze inrichting worden diverse groenstroken als privé‐parkeerplaats gebruikt. Garageboxen zijn veelal op de koppen van woonblokken gerealiseerd. De buurt Biezen bestaat voornamelijk uit koopwoningen. Het aandeel sociale huurwoningen bedraagt minder dan 10%.

Figuur 2.6

Ontlsuiting plangebied (Bron: Rho adviseurs voor leefruimte)

Binnen de woonbuurt is veelvuldig variatie in woningtypen, verspringende bouwblokken (figuur 2.7) en bijzondere dakvormen toegepast. Gestapelde woningbouw ontbreekt. Het overgrote deel van de bebouwing bestaat uit aaneengesloten rijenbouw. Aan de randen van hett woongebied bevinden zich voornamelijk vrijstaande woningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

15

Figuur 2.7

2.2

Verspringende rooilijn Weide en Boterweide (Bron: Rho adviseurs voor leefruimte)

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsactiviteiten op het perceel te staken en het gedeelte met bedrijfsbestemming te herbestemmen voor de bouw van een vrijstaande woning. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal een gedeelte van het bestaande bedrijfspand worden gesloopt. Eveneens zal de overkapping worden gesloopt. Het gedeelte van het bedrijfspand parallel aan de Dwarsweg blijft behouden, evenals het aangrenzende gemeentelijk depot ten behoeve van het onderhoud van de groenvoorzieningen in de buurt. Ook het woonhuis en de privétuin behorend bij het adres Dwarsweg 4 zullen worden behouden. Aan-huis-verbonden beroepen worden wel nog mogelijk gemaakt. In figuur 2.8 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven met daarbij in geel omlijnd de te slopen bebouwing.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

16

Figuur 2.8 Huidige situatie plangebied en te slopen bebouwing met geel omlijnd (Bron: Google Maps ‐ bewerkt) Het bestaande bedrijfspand parallel aan de Dwarsweg, het gemeentelijk depot, het woonhuis en de privétuin blijven intact en verbonden aan het adres Dwarsweg 4. Om deze reden zijn deze elementen dan ook niet opgenomen in het stedenbouwkundig ontwerp voor de beoogde ontwikkeling, waarbij een nieuw adres en perceel worden gecreëerd aan de Boterweide, naast het adres Boterweide 6 (kadastraal bekend als DGN01‐B‐3259). Het nieuwe perceel krijgt het adres Boterweide 8. Op de kavel wordt één vrijstaande woning met plat dak gerealiseerd met de ontsluiting aan de Boterweide. De positie van de woning is gebaseerd op de rooilijn van de Weide en de Boterweide. Qua levensloopbestendigheid wenst de initiatiefnemer een volwaardig woonprogramma (dus ook een slaap‐ en badkamer) op de begane grond te realiseren. Op de eerste verdieping zal naar verwachting nog een gedeeltelijke opbouw (gastenverblijf) worden gerealiseerd. De maximale bouwhoogte van de woning bedraagt 7 meter vanaf maaiveld. Het te realiseren bijgebouw wordt georiënteerd op de westzijde van het perceel en heeft een afmeting van 5 x 11 meter. Zowel de voorzijde van de woning als het bijgebouw zelf bieden mogelijkheden voor parkeren op eigen terrein. Het stedenbouwkundig ontwerp is weergegeven in figuur 2.9.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

17

Figuur 2.9 Stedenbouwkundig ontwerp nieuwe woning met bijgebouw aan de Boterweide (Bron: Rho adviseurs voor leefruimte)

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

18

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

19

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Inleiding

Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Het relevante regionale beleid is opgenomen in paragraaf 3.4. Tot slot wordt in paragraaf 3.5 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:  dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;  met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;  waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;  met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;  waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

 dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;  waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;  dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

20

NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.  Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn:  Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit  Ruimte voor overgang naar een circulaire economie  Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden  Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.

Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling in het bestaand stedelijk gebied van Dongen past binnen het rijksbeleid. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie‐ en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

De grens van een stedelijke van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11‐14 woningen. De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit twee stappen: de eerste stap bestaat uit het aantonen van de behoefte voor de beoogde ontwikkeling. Voor de tweede stap wordt er in beginsel vanuit gegaan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dit nadrukkelijk gemotiveerd te worden in de toelichting van het bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

21

Toetsing De ontwikkeling van één woning binnen bestaand stedelijk gebied, is geen stedelijke ontwikkeling (uitspraak Raad van State van 16 september 2015, zaaknummer 201501297). Derhalve is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord‐Brabant In de Omgevingsvisie Noord‐Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord‐Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord‐Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord‐Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:  Werken aan de Brabantse energietransitie  Werken aan een klimaatproof Brabant  Werken aan de slimme netwerkstad  Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings‐ en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied.

Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood‐Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.

Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

22

Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'kernen in landelijk gebied'. Het plangebied ligt binnen het 'stedelijk concentratiegebied' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant (figuur 3.1).

Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. De ontwikkeling kan daarnaast ook gezien worden als duurzame stedelijke ontwikkeling. Het binnenterrein wat in gebruik was en bestemd is voor centrumactiviteiten wordt herontwikkeld tot een woongebied waarbij nieuwe, duurzame en gasloze, bebouwing wordt gerealiseerd. De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. De openbare ruimte is zodanig ontworpen, dat deze levensloopbestendig wordt uitgevoerd. Verder zullen maatregelen getroffen worden ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Het mogelijk toepassen van halfverharding bij de parkeerplaatsen is daarbij voorzien. Daarnaast wordt er voldoende groen aangelegd als infiltratiemogelijkheid voor regenwater. Dit groen levert tevens een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

23

Figuur 3.1

Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant (Bron: Provincie Noord‐Brabant)

De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. In de kernen in het landelijk gebied hanteert de provincie als uitgangspunt dat er alleen voorzieningen worden gevestigd die qua aard, schaal en functie passen. Dit zijn voorzieningen met een lokaal verzorgingsgebied. De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldo‐nul'. 3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Dongen 2020 Het plangebied aan de Boterweide ‐ Dwarsweg te Dongen is op de structuurvisiekaart (figuur 3.2) aangewezen als 'bestaand bebouwd gebied'. Verder ligt de locatie binnen de gebiedsaanduiding 'versterken voorzieningenniveau'. Daarnaast staan beheer en onderhoud van bestaande woongebieden en de versterking van de relatie met het centrumgebied hoog in het vaandel. Leefbaarheid en beleefbaarheid worden gezien als belangrijke aandachtspunten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

24

Figuur 3.2 Uitsnede structuurvisiekaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen) Aantrekkelijk wonen De gemeente Dongen stelt dat de verschillende buurten aantrekkelijk moeten zijn om in te wonen. Het aanbod moet goed aansluiten bij de specifieke vraag binnen Dongen en afgestemd zijn op het regionale bouwprogramma, zodat tijdig de juiste woningen worden gerealiseerd. De huisvesting van starters en jonge gezinnen is een aandachtspunt om te kunnen waarborgen, dat er in Dongen ook in de toekomst sprake is van een gemêleerde bevolkingssamenstelling en de instandhouding van het gewenste voorzieningenniveau. Daartoe is het noodzakelijk jonge mensen voor Dongen te behouden. Gestapelde bouw moet hierbij gedoseerd worden toegestaan. Beheer en onderhoud bestaande woongebieden Op een aantal plaatsen is op korte termijn structureel beheer en onderhoud van de woningvoorraad en de woonomgeving gewenst: delen van Oud Dongen, West I, West II en de Biezen. Dit wordt meegenomen in de wijkplannen die voor deze wijken worden opgesteld. Door beheer en onderhoud dient de woonkwaliteit op peil te worden gehouden en worden versterkt. Hierbij gaat het om ingrepen zowel aan de woningen als in de openbare ruimte. Versterken voorzieningenniveau Behoud en versterking van de huidige sociaal‐maatschappelijke voorzieningen is van groot belang, met name in de kleine kernen.

In de kleine kernen (vooral Vaart) verdient het aanbeveling te streven naar bundeling van sociaal‐maatschappelijke functies: school, buurthuis, kinderopvang, zodat de verschillende voorzieningen elkaar kunnen versterken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

25

3.4.2 Welstandsnota Gemeente Dongen (2008) De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende woon‐ en werkgebieden zoals: historische dorpscentra, individuele woningen en kleinschalige woningbouwprojecten van voor de tweede wereldoorlog, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Voor de gebiedsgerichte criteria is Dongen onderverdeeld in de deelgebieden (figuur 3.3): • Historische lintbebouwing; • Dorpswonen; • Woongebieden; • Bedrijventerreinen. Het plangebied bevindt zich in het deelgebied 'Woongebieden'. In deze paragraaf wordt hier verder op ingegaan.

Figuur 3.3

Deelgebieden Dongen (Bron: Gemeente Dongen)

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

26

Woongebieden Bij de woongebieden horen de project‐/seriematige ontwikkelde woonbuurten en ‐wijken die na de oorlog om de historische linten zijn gerealiseerd. Het gaat hierbij om een aantal kleinere buurten zoals de Mgr. Nolenslaan e.o. en Stoomberg die direct tegen de historische lintstructuur zijn gebouwd, maar vooral om een aantal grotere homogene woonwijken die als een ring om Dongen heen zijn gerealiseerd. Dit zijn de Bomenbuurt, West I en II, de Biezen en de Hoge Akker. Het kenmerk van deze gebieden is dat er weinig historische structuren in de wijkopzet zijn terug te vinden. Daarentegen zijn nieuwe, ruime, groene structuren gerealiseerd volgens de toen heersende ontwerpfilosofieën. De woonwijken zijn monofunctioneel en kennen dezelfde woningtypologieën namelijk: rijwoningen, twee‐onder‐één‐kap woningen, vrijstaande woningen en flats c.q. appartementen. Dongen is vanaf de jaren ‘50 sterk gegroeid. Grote aaneengesloten gebieden zijn planmatig ontworpen. Tot de jaren zestig wordt overwegend gebruik gemaakt van de traditionele blokverkaveling. Deze opzet is vooral in de Bomenbuurt en de Mgr. Nolenslaan en omgeving terug te vinden. Het Nieuwe Bouwen heeft in Dongen geen grote invloed gehad in de architectuur maar wel in wijkopzet en verkavelingspatronen. Deze principes zijn terug te vinden in de wijken West I en II.

Als reactie op de eentonigheid van de blokmatige verkaveling wordt in de periode 1970‐‘90 het rechtlijnige stratenpatroon verlaten. De woningen zijn gegroepeerd rond woonerven, de woningen zijn minder op de straat gericht en voor‐ en achterkanten grenzen aan de openbare ruimte. In deze periode is een groot aantal woningen in Dongen gerealiseerd, met name in de wijk de Biezen. De vrijstaande woningen zijn net als in de voorgaande periode vaak geclusterd aan de randen van de wijken. De meest recente uitbreidingswijken gerealiseerd na 1990, hebben een thematisch karakter. De Hoge Akker is zo’n woongebied waar binnen een stedenbouwkundige structuur een grote variëteit aan architectuur te aanschouwen. Tussen de woongebieden West I en II loopt de Middellaan als een belangrijke entree en hoofdontsluitingsweg voor Dongen. Langs deze weg is extra aandacht voor de beeldkwaliteit van de bebouwing gewenst. Karakteristieken en kwaliteiten woongebieden De grote woongebieden die na WOII om de kern van Dongen zijn ontwikkeld stammen uit verschillende bouwperioden en hebben kenmerken van traditionele blokverkavelingen, het Nieuwe Bouwen, de Forumbeweging en thematische uitbreidingen. Wat ze gemeen hebben is een heldere structuur, een ruime, groene opzet en het feit dat woningen seriematig zijn opgeleverd.

Hierdoor staan binnen straten, woonpaden of hoven vaak identieke (geschakelde)woningen (rijwoningen en twee‐onder‐een‐kap woningen). Het ontbreken van de ‘herkenbaarheid’ van de eigen woning wordt hier vaak als een probleem ervaren. Dit is minder het geval bij de vrijstaande woningen in deze woongebieden. Gebiedsgerichte criteria voor de woongebieden Voor de woongebieden geldt een soepel welstandsregime. Het beleid voor deze gebieden gaat uit van de wens van bewoners om zelf hun manier van wonen te bepalen door woningen te verfraaien en uit te breiden. Meer variatie tussen woningen verlevendigt het straatbeeld en zorgt voor meer herkenbaarheid van de ‘eigen’ woning. Zie hiervoor de afbeelding op de linkerpagina “Betekenis soepel welstandsniveau voor licht vergunningplichtige bouwwerken”. Voor een rij aaneengesloten woningen betekent dat variatie binnen de standaardvorm, waarbij herhaling van eenzelfde motief bij panden die aan elkaar grenzen moet worden voorkomen. Met betrekking tot de aspecten bebouwing en omgeving wordt het volgende gesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

27

 Algemeen: Bij (vervangende) nieuwbouw of aanpassing aan bebouwing langs de Middellaan dient te worden aangesloten op de representatieve functie van deze weg.  Karakter en structuur (plaatsing/situering): Waardevolle structuurkenmerken binnen de woongebieden dienen gehandhaafd te blijven. (Vervangende) nieuwbouw dient aan te sluiten bij het bestaande verkavelings‐ en bebouwingspatroon.  Massa en vorm: Binnen een stedenbouwkundiige en architectonische eenheid dient de vormgeving en massa van de bebouwing (o.a. oriëntatie en kapvorm) op elkaar te worden afgestemd.  Oriëntatie en rooilijn: De hoofdgebouwen dienen (met een representatieve gevel) georiënteerd te zijn op de openbare ruimte.

3.4.3 Woningbouwplanning De gemeente beschikt over een door de provincie goedgekeurd woningbouwprogramma, dat in de periode 2016‐2025 voorziet in de bouw van in totaal 1.100 woningen. 3.4.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling valt binnen het bestaand bebouwd woongebied. Door middel van rooilijnen en positionering van de woning wordt aangesloten bij het straatbeeld en de markante elementen uit de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarom binnen de kaders van het gemeentelijk beleid.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

28

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

29

Hoofdstuk 4

4.1

Milieu‐ en omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:   

de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van één vrijstaande woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

30

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer‐procedure of mer‐beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het 'Parapluplan Parkeren Dongen'. Conform dit beleid wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in rest bebouwde kom aangehouden. De gemeente heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. 4.3.2 Toetsing Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer De bereikbaarheid van de toekomstige woning per gemotoriseerd verkeer is goed. Ontsluiting vindt plaats via de erftoegangswegen Boterweide en de Weide, waar een maximum snelheid 30 km/u geldt. Via deze wegen wordt ontsloten op de Procureurweg.

In noordelijke richting sluit deze aan op de Fazantenweg richting onder meer 's Gravenmoer, 's‐Gravenmoerse Vaart, Vaart en Klein‐Dongen. In zuidelijke richting sluit de Procureurweg aan op de Min. Goselinglaan en Mgr. Schaepmanlaan. Binnen circa 10 minuten kan zo de N260 worden bereikt (provinciale weg die de plaatsen Tilburg, Gilze, Alphen, Baarle‐Hertog en Baarle‐Nassau met elkaar verbindt). Openbaar vervoer Aan de Min. Goselinglaan, op 7 minuten loopafstand van het plangebied, ligt een bushalte waar bussen in de richtingen van Rijen, Tilburg, Oosterhout, Breda en Waalwijk halteren. Ook de bereikbaarheid van het plangebied per OV is dus goed. Langzaam verkeer Tot slot is ook de bereikbaarheid per langzaam verkeer goed te noemen. Op de Procureurweg maken fietsers gebruik van fietsstroken aan beide zijden de weg en is een trottoir voor voetgangers aanwezig. Voor wat betreft de Weide en de Boterweide maken fietsers gebruik van de rijbaan. Voetgangers maken gebruik van het trottoir.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

31

Parkeren De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van het 'Parapluplan Parkeren' van de gemeente Dongen. De parkeernorm voor één vrijstaande woning bedraagt minimaal 1,8 tot maximaal 2,6 parkeerplaatsen. In deze norm zit een bezoekersdeel van 0,3 parkeerplaats per woning. Volgens het gemeentelijk beleid dient, door het hoge percentage autogebruik in de gemeente, de bovenkant van deze bandbreedte te worden aangehouden. De norm van 2,6 parkeerplaatsen voor één woning bedraagt afgerond 3 parkeerplaatsen. Ten behoeve van de nieuwe woning worden op eigen terrein drie parkeerplekken gerealiseerd. Verkeersgeneratie & verkeersafwikkeling De bestaande bedrijvigheid van het schildersbedrijf genereert in de bestaande situatie circa 10 motorvoertuigen per dag. In de toekomstige situatie ‐ waarbij sprake is van één vrijstaande woning op het perceel ‐ zal deze verkeersgeneratie afnemen. De verkeersgeneratie van één woning is dusdanig beperkt dat dit zal opgaan in het heersende verkeersbeeld van de Procureurweg, de Weide en de Boterweide. 4.3.3 Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor alle vervoerswijzen goed. De parkeerbehoefte wordt deels voorzien op het eigen terrein en in de openbare parkeerplaatsen aan de Weide, de Boterweide en omliggende straten.

De nieuwe woning heeft ‐ zeker in relatie tot de huidige en toegestane bedrijfsfunctie ‐ een beperkte verkeersgeneratie die zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Onderscheid wordt gemaakt in afstandstappen van 0, 10, 30, 50, 100, 200, etc. meter. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.

Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

32

4.4.2 Toetsing en conclusie In de beoogde situatie wordt een vrijstaande woning ter vervanging van bedrijvigheid gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. Het plangebied kan aangemerkt worden als een rustige woonwijk. Het plangebied ligt immers midden in een woonbuurt, op redelijke afstand van diverse bedrijfsmatige functies, kantoren en winkels. Grenzend aan het plangebied bevindt zich een gemeentelijk depot (met een bijbehorende bedrijfsbestemming) ten behoeve van de groenvoorzieningen in de buurt. De activiteiten die hier plaatsvinden zijn gericht op het verzamelen van (niet geluidproducerende) materialen. Op de bedrijfsbestemming vinden geen werkzaamheden plaats. Deze worden op locatie uitgevoerd. Er is daarom geen sprake van geur‐, stof‐ of geluidhinder. Ook is er geen sprake van opslag of gebruik van gevaarlijke stoffen waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met gevaarcontouren. Er kan geconcludeerd worden dat van hinderlijke bedrijvigheid geen sprake is en toetsing aan de richtafstanden uit de VNG‐brochure achterwege kan worden gelaten. Daarnaast bekijkt de gemeente momenteel de mogelijkheden om dit depot op te heffen. In de omgeving bevinden zich verder geen milieuhinderlijke functies waaraan getoetst moet worden.

Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de te realiseren woning sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat het aspect bedrijven en omliggende functies geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016‐2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgelegd op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Erfgoedverordening gemeente Dongen 2016 De erfgoedverordening is op 13 oktober 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Centrale beleidsregel daarin is dat het verboden is om in een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. Op het verbod zijn verstoringen uitgezonderd in een gebied:  met een lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50.000 m2;  met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2;  waarvoor in het bestemmingsplan reeds bepalingen zijn opgenomen voor archeologische monumentenzorg.

Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

33

Toetsing De gemeenteraad heeft op 10 februari 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld (figuur 4.1). Deze kaart moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening. Voor gebieden met op de AMK en IKAW een middelhoge of hoge verwachtingswaarde is het uitgangspunt dat onderzoek wordt uitgevoerd als ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd of gepland die de eventuele archeologische waarden kunnen aantasten. Omdat het aspect archeologie ook is geregeld in het geldende bestemmingsplan 'Noord en Oost Dongen' (zie paragraaf 1.3) is de regeling daarin leidend. In het bestemmingsplan heeft het plangebied een archeologische dubbelbestemming. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is deze dubbelbestemming aangegeven met kruizen.

Figuur 4.1

Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Dongen (Bron: gemeente Dongen)

Gezien de voorgenomen ontwikkeling waarbij de bodemingreep een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2 en de bodemingreep dieper zal zijn dan 50 cm, is archeologisch onderzoek nodig. In het kader van hiervan is in maart 2020 een archeologisch bureau‐ en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Hierna is volstaan met een beknopte samenvatting. Resultaten bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

34

archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO‐overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting worden op basis van de landschappelijke ligging binnen het plangebied archeologische resten uit de periode Laat‐Paleolithicum – Neolithicum en de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd verwacht. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek In het zuidelijke deel van het plangebied waar het bodemprofiel vermoedelijk uitsluitend door moderne bodemingrepen is verstoord kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau‐ en veldonderzoek wordt geadviseerd om dit deel van het plangebied vrij te geven. Voor het noordelijke deel van het plangebied waar nog archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht, wordt geadviseerd een dubbelbestemming archeologie op te nemen waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Een overzichtskaart van het booronderzoek is opgenomen in figuur 4.2.

Figuur 4.2

Overzichtskaart met resultaten van het booronderzoek (Bron: Econsultancy B.V.)

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

35

Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk op basis van het huidige bouwplan, waarbij geen grondroerende activiteiten in het noordelijke deel van het plangebied voorzien zijn. Mochten er in de toekomst alsnog bouwactiviteiten in het noordelijke deel van het plangebied worden gerealiseerd dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het dan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Voor het noordelijke deel van het plangebied waar nog archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht, wordt een dubbelbestemming archeologie opgenomen waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. 4.5.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016‐2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgesteld op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota.

Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder ander het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord‐Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden). De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente doorvertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014). Toetsing In figuur 4.3 is het plangebied weergegeven in de uitsnede van de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen. Uit deze waardenkaart blijkt dat het plangebied zich kenmerkt door gebiedstype 3.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

36

Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen, 2014) Bij dit gebiedstype is er hoofdzakelijk sprake van woonwijken die in de afgelopen 50 jaar tot stand zijn gekomen en moderne bedrijventerreinen. In deze gebieden zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen in mindere mate aanwezig. Bij ruimtelijke plannen zal daarom alleen gestreefd worden naar behoud en herkenbaarheid van historische structuren. Dit is voor deze gebieden voldoende om verwijzingen naar het verleden levend te houden. Voor het opstellen van bestemmingsplannen wordt een cultuurhistorische analyse van het gebied gemaakt, waarin de historische structuren geduid zijn. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen biedt de cultuurhistorische analyse voldoende aanknopingspunten. Uitgangspunt is het behoud van gebiedskwaliteiten die in deze gebieden aanwezig zijn op basis van planinpassing/aanpassing. Hiervoor wordt aandacht gevraagd binnen beleidsinstrumenten zoals het bestemmingsplan en de welstandsnota. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de invloed daarvan op een monument en/of identiteitsbepalend object. Particuliere initiatieven voor behoud en visualisatie van de geschiedenis worden toegejuicht en de gemeente zal er zoveel mogelijk aan meewerken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

37

Kenmerkende structuren in dit gebiedstype zijn onder andere de nog resterende stichten of aanzetten daarvan zoals de Procureurweg, Hortastraat, Menno ter Braakweg en Martinus Nijhoffstraat. Tevens is de landschappelijke (cultuurhistorische) opzet van de Beljaart van belang en de nog in uitvoering zijnde locatie de Hoogt en de op het industrieterrein Tichelrijt meanderende loop (grote kronkels/bochtig) van de rivier de Donge. Voor de beoogde ontwikkeling is dit aspect in mindere mate aan de orde. Er zal daarom alleen gestreefd worden naar behoud en herkenbaarheid van historische structuren. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het aspect cultuurhistorie.

4.6

Geluid

4.6.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.6.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

38

Onderzoek Bureau Tritium B.V. heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde realisatie van een vrijstaande woning op het perceel Boterweide ‐ Dwarsweg te Dongen. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. Hieronder wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Procureurweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Voor de Procureurweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Voor de 30 km/uur wegen Boterweide, Dwarsweg en Weide geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Aangezien voor onderhavige woning geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woonen leefklimaat gewaarborgd. 4.6.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt.

De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.4 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Rho adviseurs voor leefruimte

20181744

39

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10170037/1