CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

regels_6 Plussenbeleid Doetinchem 2019.pdf

gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7.1: Beheersverordening Landelijk gebied 2020, reparatie 20227.605 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Plussenbeleid Doetinchem 2019 beleidsregel

Versie ontwerp: 28 november 2018 Versie vastgesteld: 9 april 2019

Plussenbeleid Doetinchem 2019

Samenvatting Met de voorliggende beleidsregel wil de gemeente Doetinchem een duurzame ontwikkeling bevorderen van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven (in de volksmond: intensieve veehouderijbedrijven). Deze ontwikkeling is op dit moment niet mogelijk vanwege de provinciale Omgevingsverordening. Daarin is bepaald dat uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven alleen mogelijk is als de gemeente een beleidsregel ‘plussenbeleid’ heeft vastgesteld. Ofwel, een uitbreiding die op basis van een goede ruimtelijke ordening mogelijk is, is alleen toegestaan als ook een extra (bovenwettelijke) investering gedaan wordt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Met de beleidsregels “Plussenbeleid Doetinchem 2019” geeft de gemeente invulling aan deze formele verplichting. De gemeente heeft deze beleidsregel in co-creatie opgesteld. Er is hiervoor de inbreng ontvangen van diverse organisaties. Hierbij merken we op dat we niet alle suggesties en wensen volledig konden honoreren; hierin hebben we een keuze gemaakt. In deze beleidsregel is het plussenbeleid als volgt opgebouwd: 1. begrippen; 2. dialoog; 3. investering; 4. plusmaatregelen; 5. borging uitvoering. De plusmaatregelen zelf moeten zich richten op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Dit kan door het nemen van maatregelen met effecten voor het landschap / de ruimtelijke kwaliteit, milieugevolgen en/of dierenwelzijn. Welke maatregelen genomen worden moet de initiatiefnemer samen met zijn omgeving in een dialoog bepalen. Hiervoor is een stappenplan opgesteld. Voor plannen die al in voorbereiding waren vóór vaststellen van deze beleidsregel geldt het stappenplan niet. Maar er moet ook dan wel een dialoog gevoerd zijn. De investering aan plusmaatregelen die gedaan moet worden is in basis vastgesteld op minimaal € 20 per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding. Onder bepaalde voorwaarden kan uitgegaan worden van minimaal € 15. De beleidsregel is van toepassing op bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen met afwijking van het bestemmingsplan waarbij het verzoek betrekking heeft op nietgrondgebonden veehouderijbedrijven. De beleidsregel moet voor 1 januari 2027 planologisch vastgelegd zijn. De beleidsregel is niet van toepassing als de uitbreiding nu al kan op basis van het geldende bestemmingsplan en eventuele wijzigingsplannen op grond van dat bestemmingsplan. Na verwerking van deze beleidsregel in het bestemmingsplan voor het buitengebied zullen kleine uitbreidingen, maximaal 500 m2 bruto stalvloeroppervlakte per 5 jaar, zonder extra investeringen toegestaan blijven.

 2

Plussenbeleid Doetinchem 2019

Inhoudsopgave 1 2 3 4

Inleiding ................................................................................................................................ 4 Beleidsregel en het bestemmingsplan ................................................................................ 5 Provinciale regels.................................................................................................................. 6 Plussenbeleid Doetinchem 2019 .......................................................................................... 9 4.1 Reikwijdte en doorwerking....................................................................................... 9 4.2 Het Doetinchemse plussenbeleid ............................................................................ 10 4.2.1 Begrippen .................................................................................................... 10 4.2.2 Dialoog met de omgeving .......................................................................... 11 4.2.3 Investering ................................................................................................... 12 4.2.4 Plusmaatregelen .......................................................................................... 13 4.2.5 Controle plusmaatregelen en investering .................................................

14 4.2.6 Borging uitvoering ...................................................................................... 15 Bijlage: Handreiking Plussenbeleid, provincie Gelderland ..................................................... 17

 3

Plussenbeleid Doetinchem 2019

1

Inleiding

In de gemeente Doetinchem zijn niet-grondgebonden veehouderijbedrijven gevestigd. Deze bedrijven kunnen op dit moment vanwege de provinciale Omgevingsverordening niet verder groeien dan de bestaande mogelijkheden in het geldende bestemmingsplan. De gemeente wil niet-grondgebonden agrarische bedrijven onder voorwaarden wel uitbreidingsmogelijkheden bieden om een duurzame ontwikkeling te stimuleren. In maart 2017 is het provinciale Plussenbeleid in werking getreden via de provinciale Omgevingsverordening. Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de geactualiseerde Omgevingsverordening vastgesteld. Hierbij is de regeling in de verordening geactualiseerd. Gedeputeerde Staten hebben in vervolg op deze besluitvorming de Handreiking Plussenbeleid vastgesteld. Deze regeling is in de vast te stellen beleidsregel verwerkt. Dat was nog niet mogelijk bij het ontwerp wat ter inzage heeft gelegen. Met het Plussenbeleid geeft de provincie vorm aan haar beleid voor de nietgrondgebonden veehouderij1. Het Plussenbeleid zet in op het realiseren van duurzame niet-grondgebonden veehouderij. Groei is mogelijk als de veehouder bij uitbreiding aanvullende maatregelen neemt op het gebied van dierenwelzijn, ruimtelijke kwaliteit en/of milieu. Dit zijn de zogenaamde plusmaatregelen.

Het moeten maatregelen zijn bovenop de normale wettelijke eisen en geldend provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarbij wordt verlangd dat er een dialoog met de omgeving over de keuze van de plusmaatregelen plaatsvindt. Het provinciale Plussenbeleid bepaalt dat dit alleen mag worden toegepast, wanneer de gemeente hiervoor een beleidsregel heeft vastgesteld. Met de beleidsregel “Plussenbeleid Doetinchem 2019” geeft de gemeente invulling aan deze formele verplichting. Deze beleidsregel moet toegepast worden bij plannen die niet passen binnen het geldende bestemmingsplan (inclusief wijzigingsbevoegdheden). Voor 1 januari 2027 moet het plussenbeleid ook planologisch in het bestemmingsplan verankerd worden. Daarvoor kan de voorliggende beleidsregel gebruikt worden. De gemeente heeft de beleidsregel niet alleen opgesteld. Hiervoor heeft zij inbreng ontvangen van diverse organisaties:  LTO Noord afdeling West-Achterhoek;  IVN de Oude IJsselstreek;  Stichting Milieuwerkgroep de Oude IJsselstreek;  Omgevingsdienst Achterhoek;  Provincie Gelderland;  Waterschap Rijn en IJssel;  GGD Noord- en Oost-Gelderland. Het is echter zo dat niet alle suggesties en wensen die vanuit de organisaties gegeven zijn volledig meegenomen konden worden; hierin is een keuze gemaakt. De beleidsregel geldt aanvullend op de reguliere toetsingsgronden bij verzoeken om uitbreiding van een bedrijf.

Dus elk initiatief moet voldoen aan de voorwaarden van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Als een initiatiefnemer gebruik wil maken van deze beleidsregel, is het verstandig dat hij dit ook in beeld houdt. En dus niet alleen de voorliggende beleidsregel als onderbouwing gebruikt.

1

definitie ‘niet-grondgebonden veehouderijbedrijf’: agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen, en waarop de veehouderij rechten heeft (Bron: https://gldanders.planoview.nl/planoview/omgevingsplannen)  4

Plussenbeleid Doetinchem 2019

2

Beleidsregel en het bestemmingsplan

In de Algemene wet bestuursrecht, titel 4.3 is de regeling vastgelegd die gemeenten de mogelijkheid geeft om beleidsregels vast te stellen. Een beleidsregel is “een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan” (bron: artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht). Na het vaststellen van de beleidsregel Plussenbeleid Doetinchem 2019 zal deze planologisch vertaald worden in het bestemmingsplan Buitengebied. Zo mogelijk bij de actualisatie van het bestemmingsplan. Dit is binnen de termijn die de provincie heeft gesteld, dus vóór 1 januari 2027. De verwerking is ook afhankelijk van de voortgang van de behandeling van de beroepen tegen het bestemmingsplan ‘Buitengebied - 2012’ door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met de beleidsregel wordt het mogelijk mee te werken aan uitbreidingsplannen van nietgrondgebonden agrarische bedrijven via:  een partiële herziening van het bestemmingsplan, of  een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan (uitgebreide procedure).

De toelichting op het bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag omgevingsvergunning moet dan onder andere ingaan op de voorliggende beleidsregel en aantonen dat het initiatief daaraan voldoet. De beleidsregel maakt daarmee onderdeel uit van de wet- en regelgeving om te komen tot een goede ruimtelijke ordening in het algemeen. Deze regel richt zich specifiek op uitbreidingsplannen van niet-grondgebonden veehouderij. Zo wordt een bijdrage geleverd aan een transparante besluitvorming.

 5

Plussenbeleid Doetinchem 2019

3

Provinciale regels

Het Plussenbeleid is door de provincie Gelderland vastgelegd in hoofdstuk 2, afdeling 2.4, artikel 2.30 en 2.31 van de Omgevingsverordening Gelderland. Dit is op 19 december 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Het is een beleidsneutrale aanpassing van de eerder vastgestelde regels in de Omgevingsverordening en Omgevingsvisie, die op 22 maart 2017 in werking zijn getreden. De artikelen luiden als volgt: Artikel 2.30 (uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak: handreiking beleidsregels Plussenbeleid) 1. Gedeputeerde Staten stellen in een handreiking een algemeen kader vast voor de door het gemeentebestuur op te stellen beleidsregels Plussenbeleid. 2. De handreiking Plussenbeleid bevat in ieder geval als kader dat: a. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of alleen mogelijk is als door de aanvrager plusmaatregelen worden getroffen; b. de investering in de te treffen plusmaatregelen aantoonbaar € 15,- tot € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding bedraagt; c. de plusmaatregelen getroffen worden in de volgende rangorde: i. ter plaatse op het erf; ii. in de directe omgeving van het erf; iii. in de omgeving van de direct-omwonenden. d. de te treffen plusmaatregelen geborgd worden in: i. een privaatrechtelijke overeenkomst, inclusief een boetebeding, ii.

een voorwaardelijke plicht in het bestemmingsplan, of iii. de voorschriften van een omgevingsvergunning. Artikel 2.31 (instructieregel bestemmingsplan Plussenbeleid) 1. Een bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak alleen mogelijk als de uitbreiding voldoet aan door het gemeentebestuur in overeenstemming met de handreiking Plussenbeleid vastgestelde beleidsregels. 2. Een bestemmingsplan kan eens per vijf jaar een uitbreiding van een nietgrondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak mogelijk maken met een omvang van ten hoogste 500 vierkante meter, waarop de vastgestelde beleidsregels niet van toepassing zijn. In Hoofdstuk 8, afdeling 8.1 van de Omgevingsverordening is een specifieke overgangsbepaling Plussenbeleid opgenomen. Deze bepaalt het volgende: Artikel 8.2 (specifieke overgangsbepaling Plussenbeleid) In afwijking van artikel 8.1, derde lid, geeft de gemeenteraad uitvoering aan de instructieregels gesteld in de artikelen 2.30 en 2.31: a. bij bestemmingsplannen die voor 1 januari 2007 zijn vastgesteld: voor 1 april 2019; b. bij overige bestemmingsplannen: voor 1 januari 2027.

 6

Plussenbeleid Doetinchem 2019

Het gebied waarop deze artikelen betrekking hebben is opgenomen op de kaart ‘regels Landbouw’ van de verordening. De uitsnede voor Doetinchem is hieronder weergegeven.

Uitsnede kaart ‘Regels Landbouw’ van de Omgevingsverordening Gelderland, onderdeel Plussenbeleid 

Artikel 2.30 lid 1 geeft aan dat GS een handreiking voor plussenbeleid zal vaststellen. Op basis hiervan kunnen gemeenten een beleidsregel vaststellen. Deze handreiking is door GS vastgesteld. De handreiking is als bijlage bij deze beleidsregel gevoegd.  Artikel 2.30 lid 2 vormt de kern van het Plussenbeleid. Daar is vastgelegd dat het Plussenbeleid toegepast moet worden die uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk maken.  Artikel 2.31 lid 1 bepaalt dat alleen na uitwerking van een beleidsregel de gemeente mee kan werken aan uitbreiding.  Artikel 2.31 lid 2 legt vast dat gemeenten bij vertaling van de beleidsregel in een bestemmingsplan mogen vastleggen dat het Plussenbeleid voor kleine uitbreidingen niet van toepassing hoeft te zijn. De grens wordt gelegd bij een uitbreiding van maximaal 500 m2 per vijf jaar. Op basis van deze twee artikelen is het gemeentelijke plussenbeleid uitgewerkt.

Bij de provinciale regels horen ook diverse begrippen: grondgebonden agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van veehouderijbedrijf activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken grondgebonden onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf veehouderijtak beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren  7

Plussenbeleid Doetinchem 2019

hervestiging (bij veehouderijbedrijf) niet-grondgebonden veehouderijbedrijf

niet-grondgebonden veehouderijtak Plussenbeleid

plusmaatregel

uitbreiding (bij veehouderij)

vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwperceel agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op nietgrondgebonden veehouderij beleid met aanvullende kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk willen maken aanvullende fysieke maatregel ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een veehouderijtak op het gebied van het milieu, een goede landschappelijke inpassing of een verbetering van het dierenwelzijn vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel

 8

Plussenbeleid Doetinchem 2019

4

Plussenbeleid Doetinchem 2019

4.1 Reikwijdte en doorwerking Reikwijdte In de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat het Plussenbeleid alleen van toepassing is in het gebied zoals aangewezen op de bij de Omgevingsverordening behorende kaart Regels Landbouw. De beleidsregel Plussenbeleid Doetinchem 2019 heeft dus alleen werking voor die delen van de gemeente Doetinchem die op genoemde kaart, zie hoofdstuk 3, als zodanig zijn aangewezen. Doorwerking Op basis van de Omgevingsverordening werkt het Plussenbeleid voor de gemeente Doetinchem in de volgende situaties door: 1. Partiële herziening bestemmingsplan, op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Bij een partiële herziening die ruimte biedt aan een uitbreiding meer dan 500 m2 moet in het bestemmingsplan de verankering van de beleidsregel Plussenbeleid Doetinchem 2019 plaatsvinden. Dit zal deels in de toelichting staan, waar de plusmaatregelen toegelicht en onderbouwd worden. Maar de fysieke plusmaatregelen zullen ook met een voorwaardelijke verplichting verankerd moeten worden in de regels. 2. Omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan (uitgebreide procedure), op grond van artikel 2.12 lid 1a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Ook bij een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan (buitenplanse afwijking) die ruimte biedt aan een uitbreiding van meer dan 500 m 2 moet toetsing aan de beleidsregel Plussenbeleid Doetinchem 2019 plaats vinden. Dit moet terugkomen in de ruimtelijke onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. De te treffen plusmaatregelen zullen als voorwaarde(n) bij de vergunning worden opgenomen. Bij de latere verwerking van de vergunning in een bestemmingsplan, wordt dit verder planologisch verankerd. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied - 2012’ van de gemeente Doetinchem is vastgesteld op 29 oktober 2015 en is in werking getreden. De provincie heeft geen zienswijze op dit plan ingediend. Dus een uitbreiding van een niet- grondgebonden agrarisch bedrijf die op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied - 2012’ mogelijk is, al dan niet met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, valt niet onder het Plussenbeleid. Want dit zijn de bestaande rechten die behouden worden op basis van de overgangsbepalingen van de Omgevingsverordening. De beleidsregel moet voor 1 januari 2027 verwerkt zijn in het bestemmingsplan Buitengebied. Bij nieuwe bestemmingsplannen wordt het Plussenbeleid dus verwerkt.

Daarbij zal, op grond van artikel 2.30 lid 3 van de Omgevingsverordening, bij recht een uitbreiding toegestaan worden van maximaal 500 m2 per 5 jaar, waarbij de beleidsregel voor plussenbeleid niet van toepassing is. Beleidsregel is niet het enige toetsingscriterium voor medewerking. Toepassing van de beleidsregel maakt onderdeel uit van de toetsing om te komen tot een goede ruimtelijke ordening. Het bevoegd gezag kan op basis de goede ruimtelijke ordening besluiten dat, ook al worden er maatregelen volgens de beleidsregel getroffen, een uitbreiding toch niet ruimtelijk aanvaardbaar of uitvoerbaar is. Andere factoren spelen bij medewerking aan een plan ook een rol, zoals generieke wettelijke eisen en ander vigerend provinciaal en gemeentelijk beleid. Maar ook gebieds- en  9

Plussenbeleid Doetinchem 2019

locatieafhankelijke omstandigheden kunnen leiden tot een afwijzing van een plan. Dus voldoen aan de beleidsregel betekent niet automatisch dat door de gemeente meegewerkt wordt aan het uitbreidingsplan.

4.2 Het Doetinchemse plussenbeleid Het Doetinchemse plussenbeleid is als volgt opgebouwd: 1. begrippen; 2. dialoog; 3. investering; 4. plusmaatregelen; 5. borging uitvoering. De mogelijke plusmaatregelen zelf staan in sub-paragraaf 4.2.4. Maar de andere subparagrafen maken ook wezenlijk onderdeel uit van de beleidsregel Plussenbeleid Doetinchem 2019. De plusmaatregelen moeten binnen het grondgebied van de gemeente Doetinchem genomen worden. 4.2.1

Begrippen

De begrippen die de provincie in haar Omgevingsverordening heeft opgenomen, worden ongewijzigd in deze beleidsregel overgenomen: grondgebonden agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van veehouderijbedrijf activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken grondgebonden onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf veehouderijtak beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren hervestiging (bij vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te veehouderijbedrijf) verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij veehouderijbedrijf waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen, en waarop de veehouderij rechten heeft niet-grondgebonden onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op nietveehouderijtak grondgebonden veehouderij Plussenbeleid beleid met aanvullende kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van een

niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk willen maken plusmaatregel aanvullende fysieke maatregel ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een veehouderijtak op het gebied van het milieu, een goede landschappelijke inpassing of een verbetering van het dierenwelzijn uitbreiding (bij vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand veehouderij) agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel

 10

Plussenbeleid Doetinchem 2019

4.2.2

Dialoog met de omgeving

Bij een initiatief voor uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf geven we de initiatiefnemer zelf de verantwoordelijkheid om, in dialoog met de omgeving, de plusmaatregelen in te vullen. In de gemeente Doetinchem wordt hiervoor het volgende model gehanteerd.

(1) initiatiefnemer heeft basisuitbreidingsplan én dialoogvoorstel voorgelegd aan gemeente

(2) voortoets gemeente van het uitbreidingsplan en dialoogvoorstel

(3) initiatiefnemer gaat plusmaatregelen bepalen in dialoog met de omgeving

(4) initiatiefnemer werkt de plusmaatregelen uit voor zijn plan én legt resultaat dialoog vast in verslag

(5) initiatiefnemer legt resultaat terug bij de omgeving

(6) initiatiefnemer maakt uitwerking plusmaatregelen en verslag dialoog definitief

(7) initiatienemer legt bouwplan + plusmaatregelen + verslag dialoog definitief voor aan gemeente

(8) gemeente geeft akkoord/niet akkoord op verzoek uitbreiding inclusief plusmaatregelen

(9) akkoord: vervolg procedure om de uitbreiding inclusief plusmaatregelen te realiseren niet akkoord: aanvullen of afwijzing uitbreidingsplan

Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer de plusmaatregelen nog niet zelf heeft ingevuld vóór het voeren van de dialoog. Hij moet deze juist mét de omgeving verkennen, afwegen en vervolgens bepalen. Wie de initiatiefnemer als ‘de omgeving’ ziet, en hoe hij de omgeving wil betrekken bij het plan, wordt als dialoogvoorstel bij het basisuitbreidingsplan aangeleverd bij de gemeente. Bij de voortoets geeft de gemeente aan of het basisuitbreidingsplan én het dialoogvoorstel akkoord is. Daarna wordt de dialoog conform het voorstel gevoerd. De initiatiefnemer bepaalt ‘de omgeving’ op basis van de beoordeling wie ‘gevolgen van enige betekenis’2 kan ondervinden door de uitbreiding. In acht te nemen factoren hierbij zijn afstand, zicht, planologische uitstaling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico). Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Het resultaat van de dialoog is primair het vergroten van begrip en draagvlak in de omgeving van het initiatief. Daarbij leidt de dialoog tot de voor de omgeving meest

2

Gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, r.o. 3.2  11

Plussenbeleid Doetinchem 2019

gewenste keuze voor de plusmaatregelen die de initiatiefnemer neemt ter compensatie voor de uitbreiding. De dialoog moet door de initiatiefnemer in een verslag vastgelegd worden. Het verslag maakt onderdeel uit van het definitieve verzoek aan de gemeente voor de uitbreiding. Als bij de dialoog blijkt dat geen volledige consensus met de omgeving is over de te nemen plusmaatregelen, dan wordt dit in het dialoogverslag opgenomen. De gemeente zal in dat geval nauwgezet beoordelen of de uiteindelijke keuze van de plusmaatregel(en) wel in lijn is met de dialoog. Bij een complete verdeeldheid van de omgeving bij de dialoog, kan de initiatiefnemer dit dilemma bij de gemeente voorleggen. De gemeente kan dan, op basis van omgevingskenmerken, bekijken welke plusmaatregel zij de meest gewenste vindt voor de specifieke locatie. Hiervoor kan de gemeente ook advies ingewonnen worden bij de onafhankelijke deskundige, zoals in paragraaf 4.2.5 aangegeven. Overgangsregeling m.b.t. dialoog voor lopende verzoeken Er zijn lopende verzoeken voor uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijen, waarbij een afwijkende dialoog heeft plaatsgevonden. Bij die gevallen hoeft men de dialoog niet opnieuw overeenkomstig de genoemde stappen te voeren. Men moet echter wel aantonen dat de omgeving bij het uitbreidingsplan betrokken is, dat er dus een dialoog heeft plaatsgevonden.

Ontwikkelingen bij participatie In de Omgevingswet is participatie één van de kernbegrippen. De Doetinchemse vorm van participatie zal zich de komende jaren verder gaan ontwikkelen. Het zou kunnen zijn dat de wijze van dialoog bij de voorliggende beleidsregel in de toekomst aangepast wordt, om goed aan te sluiten op de participatie die dan de algemene Doetinchemse wijze is. 4.2.3

Investering

Het Plussenbeleid gaat uit van aanvullende maatregelen (plusmaatregelen) die door de initiatiefnemer getroffen moeten worden. De mate waarin is uitgedrukt in een investeringsbijdrage. De vereiste investering die de gemeente Doetinchem in de plusmaatregelen vraagt is in de basis minimaal € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding. Een grotere investering is natuurlijk mogelijk, maar is vanuit de voorliggende beleidsregel niet afdwingbaar. Het is mogelijk om af te wijken van het basisbedrag van € 20. Men kan gebruik van een minimale investeringsbijdrage van € 15 per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding, als gebleken is dat de betreffende plusmaatregel(en) en zeer grote ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert voor de omgeving. Deze winst moet zodanig groot zijn dat meer plusmaatregelen niet nodig zijn. Deze plusmaatregel(en) moet daarbij ook duidelijk vanuit de dialoog naar voren zijn gekomen als zeer gewenst. En ook het in te winnen onafhankelijke advies over de plusmaatregelen moet de grote ruimtelijke kwaliteitswinst onderschrijven. Rekenvoorbeeld Een agrarisch bedrijf wil een uitbreiding realiseren van 1500 m2 bruto stalvloeroppervlak. 400 m2 van deze staloppervlak is mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan.

Het investeringsbedrag voor de plusmaatregelen moet hierbij over de hele uitbreidingberekend worden, dus op 1500 m2. De initiatiefnemer moet dus tenminste € 30.000 investeren in plusmaatregelen.

De berekening van de investeringsbijdrage moet deel uitmaken van de toelichting van het bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning. Het investeringsbedrag moet besteed worden aan de plusmaatregelen zelf. Indirecte gevolgen  12

Plussenbeleid Doetinchem 2019

van de plusmaatregelen, bijvoorbeeld waardevermindering van grond, mogen niet verrekend worden. Op basis van artikel 2.30 van de Omgevingsverordening Gelderland moet de investering zoveel mogelijk plaatsvinden op het erf van het bedrijf in kwestie. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan vindt de investering in de omgeving van het erf plaats. Als dat niet haalbaar is, dan bij voorkeur in de omgeving van direct omwonenden. Voor de Achterhoek, en dus ook de gemeente Doetinchem, geeft de provincie in de Handreiking aan dat sloop van veelal vervallen gebouwen een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving oplevert. De aard van deze maatregel betekent dat sloop niet op of nabij het erf plaats zal vinden. Dit is dus afwijkend van wat in artikel 2.30 bij lid 2.c bepaald is. De gemeente Doetinchem wil wel dat sloop in de nabijheid van het agrarische bedrijf plaats vindt. Daarom is de maximale afstand voor de te slopen gebouwen 1 kilometer van het bedrijf die de plusmaatregel moet uitvoeren. 4.2.4

Plusmaatregelen

Op basis van de Handreiking Plussenbeleid zijn voor de onderwerpen dierenwelzijn, milieu en landschap/ruimtelijke kwaliteit plusmaatregelen te definiëren. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. De plusmaatregel is, voor zover mogelijk, gericht op het effect, niet op soort maatregel. b. De plusmaatregel is zo eenvoudig en helder mogelijk verwoord, maar moet wel ruimte bieden voor eigen invulling door de initiatiefnemer. c. De plusmaatregel moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. d. De plusmaatregel wordt bereikt met een eenmalige investering. Bij de plusmaatregelen zijn voorbeelden genoemd. Dit is geen uitputtende lijst. Ze zijn puur ter inspiratie bedoeld. Zoals al eerder aangegeven, moet een plusmaatregel een extra maatregel zijn. Voorzieningen die vanwege andere wet- en regelgeving al noodzakelijk zijn, zijn geen plusmaatregel. Plusmaatregelen gericht op landschap / ruimtelijke kwaliteit  Versterken van het landschap in de omgeving van het bedrijf.  Tegengaan van verrommeling van het buitengebied.  Promotie van het agrarische buitengebied.  Het realiseren van voorzieningen op of nabij het erf, waardoor verstorende bedrijfsactiviteiten minder prominent ervaren worden.

Voorbeelden o Het realiseren van landschapselementen, bovenop de in basis al vereiste landschappelijke inpassing voor de uitbreiding van het bedrijf, zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied - 2012’. Het inpassingsplan dat hiervoor opgesteld moet worden, moet gebaseerd zijn op de indeling die in dit bestemmingsplan is aangehouden voor de landschapstypen en soorten beplanting. o Sloop van vrijgekomen (agrarische) bebouwing. Als dit op het eigen erf is, dan mag daarbij geen sprake zijn van vervangende nieuwbouw. Buiten het eigen erf mogen stallen in een gebied van 1 km rondom het bedrijf opgevoerd worden. Hierbij moet ook geborgd worden dat de bebouwing niet opnieuw gerealiseerd kan worden. o Het duurzaam openstellen van het eigen agrarische erf voor bezoekers. o Realisatie van recreatieve verbindingen, waaronder de eigen agrarische gronden, om deze voor recreatief, niet gemotoriseerd, medegebruik toegankelijk te maken. o Educatie jeugd. o Verbeteren ecologische verbindingen.  13

Plussenbeleid Doetinchem 2019

o o o o o

Aanleg akkerranden voor bloemen en wild. Nestgelegenheden bieden voor vogels/vleermuizen en migratieroutes er naar toe realiseren. Aanleg kikkerpoelen. Kadaveropslag in koelkelder. Bovenwettelijke maatregelen vertraagde waterafvoer.

Plusmaatregelen gericht op milieugevolgen  Toepassen van bovenwettelijke maatregelen ter beperking van de milieugevolgen (o.a. geur, geluid, fijnstof, licht, trilling, emissie, risico) van het agrarische bedrijf die een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving tot gevolg hebben. Deze maatregelen kunnen op de te realiseren stal uitgevoerd worden, maar ook op bestaande stallen. De maatregelen kunnen onder andere benoemd zijn in de Maatlat Duurzame Veehouderij en in de Milieukeur. Het hebben van één van deze keuren voor de stal wil overigens niet automatisch zeggen dat het bedrijf plusmaatregelen heeft getroffen die passen binnen de voorliggende beleidsregel.  Toepassen van maatregelen die de CO2-uitstoot verlagen.  Het realiseren van installaties voor duurzame energieopwekking waarbij de opgewekte energie ten goede komt aan de omgeving en zij dus direct profiteert. Voorbeelden o Stillere ventilatoren. o Wijziging route binnen het bedrijf waardoor overlast afneemt. o Bijdragen aan lokale keten van voedsel produceren en consumeren:  Hoger percentage ter plaatse geproduceerd voer.  Slacht, verwerking, afzet in directe omgeving (geen export), regionale verkoop  daardoor minder transport, im-/export nutriënten, daarmee ook minder CO2-uitstoot. o Zonnepanelen op daken, niet voor de eigen energievoorziening.

o Ioniserende maatregelen die fijnstof reduceren. o Een verdergaande geurreducerende luchtwasser. o Mest scheiden op het erf zonder toename geluids- en geuroverlast. o Andere, alternatieve maatregelen die niet in wetgeving verplicht zijn maar die wel een ammoniakreducerende werking hebben, zoals genoemd op www.infomil.nl met uitzondering van daarin genoemde voermaatregelen. Plusmaatregelen gericht op dierenwelzijn  Toepassen van bovenwettelijke maatregelen voor dierenwelzijn die een verbetering van de ruimtelijk kwaliteit in de omgeving tot gevolg hebben. Deze maatregelen kunnen op de te realiseren stal uitgevoerd worden, maar ook op aanwezige stallen. De maatregelen kunnen onder andere benoemd zijn in de Maatlat Duurzame Veehouderij en in de Milieukeur. Het hebben van een van deze keuren voor de stal wil overigens niet automatisch zeggen dat het bedrijf plusmaatregelen heeft getroffen die passen binnen de voorliggende beleidsregel. Voorbeelden o Oppervlakte in stal en buitenruimte meer dan wettelijke eis. o Extra brandpreventie. o Duurzame vloeren. 4.2.5

Controle plusmaatregelen en investering

De uitwerking van de plusmaatregelen op het gebied van dierenwelzijn en milieu en de financiële verantwoording van de investering vereist specialistische kennis. Hiervoor legt de gemeente het plan voor aan een onafhankelijk deskundige. De kosten voor dit advies worden in rekening gebracht bij de initiatiefnemer en mogen niet meegerekend worden  14

Plussenbeleid Doetinchem 2019

als onderdeel van de investering. Dit is mogelijk op basis van de gemeentelijke legesverordening. Bij landschapsinvesteringen is toetsing door de gemeente in principe wel mogelijk en is externe advisering niet nodig. Deze kosten zijn verdisconteerd in de leges die voor de bestemmingsplanherziening of de omgevingsvergunning (uitgebreide procedure) in rekening worden gebracht. De kosten kunnen ook in de af te sluiten anterieure overeenkomst vastgelegd worden. 4.2.6

Borging uitvoering

Alle maatregelen worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met boetebeding. Uitgangspunt is voorts dat de uitvoering van de plusmaatregelen publiekrechtelijk verankerd wordt met een voorwaardelijke verplichting of met andere regels in het bestemmings- of wijzigingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt. Als zo’n regeling gelet op het recht niet mogelijk is, zoals bij een omgevingsvergunning, moet de uitvoering van de plusmaatregelen verzekerd worden door middel van voorwaarden bij de vergunning.

 15

Bijlage: Handreiking Plussenbeleid, provincie Gelderland

Handreiking Plussenbeleid

2

Handreiking Plussenbeleid Deze handreiking is het kader voor het gemeentebestuur bij de vaststelling van Plussenbeleid beleidsregels. Algemeen De provincie is normerend, inspirerend en verbindend. Dit vertaalt zich in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, maar ook in ondersteuning en stimulering van gemeenten en initiatiefnemers. Deze handreiking Plussenbeleid past bij deze rolopvatting. Maatschappelijk verantwoord ondernemen staat centraal. De provincie zet in op het creëren van mogelijk– heden en geeft randvoorwaarden voor duurzame niet-grondgebonden landbouw. De ontwikkelingsmogelijk– heden van een bedrijf hangen in de eerste plaats af van de locatie. In Gelderland behoort het grootste deel van de veehouderijen tot de niet-grondgebonden landbouw. Het voer voor de dieren komt van buiten het bedrijf en veelal zelfs van buiten Nederland. De provincie stimuleert bestaande bedrijven in deze sector die duurzamer willen produceren. Dit betekent dat: − er geen ruimte is voor nieuwvestiging van niet-grondgebonden veehouderijbedrijven; − er ruimte is voor bestaande bedrijven om zich duurzaam te ontwikkelen. Aan deze groei zijn duurzaamheidseisen verbonden die zijn uitgewerkt in het Plussenbeleid. Aan gemeenten de vraag om deze voorwaarden in ruimtelijk beleid mee te nemen.

In deze handreiking geeft de provincie invulling aan de randvoorwaarden waaraan een gemeente kan denken bij het opstellen van ruimtelijk beleid. Welke uitbreidingen van veehouderijen mogelijk zijn, wordt verder bepaald door: − wettelijke kaders van het Rijk; − provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening; − gemeentelijke bestemmingsplannen en ruimtelijk beleid. De groeipotentie van een bedrijf is afhankelijk van de locatie waar het bedrijf ligt. Wanneer kwetsbare en gevoelige functies in de omgeving van het bedrijf liggen, zijn de uitbreidingsmogelijkheden beperkt en aan specifieke voorwaarden gekoppeld. Zo moeten bedrijven in de omgeving van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden extra technische maatregelen treffen om groeiruimte te creëren. Naast het ruimtelijke spoor stimuleert de provincie de verduurzaming van de veehouderij actief door kennis te helpen ontwikkelen en door innovaties via proefopstellingen en praktijkpilots te ondersteunen. Grondgebonden Het Plussenbeleid is alleen van toepassing op niet-grondgebonden bedrijven. Om te bepalen of een veehouderij grondgebonden of niet-grondgebonden is, moet een grondgebruiksplan worden opgesteld. Een grondgebruiksplan bevat in ieder geval een overzicht van nabijgelegen gronden waarover een ondernemer langdurig kan beschikken. Dit kan worden aangetoond via pacht-, huur- en buurtcontracten.

Voor het aantonen van de grondgebondenheid moet met de eenheid kilogram droge stof worden gerekend. Hiermee kan de voeropbrengst van eigen grond worden vergeleken met voer dat van elders moet worden aangevoerd (zoals brokken of andere supplementen). Dit sluit aan op de aanpak in het Handboek Snijmais (WUR, 2018) en de rapportage ‘Grondgebondenheid als basis voor een toekomstbestendige melkveehouderij’ (Commissie Grondgebondenheid, 2018).

3

Ammoniakbuffergebied In het ammoniakbuffergebied gelden de regels uit de Omgevingsverordening voor een niet grondgebonden veehouderijtak bovenop het Plussenbeleid. Daarnaast zijn er nog drie belangrijke aspecten voor ontwikkelingen in een ammoniakbuffergebied: − er is alleen groei van het bedrijf mogelijk als de emissie van ammoniak op de locatie niet toeneemt bij uitbreiding van niet-grondveehouderij-activiteiten. Of de emissie helemaal uit intensieve nietgrondgebonden veehouderijactiviteiten bestaan of slechts gedeeltelijk binnen een deel van het bedrijf worden uitgeoefend maakt daarbij niet uit; − nieuwvestiging en hervestiging is verboden; − er kunnen meerdere functies en bestemmingen naast elkaar bestaan in dit gebied. Dit is een gemeentelijke afweging. Meerdere functies kunnen de afbouw van de intensieve veehouderij ondersteunen. Nieuwe functies moeten passen bij de kernkwaliteiten in een gebied. Verduurzaming van bedrijven in de niet-grondgebonden veehouderij Bedrijven of onderdelen van bedrijven die uitbreiden, krijgen te maken met het Plussenbeleid. De invulling van de plussen kan per gemeente verschillen. De provincie geeft in deze handreiking een richting aan de gewenste invulling, zodat er een duidelijke basis aan maatregelen bestaat. Voor bedrijven die qua planologische mogelijkheden meer dan 500 m2 groeien zijn één of meer ‘maatschappelijke plussen’ vereist.

Het gaat om aanvullende maatregelen van ruimtelijke kwaliteit op het gebied van milieu, landschappelijke inpassing en/of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn. Deze maatregelen bestaan naast wettelijke eisen en andere voorwaarden zoals een goede landschappelijke inpassing op basis van provinciaal en gemeentelijk beleid. Uitbreiding Het moment waarop voor een uitbreiding het Plussenbeleid van toepassing is, wordt bepaald door het geldende planologisch regime. Iedere uitbreiding van mogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij ten opzichte van het geldende bestemmingsplan moet worden getoetst aan het Plussenbeleid. Dat kan een overschrijding zijn van het huidige bouwvlak, een bebouwingspercentage, een bouwhoogte, een stikstofdepositieplafond of dieraantallen. Allemaal vormen van uitbreiding van planologische mogelijkheden waarop het Plussenbeleid van toepassing is. Aan uitbreidingen van niet-grondgebonden veehouderijen worden de volgende eisen gesteld: a. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of veehouderijtak is alleen mogelijk als door de aanvrager plusmaatregelen worden getroffen; b. de investering in de te treffen plusmaatregelen aantoonbaar € 15,- tot € 20,- per vierkante meter bruto stalvloeroppervlakte van de uitbreiding bedraagt; c. de plusmaatregelen getroffen worden in de volgende rangorde: I. ter plaatse op het erf; II.

in de directe omgeving van het erf; III. in de omgeving van de direct-omwonenden. d. de te treffen plusmaatregelen geborgd worden in: I. een privaatrechtelijke overeenkomst, inclusief een boetebeding; II. een voorwaardelijke plicht in het bestemmingsplan, of III. de voorschriften van een omgevingsvergunning. Spelregels Plussenbeleid De verwachting voor de ontwikkeling van niet-grondgebonden veehouderij is dat er schaalvergroting plaatsvindt. Een voordeel van schaalvergroting is dat grotere bedrijven beter in staat zijn om extra maatregelen te nemen die de negatieve effecten voor de leefomgeving te verminderen. Denk aan geurhinder, fijnstof, endotoxinen en het risico op zoönosen. Het Plussenbeleid mag niet onnodig belemmerend werken. Daarom gelden de spelregels alleen voor uitbreidingen van bedrijven waarvan de planologische mogelijkheden met meer dan 500 m2 groeien. Aanvragers hebben maximaal een keer per vijf jaar de mogelijkheid om maximaal 500 m2 uit te breiden zonder Plussenbeleid.

4

Gemeenten nemen het Plussenbeleid mee in hun ruimtelijk beleid. De volgende punten worden op gemeentelijk niveau uitgewerkt: − wat is de gewenste werkwijze en dialoog voor de voorgenomen uitbreiding?; − welke inhoudelijk accenten zijn gewenst vanuit het lokale beleid, passend bij het gebied, zodat lokaal maatwerk mogelijk is in de geest van de Omgevingswet, Gelderse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening; − aangeven van de ondergrens van de extra duurzaamheidsmaatregelen (wat zijn ‘plus-investeringen’?); − hoe worden de afspraken met de ondernemer gemaakt? Deze punten kunnen op regionaal niveau worden uitgewerkt. Een voorbeeld hiervan is de Menukaart van de regio FoodValley. Een gemeente kan een intergemeentelijk (regionaal) beleidskader gebruiken voor uitwerking in eigen ruimtelijk beleid. Werkwijze en dialoog rond de voorgenomen uitbreiding Vroegtijdig betrekken van (mogelijke) belanghebbenden bij de voorbereiding van plannen of besluiten is belangrijk. De provincie verwacht van gemeenten dat zij in het beleid opnemen dat rondom een voor– genomen uitbreiding een zorgvuldige dialoog wordt gevoerd, gericht op het in kaart brengen van alle belangen. Belangen van de ondernemer als die van de omgeving. Een verslag van de dialoog met de omgeving maakt in ieder geval deel uit van de aanvraag tot uitbreiding.

Een ondernemer gaat in gesprek met de gemeente voor eerste analyse van het uitbreidingsplan. Zonder dat de gemeente zich verbindt aan een plan, vindt op eenvoudige wijze een filtering op kansrijke en kansarme plannen plaats. In de Omgevingswet wordt het belang van een dergelijk vooroverleg benadrukt. De gemeente zorgt voor de afstemming van het initiatief. Wanneer een gemeente een initiatief als kansrijk beoordeelt, is het van belang dat de ondernemer tijdig over een nog niet uitgewerkt plan in gesprek gaat met de omgeving. De ondernemer voert een dialoog met de omgeving dat, passend bij het gebied. De ondernemer verzorgt bijvoorbeeld voor zijn buren een presentatie over zijn voorgenomen uitbreiding en vraagt naar de ideeën van zijn omgeving hierover. Een buurthuis kan hiervoor een goede plek zijn maar ook een rondleiding door het bedrijf van de ondernemer is een mogelijkheid. De invulling is vormvrij. Voor advies over de te betrekken buren kan de ondernemer bij de gemeente terecht. Aan de hand van het gesprek met de omgeving, kan de ondernemer zijn plan aanpassen. De provincie biedt ondersteuning bij de uitvoering van het Plussenbeleid en stelt informatie voor alle partijen beschikbaar.

Het gaat om de volgende informatie: − handreikingen over het voeren van de dialoog; − website met informatie: op themaniveau, met namen van contactpersonen; − een telefonische helpdesk voor partijen. Het uitbreidingsplan wordt in procedure gebracht als de gemeente het plan en het proces met partijen heeft besproken. Het is van belang om zorgvuldig en transparant te zijn naar alle betrokkenen over de benodigde en opgestelde onderzoeken en de weging van alle belangen. De gemeente weegt als bevoegd gezag af of zij instemmen met het plan. Bij instemming maakt zij met de ondernemer afspraken inclusief boetebeding via een privaatrechtelijke overeenkomst, een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Op basis daarvan werkt het bevoegd gezag een wijzigingsplan uit, een afwijkingsbesluit of herziening van het bestemmingsplan. Inhoudelijke accenten in de maatregelen met het oog op lokaal maatwerk passend bij het gebied Het gaat bij aanvullende maatregelen niet over gangbare maatregelen die al vanuit bestaande wettelijke en beleidskaders nodig zijn. Aanvullende maatregelen zijn extra maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het gebied van landschappelijke inpassing, milieu en dierenwelzijn.

Op deze manier draagt Gelderland bij aan het versnellen van duurzame ontwikkelingen in de veehouderij, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de leefomgeving. Gemeenten werken in beleid uit of zij in bepaalde gebieden lokale of regionale aandachtspunten zien voor de inhoudelijke focus van deze aanvullende maatregelen vanuit een goede ruimtelijke ordening. Deze inhoudelijke focus is sturend voor de aard van de genoemde aanvullende maatregelen passend bij een gebied. In lijn met de nationale Omgevingsvisie en Omgevingswet verwacht de provincie dat gemeenten actief beleid voeren op aandachtspunten in hun gebied, die vanuit een goede ruimtelijke ordening lokaal en in een gebied (regionaal) aandacht verdienen. Wij geven hieronder aan om welke gebieden het gaat en wij verwachten dat gemeenten deze rol actief oppakken.

5

De provincie verwacht van gemeenten dat zij op de volgende zaken sturen bij de uitwerking van lokaal maatwerk: − maatregelen voor fijnstof (onderdeel van een milieu-plus) in de regio FoodValley om de totale achtergrondbelasting te verbeteren in het gebied; − aanvullende maatregelen voor geur (onderdeel van een milieu-plus) in de regio FoodValley; − op basis van de urgentie over leegstand in het buitengebied (ruimtelijke kwaliteits-plus) in de regio Achterhoek zijn er extra maatregelen nodig die de landschappelijke kwaliteit verbeteren en sloop bevorderen. Wat zijn ‘plus-investeringen’? De te nemen aanvullende duurzaamheidsmaatregelen moeten passen binnen een goede ruimtelijke ordening. Dit vergt maatwerk en is afhankelijk van het gebied waar de uitbreiding plaatsvindt. Het gaat bij aanvullende maatregelen niet om de gangbare emissie reducerende technieken of gangbare best beschikbare technieken. De ondernemer moet aantonen waarom zijn maatregel voor een plus in aanmerking komt en moet dat expliciet maken. Het is aan de gemeente om deze afweging te beoordelen. Ruimtelijke kwaliteit Aanvullende maatregelen zijn bijvoorbeeld investeringen in: − extra streekeigen beplanting; − fruitbomen; − loop- en wandelpaden; − bezichtigingsruimte; − innovatieve architectuur van stalconcepten; − bijdrage aan een ecologische verbindingszone; − sloop van vrijkomende agrarische bebouwing.

Het gaat om investeringen die verder reiken dan op basis van lokaal of gebiedsgericht beleid reeds gevraagd kan worden. Milieu Aanvullende maatregelen zijn bijvoorbeeld investeringen in: − filtersysteem; − afzuigsysteem; − luchtwassysteem; − biofilter. Dierwelzijn Aanvullende maatregelen zijn bijvoorbeeld gericht op: − oppervlakte; − groepsgrootte; − stalinhoud; − voorkomen hittestress; − schuurvoorziening; − erfverharding; − hygiënesluis; − mestafvoerpunten. Voorbeelden van maatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierwelzijn zijn ook te vinden in de Maatlat Duurzame Veehouderij, het Beter Leven Keurmerk (sterrensysteem) en Milieukeur. Deze certificaatsystemen zijn waardevol omdat zij aangeven wat duurzame stalconcepten zijn. Zij geven ondernemers houvast om duurzame stalconcepten toe te passen door fiscaal voordeel te bieden. De controle op de uitvoering van de maatregelen wordt door een onafhankelijke instantie uitgevoerd. Jaarlijks worden deze systemen met stakeholders en ondernemers besproken en vinden er actualisaties plaats. Gangbare maatregelen, geen aanvullende maatregel Maatregelen die samenhangen met bedrijfsvoering zijn niet aan te merken als een extra maatregel.

De volgende maatregelen zijn ook niet aan te merken als een extra maatregel: − goede erfinpassing; − rekening houden met landschappelijke en natuurkwaliteiten; − voldoen aan milieunormen of aan normen voor dierwelzijn; − emissie reducerende milieutechnieken die al worden voorschreven in (wettelijke) bepalingen.

6

De peildatum voor de bepaling van een extra maatregel is de datum van de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit door de gemeente. Dat kan een ontwerp bestemmingsplan/wijzigingsplan zijn maar ook een ontwerp omgevingsvergunning. Volksgezondheid Gezondheid beschouwt de provincie niet als ‘plus’ maar als een basiskwaliteit. Er is voor volksgezondheid nog geen eigenstandig normenkader. Volksgezondheid wordt nu ingevuld door invulling te geven aan (rijks) normen voor milieu (fijnstof en geur), dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit. Er is een sterke verwevenheid tussen milieu, dierenwelzijn en gezondheid. Volksgezondheid lift mee op milieu (fijnstof en geur), dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit. Als nieuwe normen over volksgezondheid meer helderheid geven dan is dit een basis en geen ‘plus’. Provincie en partners volgen de ontwikkelingen nauwlettend. De onderstaande afbeelding geeft de verwevenheid tussen de elementen van volksgezondheid en de drie plussen weer.

Verwevenheid volksgezondheid en de drie plussen

Ruimtelijke kwaliteit

Verbetering ervaren gezondheid door goede ruimtelijke inpassing (groen, zichtlijnen)

volksgezondheid

- Fijnstof - Endotoxinen - Geur - Geluid

Milieu

- Zoënosen - Antibiotica resisentie

Dierenwelzijn

Verbeteringen voor de volksgezondheid worden in de praktijk ook via fysieke maatregelen voor milieu, dierwelzijn en ruimtelijke kwaliteit gerealiseerd. Zo dragen plussen op het gebied van geur, fijnstof en NOx bij aan volksgezondheid. Maatregelen voor de verbetering van dierwelzijn doen dit ook. Een verkleining van de kans op het ontstaan en verspreiding van dierziekten verkleint de kans op effecten op volksgezondheid. Afspraken met de ondernemer Gemeenten kunnen van de ondernemer extra maatregelen ter verbetering van de leefomgeving verlangen, die de ondernemer zelf gaat uitvoeren. De ondernemer dient concrete voorstellen ter uitvoering van de investeringsbijdrage bij de gemeente in te dienen. Hierbij kan de ondernemer onder meer gebruik maken van de certificaatsystemen die in de Maatlat Duurzame Veehouderij, het Beter Leven Keurmerk en Milieukeur zijn beschreven. De te nemen maatregelen zijn over het algemeen fysiek van aard. Van de gemeente wordt gevraagd hierover afspraken te maken met de ondernemer. Dit gebeurt via een anterieure privaatrechtelijke overeenkomst inclusief boetebeding, en/of voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan of in een omgevingsvergunning.

7

De investeringsbijdrage De norm voor de investeringsbijdrage is een bedrag tussen de €15 en €20 per vierkante meter stalvloeroppervlakte van de uitbreiding. De investering vindt bij voorkeur plaats op of nabij het erf van de initiatiefnemer. Indien dit niet mogelijk is vindt de investering in de omgeving van het erf of verder in de omgeving plaats. Een uitzondering geldt voor gebieden waar de sloop van gebouwen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving een belangrijk onderwerp is. Met name in de Achterhoek levert sloop van veelal vervallen gebouwen een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. De aard van de maatregel betekent dat sloop niet op of nabij het erf is. Als in het uitbreidingsplan en het gesprek tussen ondernemer en omgeving aangetoond is dat een investering van minder dan €15 per vierkante meter stalvloeroppervlakte van de uitbreiding ook een goede maatregel is, dan kan dit ook als plus gelden. Maatwerk kan, als dat goed onderbouwd is. Van het normbedrag kan worden afgeweken als de aanvullende investering een goed onderbouwde plusmaatregel inhoudt. Een berekening van de investeringsbijdrage wordt bij het besluit waarin de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt gevoegd. De gemeente stelt beleidsregels vast die duidelijkheid geven over de invulling van de maatregelen.

Van de gemeenten wordt gevraagd in regionaal verband, met een buurtgemeente of door inschakeling van een onafhankelijke deskundige (zoals de SAAB, Stichting Advisering Bouwplannen) een consistente beleidsafweging toe te passen. Jaarlijkse evaluatie en monitoring Het Plussenbeleid wordt na 1 jaar geëvalueerd, onder meer om te zien of deze bedragen moeten worden aangepast. In de evaluatie worden de volgende punten meegenomen: − welke gemeenten hebben het Plussenbeleid in het ruimtelijk beleid verwerkt en welke gemeenten hebben er ervaring mee opgedaan; − hoe en welke afspraken zijn er gemaakt over de maatregelen passend bij gebiedsaandachtspunten; − hoe is omgegaan met de berekening van de extra investering passend bij de situatie en het gebied; − hoe is de dialoog (het samenspel tussen bevoegd gezag, ondernemer en omgeving) verlopen; − hoe hebben de betrokken bevoegde gezagen de uitvoering vorm gegeven; − hoe ervaren de betrokken partijen de praktische uitvoerbaarheid; − hoe is de handhaving in de betreffende gemeente rond de uitvoering van de aanvullende maatregelen in het kader van het Plussenbeleid geregeld, wat is de rol van de Omgevingsdiensten; − zijn er ongewenste neveneffecten vanwege de uitbreiding (effecten rond verkeersveiligheid of een aantoonbare aanzienlijke toename in leegstand).

Zodra uit de jaarlijkse monitoring blijkt dat een of meer elementen in het Plussenbeleid niet voldoende werken of als er mogelijkheden zijn om het Plussenbeleid beter te laten werken, dan zal de provincie een voorstel doen om het Plussenbeleid aan te passen. Het Plussenbeleid is van toepassing op gebieden waarvoor vanaf 2014 zoneringsmaten golden in de Omgevingsvisie en –verordening: verwevingsgebied, landbouwontwikkelingsgebied, extensiveringsgebied. Eisen aan uitbreiding vanuit de regels voor het Ammoniakbuffergebied Naast de eisen van het Plussenbeleid geldt bij alle uitbreidingen voor niet-grondgebonden veehouderij de voorwaarde voor uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak in een ammoniakbuffergebied. In het ammoniakbuffergebied mag de emissie van ammoniak niet toenemen in de inrichting op de locatie bij de uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderij-activiteit. Deze maatregel is nodig omdat dit gebied een grote natuurwaarde heeft. Ze liggen allemaal in de 250 meter zone rondom zeer gevoelige natuur van het Gelders natuurnetwerk. De afgelopen 30 jaar hebben deze bedrijven strikte uitbreidingsbeperkingen ervaren, waardoor er weinig ‘toekomstbedrijven’ meer liggen. Afschaffen van het extensiveringsbeleid zou beteken dat deze bouwblokken in principe weer beschikbaar komen voor een volwaardig bedrijf.

De naastgelegen natuur krijgt zo te maken met extra stikstofdepositie waardoor de kwaliteit flink achteruit zal gaan.

8

9

Provincie Gelderland Markt 11 6811 CG Arnhem Postbus 9090 6800 GX Arnhem 026 359 99 99 provincieloket@gelderland.nl www.gelderland.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7669/documents/40330