2021-005807 RV Bijlage 1- Vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
Dongen Lage Ham 108 en 110 BESTEMMINGSPLAN
Lage Ham 108 en 110 Dongen
Dongen
bestemmingsplan
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.0766.BP2021000076‐OW01
04‐02‐2021 26‐03‐2021
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
060557.20201335 opdrachtleider:
ing. J.C.C.M van Jole auteur:
ing. H.A.Q. Maas
Torenallee 20 Gebouw SFJ (Videolab) 5617 BC Eindhoven T: 040-4022734 E-mail: info@rho.nl
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding en doel bestemmingsplan
7
1.2
Huidige situatie en omgeving
8
1.3
Leeswijzer
12
Hoofdstuk 2
Planvoornemen
13
Hoofdstuk 3
Beleidskader
17
3.1
Inleiding
17
3.2
Rijksbeleid
17
3.3
Provinciaal beleid
19
3.4
Gemeentelijk beleid
21
Hoofdstuk 4
Milieu‐ en omgevingsaspecten
25
4.1
Inleiding
25
4.2
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
25
4.3
Verkeer en parkeren
26
4.4
Bedrijven en milieuzonering
27
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
28
4.6
Geluid
32
4.7
Externe veiligheid
34
4.8
Luchtkwaliteit
36
4.9
Kabels en leidingen
38
4.10
Bodem
38
4.11
Water
39
4.12
Ecologie
44
4.13
Duurzaamheid
47
4.14
Conclusie
48
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
49
5.1
Wettelijke eisen
49
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
49
5.3
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
50
5.4
Toelichting op de algemene regels
51
5.5
Toelichting op de overgangs‐ en slotregels
51
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
4
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
53
6.1
Economische uitvoerbaarheid
53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten
Bijlage 2
Archeologisch bureau‐ en verkennend booronderzoek
Bijlage 3
Rekenresultaten wegverkeer SRM1
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 5
Vooroverleg Waterschap Brabantse Delta
Bijlage 6
Vooroverleg Provincie Noord‐Brabant
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
71
Artikel 1
Begrippen
71
Artikel 2
Wijze van meten
75
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
77
Artikel 3
Wonen
77
Hoofdstuk 3
Algemene regels
81
Artikel 4
Anti‐dubbeltelregel
81
Artikel 5
Algemene bouwregels
82
Artikel 6
Algemene gebruiksregels
83
Artikel 7
Algemene afwijkingsregels
84
Artikel 8
Algemene wijzigingsregels
85
Artikel 9
Overige regels
86
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
87
Artikel 10
Overgangsrecht
87
Artikel 11
Slotregel
88
Bijlagen regels Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
Bijlage 2
Parkeernormen Dongen
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
TOELICHTING
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel bestemmingsplan
De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswoning aan Lage Ham 110 om te zetten in een burgerwoning en op naastgelegen perceel aan Lage Ham 108 een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Het plangebied bevindt zich in het noorden van de kern Dongen en wordt kadastraal aangeduid als 'DGN01 ‐ N – 1032'. Via de gemeente Dongen is een vergunning afgekondigd om achter op het perceel (kadastraal aangeduid als 'DGN01 ‐ N ‐ 1031' en 'DGN01 ‐ N ‐ 760') een aantal bedrijfsunits te realiseren. Het bestaande bedrijfspand wordt verder opgeknapt en de auto's die nu aan de voorzijde van de Lage Ham staan worden binnen gezet. Aan de voorzijde heeft het college in principe ingestemd met het omzetten van de bedrijfswoning en het realiseren van een vrijstaande woning. Voor de locatie geldt momenteel het bestemmingsplan 'Zuid en West Dongen' (vastgesteld op 30 september 2010). De gronden zijn bestemd tot 'Bedrijf', welke in de eerste plaats zijn bedoeld voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast is conform het geldende bestemmingsplan de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie b1' van kracht en is specifiek voor het adres Lage Ham 110 een functieaanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. De verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
Verbeelding bestemmingsplan 'Zuid en West Dongen' (Bron: Ruimtelijkeplannen, 2010)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
8
Het initiatief om op deze gronden de bestaande bedrijfswoning aan Lage Ham 110 om te zetten in een burgerwoning en op naastgelegen perceel aan Lage Ham 108 een nieuwe vrijstaande woning te realiseren is in strijd met het bestemmingsplan. Binnen deze bestemming is het realiseren van een woning namelijk niet toegestaan. De gemeente Dongen staat echter positief tegenover de ontwikkeling en is bereid planologische medewerking te verlenen door voor deze locatie een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Het voorliggende bestemmingsplan 'Lage Ham 108 en 110' voorziet in de juridisch‐planologische regeling van de beoogde ontwikkeling.
1.2
Huidige situatie en omgeving
Het plangebied bevindt zich in het noorden van de kern Dongen en wordt ontsloten via de Lage Ham. Het perceel is momenteel in gebruik door autobedrijf Fens Occasion Center Dongen (reparatie en verkoop). Aan de voorzijde bevinden zich een bedrijfswoning en een stallingsplaats voor de auto's. Het plangebied (circa 892 m2) wordt omgeven door woningen, een bedrijf dat caravans stalt, een glastuinbouwbedrijf en percelen behorende bij een grondgebonden agrarisch bedrijf. Aan de overzijde van de weg zijn woonpercelen gelegen. In de figuren 1.2 en 1.3 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.2
Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
9
Figuur 1.3
Begrenzing plangebied (Bron: Google Maps)
Verder bevinden zich in de omgeving voornamelijk ruim opgezette vrijstaande woningen en boerderijen, al dan niet in combinatie met een agrarische functie. Circa 550 meter ten noorden van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd tot en met milieucategorie B1, waaronder een autosloopbedrijf en een groothandelaar voor elektrische apparatuur. De Lage Ham vormt samen met de Hoge Ham, Sint Josephstraat, Eindsestraat en de Kerkstraat een van de oorspronkelijke bebouwingslinten van waaruit Dongen is opgebouwd. De karakteristieke lintpatronen in de directe omgeving van het plangebied zijn nog duidelijk herkenbaar. Tevens ligt de Donge (karakteristiek riviertje) op slechts enkele meters van het plangebied. Een aantal afbeeldingen van het plangebied en de omgeving worden weergegeven in de figuren 1.4 tot en met 1.7.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
10
Figuur 1.4
Huidige situatie plangebied
Figuur 1.5
Bestaande bedrijfswoning aan Lage Ham 110
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
11
Figuur 1.6
Riviertje de Donge (Bron: Kees Wittenbols foto's Breda en omgeving)
Figuur 1.7
Straatbeeld Lage Ham (Bron: Kees Wittenbols foto's Breda en omgeving)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
12
1.3
Leeswijzer
De toelichting is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt de beoogde ontwikkeling toegelicht. Hoofdstuk 3 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de ruimtelijke, planologische en milieuaspecten. In hoofdstuk 4 wordt een toelichting gegeven op de bestemmingsregeling (verbeelding en regels). In hoofdstuk 5 komt de juridische planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de procedure.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
13
Hoofdstuk 2
Planvoornemen
Aan de voorzijde, ter plaatse van de huidige parkeerplaats, is een nieuw woonperceel georiënteerd op de Lage Ham beoogd. De huidige bedrijfswoning krijgt een woonbestemming. De afstand van de bouwvlakken tot de gedeelde perceelgrens bedraagt ten minste 3 meter, zodat een minimale afstand van 6 meter tussen de woningen wordt geborgd. De diepte van beide bouwvlakken bedraagt 15 meter. De maximale goot‐ en bouwhoogten bedragen ten hoogste 5 meter respectievelijk 9 meter, zodat de hoogten in lijn liggen met de naastgelegen woningen. De inrichtingstekening van de toekomstige ontwikkeling wordt weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1
Inrichtingstekening toekomstige situatie Lage Ham 108 en 110 (Bron: Condor Bouwadvies)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
14
Voor de nieuwe woning aan Lage Ham 108 zijn verschillende ontwerptekeningen gemaakt. Deze tekeningen worden weergegeven in de figuren 2.2 t/m 2.5.
Figuur 2.2
Plattegronden toekomstige woning aan Lage Ham 108 (Bron: Condor Bouwadvies)
Figuur 2.3
Doorsnedes toekomstige woning aan Lage Ham 108 (Bron: Condor Bouwadvies)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
15
Figuur 2.4
Aanzichten (Bron: Condor Bouwadvies)
Figuur 2.5
Sfeerimpressies (Bron: Condor Bouwadvies)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
16
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
17
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale omgevingsvisie (2020) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
18
eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit Ruimte voor overgang naar een circulaire economie Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren.
Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling in het bestaand stedelijk gebied van Dongen past binnen het rijksbeleid. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de SVIR wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie‐ en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainportontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Toetsing Op het plangebied zijn geen voorwaarden van toepassing op basis van het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6).
Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11‐14 woningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
19
Toetsing Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het omzetten van de bedrijfswoning aan Lage Ham 110 in een burgerwoning en het realiseren van een nieuwe vrijstaande woning aan Lage Ham 108. In feite wordt er dus één woning in bestaand stedelijk gebied toegevoegd en wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (uitspraak Raad van State van 16 september 2015, zaaknummer 201501297). Derhalve is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. 3.2.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het Rijksbeleid.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord‐Brabant In de Omgevingsvisie Noord‐Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord‐Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord‐Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord‐Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Toetsing Stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Herbestemmen wordt gezien als het nieuwe bouwen: als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings‐ en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied.
Hier liggen namelijk de kansen om de forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen in de komende tien jaar te realiseren. De beoogde ontwikkeling draagt hieraan bij. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood‐Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
20
In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenaamde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Het volgende artikel is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen 'stedelijk gebied' en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d.
houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Toetsing Het 'stedelijk gebied' zoals gehanteerd door de provincie bestaat uit het 'stedelijk concentratiegebied' en de 'kernen in landelijk gebied'. Het plangebied ligt binnen het 'stedelijk concentratiegebied' zoals gehanteerd binnen de Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant en weergegeven is in figuur 3.1. Binnen deze gebieden kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Binnen het stedelijk gebied liggen verschillende mogelijkheden voor inbreiding, herstructurering en intensief, meervoudig ruimtegebruik. Voor de toets aan de regionale afspraken zoals genoemd in artikel 3.42 wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het toevoegen van een nieuwe woning is te klein om het een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Interim omgevingsverordening te noemen. In de kernen in het landelijk gebied hanteert de provincie als uitgangspunt dat er alleen voorzieningen worden gevestigd die qua aard, schaal en functie passen. Dit zijn voorzieningen met een lokaal verzorgingsgebied.
De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldo‐nul'. Daarnaast zullen maatregelen getroffen worden ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Het mogelijk toepassen van halfverharding bij de parkeerplaatsen is daarbij voorzien. Daarnaast wordt er voldoende groen aangelegd als infiltratiemogelijkheid voor regenwater. Dit groen levert tevens een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
21
Figuur 3.1
Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord‐Brabant (Bron: Provincie Noord‐Brabant)
3.3.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders en randvoorwaarden van het provinciaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Dongen 2020 Het plangebied aan Lage Ham 108 en 110 te Dongen is op de structuurvisiekaart (figuur 3.2) aangewezen als 'bestaand bebouwd gebied'. Verder ligt de locatie binnen 'Kwaliteit II' van het versterken van het karakter van bebouwingslinten binnen het aspect cultuurhistorie. Daarnaast staan beheer en onderhoud van bestaande woongebieden en de versterking van het centrumgebied hoog in het vaandel. Leefbaarheid en beleefbaarheid worden gezien als belangrijke aandachtspunten.
Figuur 3.2
Uitsnede structuurvisiekaart gemeente Dongen (Bron: Gemeente Dongen)
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
22
De cultuurhistorische bebouwingslinten hebben een zeer hoge waardering gekregen. Het bebouwingsbeeld van de Lage Ham bestaat overwegend uit vrijstaande, een‐ en tweelaagse bebouwing, met de nokrichting parallel aan de straat en een eenvormige rooilijn. De bebouwingslinten en ontginningsassen zijn bepalend voor de ruimtelijke structuur van de gemeente en dienen als zodanig behouden te blijven. Wat betreft de cultuurhistorische waarde van de bebouwingslinten in de gemeente wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën: kwaliteit zeer hoog, hoog en redelijk hoog. Behoud en versterking van deze kwaliteiten is van groot belang. Belangrijkste ruimtelijk en functionele kenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van de linten zijn het kenmerkende gedifferentieerde bebouwingspatroon met karakteristieke (historische) bebouwing, variatie in functies en gebruik en beeldbepalende groenelementen van (open) particuliere kavels en erven en structuren in de openbare ruimte. Ontwikkelingen met betrekking tot functieveranderingen en nieuwe bebouwingselementen kunnen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de bebouwingslinten onder druk zetten. Nieuwe ontwikkelingen zullen daarom te allen tijde binnen de kleinschalige context van de linten moeten worden bezien. Grootschalige ontwikkelingen zoals glastuinbouw passen daar bijvoorbeeld niet bij.
De welstandsnota, waarin de waarden van de bebouwingslinten zijn beschreven en waarin gebiedsgerichte welstandscriteria voor de bebouwingslinten zijn gegeven, vormt hiervoor samen met groenstructuurplannen het toetsingskader. Daarnaast vormt het versterken van de beleefbaarheid van het riviertje de Donge een belangrijk aandachtspunt in de Structuurvisie Dongen 2020. Binnen de kern Dongen en op Tichelrijt is vergroting van de beleefbaarheid van de Donge gewenst. Hieraan kan invulling worden gegeven door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkeling grenzend aan de Donge, dit cultuurhistorische waardevolle water als strategische randvoorwaarde in het stedenbouwkundig ontwerp mee te nemen. Tevens door de openbaarheid van de Donge te vergroten door het creëren van wandel‐ en fietsmogelijkheden langs de beek en door ter plaatse van kruispunten met wegen de Donge beter zichtbaar en beleefbaar te maken. Tussen (globaal) de Lage Ham en het Wilhelminakanaal en bij de stedenbouwkundige uitwerking van de oostelijke uitbreiding van het bedrijventerrein Tichelrijt wordt de beleefbaarheid actief versterkt. Op het bestaande bedrijventerrein zijn de inspanningen niet actief, maar worden de mogelijkheden die zich voordoen benut.
3.4.2 Welstandsnota Gemeente Dongen (2008) De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende woon‐ en werkgebieden zoals: historische dorpscentra, individuele woningen en kleinschalige woningbouwprojecten van voor de tweede wereldoorlog, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Voor de gebiedsgerichte criteria is Dongen onderverdeeld in de deelgebieden (figuur 3.3): • Historische lintbebouwing; • Dorpswonen; • Woongebieden; • Bedrijventerreinen. Het plangebied bevindt zich in het deelgebied 'historische lintbebouwing'. In deze paragraaf wordt hier verder op ingegaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
23
Figuur 3.3 Deelgebieden Dongen met aanduiding plangebied in geel (Bron: Gemeente Dongen) Historische lintbebouwing De kern Dongen is ontstaan als een agrarische nederzetting. Het dorp ontwikkelde zich in aansluiting op het oorspronkelijke bebouwingslint van de Lage Ham – Hoge Ham ‐ Eindsestraat en de bebouwing in de omgeving van de Protestantse Kerk aan de Kerkstraat. Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Veel van deze bebouwingslinten is bewaard gebleven. De linten vormen een driehoekige structuur waarbinnen het centrum is gegroeid en waar omheen de latere woonwijken zijn gerealiseerd. Vanwege het historische belang dat de Donge en het beekdal van de Donge hebben gehad voor het ontstaan en de ontwikkeling van Dongen wordt ook dit gebied bij de historische laag gerekend. Binnen de historische lintbebouwing zijn de volgende onderdelen te onderscheiden: Lage Ham (vrijstaande lintbebouwing); Hoge Ham (tussen Noorderlaan en Gasthuistraat); Hoge Ham centrum (tussen Gasthuistraat en Kanaalstraat); Sint Josephstraat – Vennen; Rijensestraatweg; Heuvel – Heuvelstraat – Kerkstraat (oude kernen); Gerardus Majellastraat – Tramstraat; Kardinaal van Rossumstraat – Gasthuisstraat. In navolgende tekst wordt ingegaan op het welstandsaspect van de Lage Ham.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
24
Bebouwing en omgeving Lage Ham is onderdeel van een lange, oorspronkelijk agrarische, ontginningsas waaraan Dongen is ontstaan. Langs het lint is veel agrarische bebouwing terug te vinden en incidenteel staan er kleinschalige fabrieksgebouwen. Het lint is in de loop der jaren verdicht met woningen en bedrijvigheid maar het ruime groene karakter is gebleven. De bebouwing is vrijstaand met diepe voortuinen. Opvallend is het asymmetrische profiel. Langs de westzijde van de weg loopt de Donge. De kavels aan die zijde worden ontsloten door bruggetjes hebben. De afstand van de bebouwing tot de weg kent een grote variatie. Massa en vorm Beeldbepalend is de grote boerderijbebouwing met bijgebouwen en de riante woonbebouwing uit verschillende bouwperioden en bouwstijlen. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één of twee bouwlagen met een kap. De kapvormen kennen veel variatie: zadeldaken, wolfsdaken, schilddaken en mansardedaken in langs‐ en haaksrichting. De verdiepingshoogte en nokhoogte van de oudere panden is vrij hoog. Detaillering, kleur en materiaal Langs de Lage Ham staan veel panden met oude originele gevels en detaillering zoals speklagen, lateien, daklijsten, luiken, etc. Zowel bij de oude als nieuwe bebouwing zijn gevels opgetrokken uit baksteen en hout. Daken zijn bedekt donkere dakpannen en incidenteel met riet.
3.4.3 Woningbouwplanning De gemeente beschikt over een door de provincie goedgekeurd woningbouwprogramma, dat in de periode 2016‐2025 voorziet in de bouw van in totaal 1.100 woningen. 3.4.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling valt binnen het bestaand bebouwd gebied. Ook valt het plangebied binnen een cultuurhistorische kwaliteitzone volgens de gemeentelijke structuurvisie. Deze vormt een beeldbepalend, markant element binnen het bebouwingslint. Door middel van rooilijnen, materialisering en positionering van de woning wordt aangesloten bij het straatbeeld en de historische elementen uit de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarom binnen de kaders van het gemeentelijk beleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
25
Hoofdstuk 4
4.1
Milieu‐ en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit het omzetten van een bedrijfswoning in een burgerwoning en de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
26
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer‐procedure of mer‐beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1 Normstelling en beleid Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het 'Parapluplan Parkeren Dongen'. Conform dit beleid wordt de bovenkant van de bandbreedte aangehouden. Voor het juiste kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in rest bebouwde kom aangehouden. De gemeente heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid. 4.3.2 Toetsing Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen in de gemeente Dongen en wordt ontsloten via de Lage Ham. Richting het noorden gaat deze weg over in de Groenstraat/Hogedijk welke aansluit op de Provincialeweg.
Richting het zuiden wordt via de rotonde ontsloten op de Noorderlaan ‐ Westerlaan (riching Oosterhout), de Beljaartlaan (richting Kaatsheuvel) en de Hoge Ham welke aansluit op de Gasthuisstraat/Monseigneur Poelsstraat en het centrum van Dongen. De Westerlaan en de Gasthuisstraat (gaat over in de Middellaan) zijn beide aangesloten op de N629 welke in verbinding staat met de A27. Binnen de bebouwde kom geldt een maximum snelheid van 50 km/h en buiten de kom een maximum snelheid van 60 km/h. De N629 is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximumsnelheid van 80 km/h geldt. De ontsluiting van het gemotoriseerde verkeer is goed. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde bushalte is op een afstand van circa 1,5 kilometer gesitueerd. Deze halte wordt bediend door bussen in de richtingen Tilburg en Oosterhout/Breda met een frequentie van 2x per uur. Langzaam verkeer Het fietsverkeer op de Lage Ham en de Provincialeweg wordt gemengd met het overige verkeer afgewikkeld. Er zijn, in tegenstelling tot de richtlijnen wegen met een maximum snelheid van 50 km/h, geen vrijliggende fietspaden aanwezig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
27
Parkeren De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van het 'Parapluplan Parkeren' van de gemeente Dongen. De parkeernorm voor één vrijstaande woning bedraagt minimaal 1,8 tot maximaal 2,6 parkeerplaatsen. In deze norm zit een bezoekersdeel van 0,3 parkeerplaats per woning. Volgens het gemeentelijk beleid dient, door het hoge percentage autogebruik in de gemeente, de bovenkant van deze bandbreedte te worden aangehouden. De norm van 2,6 parkeerplaatsen voor één woning bedraagt afgerond 3 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie is aan Lage Ham 110 reeds een (bedrijfs)woning aanwezig en wordt op eigen terrein geparkeerd. Hier zijn drie parkeerplaatsen aanwezig. Ten behoeve van de nieuwe woning aan Lage Ham 108 worden op eigen terrein drie parkeerplekken gerealiseerd. Verkeersgeneratie & verkeersafwikkeling In de toekomstige situatie is voor het plangebied aan de Lage Ham 108 en 110 te Dongen sprake van de toevoeging van één vrijstaande woning. De verkeersgeneratie van één vrijstaande woning is dusdanig beperkt dat dit zal opgaan in het heersende verkeersbeeld van de Lage Ham. 4.3.3 Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor de verschillende vervoerswijzen goed. Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen. De ontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeerstoename in het plangebied welke niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. In gebieden waar bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies reeds naast elkaar voorkomen of gewenst zijn, wordt niet gebruikgemaakt van richtafstanden uit de VNG‐uitgave Bedrijven en milieuzonering. Deze gebieden worden getypeerd als gebieden met functiemenging. Voor deze gebieden wordt een Staat van Bedrijvigheid Functiemenging gehanteerd waarin per bedrijfsactiviteit wordt aangegeven in welke mate deze direct naast, boven of onder woningen toelaatbaar is. De Staat van Bedrijfsactiviteiten Functiemenging is weergegeven in bijlage 1 van de regels. Een toelichting op deze Staat is opgenomen in bijlage 1 bij de toelichting. 4.4.2 Toetsing en conclusie In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies gelegen, namelijk woningen, bedrijven en agrarische activiteiten. Tevens ligt het plangebied aan een doorgaande ontsluitingsweg. Het plangebied is daardoor te categoriseren als gebied met functiemenging.
De bedrijfsbestemming die aan het plangebied grenst heeft de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie b1', ofwel bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De richtafstand voor dergelijke bedrijven tot en met categorie b1 kennen een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Vanzelfsprekend wordt aan deze richtafstand voldaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
28
Formeel gezien valt naastgelegen autobedrijf Fens Occasion Center Dongen (reparatie en verkoop) in milieucategorie 2 en geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Aan de richtafstand wordt in dit geval niet voldaan aangezien het bouwvlak van de toekomstige woning aan Lage Ham 108 op circa 7 meter van de inrichtingsgrens ligt. Het maatgevende aspect is geluid. In de toekomst zal het autobedrijf doorgaan in een afgeslankte vorm. Het bestaande bedrijfspand wordt verder opgeknapt en de auto's worden binnen gestald en gerepareerd. Door deze afgeslankte vorm en omdat er geen werkzaamheden buiten plaatsvinden, is de (geluid)hinder minder dan milieucategorie 2. Bovendien ligt het plangebied aan een ontsluitende weg. Met de voorgenomen ontwikkeling vervalt de huidige bedrijfsbestemming en er komt een woonfunctie voor in de plaats. In afstemming met de gemeente Dongen wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een goed woon‐ en leefklimaat. Op korte afstand bevindt zich al een woning waardoor het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016‐2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgelegd op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Erfgoedverordening gemeente Dongen 2016 De erfgoedverordening is op 13 oktober 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Centrale beleidsregel daarin is dat het verboden is om in een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te verstoren. Op het verbod zijn verstoringen uitgezonderd in een gebied: met een lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50.000 m2; met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; waarvoor in het bestemmingsplan reeds bepalingen zijn opgenomen voor archeologische monumentenzorg.
Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Toetsing De gemeenteraad heeft op 10 februari 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld (figuur 4.1). De ligging van het plangebied is globaal aangeduid met de gele cirkel. Deze kaart moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening. Voor gebieden met op de AMK en IKAW een middelhoge of hoge verwachtingswaarde is het uitgangspunt dat onderzoek wordt uitgevoerd als ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd of gepland die de eventuele archeologische waarden kunnen aantasten.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
29
Figuur 4.1
Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Dongen (Bron: gemeente Dongen)
Gezien de voorgenomen ontwikkeling waarbij de bodemingreep een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2 en de bodemingreep dieper zal zijn dan 50 cm, is archeologisch onderzoek nodig. In het kader van hiervan heeft Econsultancy in oktober 2020 een archeologisch bureau‐ en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hierna is volstaan met een beknopte samenvatting. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het plangebied heeft een lage verwachting gekregen op het aantreffen van sporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege‐Middeleeuwen, een middelhoge verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachting voor de Late‐Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
30
Uit het booronderzoek bleek dat de bodemopbouw te verstoord is om nog sporen en vondsten te verwachten. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling en de dubbelbestemming archeologie te laten vervallen. Monumentenhuis Brabant B.V. heeft via een formele beoordeling ingestemd met bovenstaand advies om het plangebied qua archeologie vrij te geven voor ontwikkeling. De archeologisch verwachting kan worden bijgesteld naar laag omdat de natuurlijke bodemopbouw ter plaatse verstoord geraakt is, waarschijnlijk door de winnen van veen in het verleden. Een dubbelbestemming 'waarde‐archeologie' is daarom ook niet nodig. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de toekomstige woningbouwontwikkeling. 4.5.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016‐2018) De Nota Cultureel Erfgoed Dongen is vastgesteld op 10 maart 2016. De nota bundelt het huidige en nieuwe beleid omtrent cultureel erfgoed in één erfgoednota. Hierbij is de basis gelegd voor een brede, integrale basis voor behoud en versterking van cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente Dongen. De gemeente Dongen maakt in de nota haar beleid en ambities op het gebied omtrent cultureel erfgoed kenbaar.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder ander het provinciaal beleid, dat is vertaald naar gemeentelijk beleid, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Archeologische beleidsadvieskaart. Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) De 'Cultuurhistorische waardenkaart' (vastgesteld 26 september 2006) van de provincie Noord‐Brabant vormt het kader voor het inhoudelijke cultuurhistorische beleid met behulp waarvan dat beleid getoetst en ontwikkeld kan worden. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn meerdere aanduidingen opgenomen (historische bouwkunst, historische stedenbouw, historische geografie (lijnen en vlakken), historische groenstructuren, historische zichtrelaties, archeologische monumenten en indicatieve archeologische waarden). De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente doorvertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014). In figuur 4.2 is het plangebied weergegeven in de uitsnede van deze waardenkaart. Hieruit blijkt dat het projectgebied zich kenmerkt door de historische dorpsstructuur/lintbebouwing en daardoor wordt aangeduid als gebiedstype 1.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
31
Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen, 2014) In dit gebied gaat het om de samenhang tussen structuren en historische bebouwing met eventueel het aanwezige groen en zijn de huidige stedenbouwkundige kwaliteiten uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. De belangrijkste objecten zijn reeds beschermd als gemeentelijk of rijksmonument of staan op de aandachtslijst van identiteitsbepalende objecten. Toetsing De ontwikkeling past binnen het uitgangspunt van de gemeente om het huidige karakter van het bebouwingslint Lage Ham te versterken. De ontwikkeling sluit aan bij de directe omgeving. Aan de voorzijde wordt namelijk een vrijstaande woning toegevoegd die qua positionering en type woning in lijn ligt met de naastgelegen woningen. Conclusie De cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied worden in het voorliggende bestemmingsplan gerespecteerd. Een specifieke regeling is niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
32
4.6
Geluid
4.6.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.6.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek De woning wordt getoetst ten gevolge van het wegverkeer op de Lage Ham.
Maatgevend voor het akoestisch onderzoek is een jaargemiddelde verkeersintensiteit van een weekdag. De intensiteit van de Lage Ham is aangeleverd door de gemeente Dongen. De ontleende intensiteiten komen uit het jaar 2015. Deze zijn doorberekend met een autonome groei van 1% naar de planhorizon (10 jaar na planvoornemen), het jaar 2031. Verder zijn de voertuig‐ en etmaalverdeling tevens door de gemeente aangeleverd. In tabel 4.1 zijn de verkeersgegevens weergeven. Hierin is tevens de wegdekverharding en de maximum snelheid opgenomen. In tabel 4.2 is de voertuig‐ en etmaalverdeling opgenomen van een provinciale weg
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
33
Tabel 4.1 Bron
Verkeersgegevens Intensiteit 2031 (weekdag) Lage Ham 1.637 mvt/etmaal Voertuig‐ en etmaalverdeling dag avond Licht verkeer 92,30% 92,30% Middel verkeer 4,90% 4,90% Zwaar verkeer 2,80% 2,80% etmaalverdeling 6,84% 3,30%
Snelheidsregime
Wegdekverharding
50 km/uur
Elementenverharding in keperverband
Tabel 4.2
nacht 92,30% 4,90% 2,80% 0,60%
Rekenmethodiek en invoergegevens Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken‐ en Meetvoorschrift Geluid 2012. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 3. Voorts is de afstand van de as van de weg tot de woning bepaald aan de hand van de verkaveling. De afstand tot de Lage Ham bedraagt 19 meter. In het rekenmodel is daarnaast, op basis van de wegbreedte, uitgegaan van een verhardingsbreedte van 3 meter (tussen de woning en de Lage Ham is sprake van zachte bodemgebied). Verder is uitgegaan van een volledige zichthoek. Tot slot is voor een objectfractie van 0,6 gekozen, deze is ruim ingeschat. Resultaten In tabel 4.3 is de geluidbelasting op de gevels van de woning weergeven. De woning zal bestaan uit twee bouwlagen. Gerekend is op +1,5 meter op de begane grond en op +4,5 meter op de eerste verdieping. Tabel 4.3 Geluidbelasting nieuwe woning (inclusief aftrek art. 110g Wgh) Bron Bouwlaag 1 Bouwlaag 2 Lage Ham 55 dB 55 dB Op basis van tabel 3 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Lage Ham wordt overschreden. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh. De rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 1. Maatregelen Als gevolg van het wegverkeer op de Lage Ham wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden.
In de Wet geluidhinder is in dit geval een onderzoeks‐ en verantwoordingsplicht opgenomen naar geluidreducerende maatregelen als het gaat om gezoneerde wegen. In eerste instantie wordt gekeken naar bronmaatregelen, vervolgens naar overdrachtsmaatregelen. Bronmaatregelen Hieronder vallen bijvoorbeeld het verlagen van de maximum snelheid, het terugdringen van het verkeersaanbod en aanpassen van het wegdektype. De Lage Ham is een stedelijke hoofdweg en heeft een belangrijke ontsluitende functie, hierdoor is afwaardering niet mogelijk. Derhalve zijn de aanpassingen als het wijzigen van de functie van deze weg waarmee het gebruik teruggedrongen kan worden of het verlagen van de maximum snelheid geen reële maatregelen. Een andere maatregel aan de bron is het toepassen van geluidreducerende wegdekverharding. Het toepassen van stille asfaltverharding zal tot een reductie kunnen leiden, echter niet tot onder de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze maatregel brengt hoge kosten met zich mee, dit staat niet in verhouding tot de omvang van de ontwikkeling. De maatregel is hierdoor niet doelmatig en zal
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
34
stuiten op bezwaren van financiële aard. Maatregelen in het overdrachtsgebied Hieronder vallen maatregelen zoals het toepassen van geluidschermen of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de gevel van de woning . Maatregelen in het overdrachtsgebied in de vorm van geluidafschermende voorzieningen zijn een scherm of wal. Aan dit type maatregelen zijn hoge kosten verbonden en deze zijn ook uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zijn dergelijke maatregelen niet reëel. Conclusie Omdat de voorgenomen ontwikkeling van één nieuwe woning aan de Lage Ham 108 en 110 een geluidgevoelige functie betreft en de toekomstige woning binnen de wettelijke geluidzone van de Lage Ham ligt, is in dit rapport de geluidbelasting als gevolg van de Lage Ham inzichtelijk gemaakt. Als gevolg van het wegverkeer op de Lage wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 51 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh. Deze overschrijding vindt plaats op de tweede bouwlaag van de woning. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Lage Ham te reduceren stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke en financiële aard.
Omdat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden is het vaststellen van een hogere waarde mogelijk. Tabel 4.4 Benodigde hogere waarden Bron Hogere waarde Lage Ham 55 dB
Aantal 1
4.6.3 Industrielawaai Het plangebied ligt buiten de richtafstanden van bedrijven in de omgeving en er ligt geen gezoneerd industrieterrein of windturbine in de buurt. De geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit zullen niet worden overschreden. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het plan. 4.6.4 Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorweg. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
35
waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.7.2 Toetsing en conclusie Risicovolle inrichtingen Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in (de omgeving van) het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Deze worden in dit bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn verschillende leidingen gelegen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Hierdoor zijn deze leidingen mogelijk van invloed op de veiligheidssituatie ter plaatse van het plangebied. De gegevens van de leidingen zijn in tabel 4.5 weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
36
Tabel 4.5
Leidingen in de omgeving van het plangebied
Te zien is dat het plangebied ruim buiten de PR 10‐6 risicocontour en het invloedsgebied van de leidingen ligt. De leidingen vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In (de omgeving van) het plangebied vindt verder geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of over het water. Een verantwoording is daarom niet noodzakelijk.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.6 weergegeven. Tabel 4.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201335
37
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.8.2 Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.