Raadsbesluit 27 november 2025 Achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016 (2025-69).pdf
Tekst van het document
Aan de raad
AGENDAPUNT NR. 5.5 Doetinchem, 19 november 2025
ALDUS VASTGESTELD 27 NOVEMBER 2025 Achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016 Te besluiten om: 1. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016, achtste wijziging, vast te stellen zoals weergegeven in de wijzigingslijst (zie bijlage 1). 2. Dit besluit in werking te laten treden op 1 januari 2026. Inleiding De APV is een belangrijke gemeentelijke verordening betreffende de huishouding van de gemeente. Er zijn enkele ontwikkelingen die het nodig maken dat de APV wordt gewijzigd en de nieuwe versie wordt vastgesteld. De wijziging betreft voor een deel een update van al bestaande artikelen, en deels een toevoeging van artikelen. In bijlage 1, de wijzigingslijst, is te zien wat de wijzigingen zijn en wat de aanleiding daarvoor is. Na de beeldvormende raad is geconstateerd dat een verwijzing over vechtsportevenementen in artikel 2:25 niet correct stond weergegeven. Hier heeft een technische wijziging op plaatsgevonden waarmee de verwijziging juridisch gezien klopt. Argumenten 1.1 De APV is op sommige punten aan een wijziging toe De huidige APV dateert uit 2016, en de zevende (en laatste) wijziging is in november 2024 vastgesteld. Het afgelopen jaar zijn de wensen uit de praktijk geïnventariseerd en is er sprake geweest van maatschappelijke ontwikkelingen. De uitkomsten hiervan zijn verwerkt in de 8ste wijziging.
De behoefte aan de voorgestelde wijzigingen komt zowel vanuit de gemeentelijke handhaving, Buha, als de politie. 1.2 Wijzigingen in benamingen van wet- en regelgeving zijn aangepast Sommige wet- en regelgeving heeft een andere naam of een ander jaartal gekregen de afgelopen tijd. Hierdoor verwees de APV naar oudere versies van die wet- en regelgeving. Met de 8ste wijziging kloppen alle benamingen van de wet- en regelgeving die in de APV genoemd worden weer. 1.3 Maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot de behoefte aan nieuwe artikelen Met de 8ste wijziging zijn aan enkele artikelen leden toegevoegd en zijn er ook nieuwe artikelen bijgekomen. Deze artikelen en leden sluiten aan bij nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de aanpak van ondermijning. Concreet gaat het hierbij om artikelen met betrekking tot vechten op een openbare plaats, exploitatievergunningen (náást alcoholwetvergunningen) en het aanhangsel met leidinggevenden, bedelarij en klaphamers. Door het wijzigen van de APV is de APV weer in lijn met de laatste ontwikkelingen. Het toevoegen van artikelen is het resultaat van een goede afweging tussen wat nodig is voor een leefbare en veilige samenleving en regeldruk.
De wijziging van óf een exploitatievergunning óf een alcoholwetvergunning naar altijd een exploitatievergunning én (bij het schenken van alcohol) ook een alcoholwetvergunning heeft diverse redenen. In de meeste gemeenten (ook in de regio) is het al jaren gebruikelijk om de twee vergunningen naast elkaar te hebben. Beide vergunningen hebben immers een ander doel.
1803077 / 1958493
Pagina 1 van 9
2 Doetinchem, 19 november 2025 De exploitatievergunning heeft onder andere tot doel om de openbare orde en veiligheid te waarborgen. Daarnaast hebben alcohol schenkende bedrijven een alcoholwetvergunning nodig. Dit heeft tot doel om de verkoop en het schenken van alcoholhoudende drank op een verantwoorde manier te laten gebeuren. Dit zijn twee verschillende vergunningen, gericht op twee verschillende doelen. Door de combinatie van deze vergunningen worden beide doelen ook gedekt. Daarnaast heeft het aanhangsel met leidinggevenden bij de exploitatievergunning onder andere als doel om het risico op stromanconstructies te verkleinen en meer zicht te geven in de betrokkenen bij een horecazaak. Het opnemen van de verplichting tot dit aanhangsel is ons ook geadviseerd door het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Financiën De wijziging van de APV heeft geen financiële gevolgen. Kanttekeningen 1.1 De Omgevingswet is in werking getreden en dit heeft gevolgen voor de APV De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Op dit moment geldt de overgangsfase, en kan de APV in de huidige vorm blijven bestaan. Naar verwachting komt de VNG in 2027 met een nieuw model-APV die is aangepast naar aanleiding van de Omgevingswet. Hier zullen enkel nog de burgemeestersbevoegdheden in blijven staan. De andere artikelen zullen overgaan naar het Omgevingsplan.
De gemeente Doetinchem kan die nieuwe model-APV gebruiken als eigen input om enkel nog de burgemeestersbevoegdheden in de APV over te laten. 1.2 Lichte extra administratieve lasten voor de horeca Door naast alcoholwetvergunningen óók exploitatievergunningen verplicht te stellen, krijgen horecaondernemers met een alcoholwetvergunning een lichte administratieve taak erbij. Namelijk het aanvragen van een extra vergunning. De aanvraag voor een exploitatievergunning kan gelijklopen aan de aanvraag voor een alcoholwetvergunning. Dit brengt geen extra legeskosten met zich mee. Omdat de administratieve last zo beperkt is en geen extra financiële gevolgen met zich meebrengt, weegt het voorkomen en/of tegengaan van ondermijning en overlast zwaarder dan het individuele belang. Vervolg Koninklijke Horeca Nederland (KHN) krijgt schriftelijke informatie over de wijzigingen met betrekking tot de vergunningen. Kort daarop zal een gesprek plaatsvinden om hier nader over te praten. Na een positief besluit van de gemeenteraad zal de herziening (zoals in bijlagen 2 en 3) elektronisch gemaakt worden via Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP). Bijlagen 1. Wijzigingslijst (overzicht met alle wijzigingen) 2. Volledige APV, inclusief wijzigingen Burgemeester en wethouders van Doetinchem, De secretaris, De burgemeester, drs. L. Dennenberg
mr. M. Boumans MBA MPM
1803077 / 1958493
Pagina 2 van 9
De raad van de gemeente Doetinchem; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders over achtste wijziging Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016; gelet op de artikelen 149 en 154 van de Gemeentewet; besluit: de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doetinchem 2016, achtste wijziging, als volgt vast te stellen. I.
Artikel 2:1a als volgt te laten luiden: Artikel 2.1a Vechten op een openbare plaats 1. Het is verboden op een openbare plaats te vechten. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor plaatsen of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend.
II.
Artikel 2:12 als volgt te laten luiden: Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. 3. Het bepaalde in het tweede lid is zowel op een 1 e uitweg van toepassing, als op een 2e uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
III.
Artikel 2:24 als volgt te laten luiden: Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. Een evenement is een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waarbij het evenementenbeleid met een risicoclassificatie onderscheid maakt tussen een A, B of C evenement. 2. Onder een evenement zijn niet inbegrepen: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening.
1803077 / 1958493
Pagina 3 van 9
3. Onder een evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. door de burgemeester aangewezen categorie(en) vechtsportwedstrijden en -gala’s. IV.
Artikel 2:25 als volgt te laten luiden: Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien; a. er minder dan 200 bezoekers dan wel deelnemers worden verwacht; b. er geen afzetting van de openbare weg nodig is en/of er geen omleiding moet worden geplaatst; c. er geen gebruik wordt gemaakt van een gebruiksvergunningsplichtig tijdelijk bouwwerk zoals een tent of overkapping; d. er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 uur of na 23:00 uur. 3. De burgemeester stelt nadere algemene voorschriften ten behoeve van evenementen die overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid zijn vrijgesteld van een evenementenvergunning als bedoeld in het eerste lid. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning voor een B of C evenement of een evenement zoals genoemd in de evenementenkalender niet te behandelen, indien deze aanvraag wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft. 6.
Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, derde lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. De burgemeester kan voorts besluiten aanvragen niet te behandelen, indien B en C evenementen en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 niet tijdig zijn aangemeld ten behoeve van de evenementenkalender. Het college bepaalt in het jaar voorafgaand aan het nieuwe evenementenkalenderjaar voor welke datum de aanmeldingen dienen te zijn ingediend bij het college.
V.
Artikel 2:28 als volgt te laten luiden: Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het bestemmingsplan. 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op toelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgronden, houdt de burgemeester rekening met het karakter en de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of boot zal komen te staan door de exploitatie.
1803077 / 1958493
Pagina 4 van 9
5. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren indien de exploitant of de leidinggevende de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of onder curatele staat. 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van die winkelactiviteit; b. een zorginstelling, uitvaartcentrum of ziekenhuis; c. een museum; d. een bedrijfskantine, sportkantine of buurt- en clubhuizen. VI.
Artikel 2:28B als volgt te laten luiden: Artikel 2:28B Aanhangsel exploitatievergunning 1. De burgemeester vermeldt in een exploitatievergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28, het volgende: - de vergunninghouder; - tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; - de plaats waar de inrichting zich bevindt; - de situering en de oppervlakten van de horecalokaliteiten; - de voorschriften en/of beperkingen welke aan de vergunning verbonden zijn. 2. De burgemeester vermeldt in het aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Een afschrift hiervan is in de inrichting aanwezig. Indien er een alcoholwetvergunning is, werkt het aanhangsel bij die vergunning door; daargenoemde leidinggevenden gelden ook ten aanzien van deze vergunning en eventuele wijzigingen dienen daarin gemaakt te worden. 3. Horecalokaliteiten waar ook een alcoholwetvergunning voor is aangevraagd en wordt verleend, zijn uitgezonderd van het aanhangsel bij een exploitatievergunning als bedoeld in lid 2. 4. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven. 5. De melding genoemd in lid 4 geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 6. Het is verboden een horecalokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is; a.
een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij die vergunning, met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van diezelfde vergunninghouder of; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van dit artikel is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 7. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel: a. indien de personen als bedoeld in lid 2, niet voldoen aan de volgende eisen: - ze hebben de leeftijd van 8 jaar bereikt; - ze zijn niet in enig opzicht van slechts levensgedrag; - ze staan niet onder curatele. b. in geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 8. Voorafgaand aan het beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
1803077 / 1958493
Pagina 5 van 9
VII.
Artikel 2:60 als volgt te laten luiden: Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 4:1 van deze verordening, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; d. te voeren. 2. Als eigenaar of houder van een dier is het verboden dat de onder zijn hoede staande dieren noch direct, noch indirect, overlast of schade aan de openbare gezondheid, aan de omwonenden of overigens aan de omgeving veroorzaken. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
VIII.
Artikel 2:65 als volgt te laten luiden: Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.
IX.
Artikel 2:73b als volgt te laten luiden Artikel 2:73b Klaphamer 1. Onder een klaphamer wordt verstaan: een mechaniek waarmee een ontploffing uitgelokt kan worden. Het hiervoor gebruikte apparaat bestaat uit een zware hamer en een metalen plaat waarop poedervormig magnesium, magnesiumchloraat of een mengsel van bijvoorbeeld zwavel en natriumchloraat wordt gelegd. 2. Het is verboden in de openlucht een klaphamer voorhanden te hebben en/of te gebruiken. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet precursoren voor explosieven, de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
X.
Artikel 4:1 als volgt te laten luiden: Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 11 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
1803077 / 1958493
Pagina 6 van 9
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of andere activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de desbetreffende inrichting; g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de desbetreffende inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. XI.
Artikel 4:3 als volgt te laten luiden: Artikel 4:3 Incidentele festiviteit 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk beëindigd op de hierna genoemde tijdstippen: a. zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 23.00 uur; b. vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 24:00 uur; c. feestdagen waarbij de volgende dag een gewone werkdag is tot uiterlijk 23:00 uur; d. zon- en/of feestdagen waarbij de volgende dag geen werkdag is tot uiterlijk 24:00 uur. 9. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 11.
De exploitant van een inrichting laat vanaf een half uur voor sluiting het geluidsniveau van de ten gehore gebrachte muziek geleidelijk verminderen en de verlichting in inrichting toenemen.
1803077 / 1958493
Pagina 7 van 9
12. De inrichting moet een voorportaal hebben die tijdens het muziekevenement ok als enige entree moet worden gebruikt. 13. Daarnaast moet bij deze entree één of meer portiers/toezichthouders toezicht houden op de binnenkomende bezoekers en ervoor zorgdragen dat wordt voldaan aan lid 10. XII.
Artikel 4:6 als volgt te laten luiden: Artikel 4:6 Overige geluidshinder 1. Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.
XIII.
Artikel 4:13 als volgt te laten luiden: Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, enzovoort 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude materialen. 2. Het is verboden op een door het college aanwezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
XIV.
Artikel 5:34 als volgt te laten luiden: Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert geldt het verbod niet voor: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
1803077 / 1958493
Pagina 8 van 9
c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Aldus besloten in zijn vergadering van 27 november 2025,
, griffier
, voorzitter
1803077 / 1958493
Pagina 9 van 9