Bijlagen toelichting_Bijlage 5 Onderzoek marterachtigen en jaarrond beschermd nest.pdf
Tekst van het document
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Onderzoek marterachtigen en jaarrond beschermd nest Keppelseweg tussen 384 en 404 Langerak VOF Claus & van den Boom 111603 Definitief 02 26 oktober 2021 111603/21-016.027 H. Kamperman MSc ir. W.B. Roosen drs. T. Klumper
Paraaf
Bijlage(n)
-
Aan
VOF Claus & van den Boom SalesRaedt
1
H. van den Boom, H. Claus R. van Hemel
AANLEIDING EN DOEL
VOF Claus en van den Boom is voornemens 33 woningen te bouwen in het plangebied aan de Keppelseweg in Langerak. Voor het mogelijk maken van het bouwplan dient een planologische procedure doorlopen te worden (bestemmingsplan). De gemeente Doetinchem heeft de initiatiefnemer gevraagd hiervoor een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren. Onderdeel van deze onderbouwing was een quickscan flora en fauna1, waarin de effecten van het bouwplan op aanwezige beschermde natuurwaarden worden onderzocht. In de quickscan is geconcludeerd dat het plangebied potentieel geschikt foerageergebied en leefgebied aan marterachtigen biedt. Negatieve effecten op deze soortgroep kunnen op voorhand niet uitgesloten worden. Ten aanzien van deze soortgroep is overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de geplande werkzaamheden niet uit te sluiten. De conclusie was daarom dat nader onderzoek naar het voorkomen van marterachtigen in het plangebied uitgevoerd moet worden. Het doel van het onderzoek is om het gebruik van het plangebied door marterachtigen te bepalen. De methode en resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in voorliggende notitie. Daarnaast is er aan de noordzijde van het plangebied hoog in een zomereik een nest geconstateerd dat mogelijk jaarrond beschermd is. Tijdens het veldbezoek voor de quickscan natuur leek het nest niet in gebruik en wat vervallen.
Tijdens het marteronderzoek (bij de drie veldbezoeken voor dit onderzoek) is echter voor de zekerheid en volledigheid wel de status van het nest onderzocht. 1
Keppelseweg tussen 384 en 404 Langerak, quickscan flora & fauna - effecten van geplande woningbouw op beschermde natuurwaarden, Witteveen+Bos 22 juni 2021 (referentie: 111603/21-009.822).
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
2
METHODE
2.1
Onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied betreft het plangebied aan de Keppelseweg in Langerak en heeft een oppervlakte van circa 0,86 hectare. In de huidige situatie bestaat het gebied uit een open braakliggend terrein waar een aantal jaar geleden alle opslag en struweel is verwijderd. In de afgelopen jaren is er weinig gebeurd, waardoor met name het noordwestelijk deel van het gebied weer begroeid is geraakt met een dichte opslag van voornamelijk ratelpopulier. Het onderzoeksgebied is in afbeelding 2.1 weergegeven. Het te controleren vogelnest bevindt zich net buiten het plangebied, maar valt wel binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden.
Afbeelding 2.1 Begrenzing plangebied met locatie vogelnest
Het aanwezige struweel en de houtstapels zorgen ervoor dat het plangebied veel potentiële schuilplaatsen bevat. In combinatie met de ruime aanwezigheid van prooi maakt dit het geschikt foerageer- en leefgebied voor marterachtigen. De relevante biotoopeisen van wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter zijn opgenomen in onderstaand kader. Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. De grootte van de
2 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
leefgebieden van het mannetje varieert van 1 tot 25 ha afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar voedsel en is sterk begrensd. Wezels doorkruisen hun leefgebied regelmatig en slapen op verschillende rustplaatsen in dat gebied. [bron: Zoogdierenvereniging.nl]. Hermelijn De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. De soort is dan ook aanwezig in heel het vasteland van Nederland en op Texel. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van 5 cm. [bron: Zoogdierenvereniging.nl]. Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten.
Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen, zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. De bunzing graaft soms zelf een hol. Daarbij ontstaat een stortbergje met aarde waardoor het hol sterk lijkt op dat van een bruine rat. [bron: Zoogdierenvereniging.nl]. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt [bron: Zoogdierenvereniging.nl].
2.2
Onderzoeksmethodiek
Marteronderzoek Ten behoeve van het onderzoek naar de kleine marterachtigen is gebruik gemaakt twee typen cameravallen: het model Struikrover en het model Mostela (zie afbeelding 2.2). De Struikrovers zijn cameravallen geplaatst in een buis, die op plekken worden geplaatst waar de trefkans van deze soorten het grootst is. Dit betreffen groenelementen die voldoende dekking bieden aan de te onderzoeken soorten. Struikrovers bootsen een natuurlijke holte na, die samen met een lokmiddel aantrekkelijk is voor kleine marterachtigen. De Mostela’s betreffen standaard cameravallen welke in een behuizing zijn geplaatst met twee openingen geschikt voor marterachtigen. In de behuizing is een lokmiddel aangebracht. De Mostela’s zijn geschikt voor het in beeld brengen van de hermelijn en de wezel en in mindere mate ook de bunzing. De twee soorten cameravallen vullen elkaar aan en geven een nauwkeurig beeld van de verspreiding van de verschillende soorten weer.
3 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
Afbeelding 2.2 Mostela (links) en Struikrover (rechts)
Verspreid over het plangebied zijn twee Mostela’s en vier Struikrovers geplaatst. Er is gekozen voor locaties met voldoende beschutting en die de situatie in het plangebied zo goed mogelijk dekken: - twee locaties in dichte begroeiing van braam en brandnetel aan de westelijke rand van het plangebied (1 en 2); - twee locaties midden tussen de dichte opslag van met name ratelpopulier (3 en 4); - een locatie aan de rand van de dichte opslag en het open en schraal begroeide gebied, tussen een houtstapel (5); en - een locatie in de dichte, wat rommelige, begroeiing aan de oostelijke rand van het plangebied (6). De twee Mostela’s en twee van de Struikrovers zijn gedurende ongeveer zes weken actief geweest in de periode 24 juni t/m 3 augustus 2021. Door een storing zijn twee Struikrovers (nummer 1 en 4) alleen de laatste drie weken actief geweest (van 14 juli t/m 3 augustus). Doordat een onderzoek met twee Mostela’s en twee Struikrovers al ruim voldoende is voor het plangebied, heeft de storing geen negatief effect op de betrouwbaarheid van het onderzoek. In afbeelding 2.3 zijn de locaties van de cameravallen binnen het plangebied weergegeven.
4 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
Afbeelding 2.3 Locaties Mostela’s en Struikrovers in het plangebied tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen
Controle vogelnest Het vogelnest in de zomereik net ten noordwesten van het plangebied is tijdens de veldbezoeken voor het marteronderzoek (24 juni, 13 juli en 3 augustus 2021) gecontroleerd. Tijdens deze veldbezoeken is het nest telkens gedurende enige tijd gecontroleerd op aanwezigheid van oudervogels en jonge dieren op het nest, voedselvluchten, gebedel van jonge dieren en sporen in of onder de boom die wijzen op de aanwezigheid van een actief nest (uitwerpselen, prooiresten).
3
RESULTATEN
3.1.1
Marteronderzoek
In dit hoofdstuk worden de relevante waarnemingen uit het onderzoek beschreven. Er zijn tijdens het onderzoek verschillende diersoorten waargenomen op de cameravallen. Het betreft onder andere bunzing, steenmarter, diverse muizensoorten (bosmuis, woelmuis, huisspitsmuis en huismuis), merel, heggemus en tevens een huiskat en een hond (afbeelding 3.1).
5 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
Afbeelding 3.1 Verschillende diersoorten waargenomen op de cameravallen
Waarnemingen marterachtigen Tijdens het onderzoek is drie keer een steenmarter en één keer een bunzing waargenomen. Op basis van de foto’s is niet met zekerheid te bepalen of drie keer dezelfde steenmarter betreft of drie verschillende dieren. Wel zijn twee van de foto’s (locatie 2 en 5) in dezelfde nacht met 21 minuten er tussen genomen. Wezel of hermelijn zijn op geen van de camera’s waargenomen. Een steenmarter is op zowel locatie 2 (afbeelding 3.2), als locatie 5 (afbeelding 3.3) en locatie 6 (afbeelding 3.4) één keer vastgelegd. De bunzing is één keer waargenomen op locatie 6 (afbeelding 3.5). De dichte bosschages en houtstapels, rommelige randen, konijnenholen en de ruime aanwezigheid van prooi, zoals muizen en konijnen, maken het plangebied geschikt foerageergebied voor steenmarter en bunzing. Ook voor hermelijn en wezel lijkt het gebied geschikt, maar deze zijn niet aangetroffen tijdens het onderzoek.
6 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
Afbeelding 3.2 Steenmarter in Mostela op locatie 2 (30 juli 2021, 04.21 uur)
Afbeelding 3.3 Steenmarter bij Struikrover op locatie 5 (30 juli 2021, rond 04.00 uur)1
1
Datum en tijd onder de foto kloppen niet doordat deze is versprongen bij het vervangen van de batterijen halverwege het onderzoek.
7 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
Afbeelding 3.4 Steenmarter bij Struikrover op locatie 6 (12 juli 2021, 23.12 uur)
Afbeelding 3.5 Bunzing bij struikrover op locatie 6 (28 juli 2021, 04.06 uur)
3.1.2
Status vogelnest
Tijdens de drie veldbezoeken is geen enkele activiteit in of nabij het nest waargenomen van vogels met een jaarrond beschermd nest. Ook was het nest niet in gebruik door algemeen voorkomende vogelsoorten.
8 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
4
CONCLUSIE
Marters Op basis van dit soortgericht onderzoek is vastgesteld dat het plangebied geen onderdeel is van (essentieel) leefgebied van kleine marterachtigen. Er is eenmaal een bunzing vastgelegd op één van de cameravallen. Het is daardoor aannemelijk dat het plangebied sporadisch door de bunzing wordt gebruikt als foerageergebied. Dat de bunzing slechts eenmaal is vastgelegd toont ook aan dat het plangebied geen essentieel leefgebied is voor deze soort en kan geconcludeerd worden dat deze hier geen verblijfplaats heeft. Wezel en hermelijn zijn helemaal niet vastgelegd op de cameravallen. Ook voor deze soorten vormt het plangebied geen essentieel leefgebied en kan geconcludeerd worden dat deze hier geen verblijfplaats hebben. In de buurt van het plangebied is daarnaast ook veel geschikt foerageer- en leefgebied voor kleine marterachtigen aanwezig. Tijdens het onderzoek is driemaal, op drie verschillende camera’s en op verschillende dagen een steenmarter vastgelegd (mogelijk gaat het om twee verschillende exemplaren). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat steenmarter het plangebied met enige regelmaat gebruikt als foerageergebied. Het plangebied betreft echter geen essentieel leefgebied van de soort en holen geschikt als verblijfplaats van deze soort zijn niet aangetroffen gedurende de verschillende terreinbezoeken.
Steenmarter zal eerder de in de buurt aanwezige woningen/gebouwen gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast geldt ook voor steenmarter dat er in de buurt van het plangebied veel geschikt foerageer- en leefgebied aanwezig is. De voorgenomen werkzaamheden in het kader van de realisatie van de 33 woningen zorgen niet voor een vernietiging en/of aantasting van (delen van) essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn) en/of steenmarter. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd. In het kader van de zorgplicht dient het plangebied voor aanvang van de werkzaamheden op diervriendelijke wijze ongeschikt gemaakt te worden door gefaseerd en in één richting het terrein kaal te maken.
Rondom het plangebied zijn voldoende alternatieve leefgebieden waar eventueel aanwezige dieren dan naartoe kunnen vluchten. Daarnaast dienen ook de voor andere soorten in de quickscan flora en fauna1 voor het plangebied voorgeschreven maatregelen in acht te worden genomen. Vogelnest Het vogelnest in de zomereik net ten noordwesten van het plangebied is niet in gebruik. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn vogels in of nabij het nest waargenomen. Het nest heeft derhalve geen jaarrond beschermde status. Wel geldt natuurlijk in het algemeen voor aanwezige broedvogels dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden;
1
Keppelseweg tussen 384 en 404 Langerak, quickscan flora & fauna - effecten van geplande woningbouw op beschermde natuurwaarden, Witteveen+Bos 22 juni 2021 (referentie: 111603/21-009.822)
9 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02
-
-
de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels.
Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.
10 | 10
Witteveen+Bos | 111603/21-016.027 | Definitief 02