CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-001318 Bijlage 1- Zuid-West 380 kV Oost concept inpassingsplan

Opiniërende raadsvergadering 15 april 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-001318 Zienswijze raad-college voorontwerp Rijks inpassingsplan Hoogspanningsverbinding 380kV zuid-westoost34.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

ZUID-WEST 380 KV OOST Inpassingsplan 23 februari 2021

1/6

2/6

DATUM IMRO-CODERING

23 februari 2021 NL.IMRO.000.EZip15ZW380oost-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Rijksinpassingsplan Zuid-West 380 kV oost ing. J.A. van Broekhoven

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 20171598

AUTEUR STATUS

Niels Tiekstra Concept-ontwerp

2

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Het tracé van Zuid-West 380 kV Oost

6

1.3

Planvorm en vigerende bestemmingsplannen

7

1.4

Het inpassingsplan en de rijkscoördinatieregeling

9

1.5

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2

Nut en noodzaak nieuwe hoogspanningsverbinding

11

2.1

Ontwikkelingen in de energiesector

11

2.2

Landelijke 380 kV-ring in Nederland

11

2.3

Energieproductie in Zeeland

12

2.4

Knelpunten in het transport naar het achterland

13

2.5

Oplossing

13

Hoofdstuk 3

Proces en totstandkoming tracé

15

3.1

Inleiding

15

3.2

Voorgeschiedenis

16

3.3

Ontwerp van de alternatieven

16

3.4

Voorkeursalternatief 2011

17

3.5

Discussie over de alternatieven

17

3.6

Actualisatie van de alternatieven

18

3.7

Geactualiseerde alternatieven en varianten en meest milieuvriendelijk alternatief

20

3.8

Bepalen Meest milieuvriendelijke alternatief (MMA)

21

3.9

Voorgenomen tracé 2017

21

3.10

Uitwerking van het voorkeursalternatief

22

3.11

Voorkeurstracé 2020

23

Hoofdstuk 4

Toelichting op tracé

28

4.1

Inleiding

28

4.2

Traceringsprincipes

28

4.3

Tracébeschrijving

29

4.4

Aansluiting 150 kV-stations

33

4.5

150 kV opstijgpunten en ondergrondse 150 kV-verbindingen

34

4.6

Masttype

36

4.7

Opstijgpunten

38

4.8

Tijdelijke verbindingen

39

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

3

Hoofdstuk 5

Ruimtelijk beleid

40

5.1

Rijksbeleid

40

5.2

Provinciaal beleid

43

5.3

Conclusie

45

Hoofdstuk 6

Onderzoek

46

6.1

Inleiding

46

6.2

Leefomgeving: magneetvelden

47

6.3

Landschap en cultuurhistorie

48

6.4

Natuur

50

6.5

Water

54

6.6

Bodem, archeologie en aardkundige waarden

55

6.7

Geluid

57

6.8

Externe veiligheid, kabels en leidingen

59

6.9

Tijdelijke verbindingen

59

Hoofdstuk 7

Juridische planbeschrijving

62

7.1

Inleiding

62

7.2

Toepassing rijkscoördinatieregeling

62

7.3

Coördinatie uitvoeringsbesluiten

63

7.4

Toelichting opzet rijksinpassingsplan

63

7.5

Plangebied van het inpassingsplan

64

7.6

Toelichting op de bestemmingen

65

7.7

Toelichting op algemene regels

66

7.8

Procedure voor provinciale inpassingsplannen en bestemmingsplannen

67

Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid

68

8.1

Economische uitvoerbaarheid

68

8.2

Aankoopbeleid

68

8.3

Schadebeleid

68

8.4

Beschikbaarheid gronden

70

8.5

Procedurele uitvoerbaarheid

71

8.6

Conclusie

71

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

72

9.1 Proces voorafgaand aan het inpassingsplan Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fout!

9.2 Overleg met besturen en instanties Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fout!

9.3 Zienswijzen Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fout!

9.4 Beroep Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fout!

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

4

Regels

73

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

74

Artikel 1

Begrippen

74

Artikel 2

Wijze van meten

77

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

78

Artikel 3

Bedrijf - Nutsbedrijf

78

Artikel 4

Bedrijf - Opstijgpunt

79

Artikel 5

Leiding - Hoogspanning 150 kV-ondergronds

80

Artikel 6

Leiding - Hoogspanning 380 kV-ondergronds

82

Artikel 7

Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 kV tijdelijk

84

Artikel 8

Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV

86

Artikel 9

Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV tijdelijk

88

Artikel 10

Leiding - Hoogspanningsverbinding 380 kV

90

Hoofdstuk 3

Algemene regels

92

Artikel 11

Antidubbeltelregel

92

Artikel 12

Algemene bouwregels

93

Artikel 13

Algemene gebruiksregels

94

Artikel 14

Algemene aanduidingsregels

95

Artikel 15

Algemene afwijkingsregels

96

Artikel 16

Overige regels

97

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

98

Artikel 17

Overgangsrecht

98

Artikel 18

Slotregel

99

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

TOELICHTING

3/6

6

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Om de levering van stroom in de toekomst te kunnen garanderen, is er behoefte aan uitbreiding van het bestaande elektriciteitsnet. Een van de projecten die hier aan bij moet dragen is de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg: Zuid-West 380 kV (ZW380). Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. De nieuwe verbinding loopt van Borssele via Rilland naar Tilburg. In eerste instantie was dit één groot project. De bouw van het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland bracht hier verandering in. Over het westelijke deel van de verbinding, tussen Borssele en Rilland, heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Dit gedeelte van de verbinding (Zuid-West 380 kV-West of ZW380 West) wordt momenteel gebouwd. Ook de besluitvorming over het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg en de realisatie hiervan wordt momenteel afzonderlijk voorbereid. Dit station is namelijk zo snel mogelijk nodig om de verwachte ontwikkeling van de netbelasting en de duurzame productie van elektriciteit in Brabant op te kunnen vangen.

Om de hoogspanningsverbinding tussen het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland en het nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation bij Tilburg mogelijk te maken wordt een rijksinpassingsplan voorbereid door de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK) voor het oostelijk gedeelte van de verbinding (Zuid-West 380 kV-Oost of ZW380 Oost). In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt vooroverleg plaats en worden de gemeenteraden van de betrokken gemeenten gehoord.

1.2

Het tracé van Zuid-West 380 kV Oost

Het inpassingsplan heeft betrekking op het nieuwe 380 kV-hoogspanningstracé tussen Rilland en Tilburg. Dit tracé loopt in hoofdlijnen via Bergen op Zoom, Roosendaal, Oud Gastel, Standdaarbuiten, Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek, Hooge Zwaluwe, Geertruidenberg, Oosterhout en 's Gravenmoer naar Tilburg. In figuur 1.1 is de ligging van het nieuwe 380 kV-hoogspanningstracé weergegeven. In Hoofdstuk 4 wordt een uitgebreide beschrijving van het tracé gegeven. Een visualisatie en kaart van het tracé is tevens opgenomen in de Projectatlas

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

7

Figuur 1.1 Ligging tracé (bron: TenneT) Naast het tracé van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding omvat het project:  de reconstructie van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding Geertruidenberg-Rilland nabij Oud Gastel en Standdaarbuiten, alsmede nabij Hooge Zwaluwe;  de reconstructie van de bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding Geertruidenberg-Eindhoven in de gemeente Loon op Zand;  de aansluiting van de 150 kV-hoogspanningsverbindingen op de 150 kV-stations;  de aanpassing van bestaande 150 kV-stations Zevenbergschen Hoek en Oosteind;  tijdelijke hoogspanningsverbindingen. In Hoofdstuk 4 van deze toelichting zijn deze onderwerpen nader beschreven.

1.3

Planvorm en vigerende bestemmingsplannen

Het tracé ZW380 Oost loopt over het grondgebied van de gemeenten Reimerswaal, Woensdrecht, Bergen op Zoom, Roosendaal, Halderberge, Moerdijk, Drimmelen, Geertruidenberg, Oosterhout, Dongen, Loon op Zand en Tilburg. De geldende bestemmingsplannen en beheersverordening voorzien niet in de mogelijkheid van de realisatie van de hoogspanningsverbinding Rilland - Tilburg. Daarom is voorliggend inpassingsplan opgesteld zodat het initiatief is voorzien van een goede juridischplanologische regeling. Zie ook Hoofdstuk 7 van deze toelichting. Met dit plan wordt door het toevoegen van een dubbelbestemming aan de bestemmingen in de geldende bestemmingsplannen en beheersverordening de nieuwe verbinding mogelijk gemaakt. De verbinding wordt mogelijk gemaakt door middel van een dubbelbestemming waarin een solo bovengrondse 380 kV-verbinding mogelijk is dan wel een gecombineerde bovengrondse 380/150 kVverbinding. Op het gedeelte van de verbinding tussen knooppunt Markiezaat en buurtschap Zoomvliet wordt de nieuwe 380 kV-verbinding als ondergrondse 380 kV-verbinding aangelegd en als zodanig bestemd. Voorts zijn in het plan nieuwe ondergrondse 150 kV-verbindingen opgenomen die vanaf de gecombineerde 380/150 kV-verbinding de bestaande 150 kV-stations aansluiten, of om een ondergrondse 150 kV-verbinding te maken tussen twee hoogspanningsstations.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

8

Daarnaast is op een aantal locaties met een enkelbestemming een nieuwe functie mogelijk gemaakt die de bestaande bestemming ter plaatse 'vervangt' of wijzigt. Deze enkelbestemming is bijvoorbeeld opgenomen ter plaatse van (de uitbreiding van) het 150 kV-station Zevenbergschen Hoek, de uitbreiding van 150 kV-station Oosteind, en ter plaatse van de nieuwe 380 kV-, 380/150 kV- en 150 kVopstijgpunten. Het plan voorziet eveneens in tijdelijke verbindingen voor de aanlegfase. Voor de gebruiksfase voorziet het plan verder in de mogelijkheid en verplichting om maatregelen te nemen ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de verbinding en compensatie voor de doorsnijding van Natuurnetwerk Nederland. Ten slotte voorziet het plan ook in een aanduiding voor het verwijderen van bestaande dubbelbestemmingen voor de te verwijderen verbindingen. Zie voor een nadere toelichting op de bestemmingen Hoofdstuk 7. Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van het inpassingsplan gelden momenteel de onderstaande bestemmingsplannen, inpassingsplan en beheersverordening: Gemeente Reimerswaal Woensdrecht Bergen op Zoom

Roosendaal

Halderberge Moerdijk

Drimmelen Geertruidenberg Oosterhout Dongen Waalwijk Loon op Zand Tilburg

Bestemmingsplan / beheersverordening Buitengebied 2019 Inpassingsplan Hoogspanningsstation Rilland Buitengebied 2019 Buitengebied Zuid Buitengebied Oost Buitenplaats Bergen op Zoom Buitengebied Wouw Buitengebied Roosendaal Nispen Borchwerf I Borchwerf II veld C en F Borchwerf II Borchwerf II, herziening veld A Buitengebied Halderberg Buitengebied Moerdijk Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk Golfbaan Moerdijk Stationsgebied Lage Zwaluwe Inpassingsplan Windenergie A16 (partiële herziening) Buitengebied, Veegplan 1 Hoge Zwaluwe Gasthuiswaard Buitengebied Buitengebied Buitengebied 's-Gravenmoer Dorp Buitengebied Buitengebied Wereld van de Efteling Lobelia-Spinder-Rugdijk Bedrijventerrein Spinder De Zandleij 2012

Rho adviseurs voor leefruimte

Vastgesteld 17 december 2019 9 oktober 2015 23 januari 2019 16 juli 2015 14 februari 2019 28 februari 2018 21 augustus 2012 2 november 2016 3 oktober 2012 29 oktober 2012 20 juni 2013 27 juni 2019 14 december 2017 1 maart 2018 18 januari 2018 25 januari 2012 22 september 2005 13 september 2019 1 februari 2018 28 januari 2018 26 mei 2015 28 september 2016 28 augustus 2014 5 juli 2018 5 juli 2018 9 december 2010 29 december 2016 19 september 2019 10 september 2013 29 augustus 2017 19 juni 2014 300810.20171598

9

1.4

Het inpassingsplan en de rijkscoördinatieregeling

Inpassingsplan en andere besluiten Het inpassingsplan is het besluit waarin het tracé van de 380 kV-verbinding planologisch wordt vastgelegd. Dat het besluit over de ruimtelijke inpassing van nieuwe hoogspanningsverbindingen wordt genomen in één of meerdere inpassingsplannen, volgt uit artikel 20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998. Een inpassingsplan is vergelijkbaar met een bestemmingsplan. Het inpassingsplan maakt na vaststelling deel uit van het onderliggende bestemmingsplan. In het inpassingsplan wordt in elk geval het tracé bepaald. Daarnaast kunnen er randvoorwaarden voor de uitvoering worden opgenomen. Zowel voor de aanleg, als voor de instandhouding van de hoogspanningsverbinding, zijn uitvoeringsbesluiten (vergunningen, ontheffingen en dergelijke) vereist, die worden verleend door Rijk, provincie, gemeenten en andere overheden. In artikel 20a, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat voor de besluitvorming over uitbreidingen van het landelijk hoogspanningsnet niet alleen een inpassingsplan wordt vastgesteld (de planologische module) maar ook de uitvoeringsmodule van de rijkscoördinatieregeling wordt gebruikt.

Dat betekent dat de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK), samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) het inpassingsplan vaststelt en als coördinerend minister, de besluitvorming coördineert en onder meer de beslistermijnen bepaalt. De verschillende bevoegde bestuursorganen blijven verantwoordelijk voor het nemen van hun besluiten en de inhoud daarvan. Bij toepassing van de rijkscoördinatieregeling wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Dat betekent dat eerst (voor de te coördineren besluiten) een ontwerp wordt opgesteld en ter inzage wordt gelegd, waarop een ieder zienswijzen kan indienen. Belanghebbenden kunnen vervolgens in één keer en op één moment reageren op het inpassingsplan en de op dat moment gecoördineerd voorbereide besluiten. Over al deze reacties wordt vervolgens in één keer beslist. Daarna worden de besluiten vastgesteld en kunnen belanghebbenden – indien gewenst c.q. voor zover niet aan de zienswijze tegemoet gekomen kan worden of is – beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Rad van State. De beroepsmomenten voor de verschillende besluiten worden tot één moment gebundeld. Gelet op de aard en omvang van het tracé zullen er aparte uitvoeringsmodules worden doorlopen.

Het besluit over het Inpassingsplan zal als eerste worden genomen, tegelijkertijd met een aantal uitvoeringsbesluiten (nog nader in te vullen). In een tweede uitvoeringsmodule komen de overige uitvoeringsbesluiten (zoals de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, de Watervergunning) aan de orde. Procedure milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage dient om de milieueffecten van een voorgenomen besluit in beeld te brengen zodat het milieu een volwaardige rol kan spelen in de besluitvorming. 'Milieueffecten' zijn daarbij effecten op zowel de mens (veiligheid, gezondheid, hinder) als de leefomgeving (bodem en water, natuur, landschap en archeologie). De resultaten van het onderzoek worden neergelegd in een milieueffectrapport (MER). Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) bepaalt voor welke activiteiten en welke plannen en besluiten een MER moet worden opgesteld (zie verder ook paragraaf 5.5). Het opstellen van een MER is verplicht voor een besluit over een bovengrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 220 kV of meer en een lengte van meer dan 15 km. Voor ZW380 is in de Startnotitie (mei 2009) en de Richtlijnen (augustus 2009) uitgegaan van één MER en één inpassingsplan voor het gehele tracé van Borssele naar de ring bij Tilburg.

De toenmalige ministers van EZ en IenM hebben op 6 mei 2014 (kenmerk: DGETM-EM / 14075100) te kennen gegeven dat er twee inpassingsplannen worden gemaakt: één voor het tracédeel Borssele - Rilland (ZW380 West) en één voor het tracédeel Rilland - Tilburg (ZW380 Oost). Tussen de twee tracédelen is (inmiddels) het nieuwe 380 kV-station Rilland gebouwd.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

10

Doordat de planologische besluitvorming voor ZW380 gesplitst is, is ook het MER in twee delen gesplitst. Voor ZW380 Oost is derhalve een apart MER opgesteld. Daarbij zijn de uitgangspunten uit de Startnotitie gehandhaafd opdat de onderlinge samenhang tussen ZW380 West en ZW380 Oost bewaard blijft. Op die wijze is voldaan aan de doelstelling van de m.e.r.-procedure en wordt in het MER voor ZW380 Oost voldoende milieu-informatie geboden om een besluit over het tracédeel Rilland-Tilburg te kunnen nemen.. Crisis- en herstelwet Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. Deze wet, die aanvankelijk tijdelijk was, heeft vanaf 25 april 2013 een permanent karakter gekregen. Doel van de wet is onder meer versnelling van projecten in het ruimtelijke domein, de economische crisis en haar gevolgen te bestrijden en een goed en duurzaam herstel van de economische structuur van Nederland te bevorderen. Op basis van artikel 1.1, eerste lid, onder a, in samenhang met Bijlage I, onderdeel 2.1 Chw is bij een inpassingsplan afdeling 2 van die wet van toepassing.

Als gevolg van de toepasselijkheid van de Chw gelden de onderstaande procedurele voorwaarden:  gemeenten en andere niet tot de centrale overheid behorende overheden kunnen geen beroep instellen tegen het inpassingsplan, indien het inpassingsplan niet tot hen is gericht;  de ABRvS doet binnen 6 maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak. Ook is de beroepsprocedure verder gestroomlijnd (geen pro forma beroep mogelijk).

1.5

Leeswijzer

Het voorliggende inpassingsplan bestaat uit de plankaart (verbeelding) en regels. De bestemmingen zijn geometrisch bepaald en digitaal en analoog verbeeld door middel van een plankaart (verbeelding). De bestemmingen gaan vergezeld van regels ten aanzien van bouwen en het gebruik. Deze regels bepalen de randvoorwaarden waarbinnen de verbinding kan worden aangelegd en gebruikt. Dit inpassingsplan gaat daarnaast vergezeld van de onderhavige toelichting. Indien er verschillen bestaan tussen de papieren verbeelding en de langs elektronische weg vastgestelde inhoud van het (digitale) plan, dan is het digitale plan juridisch bindend. De toelichting is in feite de onderbouwing van het plan en heeft geen rechtstreeks bindende werking. De toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 de nut en noodzaak van de nieuwe verbinding. In Hoofdstuk 3 wordt vervolgens het proces van de totstandkoming van het tracé beschreven. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens is op de tracébeschrijving. Hoofdstuk 5 bevat informatie over het Rijksbeleid en provinciaal beleid. Het toetsingskader voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan en de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd, zijn beschreven in Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de juridische toelichting op de plankaart (verbeelding) en de regels.

Hoofdstuk 8 gaat nader in op de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. Ten slotte staan in Hoofdstuk 9 de resultaten van het artikel 3.1.1 Bro-overleg en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

11

Hoofdstuk 2

2.1

Nut en noodzaak nieuwe hoogspanningsverbinding

Ontwikkelingen in de energiesector

De energiesector is sterk in beweging. De vraag naar elektriciteit neemt toe. De Europese elektriciteitsmarkt raakt steeds meer geïntegreerd, waardoor steeds meer sprake is van één markt, en er vindt meer grensoverschrijdend elektriciteitstransport plaats. De transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen zoals wind- en zonne-energie is in volle gang. Lokaal opgewekte energie vervangt een deel van de vraag naar centraal opgewekte energie. Steeds meer consumenten worden ook producent. Omdat het aanbod van elektriciteit uit wind en zon niet constant is, moet altijd een bepaalde hoeveelheid conventioneel opgewekte elektriciteit beschikbaar zijn om de gewenste leveringszekerheid te kunnen garanderen. Traditionele spelers in de energiemarkt passen zich op deze ontwikkelingen aan en krijgen in toenemende mate een centrale 'achtervang-functie'. Zij leveren elektriciteit voor het geval onvoldoende elektriciteit kan worden geleverd via hernieuwbare bronnen. Om de gewenste leveringszekerheid te realiseren moet er niet alleen voldoende elektriciteit worden geproduceerd. Er moeten ook betrouwbare transportnetten met voldoende capaciteit aanwezig zijn, die de fluctuaties kunnen opvangen die optreden door variabele elektriciteitsopwekking. De landelijke infrastructuur van elektriciteitsnetten faciliteert hiermee de energietransitie en waarborgt de leveringszekerheid.

2.2

Landelijke 380 kV-ring in Nederland

Nederland beschikt over één van de meest betrouwbare landelijke elektriciteitsnetten ter wereld met een zeer hoge leveringszekerheid. TenneT is op grond van de Elektriciteitswet 1998 beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. TenneT heeft de wettelijke taak om het landelijk hoogspanningsnetwerk in werking te hebben, te beheren, te onderhouden en de veiligheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Ook is TenneT verantwoordelijk voor het herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het netwerk. Grootschalige energieopwekking op basis van fossiele brandstoffen vindt in Nederland vooral langs de kust plaats. Hier kunnen brandstoffen makkelijker worden aangevoerd en is voldoende koelwater beschikbaar. De locaties in Nederland waar elektriciteit feitelijk wordt opgewekt liggen relatief ver van de verbruikerscentra af. Daarom heeft TenneT een netconcept ontwikkeld met een landelijke ring van 380 kV-verbindingen in de nabijheid van de verbruikers in het midden en westen van Nederland en directe verbindingen van locaties van de elektriciteitsproductie naar de verbruikers of de landelijke 380 kV-ring. De ringstructuur maakt het mogelijk dat bij een storing bijna heel Nederland stroom kan blijven ontvangen. In figuur 2.1 is de ligging van de landelijke ring weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

12

Figuur 2.1 Ligging landelijke 380 kV-ring (Bron: TenneT) Dit netconcept kan flexibel inspelen op de belasting van het net, de decentrale opwekking van energie, de ontwikkelingen van windenergie op zee en internationale uitwisseling over land en over zee.

2.3

Energieproductie in Zeeland

In Zeeland wordt meer energie geproduceerd dan wordt verbruikt. Er zijn twee nieuwe offshore windparken (Borssele Alpha en Beta) in gebruik genomen. Ook op land wordt windenergie geproduceerd. Daarnaast zullen de warmtekrachtcentrale in Terneuzen, de gascentrale SLOE en de kerncentrale Borsselenog voor langere tijd in Zeeland aanwezig zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

13

Op basis hiervan is de hoeveelheid elektriciteit berekend die getransporteerd moet worden door de omvang van de productie te verminderen met de elektriciteit die lokaal in Zeeland wordt afgenomen. Tabel 2.1 geeft hiervan het overzicht. Tabel 2.1 Hoeveelheid te transporteren elektriciteit in 2020, in megawatt 2020 Kerncentrale Borssele 1400 Sloe-eenheden 790 Terneuzen 440 Wind op Land 860 Wind op Zee 490 Energieverbruik in Zeeland -820 Totaal te transporteren 3160

2030 1400 2360 440 860 490 -1200 4350

Tabel 2.1 laat zien dat er in de provincie Zeeland aanmerkelijk meer elektriciteit wordt geproduceerd dan wordt verbruikt. Het overschot moet via het 380 kV-net naar het achterland worden afgevoerd. De transportbehoefte neemt nog verder met 2000 megawatt toe wanneer rond 2028 de helft van het Offshore windpark IJmuiden Ver op het 380 kV-net in Zeeland wordt aangesloten. De minister van EZK heeft op 25 november 2020 gekozen voor een voorkeursalternatief voor het Net op Zee IJmuiden Ver naar Borssele (kenmerk: DGKE-WO / 20250327).

2.4

Knelpunten in het transport naar het achterland

Het hoogspanningsnetwerk vanuit Borssele wordt benut voor transport van de in Zeeland geproduceerde energie naar het achterland. Berekeningen laten zien dat er vanaf 2020 een knelpunt ontstaat en dat de bestaande 380 kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg overbelast kan raken. Dit knelpunt ontstaat vanaf het moment dat Wind op zee in 2020 in bedrijf is gekomen. Het knelpunt wordt versterkt door duurzame opwekking op land, omdat de transportcapaciteit in het 150 kV-net Zeeland naar Brabant ontoereikend is en de energie daarom naar het 380 kV-net wordt geleid. Met de realisatie van ZuidWest380 kV-West is het knelpunt in het deel van het hoogspanningsnet tussen Borssele en Rilland opgelost. Het knelpunt op de 380 kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg blijft echter bestaan. Op dit traject moet bij het uitvoeren van onderhoud aan één van de 380 kV-circuits van de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg - conform de wet - rekening worden gehouden met uitval van het andere circuit. Wanneer dit gebeurt, is het 150 kV-net tussen Zeeland en Brabant niet in staat de opgewekte elektriciteit af te voeren: het raakt overbelast. De mate van overbelasting is afhankelijk van de totale hoeveelheid energie die wordt opgewekt in Zeeland, het lokale verbruik in Zeeland en de import /export met België.

De omvang van het knelpunt neemt de komende jaren nog toe als gevolg van de voorziene groei van duurzame opwekking in Zeeland. Internationale afspraken staan niet toe dat het knelpunt op het buitenland mag worden afgewend. Er ontstaat ook ernstige overbelasting in geval er sprake is van import vanuit België. Onderhoud kan dan alleen worden uitgevoerd met omvangrijke beperking van de productie in Zeeland. Het stilleggen van energieproductie in Zeeland brengt echter hoge maatschappelijke kosten met zich mee.

2.5

Oplossing

Het knelpunt kan worden opgelost door de transportcapaciteit in het 380 kV-hoogspanningsnetwerk uit te breiden. In de provincie Zeeland is daarom gewerkt aan:  aanpassingen van het 380 kV-station Borssele;  een nieuw 380 kV-station Rilland.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

14

Deze projecten zijn al gerealiseerd. Inmiddels is ook gestart met de aanleg van een nieuwe 380 kVverbinding van Borssele naar Rilland (ZW380 West). Vanaf het nieuwe 380 kV-station Rilland moet de energie naar de landelijke ring getransporteerd worden. Er is bezien of de toepassing van een ander type geleider in de bestaande masten de transportcapaciteit van de bestaande verbinding Rilland-Geertruidenberg kan verhogen. Dit is het geval zolang er sprake is van export naar België, maar niet als er sprake is van import uit België. Ook het combineren van onderhoudswerkzaamheden aan het net met onderhoud aan een productie-eenheid biedt geen oplossing voor het knelpunt. De productie zou in zo'n geval tot circa een derde van de capaciteit beperkt moeten worden om de werkzaamheden aan de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg uit te kunnen voeren. Dit is economisch niet verantwoord. Ook is onderzocht of de verhoging van de transportcapaciteit in het 150 kV-net van Zeeland en Brabant een oplossing kan bieden voor de tijdelijke transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg. Het bestaande 150 kV-net in Brabant is echter 'vol' als gevolg van de productie in Borssele, Moerdijk en Geertruidenberg. De in dit gebied gelegen 150 kVverbindingen bieden geen mogelijkheden meer voor verhoging van de transportcapaciteit.

Uitbreiding van het 150 kV-net in Zeeland en Brabant is geen toekomst-vaste oplossing, omdat de transportcapaciteit van een 380 kV-verbinding tot 8 keer hoger is dan die van een 150 kV-verbinding, waarmee in één keer op een efficiënte wijze de transportcapaciteit toekomst-vast wordt verhoogd. Het is daarom noodzakelijk een nieuwe verbinding te realiseren om het overschot van de in Zeeland geproduceerde elektriciteit naar de landelijke 380 kV-ring te kunnen transporteren. Onderzocht is of aansluiting op de landelijke ring kan plaatsvinden bij het bestaande 380 kV-station in Geertruidenberg dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Dit brengt echter een aantal nadelen met zich mee. Er ontstaat een overschrijding van de kortsluitvastheid* van de installatieop het station. Ook ontstaat met deze oplossing een té grote afhankelijkheid van het 380 kV-station Geertruidenberg voor de Zeeuwse elektriciteitsvoorziening. Bovendien vormt Geertruidenberg geen centrale locatie. Aansluiten op de landelijke ring bij het 380 kV-station Geertruidenberg is daarom geen realistische optie. *) De kortsluitvastheid van een component of samenstel van componenten (aanwezig in een hoogspanningsstation) bepaalt de maximaal toelaatbare kortsluitstroom en is van invloed op het maximaal vermogen dat op een hoogspanningsstation mag worden aangesloten.

Een kortsluitstroom ontstaat bij een fout in het net en geeft blijvende schade als de componenten hier niet tegen bestand zijn. Daarom wordt de elektriciteit getransporteerd naar het nieuw te bouwen 380 kV-station bij Tilburg dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Hiermee wordt een betere geografische spreiding gerealiseerd van de twee 380 kV-verbindingen naar Borssele en er treedt geen overschrijding van de kortsluitvastheid van het 380 kV-station in Geertruidenberg op. De ene verbinding betreft de huidige verbinding van Geertruidenberg – via 380 kV-station Rilland – naar Borssele. De andere verbinding betreft de nieuwe 380 kV-verbinding van Tilburg – via 380 kV-station Rilland – naar Borssele. Waarbij onderhavig Inpassingsplan ziet op het gedeelte van de nieuwe 380 kVverbinding tussen 380 kV-station Rilland en het (nieuwe) 380 kV-station bij Tilburg. Dit biedt een toekomst-vaste oplossing voor de transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kVverbinding Rilland-Geertruidenberg. Met de aansluiting op de landelijke ring bij Tilburg worden de geconstateerde knelpunten in het Brabantse 150 kV-net opgelost en worden investeringen in extra verbindingen in het 150 kV-net voorkomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

15

Hoofdstuk 3

3.1

Proces en totstandkoming tracé

Inleiding

Het project ZW380 Oost kent een lange geschiedenis. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de verschillende stappen die zijn gezet in het proces van de totstandkoming van het tracé. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk is het proces nader beschreven. Mei 2009 Najaar 2009 Maart 2011 2012 – 2014 Mei 2014 Augustus 2014 Februari 2015 Augustus 2015 2016 – 2017 Maart 2017 Mei 2017 Juli 2017 September 2017

December 2017 – april 2019 Juni 2019 September 2019 Februari 2020 Eind 2020/begin 2021

Rho adviseurs voor leefruimte

Voornemen Ministers nieuwe verbinding Borsele – Tilburg Ontwerp eerste tracé-alternatieven Keuze Voorkeursalternatief door minister (VKA) 2011 Technische uitwerking VKA 2011 Splitsing Zuid-West 380 kV west (Zeeland) en Zuid-West 380 kV oost (Brabant) Heroverweging minister VKA 2011 Verzoek minister aan regio voor alternatieven Aanbieding alternatieven van samenwerkende overheden, instanties en bewoners(groepen) in de regio Uitwerking en onderzoek tracévarianten en alternatieven Presentatie geactualiseerde varianten (Paars, Blauw, Rood en Geel) en MMA 2017 Advies samenwerkende overheden over varianten en Voorgenomen Tracé Vaststelling Voorgenomen Tracé door Minister Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV oost (een voorbereidingsbesluit wordt genomen voor een periode van 1 jaar, in het kader van het project is elk jaar een verlenging van dit voorbereidingsbesluit genomen) Uitwerking Voorgenomen Tracé in uitwerkingsgebieden Advies samenwerkende overheden over uitwerkingsgebieden VKA 2019 door Minister Start nadere uitwerking locaties Bergen op Zoom en Zevenbergschen Hoek en besluit masttypen Invulling VKA2020

300810.20171598

16

3.2

Voorgeschiedenis

Het project is gestart in 2009. In mei 2009 hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer het voornemen om een nieuwe 380 kVverbinding van Borssele naar Tilburg aan te leggen bekend gemaakt door een Startnotitie voor de milieueffectrapportage te publiceren. De toenmalige ministers hebben voor het opstellen van de richtlijnen advies gevraagd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. Dit advies voor richtlijnen voor het milieueffectrapport is op 16 juli 2009 uitgebracht. De toenmalige ministers hebben het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage integraal overgenomen in de Richtlijnen voor het milieueffectrapport van augustus 2009. Aanvullend daarbij hebben de toenmalige ministers aangegeven dat, voor alle onderwerpen die niet in het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn genoemd, de in de Startnotitie voorgestelde aanpak als richtlijn voor het milieueffectrapport geldt.

3.3

Ontwerp van de alternatieven

In de Startnotitie is een zoekgebied afgebakend waarbinnen alle tracés voor de nieuwe verbinding moeten liggen. Het tracé ligt tussen Rilland en Tilburg*. Het zoekgebied is bepaald door:  Bestaande en toekomstige belemmeringen voor de nieuwe hoogspanningsverbinding (waaronder bijvoorbeeld woonkernen en bos- en natuurgebieden die voor een tracé minder gunstig zijn),  kansen voor bundeling van de nieuwe 380 kV-verbinding met de aanwezige 150 kV-verbindingen, en  mogelijkheden voor de combinatie met bestaande hoogspanningsverbindingen en hoofdinfrastructuur (wegen en spoorwegen). Met behulp van deze informatie is het gebied bepaald waarin de nieuwe hoogspanningsverbinding met zo min mogelijk complicaties en milieugevolgen kan worden gerealiseerd. Dit heeft geleid tot een gebied ten noorden van de Brabantse stedenrij. In dit gebied liggen weinig knelpunten en zijn kansen aanwezig om tracés te bundelen. *) In SEV III was Geertruidenberg als mogelijk eindpunt van de nieuwe 380 kV-verbinding vastgelegd. In de Startnotitie voor de milieueffectrapportage wordt vermeld dat duidelijk is geworden dat de productiecapaciteit van Borssele vooral van belang is voor het zuidelijk deel van Nederland. Daardoor is voor de koppeling van de nieuwe hoogspanningsverbinding aan de landelijke 380 kV-ring Tilburg als alternatief eindpunt benoemd.

Binnen het zoekgebied zijn in het najaar 2009 diverse tracé-alternatieven getekend. Deze tracéalternatieven zijn opgenomen in de notitie 'Tracé-alternatieven ten behoeve van het milieuonderzoek'. Hierbij is rekening gehouden met de richtlijnen die voor de tracering zijn opgenomen in de Startnotitie en Richtlijnen, het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III), het ruimtelijk beleid en technische vereisten. Op basis hiervan van zijn de volgende ontwerpprincipes geformuleerd:  Nieuwe doorsnijdingen van het landschap moeten zoveel mogelijk voorkomen worden;  Indien mogelijk en zinvol, moeten nieuwe verbindingen zoveel mogelijk gecombineerd worden met bestaande hoogspanningsverbindingen;  Indien combineren met een bestaande verbinding niet kan, en indien mogelijk en zinvol, moeten nieuwe hoogspanningsverbindingen gebundeld worden met al bestaande hoogspanningsverbindingen of met infrastructuur (wegen of spoorwegen);  In principe moet voorkomen worden dat woningen in de magneetveldzone komen te liggen (voorzorgsbeginsel van het (voormalig) ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu).

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

17

3.4

Voorkeursalternatief 2011

Op basis van deze traceringsprincipes zijn zes tracéalternatieven voor een nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Tilburg ontworpen en zijn de milieueffecten onderzocht. In 2010 is op basis hiervan een meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) bepaald. Vervolgens hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Infrastructuur en Milieu eind maart 2011 een besluit genomen over het tracé van de nieuwe 380 kVverbinding van Borssele naar Tilburg (Voorkeursalternatief 2011 – VKA 2011, vastgelegd in een brief van 31 maart 2011, kenmerk ETM/EM/11011048). Het MMA is in 2011 een belangrijk uitgangspunt geweest bij de tracékeuze. Bij de uiteindelijke keuze zijn de zes tracéalternatieven vergeleken op basis van een aantal criteria. Naast de milieueffecten zijn ook andere aspecten meegewogen, zoals leveringszekerheid, (net)techniek, uitvoeringswijze en kosten. Ook zijn de opvattingen van regionale bestuurders en belangenorganisaties van bijvoorbeeld landbouw, natuur en milieu bij de keuze van het voorgenomen tracé betrokken. In 2011 is daarnaast als uitgangspunt benoemd dat de nieuwe verbinding tussen Borssele en Tilburg uitgevoerd zou worden met het nieuwe Wintrack-masttype (Notitie 'Nieuwe hoogspanningsverbinding van Borssele naar Tilburg; Voorgenomen tracé van april 2011').

3.5

Discussie over de alternatieven

Het VKA 2011 is in de periode 2012 - 2014 ruimtelijk en technisch uitgewerkt. In het VKA 2011 werd de nieuwe 380 kV-verbinding op een aantal locaties gecombineerd met een bestaande 380 kV-verbinding. Dit houdt in dat de bestaande 380 kV-verbinding en de nieuwe 380 kV-verbinding in één mast gehangen zouden worden. Op de betreffende locaties hingen er derhalve 4 circuits van 380 kV in één mast. De achtergrond hierbij was het uitgangspunt dat nieuwe doorsnijdingen zoveel als mogelijk moesten worden voorkomen door, waar mogelijk en zinvol, de nieuwe 380 kV-verbinding te combineren met de bestaande 380 kV-verbinding(en). In 2013 heeft KEMA onderzoek naar de stabiliteit voor het hoogspanningsnet uitgevoerd. Dit heeft geleid tot het rapport Systeemtechnische consequenties toepassing 4-circuit Wintrack in het EHS-net van 24 januari 2014. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Tilburg, en dan met name voor het tracédeel tussen Rilland en Tilburg, een combinatie van 2 380 kV-verbindingen in één mast niet realistisch is. De verbinding tussen Rilland en Tilburg is de netschakel tussen de grensoverschrijdende verbinding naar België en de nationale 380 kV-ringstructuur, waarin het nieuw te bouwen 380 kV-station Tilburg zal worden opgenomen. De nieuwe verbinding vormt na realisering onderdeel van het Europese elektriciteitsnet.

Het toepassen van vier circuits 380 kV in één mast zou in dit geval leiden tot (te) grote (net)technische risico's. Daarom is ook in de notitie 'Project specifieke beoordeling 380 kVcombinatielijn Borssele-Rilland en Rilland-Tilburg' van 22 juli 2014 door TenneT aangegeven dat een 4circuitverbinding op het tracédeel Rilland-Tilburg in het belang van de elektriteitsvoorziening dient te worden vermeden. De toenmalige ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu stelden in augustus 2014 vast dat het VKA 2011 niet kon worden gehandhaafd. Zij kozen daarom tussen Roosendaal en Tilburg voor een zuidelijker tracé. Dit tracé liep over de Brabantse Wal naar Roosendaal-Borchwerf en via Breda naar Tilburg. Dit zuidelijke tracé sluit aan bij een eerder als alternatief C150n opgenomen tracé-alternatief uit de notitie Tracé-alternatieven ten behoeve van het milieuonderzoek uit december 2009. In 2014 werd ook duidelijk dat in verband met de gewenste vergroting van de interconnectiecapaciteit tussen België en Nederland de noodzaak ontstond om bij Rilland een nieuw 380 kV hoogspanningsstation te realiseren. Met het nieuwe station Rilland werd tevens een

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

18

onderhoudsknelpunt op de 380 kV-verbindingen Borssele – Zandvliet, Borssele – Geertruidenberg en Zandvliet – Geertruidenberg verminderd. En, door de bouw van station Rilland ontstaat eveneens de mogelijkheid om de verbinding tussen Borssele en Tilburg nettechnisch te verdelen in een deel Borssele – Rilland en een deel Rilland – Tilburg. Door deze splitsing kon de planvorming voor Borssele – Rilland los van de problematiek op het tracégedeelte Rilland – Tilburg met de juiste urgentie worden doorlopen. De 380 kV-verbinding tussen Borssele en Rilland en het 380 kV-station Rilland zijn inmiddels separaat vastgelegd in het Inpassingsplan Zuid-West 380 kV-west (NL.IMRO.0000.EZip15ZW380west-3002 en NL.IMRO.0000.EZip14StatRilland3000). Dit hoogspanningsstation leidt tot een nettechnische knip in de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar de landelijke ring bij Tilburg, met twee zelfstandig functionerende netdelen. Hierdoor kunnen het Zeeuwse tracédeel tussen Borssele en Rilland en het Brabantse tracédeel tussen Rilland en Tilburg los van elkaar worden aangelegd. Dit heeft er toe geleid dat de toenmalige ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu in mei 2014 hebben besloten het project ZW 380 op te splitsen in ZW380 West (het Zeeuwse gedeelte) en ZW380 Oost (het Brabantse gedeelte) (Brief d.d. 6 mei 2014, met kenmerk DGETM-EM / 14075100).

3.6

Actualisatie van de alternatieven

De keuze van de ministers van EZ en I&M in 2014 om niet langer uit te gaan van een noordelijk tracé maar van een zuidelijk tracé, leidde tot de nodige onduidelijkheid en zorgen in delen van West- en Midden-Brabant. De minister van Economische Zaken heeft de regio daarom in februari 2015 uitgenodigd om met alternatieven te komen voor het tracé van ZW380 Oost tussen Roosendaal en Tilburg. Van verschillende zijden is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. In opdracht van de minister heeft onderzoeksinstituut Deltares in de zomer van 2015 de door de regio aangedragen alternatieven globaal beoordeeld op verschillende milieuaspecten om te kunnen beslissen of er één of meerdere alternatieven toegevoegd konden worden aan het MER voor ZW380 Oost (Deltares, Alternatieven ZW380 kV, Advies over de inpassing in de m.e.r.-procedure, kenmerk 1205876-019). In haar rapport van augustus 2015 concludeert Deltares dat de meeste ingediende alternatieven meegenomen kunnen worden in de milieueffectrapportage en in de verdere uitwerking van een (nieuw) Voorkeursalternatief. Met uitzondering van drie onderdelen van voorgestelde alternatieven/varianten*. Drie onderdelen van de ingediende voorstellen werden beschouwd als buiten de scope van de betreffende m.e.r.-procedure, omdat ze niet gekoppeld zijn aan de oplossing van een knelpunt in het voorgestelde tracé.

Er is binnen het project Zuid-West 380 kV-oost geen noodzaak om de drie voorstellen uit te voeren. Het ging hierbij om: - een volledige reconstructie van de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg – Tilburg; - De verkabeling van het in Breda gelegen gedeelte van de 150 kV-verbinding Roosendaal – Breda, en - Het amoveren / verkabelen van de bestaande 150 kV-verbinding Breda-Geertruidenberg. NB: De verkabeling in Breda is / wordt wel separaat opgepakt. Dit valt echter buiten de scope van het project Zuid-West 380 kV-oost. De minister van Economische Zaken heeft vervolgens besloten om, conform het advies van Deltares, alle ingediende alternatieven en varianten te betrekken bij de actualisering van de concept-MER. Met, conform het advies van Deltares, uitzondering van de drie hiervoor aangehaalde onderdelen. Daarbij is door de minister eveneens aangegeven dat de varianten, die zijn gebaseerd op 4x 380 kV in één mast, ook verder buiten beschouwing worden gelaten (brief d.d. 2 december 2015, kenmerk DGETM-EO / 15169450).

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

19

In vervolg hierop zijn in 2016 en de eerste helft van 2017 de verschillende tracévarianten en alternatieven bezien om te komen tot een nieuw voorgenomen voorkeursalternatief. Bij de uitwerking van de tracés zijn de uitgangspunten uit de Startnotitie voor de milieueffectrapportage en de Richtlijnen voor het milieueffectrapport aangehouden. Daarnaast is bij de uitwerking gekeken naar nieuwe inzichten ten aanzien van ondergrondse aanleg, risicozonering windturbines, afstandsnormeringen buisleidingen en actuele inzichten in de autonome ontwikkelingen. En, bij de verdere planvorming zijn regionale overheden, maatschappelijke organisaties en initiatiefnemers van de ingediende alternatieven betrokken. Ten aanzien van de ondergrondse aanleg zijn de ervaringen binnen een ander hoogspanningsproject, Randstad 380, betrokken. Uitgangspunt was dat er in de verschillende 380 kV-verbindingen binnen het totale hoogspanningsnet in Nederland maximaal 20 km ondergronds mocht liggen. In de Zuidring van Randstad 380, de 380 kV-verbinding tussen Wateringen en Bleiswijk (Zoetermeer) was ervaring opgedaan met de aanleg van 10 kilometer ondergrondse kabel. Op basis hiervan kwam TenneT tot de conclusie dat het technisch mogelijk zou zijn om behoedzaam meer 380 kV te verkabelen dan de 20 km die op dat moment als voorlopig landelijk maximum gold.

Per geval zou bekeken moeten worden wat er in de betreffende hoogspanningsverbinding mogelijk zou zijn, zonder dat de leveringszekerheid in het geding zou komen. Voor de verbinding Zuid-West 380 kV-oost heeft de minister van Economische Zaken heeft in april 2015 aan TenneT gevraagd om te onderzoeken of het technisch mogelijk zou zijn om delen van het tracé Rilland-Tilburg ondergronds aan te leggen en of dit verantwoord zou zijn voor de leveringszekerheid (brief d.d. 2 april 2015, kenmerk DGETM-EM / 15042423). De inzet van een ondergrondse kabel zou daarbij kunnen worden gebruikt om (ruimtelijke) knelpunten in de verschillende tracé-varianten op te lossen, mits er geen andere oplossing is. Uit de door TenneT uitgevoerde Quick scan (Quick scan naar mogelijke 380 kV-verkabeling in ZW380 kV Oost (Rilland-Tilburg), d.d. 18 november 2015 (documentnummer 002.678.20 0393453)) is gebleken dat het toepassen van 380 kV-kabel in de 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg realistisch werd geacht en dat dit niet zou leiden tot een toename van de kans op uitval. Het toepassen van 380 kV-kabel over een lengte van 10 kilometer om knelpunten op te lossen in de 380 kV-verbinding bleek mogelijk. Het was wenselijk om dit zoveel mogelijk in grotere stukken toe te passen (tracélengte van minimaal 3 kilometer); korte stukken kabel zijn nettechnisch minder gunstig en duurder.

Ook vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing heeft het de voorkeur om aaneengesloten stukken geheel te verkabelen, in plaats van meerdere korte ondergrondse tracés. De Quick scan is voor de verdere uitwerking van de tracéalternatieven als volgt toegepast. Het uitgangspunt voor de tracering/uitwerking van de alternatieven is 'bovengronds, tenzij…', zoals verwoord in het SEV III. Een bovengronds uitgevoerde 380 kV-verbinding heeft derhalve nog steeds de voorkeur boven een alternatief dat geheel of gedeeltelijk in een ondergrondse 380 kV-kabel wordt uitgevoerd. Alleen in het geval van aanwezigheid van een knelpunt kan ondergrondse aanleg worden overwogen. Bij knelpunten kan het meer bepaald gaan om een knelpunt op het gebied van milieu, vergunbaarheid en/of maakbaarheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

20

Indien bij de uitwerking van de tracé-alternatieven een knelpunt wordt geconstateerd, dan wordt – in het kader van de invulling van het principe 'bovengronds, tenzij…' – een zogenoemde toolbox doorlopen. Deze toolbox bestaan uit de volgende (combinatie van ) maatregelen die kunnen worden toegepast om knelpunten op te lossen: 1. Optimalisatie van de ligging van het bovengronds tracé (tracéwijziging of wijziging één of meerdere mastlocaties); 2. Toepassing van technische maatregelen (zoals toepassen hogere masten bij waterkruisingen); 3. Aanpassen/uitkopen van bestaande elementen/functies (bijvoorbeeld buisleiding verleggen, windturbine uitkopen); 4. Ondergrondse aanleg.

3.7 Geactualiseerde alternatieven en varianten en meest milieuvriendelijk alternatief Op basis van alle tracévarianten en –alternatieven zijn in 2016 vier (bovengrondse) tracéalternatieven ontwikkeld (Blauw, Geel, Paars, Rood) (Tracédocument Zuid-West 380 kV Oost (kenmerk 0473791)). Figuur 3.1 geeft de ligging van de alternatieven weer.

Figuur 3.1 Alternatieven Voor elk van de vier alternatieven zijn op specifieke locaties van het tracé varianten ontwikkeld op het moment dat er op een bepaalde locatie meerdere onderscheidende alternatieven mogelijk waren. Op een aantal locaties waren knelpunten geconstateerd waarvoor, indien mogelijk, ook alternatieven zijn uitgewerkt. Van alle alternatieven en varianten (48 in totaal) is door middel van een Integrale effectenanalyse de effecten op de thema's milieu, nettechniek en kosten inzichtelijk gemaakt (Integrale effectenanalyse, Zuid-West 380 kV Oost, Rilland-Tilburg, d.d. 30 maart 2017 (kenmerknummer: 0533466)).

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

21

3.8

Bepalen Meest milieuvriendelijke alternatief (MMA)

De m.e.r.-procedure die voor Zuid-West 380 kV Oost is doorlopen, is gestart onder de 'oude' m.e.r.regeling. In 2009 schreef de m.e.r.-regelgeving voor dat in een MER een Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) opgenomen moest worden. Dit is een realistisch uitvoerbaar alternatief, dat voldoet aan de doelstellingen en technisch en financieel haalbaar is, waarbij de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden voorkomen of beperkt. In de Richtlijnen voor ZW380 is aangegeven dat het MMA zo min mogelijk storende effecten op het landschap en op zo min mogelijk gevoelige bestemmingen moet hebben, bestaande knelpunten van hoogspanningsverbindingen (380 kV en 150 kV) moet verbeteren en schade aan natuurwaarden (zoals draadslachtoffers) en lokale landschappelijke kwaliteiten moet voorkomen of beperken. Op basis van de verschillende tracévarianten en –alternatieven is gekeken naar drie thema's, leefomgeving, landschap & cultuurhistorie en natuur. Ten behoeve van het MMA vindt geen weging tussen de drie thema's plaats. Gelet op de vele varianten en alternatieven, en omdat de scores op de milieueffecten dermate uiteen liepen, kon voor Zuid–West 380 kV Oost niet een eenduidig, realistisch en integraal MMA worden bepaald.

Omdat het niet mogelijk is gebleken om één realistisch en integraal MMA voor het hele tracé te bepalen, is voor elk van de drie onderscheidende milieuthema's een integraal MMA ontwikkeld. Dit heeft geleid tot een MMA Leefomgevingskwaliteit, een MMA Landschap & Cultuurhistorie en een MMA Natuur. (Integrale effectenanalyse, Zuid-West 380 kV Oost, Rilland-Tilburg, d.d. 30 maart 2017 (kenmerknummer: 0533466), p. 114-116.)

Het MMA is niet per definitie het (nieuwe) voorkeursalternatief. Immers, bij het bepalen van een voorkeursalternatief wordt, naast de bij het MMA betrokken thema's, ook gekeken naar (net)technische aspecten, vergunbaarheid, bestuurlijk draagvlak, aspecten samenhangend met een 'goede ruimtelijke ordening' en kosten.

3.9

Voorgenomen tracé 2017

Eind maart 2017 is de Integrale effectenanalyse voorgelegd aan de Samenwerkende overheden. De Samenwerkende overheden zijn alle gemeenten (Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, EttenLeur, Geertruidenberg, Gilze Rijen, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tholen, Tilburg, Waalwijk en Woensdrecht), de twee provincies (NoordBrabant en Zeeland) en de twee waterschappen (Brabantse Delta en De Dommel) die in het projectgebied zijn gelegen. De minister van Economische Zaken heeft deze Samenwerkende overheden gevraagd om alle alternatieven en varianten te toetsen op lokale gevolgen en om een integraal advies te geven.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

22

Eind mei 2017 hebben de Samenwerkende overheden hun integrale advies uitgebracht aan de minister van Economische Zaken. In het integrale advies is een meest gedragen tracé voorgesteld als Voorgenomen Voorkeursalternatief (VVKA). Dit VVKA loopt van het nieuwe 380 kV-station Rilland via de Brabantse Wal naar Roosendaal-Borchwerf, bij Woensdrecht ondergronds. Van Roosendaal-Borchwerf tot en met Standdaarbuiten loopt de lijn langs de westzijde van de A17. Van Standdaarbuiten tot aan Tilburg volgt de lijn een noordelijk tracé via Hooge Zwaluwe en Geertruidenberg. Om bij Loon op Zand via een zogenoemde Bosroute te eindigen bij een nieuwe 380 kV-stationslocatie ten noorden van Tilburg. In juli 2017 heeft de minister van Economische Zaken het voorgestelde tracé van de Samenwerkende overheden overgenomen als VVKA.

Figuur 3.2 Voorgenomen tracé 2017 (Bron: TenneT) Op basis van dit tracé is er in september 2017 een Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380 kV Oost (Rilland-Tilburg) genomen door de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu (Besluit d.d. 29 september 2017, kenmerk DGETM-ED / 17113640). Met een Voorbereidingsbesluit wordt voorkomen dat er in de periode totdat het definitieve besluit wordt genomen ontwikkelingen die strijdig kunnen zijn met de realisatie van het project toch worden toegestaan.

3.10

Uitwerking van het voorkeursalternatief

Het Voorgenomen Voorkeursalternatief is in juli 2017 door de minister van Economische Zaken en Klimaat gekozen. Dit tracé was nog niet zo gedetailleerd dat het in het Rijksinpassingsplan opgenomen kon worden. Daarom is het tracé, in samenspraak met belanghebbenden zoals provincie, gemeenten, Rijkswaterstaat, waterschappen, buisleidingeigenaren, grondeigenaren en omwonenden verder uitgewerkt en onderzocht. Hiervoor zijn eerst samen met gemeentes bekeken op welke tracédelen het tracé nog nader uitgewerkt diende te worden. Deze te onderzoeken tracédelen zijn aangevuld aan de hand van gesprekken die over het tracé zijn gevoerd tijdens informatieavonden en andere contacten met bewoners, organisaties en bedrijven. Dit heeft geleid tot een aantal uitwerkingsgebieden, waarbij

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

23

per uitwerkingsgebied een opgave is omschreven voor nadere uitwerking van het tracé. De opgave voor de verschillende uitwerkingsgebieden is beschreven in het zogenoemde Projectboek 2, Samen naar een definitief tracé, van December 2017.

Figuur 3.3 Uitwerkingsgebieden. Vervolgens is het tracé voor elk uitwerkingsgebied in werkateliers met betrokken partijen besproken en zijn gezamenlijk varianten ontwikkeld. Deze verschillende varianten en inhoudelijke keuzes van de verschillende varianten zijn opgenomen en beschreven in Projectboek 3.

3.11

Voorkeurstracé 2020

Op basis van de uitwerking van het VVKA in Projectboek 3, heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat in april 2019 aan de Samenwerkende overheden gevraagd om een integraal advies (in het licht van effecten op milieu, nettechniek, kosten en omgeving) uit te brengen over de keuze tussen de uitgewerkte varianten (Brief d.d. 8 april 2019, kenmerk DGKE-WO / 19054291). Hieraan is gehoor gegeven met het advies van de Samenwerkende overheden* van juni 2019. Voor de diverse uitwerkingsgebieden is een voorkeur uitgesproken, met uitzondering van het uitwerkingsgebied Bergen op Zoom. Daar hebben de samenwerkende overheden verzocht te onderzoeken of de verbinding bij Bergen op Zoom ook als kabelverbinding in de buisleidingenstraat gelegd kan worden. Door een (langere) verkabeling kan schade aan het Natura 2000-bosgebied worden voorkomen. *) De Samenwerkende overheden die in 2019 hebben geadviseerd waren: - De gemeenten Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tholen, Tilburg, Waalwijk en Woensdrecht; - De provincie Noord-Brabant, en - De Waterschappen Brabantse Delta en De Dommel. In september 2019 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat op basis van het advies van de Samenwerkende overheden een nadere keuze gemaakt ten aanzien van het tracé tussen Rilland en

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

24

Tilburg (Brief d.d. 4 september 2019, kenmerk DGKE-WO / 19224747). Daarbij is in overeenstemming met het advies van de Samenwerkende overheden gekozen voor een nieuw Voorkeursalternatief (VKA). Bij dit VKA is op twee locaties in afwijking van het advies van de samenwerkende overheden gekozen voor het eerdere voorstel van TenneT, het gaat hierbij om de locatie bij Zevenberschen Hoek en bij 's Gravenmoer. Voor de locatie 's Gravenmoer is een extra knik in overweging genomen, echter vanwege het feit dat de extra knik niet leidt tot minder gevoelige bestemmingen en de knik niet beter scoort op andere aspecten als (net)techniek, landschap en natuur is deze variant niet gekozen (Brief d.d. 4 november 2019, kenmerk DGKE/19244626). Daarnaast heeft de minister TenneT heeft gevraagd om twee locaties nader uit te werken, het gaat hierbij om de locatie bij Bergen op Zoom en de locatie bij Zevenbergschen Hoek. Tevens heeft de minister TenneT gevraagd om nader te onderzoeken welk masttype in combinatie met het masttype van de bestaande verbindingen de beste bijdrage zou leveren aan alle milieuaspecten in verhouding tot de proportionele kosten. 3.11.1 Uitwerkingsgebied Bergen op Zoom Voor het Uitwerkingsgebied Bergen op Zoom heeft de minister TenneT gevraagd om een verlengd kabeltracé in de buisleidingenstraat te onderzoeken.

In februari 2020 heeft TenneT de minister van Economische Zaken en Klimaat meegedeeld dat het mogelijk is om aan de oostzijde van Bergen op Zoom 2,5 km tracé te verkabelen, boven de 380 kVverkabeling die reeds opgenomen was in het VKA van knooppunt Markiezaat tot Heimolen. Eind februari 2020 heeft de minister ingestemd met deze extra verkabeling. 3.11.2 Uitwerkingsgebied Moerdijk – Zevenbergschen Hoek Voor uitwerkingsgebied Moerdijk-Zevenbergschen Hoek heeft de minister een andere afweging gemaakt dan de Samenwerkende overheden. De Samenwerkende overheden hadden geadviseerd om een tracé te kiezen dat zeven tot acht gevoelige bestemmingen in het gebied ontzag. Voor deze voorgestelde variant zou de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Rilland met een extra knik 'om' de betreffende gevoelige bestemmingen gelegd worden, om op die wijze ook ruimte te maken voor de nieuwe verbinding (die dan ook 'om' de gevoelige bestemmingen zou komen te liggen). Vanuit de effecten op landschap, tijdelijke overlast voor de bewoners/omgeving, nettechniek en kosten heeft de minister hier evenwel overwogen om het oorspronkelijke VVKA te handhaven. De keuze om vast te houden aan het VVKA vroeg, vanuit de Samenwerkende overheden, om een nadere toelichting. Deze toelichting is in november 2019 gegeven.

Daarbij is teruggevallen op de, in 2017, toegezegde planstudie om te onderzoeken op welke wijze een tracéoptimalisatie van de nieuwe 380 kVverbinding zou kunnen bijdragen aan de verlichting van de ruimtelijke druk in Moerdijk. De uiteindelijke conclusie van de minister is dat er een minimaal verschil is in de ruimtelijke druk tussen de door de Samenwerkende overheden voorgestane variant, en de door de minister gekozen variant. De minister concludeert dat de door de Samenwerkende overheden voorgestane variant, op het aspect leefbaarheid geen aanzienlijk mindere aantasting zal plaatsvinden, dan door de in september 2019 gekozen variant. In de brief aan Tweede Kamer d.d. 24 september 2019 en in de brief aan de Samenwerkende Overheden d.d.4 november 2019 heeft de minister aangegeven om bij de verdere uitwerking met belanghebbenden en betrokken overheden te verkennen of er andere manieren zijn om bij te dragen aan de leefbaarheid in relatie tot de nieuwe hoogspanningsverbinding en daarnaast bij de uitwerking van het landschapsplan extra aandacht te geven aan dit gebied. Dit zal worden ingevuld in de fase van het ontwerpinpassingsplan , zie hiervoor ook paragraaf 3.11.6.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

25

3.11.3 Masttype De Samenwerkende Overheden hebben de minister van EZK niet alleen geadviseerd over de te kiezen varianten, zij hebben ook vragen gesteld over het mastsoort waarmee de verbinding wordt uitgevoerd. Aanvankelijk was het uitgangspunt van TenneT om bij nieuwe tracés in principe te kiezen voor wintrackmasten. De Samenwerkende Overheden hebben hierover vragen aan de minister gesteld. Naar aanleiding hiervan heeft TenneT onderzocht welke mastsoort in combinatie met het masttype van de bestaande verbindingen de beste bijdrage levert aan de technische functionaliteit, milieu- en omgevingseffecten, landschappelijke inpassing en kosten en zonder dat hierdoor extra gevoelige bestemmingen ontstaan. In het onderzoek is een afweging gemaakt tussen de wintrack- en vakwerkmasten. Daarbij is rekening gehouden met de bundeling van het Voorkeurstracé met de twee bestaande hoogspanningsverbindingen. Ten behoeve van dit onderzoek is een vakwerkmast ontworpen die aan de eisen van de te bouwen verbinding kan voldoen. Deze vakwerkmast is vergeleken met de wintrackmast die als uitgangspunt gold. Op basis hiervan heeft TenneT voorgesteld de ontwikkelde vakwerkmasten toe te passen voor Zuid-West 380 kV Oost. In februari 2020 heeft de minister hiermee ingestemd. TenneT heeft de mastvorm vervolgens geoptimaliseerd en technisch verder uitgewerkt tot de zogeheten Moldaumast.

Begin augustus 2020 is hierover een onderbouwend rapport gepubliceerd. In dit rapport is een overzicht gegeven van de aspecten op basis waarvan de Moldaumast is ontwerpen en gevalideerd. De Moldaumast verder uitgewerkt in inpassing en vormgeving, technische mastontwerp en mastbeelden. 3.11.4 Bosroute Na de keuze van 24 september 2019 en de keuze voor het gebruik van het masttype 'vakwerk' d.d. 28 februari 2020 (Kenmerk DGKE-WO / 20042544), is TenneT TSO B.V. (hierna TenneT) in de eerste helft van 2020 concrete mastposities gaan bepalen. Daarbij is geconstateerd dat één mast in/op een verhoging in het landschap was gepositioneerd. Medio 2020 is TenneT daarnaast in gesprek gekomen met een aantal bewoners van Kraanven te Loon op Zand aan de oostzijde van de Bosroute. In dit gesprek is gewezen op de waarde van de verhoging(en) in het landschap. Het betreft een landschappelijk element 'stuifduinen'. In deze stuifduinen is, ten zuiden van het Kraanven een vermoedelijke schuilkelder gebouwd. Door de bewoners is benoemd dat, naast de stuifduinen, een woning, Kraanven 22 te Loon op Zand, over het hoofd gezien is. De bewoners hebben vier veel westelijker gelegen tracévarianten voorgesteld. De bewoners hebben verzocht om te kiezen voor een tracévariant aan de westzijde van het bosgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9902114/1