CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

regels_4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen.pdf

gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7.1: Beheersverordening Landelijk gebied 2020, reparatie 20223.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Leidraad Toetsingskader Landschapselementen Landschapselementen

1. Poel en klein historisch water 2. Houtwal 3. Elzensingel 4. Bossingel 5. Knip- of scheerheg 6. Struweelhaag 7. Laan 8. Knotboom 9. Hoogstamboomgaard 10. Struweelrand 11. Vlechtheg 12. Fruitlaan 13. Halfstamboomgaard 14. Struikenboomgaard 15. Hakhoutbosje 16. Griend 17. Bomenrij 18. Rietzoom en klein rietperceel 19. Natuurvriendelijke oever

1. Poel en klein historisch water

Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes. Vaak vervulden poelen meerdere functies, onder andere om vee te kunnen laten drinken. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Instapeisen - Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. - Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. - Een poel heeft een wateroppervlak van minimaal 0,5 en maximaal 50 are. - De poel of vijver heeft een natuurlijk talud, er is geen gebruik gemaakt van vijverfolie.

Inrichtingseisen bij aanleg poel en klein historisch water: - oppervlakte poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld minimaal 150 m2; - oppervlakte poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld maximaal 700 m2; - de oeverlengte moet minimaal 40 meter bedragen; - diepte poel maximaal 2,50 meter; - taluds minimaal 1:3; - grondwaterstand locatie waar poel wordt aangelegd in september niet dieper dan 1,30 m - onder het maaiveld; - indien de zone rond de poel wordt ingezaaid met een mengsel, dient het mengsel uitsluitend - inheemse plantensoorten te bevatten. - afstand tussen nieuwe poelen tenminste 100 meter.

2. Houtwal

Houtwallen zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige landschapselementen hebben een sterke samenhang met het omringende landschap. Ze vormen een belangrijk biotoop voor flora en fauna in het cultuurlandschap en zijn tevens van belang voor de oriëntatie van vleermuizen. Instapeisen - Een houtwal is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. De houtwal kan gesitueerd worden op een aarden wal. - De houtwal is minimaal 20 meter lang en maximaal 15 meter breed. Inrichtingseisen bij aanleg Houtsingel en houtwal - alleen gebruik inheemse bomen en struiken; - plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende houtwallen op één perceel is tenminste 50 meter.

3. Elzensingel

Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die grotendeels bestaan uit een enkele rij zwarte elzen en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand of rivierengebied. Elzensingels zijn van groot belang voor de inheemse flora en fauna. Instapeisen - Een elzensingel is een lijnvormig landschapselement dat grotendeels bestaat uit een rij Zwarte els en als hakhout wordt beheerd. - Een elzensingel is minimaal 20 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg elzensingel - alleen gebruik inheemse elzen plantsoen / bomen; - minimaal 20 stuks plantsoen per 20 meter elzensingel aanplanten; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende elzensingels op een perceel is tenminste 20 meter.

4. Bossingel

Bossingels en kleine bosjes zijn landschapselementen die bestaan uit hoog opgaande beplanting. Het kunnen doorgeschoten hakhoutwallen zijn, maar ook recent aangelegde houtsingels. Een bosje is een klein vrij liggend vlakelement, een singel is een lijnvormig element. Instapeisen - Een bossingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. - Een bossingel is minimaal 20 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg bossingel - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 1,50m x 1,50 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende bossingels op één perceel is tenminste 50 meter.

5. Knip- of scheerheg

Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Op de droge gronden dienden de heggen veelal als eigendoms- of perceelscheiding. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Met de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen uit het landschap verdwenen. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang voor flora en fauna, zo bieden ze schuilmogelijkheden voor diverse diersoorten. Instapeisen - Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. - Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. - Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden. Inrichtingseisen bij aanleg knip- of scheerheg - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - het betreft een element met één- of twee rijen; - plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; - mogelijk raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij.

6. Struweelhaag

Struweelhagen komen in heel Gelderland voor en er zijn vele lokale varianten. Een struweelhaag wordt minder frequent gesnoeid en kan daardoor breder uitgroeien. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. Instapeisen - Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. - Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. - Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype Knipof scheerheg. Inrichtingseisen bij aanleg struweelhaag - alleen gebruik inheemse struiken, waarvan 50% bestaat uit doornachtige struiken; - het betreft een element met één- of twee rijen; - plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 1 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0.50 cm en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende struweelhagen op een perceel is tenminste 50 meter.

7. Laan

Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Vooral op landgoederen en buitenplaatsen zijn ze in het verleden aangeplant. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen en op bomen groeiende mossen en korstmossen. Instapeisen - Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. - Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. - Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. - Een laan is minimaal 40 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg laan - alleen gebruik inheemse bomen; - plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; - afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; - aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; - raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.

8. Knotboom

Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden gesnoeid. Op deze snoeihoogte ontstaat een vergroeiing van de stam: de knot. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot, knotessen eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en -populieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame mossen en korstmossen herbergen. Instapeisen - Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). - Knotbomen kunnen solitaire bomen zijn, rijen of kleine groepen. Inrichtingseisen bij aanleg knotboom - alleen gebruik inheemse bomen; - plantafstand in de rij minimaal 5 meter en maximaal 25 meter; - aanplant ‘laanbomen’ met minimale maat 10-12 of 3 jarige onbewortelde wilgenstek; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende knotbomenrijen op een perceel is tenminste 20 meter.

9. Hoogstamboomgaard

Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruit- of notenbomen. Hoogstamboomgaarden komen vooral voor als onderdeel van het boerenerf, maar ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak boomgaarden te vinden. Hoogstamboomgaarden komen met name voor op kleigronden, op zandgrond zijn ze relatief schaars. Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland. Hoogstamboomgaarden vormen naast hun landschappelijke betekenis ook een belangrijk leefgebied voor diverse diersoorten. Instapeisen - Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. - Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg hoogstamboomgaard - Minimaal 6 bomen; - Stam van minimaal 1,50 meter hoog; - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha.; - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.

10. Struweelrand

Struweelranden zijn aaneengesloten randen die bestaan uit ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Deze randen kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrij kan liggen, als aansluiten op een ander element. Struweelranden kunnen dienen als overgangsgebied tussen een agrarisch perceel en bos. Ze zijn vooral van belang voor insecten, amfibieën, reptielen, broedvogels en planten. Instapeisen - Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een wisselende beplanting (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan ontwikkelen. - De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. - Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door bomen en/of struiken. - De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen, maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Inrichtingseisen bij aanleg struweelrand - in de rand koomen minimaal 10 inheemse grassen en/of kruiden voor. Om hiertoe te komen mag de rand ook worden ingezaaid met een (inheems) zaadmengsel.

11. Vlechtheg

Een vlechtheg is een heg waarbij door het half inkappen en horizontaal buigen van takken een dichte heg wordt gevormd. Het historische hoofddoel van vlechtheg is veekering. Bijkomende voordelen van deze beheersvorm is dat de heg door het vlechten wordt aangezet tot natuurlijke verjonging. Een vlechtheg kan daardoor eeuwenoud worden. Vlechtheggen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. Instapeisen - Een vlechtheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten, (deskundig) gevlochten begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. - Een vlechtheg is minimaal 25 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg gelegde heg/vlechtheg - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - het betreft een element met één- of twee rijen; - plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende heggen op een perceel is tenminste 50 meter.

12. Fruitlaan

Fruitlanen zijn wegen die zijn beplant met een of meerdere rijen fruitbomen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen vormen niet zelden de oprit naar landhuis of boerderij. Lanen zijn van belang voor oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Instapeisen - Een fruitlaan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen fruitbomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. - Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. - Een laan is minimaal 40 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg fruitlaan - alleen gebruik inheemse fruitbomen; - plantafstand in de rij minimaal 6 en maximaal 10 meter; - afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; - aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.

13. Halfstamboomgaard

Halfstamboomgaarden zijn zeer authentiek. Laag genoeg om in onderhoud te nemen, hoog genoeg voor het kleinvee om er niet bij te kunnen komen. Veel halfstamboomgaarden hadden een tweeledige functie, het telen van fruit en het houden van kleinvee op dezelfde plek. Instapeisen - Een halfstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,20 meter en maximaal 1,50 hoog, de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een halfstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 250 bomen per hectare. - Een halfstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg halfstamboomgaard - Minimaal 8 bomen - Stam van minimaal 1,20 meter hoog en maximaal 1,50 hoog - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.

14. Struikenboomgaard

Een struikenboomgaard is de ouderwetse vorm van een laagstamboomgaard. De eerste zijtakken zitten meestal op 50 cm boven de grond. De struiken bereiken een hoogte van 4 tot 5 meter. Struikenboomgaarden hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Instapeisen - Een struikenboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,50 meter en maximaal 1,20 meter hoog waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een struikenboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. - Een struikenboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg struikenboomgaard - Minimaal 6 bomen - Stam van minimaal 0,50 meter hoog en maximaal 1,20 hoog - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.

15. Hakhoutbosje

Hakhoutbosjes voorzagen de boeren in het verleden in de behoefte aan hout. Het hout werd bijvoorbeeld gebruikt voor brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit type bosjes wordt ook wel geriefhoutbosje genoemd. Instapeisen - Een hakhoutbosje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. - Een hakhoutbosje is minimaal are en maximaal hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg hakhoutbosje - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe hakhoutbosjes op een perceel is tenminste 100 meter.

16. Griend

Grienden zijn natte moerassige gebieden die zijn aangeplant met wilgen. Deze wilgen werden om de 4 tot 6 jaar enkele tientallen centimeters boven de grond afgezaagd. Het geoogste hout, vaak wilgentenen genoemd werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Ze zijn ook van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Instapeisen - Een griend is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. - Het griend is minimaal 1are en maximaal 1hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg griend - alleen gebruik inheemse bomen en struiken, waarvan minimaal 80% bestaat uit inheemse wilgensoorten; - plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 1,50 m x 1,50 meter; - aanplant met 2-3 jarige wilgenstek; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen nieuwe grienden op een perceel is tenminste 100 meter.

17. Bomenrij Bomenrijen zijn vaak een beeldbepalende elementen in het landschap. Ook een enkele boom los in het veld of op de akker kan deze rol vervullen. Vaak ook duiden ze iets aan en zijn de begeleiding van een weg, sloot of pad. De bomen hebben niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgelegenheid voor vogels, of als corridor voor vleermuizen. Instapeisen - Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen. - Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij die op of langs landbouwgrond staan. - Een bomenrij is minimaal 40 meter lang en bestaat uit minimaal 6 bomen per 40 meter. Inrichtingseisen bij aanleg bomenrij en solitaire boom - alleen gebruik inheemse bomen; - plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; - afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; - aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; - raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.

18. Rietzoom en klein rietperceel

Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan een perceel. Een klein rietperceel is een klein vlakvormig element. Vanwege een extensief gebruik zijn rietzomen en kleine rietpercelen een belangrijk broedgebied voor rietvogels,en eveneens van belang voor amfibieën, insecten en moerasvegetaties. Instapeisen - Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties met een dominantie van riet, minimaal 50%. - De rietzoom heeft een breedte van minimaal 1 meter en is minimaal 20 meter lang. - Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Inrichtingseisen bij aanleg rietzoom en klein rietperceel - het beheertype wordt aangelegd in de vorm van een plasberm of een drasberm, hierbij gelden de volgende inrichtingseisen; - de plasberm wordt uitgegraven tot 50 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; - de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde. - natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken; 4 stuks per m2.

19. Natuurvriendelijke oever Een natuurvriendelijke oever is een verbreding die wordt aangebracht aan een bestaande waterloop. Deze verbreding kan bestaan uit een plas- of drasberm of een flauw talud. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Instapeisen - Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (flauw talud minimaal 1: 3) met een begroeiing van inheemse planten. - De oever heeft een breedte van minimaal 1,5 en maximaal 10 meter en is minimaal 20 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg natuurvriendelijke oever - een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm of een flauw talud, waarbij de volgende inrichtingseisen gelden; - de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; - er wordt een flauw talud aangelegd waarbij de taludschuinte minimaal 1:3 of flauwer is. Het talud wordt uitgegraven vanaf het gemiddelde waterpeil.

Subsidie Bij de provincie is het mogelijk om voor het beheer van bovengenoemde landschapselementen subsidie

te krijgen. Het beheer moet dan aan voorwaarden voldoen. Bekijk hiervoor de website van de provincie. Een aantal instapeisen is door de provincie strenger geformuleerd. Bron landschapselementen: Model subsidieverordening Groenblauwe diensten Gelderland, l april 2011.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7669/documents/40328