CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-005807 RV Bijlage 1- Vast te stellen bestemmingsplan

Besluitvormende raadsvergadering 24 juni 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-005807 Vaststellen bestemmingsplan Lage Ham 108 en 110 Dongen25.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Rapport 13779.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel VII.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart Situering van het plangebied binnen de kadastrale minuut van 1817 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit circa 1900 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1937 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1962 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 13779.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Fens Occasion Center Dongen een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Lage Ham ong. te Dongen in de gemeente Dongen (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woning te realiseren op de huidige parkeerplaats. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 0). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in september en oktober 2020 door T.H.L.Hos (senior KNA Archeoloog/Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:      3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

SIKB.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 1 van 19

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Dongen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 425 m2, ligt aan de doorgaande weg van Dongen naar het noordelijker gelegen ‘s Gravenmoer. Aan deze weg ligt de historische lintbebouwing van Lage Ham. Het plangebied betreft een parkeerplaats tussen de nummers 110, 106 en 98. Het plangebied betreft de parkeerplaats van het bedrijfspand Lage Ham 106. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kavel gemeente Dongen, sectie N nummer 1032. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als parkeerplaats. Deze is verhard met klinkers (zie figuur 3). Op de parkeerplaats staan occasions geparkeerd, die behoren bij het bedrijfspand op nummer 106.

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 2 van 19

maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Zuid- en West-Dongen. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming archeologie. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 50 cm mv. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.5 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Om deze woning te kunnen realiseren moet eerst het bestemmingsplan gewijzigd worden. Daarvoor wordt dit rapport opgesteld. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe het huis gefundeerd gaat worden en welke bodemingrepen nog meer nog zijn. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Overgang Formatie van Sterksel met een dek van de Formatie van Boxtel (rivierzanden grind met een zanddek; St1) naar Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven; (beekzand en –leem; Bx2)

Geomorfologie7

Bebouwd gebied. Extrapolatie: overgang van een terrasafzettingsvlakte (2M20a) naar een terrasafzettingswelving (3L12)

Bodemkunde8

Bebouwd gebied. Extrapolatie: Hoge zwarte enkeerdgrond; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21)

Grondwatertrap

VI

Bodemloket Mulder et al., 2003. 7 Alterra, 2003. 8 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 5 6

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 3 van 19

Landschappelijke ontwikkeling Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich op de Gordel van Sterksel; een gebied met afzettingen van de Formatie van Sterksel met een dek van de Formatie van Boxtel; rivierzand en – grind met een zanddek (St1). De afzettingen van de Formatie van Sterksel worden vaak dicht aan het maaiveld aangetroffen. De Formatie van Sterksel omvat alle sedimenten die door de Rijn en de Maas zijn afgezet in het Vroeg- en Midden-Pleistoceen (rond 875.000 BP). 9 Het plangebied bevindt zich op de oostelijke rand van afzettingen Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven; (beekzand en – leem; Bx2) welke samenhangen met het beekdal van de Donge, welke 20 meter ten westen van het plangebied aan de westzijde van de Lage Ham stroomt. Dit beekdal is een Laat-Pleistoceen beekdal dat zich in de afzettingen van de Formatie van Sterksel heeft ingesneden. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook de omgeving van het plangebied, een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor.

Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt.10 Het Holoceen kenmerkt zich door een blijvende klimaatverbetering en sterke zeespiegelstijgingen en daarmee samenhangend sterke grondwaterstijgingen. Gedurende het Holoceen ontwikkelt zich door de stijgende grondwaterstanden een dik veenpakket in het westen van Brabant. In eerste instantie worden de kleipakketten in het westen hierdoor afgedekt, maar later ook de Pleistocene dekzandgebieden waarvan ook het plangebied deel uitmaakt. In de dekzandgebieden begon de veengroei in de laaggelegen beekdalen en breidde zich van daar uit naar de hogere delen van het dekzandgebied. In de laagste delen van het dal van de Donge kwam de veengroei in het Laat-Atlanticum (rond 3850 BC) op gang, een periode die ongeveer overeenkomt met het Midden-Neolithicum. In 2750 BC (Subboreaal, in het Laat-Neolithicum) is het gehele dal van de Donge bedekt met een veenlaag, waaronder ook mogelijk al in het plangebied. Gedurende de Bronstijd en IJzertijd breidt dit veengebied zich uit over het dekzand ten westen van het plangebied.

11 De omgeving van het plangebied is op basis van de bekende geologische kaarten afgedekt geweest met een veenpakket tot in de Late-Middeleeuwen – Vroege-Nieuwe tijd. Vooral in de periode 12001630 is veel van het veen afgegraven voor de turfwinning en plaatselijk mogelijk ook zoutwinning. Na deze periode wordt er geen veen meer op de zandgronden rond Dongen aangetroffen.12 Volgens de turfdatabank van de provincie Antwerpen, die is gebaseerd op het werk van Leenders 13, behoort het plangebied tot een gebied genaamd ‘Rand van zandgebied tegen het Hollandveen’. De veenwinningsgebieden zijn ingedeeld op basis van hun landschapstypen, waarvan ‘Rand van zandgebied tegen het Hollandveen’ er één van is. Dit gebied ligt ten noorden van het zandgebied en ten zuiden van het gebied met Hollandveen. Niet in het gehele gebied heeft veengroei plaats gevonden. Het plangebied zelf is gelegen op de westelijke rand van het Veen van Dongen.14

Berendsen, 2008 De Mulder et al. 2003, Berendsen, 2008. 11 Bazelmans et al., 2011. 12 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 13 Leenders, 1989. 14 Turfdatabank: http://geoloket.provincieantwerpen.be 9

10

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 4 van 19

DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 16 Hieruit blijkt dat de ondergrond in de omgeving van het plangebied bestaat uit verschillende lagen zand, grindig zand en leem. De Formatie van Boxtel (het dekzand) is vermoedelijk 1 tot 2 m dik. Hieronder liggen rivierafzettingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op de overgang van een terrasafzettingswelving naar een terrasafzettingsvlakte (zie figuur 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied.

Uitgaande van het AHN ligt het plangebied in een relatief laag gelegen vlakte. Meer naar het zuiden toe (richting Dongen en Tilburg) zijn hogere gronden aanwezig. Rondom het plangebied is echter weinig reliëf te vinden (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgrond; bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21) (zie

Dinoloket. DINO boornummers B44G0133, B44G0623, B44G0424, B44G0285. 17 AHN. 15 16

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 5 van 19

figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkheid aan archeologische resten heeft er toe geleidt dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.18 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling19

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt 18 19

Doesburg et al., 2007. Locher & Bakker, 1990.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 6 van 19

gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.

De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Ze brengen focus aan in de inzet van de provinciale middelen hiervoor. De archeologische landschappen werken niet rechtstreeks door naar derden, maar zijn zelfbindend voor de provincie. De provincie zet in op samenwerken en stimuleren, met name voor wat betreft de afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid. Het plangebied ligt niet binnen een archeologisch landschap. Het plangebied ligt wel binnen het cultuurhistorisch landschap Langstraat. De Langstraat ligt op de overgang van zand naar klei. Het gebied maakte deel uit van een groot veenkussen dat zich bevond tussen Dordrecht, Woudrichem en Heusden. Bij de Sint-Elizabethsvloed van 1421 zijn grote delen van het veencomplex weggeslagen. In het overgangsgebied van zand naar klei is sprake van een enorme kweldruk. De veenontginningen van de Langstraat worden gekenmerkt door de typische slagenverkaveling met elzensingels, dijken en kades, waarbij de smalle kavels met een dicht slotenpatroon nagenoeg haaks op de ontginningsbasis liggen. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van lange, kaarsrechte dorpen, sterk verwant aan de Hollandse veendorpen. Een mooi voorbeeld hiervan is 's Gravenmoer.

De oorspronkelijke relatie tussen de dorpen, het afwisselend open en besloten slagenlandschap en het water is in de Langstraat nog goed beleefbaar. Hierdoor is het hele gebied cultuurhistorisch waardevol. Ten noorden van de Winterdijk is de Langstraat opener en grootschaliger dan ten zuiden daarvan. De lager gelegen polders maakten deel uit van de inundaties van de Zuiderwaterlinie. In het hele gebied zijn de noord-zuid georiënteerde turfvaarten en oostwestgerichte wegen de dragers van de landschapstructuur. De aanwezigheid van kweldruk leidt tot waardevolle flora en fauna gekoppeld aan waterlopen en natte graslanden. Dankzij de landinrichtingen is hier een goede productiestructuur voor de landbouw gecreëerd met veel ruimte voor grondgebonden teelten. Een aantal kernen in de Langstraat hebben een sterke groei doorgemaakt: het oostelijke deel is verstedelijkt met de groei van Waalwijk, Sprang-Capelle en Kaatsheuvel. Het westelijke 20

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 7 van 19

deel heeft een meer landelijk karakter. Hier liggen langgerekte veenlintdorpen met dorpse uitbreidingen rond de centra in een open landschap. Het gebied bestaat overwegend uit grasland, afgewisseld met enkele sterke clusters voor boomteelt, glastuinbouw en groenteteelt. In de afgelopen tijd hebben verschillende ontwikkelingen geen rekening gehouden met de structuur van vaarten en lintdorpen/wegen. Hierdoor zijn de kwaliteiten van het landschap van de Langstraat onder druk komen te staan. Daarnaast heerst er in het gebied een spanning tussen cultuurhistorie, natuurontwikkeling en landbouw. In het kader van de natuurdoelstellingen zijn bossen gerealiseerd terwijl de openheid een belangrijk historisch kenmerk is. De Langstraat is grotendeels Belvedère gebied, en één van de twintig cultuurhistorische landschappen van Brabant. In het kader van de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier wordt de Overdiepse polder ingericht als rivierverruimingsgebied. Hiervoor heeft de provincie in samenwerking met betrokken partijen een plan voorbereid. Het plan komt zowel de veiligheid in deze regio ten goede als het landbouwkundige gebruik en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Waterschap de Brabantse Delta draagt zorg de uitvoering van het inpassingsplan. Archeologische beleidskaart Gemeente Dongen Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ).

Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Dongen ligt het plangebied binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (zie figuur 7).21 AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied22 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein.

Ook zijn er geen AMK terreinen aanwezig binnen een straal van 500 m van het plangebied. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 11 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken en oppervlaktekarteringen (zie bijlage 3 en figuur 8). In alle gevallen is niet doorgezet naar een archeologisch gravend onderzoek vanwege een verstoorde bodemopbouw of het ontbreken van vondsten. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied24

Koopmanschap, 2010 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 22

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 8 van 19

In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 2 vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied betreffen de vondst van aardewerk uit de Nieuwe tijd en de vondst van 17 zilveren munten op een afstand van 450 m ten noordwesten van het plangebied. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn twee publicaties van BAAC geraadpleegd.25 Uit deze onderzoeken blijkt dat de omgeving van het plangebied op een noordelijke rand van een lage dekzandrug ligt, waarop eerst een veendek lag. Na de ontginning van het veengebied heeft men vanaf de Late-Middeleeuwen de bolster teruggestort en met het onderliggende zand vermengd. Hierdoor is in bijna het gehele plangebied de top van het oorspronkelijke pleistocene niveau verstoord geraakt. De C-horizont bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn, bleek verspoeld dekzand. Dit duidt op een voormalig nat milieu in het gebied. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Heemkundekring De Heerlyckheit Dongen. Van de heemkundekring is een publicatie over het voormalige veengebied rond Dongen ontvangen.

Hieruit blijkt dat de strook langs het riviertje de Donge onderdeel uitmaakte van de oudere veenontginningen in de omgeving. In ’s Gravenmoer werden 34 hoevestroken uitgegeven vanaf de Donge het veen in. De eerste koper was Steven van Waalwijk in 1293, die 15 hoeven in het huidige ’s Gravenmoer ontgon. De boerderijen zullen aanvankelijk aan het riviertje gestaan hebben: dat was in Holland de gebruikelijke opzet bij dit soort ontginningen. Op de boerderijen werd niet alleen geboerd, men stak er ook turf voor de “export”. In Dongen, op Brabantse grond, werden de gronduitgiften door de graaf gedaan als onderdeel van zijn grenspolitiek, tot hij in 1130 werd teruggefloten. Het plangebied was onderdeel van de meest noordelijke 5 hoeven van deze ontginning. In Dongen kwam door de ontvening de onderliggende zandgrond aan het oppervlak te liggen. Het boerenbedrijf zal van karakter veranderd zijn, van veenlandbouw naar zandlandbouw, maar de boerderijen konden wel blijven bestaan. Men zat echter vast aan de lange stroken, anderhalve kilometer lang. Tussen de stroken zijn op aantal plekken nog altijd de karakteristieke stichten te vinden, de oorspronkelijke zandpaden, die het ontginningsgebied ontsloten. De naam sticht duidt op een weg die van de hoger gelegen ontginningsas het lager gelegen gebied in liep. De stichten kwamen uit op de Hoge en Lage Ham.26 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Dongen

25 26

Miedema & Tebbens, 2008; Voeten, 2013 De Laat, 2014

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 9 van 19

In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De naam ’Dongen’ is ontstaan uit ’Donk-Aa’ en wordt voor het eerst schriftelijk vermeld in 1269 als Donga.27 Een donk is een zandige ophoping in een moerassig gebied. Met Aa wordt het riviertje bedoeld dat langs zo’n donk stroomde. In 1281 leende Willem van Hoorne en Altena, heer van Loon op Zand, een deel van het huidige grondgebied van Dongen aan Wouter Volckaert. Ten oosten van de rivier de Donge richtte in 1287 dezelfde Willem de afzonderlijke heerlijkheid Dongen op. Beide delen van Dongen kwamen in de daaropvolgende eeuw in handen van Willem van Duvenvoorde. Hij verkocht in 1350 zijn woning en landerijen aan zijn dochter Beatrijs en haar man Roelof van Dalem, die daarmee de eerste Heer en Vrouwe van de ‘Heerlijckheid Dongen’ werden. De ligging van Dongen ten zuiden van het plangebied en ’s Gravenmoer ten noorden van het plangebied is van grote invloed geweest op hun geschiedenis. De dorpen ondervonden voortdurend ernstige overlast van de langs trekkende legers. In juni 1672 werden Dongen en ’s Gravenmoer gedeeltelijk platgebrand door een Franse legerbende. Dongen en ’s Gravenmoer zijn zeer verschillende dorpen.

’s Gravenmoer is een typisch landelijke gemeente, terwijl Dongen is geïndustrialiseerd en grotendeels bebouwd. Ook is 's Gravenmoer meer op het noorden georiënteerd en voornamelijk protestant. Dongen daarentegen is meer Brabants en overwegend katholiek. De grens tussen de dorpen vormde lange tijd de grens tussen Holland en Brabant. Op 1 januari 1997 werden Dongen en ’s Gravenmoer samengevoegd tot één gemeente. De demarcatielijn, die al sinds 1287 bestond, verdween. De demarcatielijn was vastgesteld bij een wapenstilstand en geen der partijen mocht deze lijn overschrijden. Er was al vroeg bebouwing in de kernen rond de Heuvel en de huidige Kerkstraat. De huizen werden gebouwd op een smalle zandrug, een uitloper van de Drunense Duinen. De huizen stonden er hoog en droog, er was voldoende drinkwater en er waren vruchtbare akkergronden en uitgestrekte weiden. Bovendien lagen er veengronden om turf te steken. Dit werd gebruikt als brandstof. Een eigen gebedshuis had een groot aandeel bij het ontstaan van de dorpskom. De eerste kapel werd in, of misschien al vóór, de 12e eeuw gebouwd. Op deze plek staat nu de Protestantse kerk. Binnen het schip van de huidige kerk liggen de funderingen van die eerste kapel. De kerk werd rond 1450 over de kapel heen gebouwd. Toen deze klaar was, is de kapel afgebroken.

In de 17e eeuw was landbouw de belangrijkste bron van inkomsten voor de bevolking van Dongen. Later vond in het dorp de fabricage van waterlaarzen en pantoffels plaats. In deze nijverheid lag de grondslag van de lederindustrie die vooral in de 19 e eeuw enorm toenam. Het merendeel van de beroepsbevolking verdiende met deze nijverheid de kost. Na de Tweede wereldoorlog nam dat af, maar nog steeds zijn er veel looierijcomplexen in Dongen. De in Dongen gevestigde congregaties van de zusters Franciscanessen van Dongen en de Broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes gaven les aan de kweekschool. Leden van de congregaties, maar ook talloze leken haalden hier hun akte van bekwaamheid.28 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt:

27 28

Berkel en Samplonius, 2006. http://www.dongen.nl/Over_de_Gemeente/Historie.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 10 van 19

Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal29

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut

1817

Gemeente Dongen, Sectie B, Blad 01

1:2.500

het plangebied is niet bebouwd

rondom het plangebied is de bebouwing van de lage Ham al aanwezig.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1900

605

1:50.000

het plangebied is niet bebouwd

rondom het plangebied is de bebouwing van de lage Ham al aanwezig. Er zijn wat veranderingen ten opzichte van 1817.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1937

44G

1:50.000

het plangebied is niet bebouwd

Ook op het perceel waar het plangebied op ligt is nu veel bebouwing aanwezig. Deze lijkt niet tot in het plangebied door te lopen.

Topografische kaart

1956

44G

1:25.000

het plangebied is niet bebouwd

Ook op het perceel waar het plangebied op ligt is nu veel bebouwing aanwezig. Deze lijkt niet tot in het plangebied door te lopen.

Topografische kaart

1970

44G

1:25.000

in het plangebied is nu ook bebouwing aanwezig. Het lijkt om een schuur te gaan.

idem

Topografische kaart

1984

44G

1:25.000

de bebouwing is alweer verdwenen

idem

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied al in de 19e eeuw onderdeel uitmaakte van een strook met lintbebouwing aan de destijds al bestaande Lage Ham ten oosten van de Donge. Het aantal gebouwen dat aan deze straat staat neemt in de loop der tijd toe. Het plangebied zelf blijft echter onbebouwd tot De westelijke helft van het plangebied was begin 19e eeuw al bebouwd met een woning en schuur. De oostelijke helft was als erf bij dezelfde woning in gebruik. In de afgelopen 200 jaar is de westelijke helft van het plangebied voornamelijk bebouwd geweest met een woning en schuur, op een periode in de jaren ’30 en ’40 van de 20e eeuw na. In de jaren ’80 van de 20e eeuw is de laatste woning gesloopt. De oostelijke helft van het plangebied is vrijwel uitsluitend als weiland in gebruik geweest. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Dongen is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbestek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.

Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 30 Het raadplegen van deze bronnen geeft

www.topotijdreis.nl. Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 29 30

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 11 van 19

geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 12 van 19

2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum

Middelhoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het eerdek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het eerdek en in de top van de dekzandafzettingen

Laat-Neolithicum – VroegeMiddeleeuwen

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het eerdek en in de veenafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het eerdek, in de veenafzettingen en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging aan een ontginningsas blijkt dat het plangebied vanaf de LateMiddeleeuwen gunstig is geweest voor landbouwers. Historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied in de eerste helft van de 19e eeuw al aan de deels bebouwde Lage Ham lag. Of het in het Paleolithicum en Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars is moeilijk vast te stellen door het ontbreken van landschappelijke informatie. Het plangebied lag destijds vermoedelijk al nabij het beekdal van de Donge. Het ontbreken van waarnemingen uit deze periode in het onderzoeksgebied zorgt voor een middelhoge verwachting. Ditzelfde geldt voor het Neolithicum. Voor de periode Laat-Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen geldt een lage verwachting. Waarschijnlijk is het plangebied tussen 3850 en 2750 v. Chr. onderdeel gaan uitmaken van een groot veengebied. Eventuele archeologische resten uit het Laat-Neolithicum tot en met VroegeMiddeleeuwen zouden in dit veenpakket kunnen zijn achtergebleven. Bij het turfsteken en de agrarische ontginning van het plangebied zullen deze resten zijn verdwenen, waardoor voor de periode Laat-Neolithicum – Vroege-Middeleeuwen een lage verwachting geldt. De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke Chorizont en de veenlaag.

De vondstenlaag is opgenomen onder in het akkerdek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het esdek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 13 van 19

Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan ca. 30 cm beneden het maaiveld. Organische resten en metaal zullen slecht zijn geconserveerd door de relatief droge en zure bodemomstandigheden boven het hoogste grondwaterpeil (1 m mv). Andere type indicatoren (aardewerk) zijn waarschijnlijk matig tot goed geconserveerd. Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, hoeft niet te betekenen dat de eventueel aanwezige archeologische resten ook behoudenswaardig zijn. Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als turfwinnings- en agrarisch gebied. Het westelijke deel van het plangebied is sinds in ieder geval begin 19 e eeuw, en mogelijk zelfs teruggaand tot de Late-Middeleeuwen meerdere maken bebouwd geweest met een agrarisch bedrijf.

Door turfsteken, ontginnen, ploegen en graaf- en bouwwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. 3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 14 van 19

veldonderzoek is op 29 september 2020 door T.H.L. Hos (senior KNA-archeoloog/Senior KNA Prospector/fysisch geograaf) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 12 cm) 5 boringen tot maximaal 160 m -mv gezet (Figuur 15). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 31 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. Tabel V.

Hoofdlijn bodemopbouw Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0-30/40 cm -mv

bege Zs2

bouwzand

30/40 - 50 cm mv

zwgr Zs2 zwak puinhoudend

ophogingslaag

50 - 80/130 cm -mv

brgr Zs2 zwak puinhoudend

ophogingslaag

> 80/130 cm -mv

bege Zs2

C-Horizont

De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: De te onderzoeken locatie betrof een parkeerplaats waar occasions stonden die te koop waren. De boringen konden onbelemmerd tussen de auto’s gezet worden. De top van de bodemopbouw bestond uit een pakket bouwzand van 30 tot 40 cm dik die onder de klinkers lag. Onder het bouwzand is een gemiddeld 80 cm dik pakket aangetroffen. Het pakket bestaat uit matig siltig matig grof zand dat puinhoudend is. De bovenste 30 cm is zwartgrijs van kleur, hieronder is het bruingrijs gekleurd. Dit pakket is als ophooglaag geïnterpreteerd dat opgeworpen is na het winnen van het veen. Op een diepte tussen de 80 en 130 cm -mv is een beigegeel pakket zwak siltig matig grof zand aangetroffen dat geïnterpreteerd is as de C-Horizont van het dekzand. Boring 1 is gestuit op puin op een diepte van 80 cm -mv. Boring 4 is gezet in een recente verstoring tot een diepte van 130 cm -mv. Dat de verstoring recent heeft plaatsevonden is te zien aan de lossere structuur en de afwezigheid van de ophogingslagen zoals die in boring 2, 3 en 5 zijn waargenomen. 31

Bosch, 2005.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 15 van 19

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Vastgesteld kon worden dat de natuurlijke bodemopbouw in het plangebied verstoord is geraakt, vermoedelijk door de winning van veen. Hiermee krijgt het plangebied een lage verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten vanaf het Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Boring 1 en 4 kennen een verstoorde top van de ophogingslagen. Omdat het een klein plangebied betreft (425 m2) valt hierdoor al een aanzienlijk deel af. We verwachten niet dat de top van de ophogings lagen over voldoende oppervlak onverstoord aanwezig is om een coherent beeld te krijgen van de sporen en vondsten uit de Late-Middeleeuwen / Nieuwe tijd, mochten deze aanwezig zijn. Hierom wordt de verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd als laag beschouwd. 4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het plangebied heeft een lage verwachting gekregen op het aantreffen van sporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Uit het booronderzoek bleek dat de bodemopbouw te verstoord is om nog sporen en vondsten te verwachten. Econsultancy adviseert om het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling en de dubbelbestemming archeologie te laten vervallen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Dongen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 32).

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000.

32 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 16 van 19

Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bazelmans, J., H. Weerts & M. van der Meulen (red.), 2011: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste IJstijd tot Nu, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkel, G. van & K. Samplonius, 1995: Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen., Meppel. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Koopmanschap, H. , 2010: Archeologische beleidskaart gemeente Dongen, Oranjewoud Laat, M. de, 2014: De Wazerweijen, september 2014, Jaargang 34, nummer 133. Heemkundekring De Heerlyckheit Dongen, Dongen Leenders, K.A.H.W., 1989. Verdwenen Venen.

Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250-1750. Wageningen. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Miedema, F.R.P.M. & L.A. Tebbens, 2008: Gemeente Dongen, Dongen, Lage Ham: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC rapport V-07.0450, ‘s-Hertogenbosch Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 44 Oost Oosterhout. Voeten, D.F.A.E., 2013: Dongen Plangebied Lage Ham: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC rapport V-12.0200, ‘s-Hertogenbosch

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 17 van 19

Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 18 van 19

BRONNEN AHN; internetsite, december 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, december 2020. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, december 2020. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, december 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, december 2020. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, december 2020. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, december 2020. http://www.dinoloket.nl/ Gemeente Dongen, april 2019 www.dongen.nl Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, december 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2020. http://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, december 2020. http://geoloket.provincieantwerpen.be VEO Bommenkaart; internetsite, december 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 13779.001 versie 2

Pagina 19 van 19

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland33

33 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied34

34 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied35

35 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 36

36

Gemeente Dongen

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 37

37

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 38

38

AHN

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart39

39

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 40

Lage Ham ong. te Dongen. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

40

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 13779.001 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart 41

41

Rapport 13779.001 versie 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10170048/1