CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage B3 - Quickscan natuurtoets Wijnbergen De Kwekerij.pdf

gemeenteraad 20 oktober 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.1: Bestemmingsplan Wijnbergen De Kwekerij - 202213.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Wijnbergen het Oosten in Doetinchem

In opdracht van gemeente Doetinchem

Colofon Quickscan natuurtoets Wijnbergen het Oosten in Doetinchem

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Doetinchem Mevr. K. Wopereis

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2094 Ing. R. Top Ing. R. Boerboom 03 maart 2020 Plangebied (foto: R. Boerboom)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ................................................................................................................................. 1 Samenvatting ........................................................................................................................ 3 1

2

3

4

Inleiding en doel ............................................................................................................ 4 1.1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.2

Doel ........................................................................................................................ 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ...................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ............................................................................................ 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ............................................................................. 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................. 5

2.4

Geplande werkzaamheden .................................................................................... 6

Beschermde status plangebied ..................................................................................... 8 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................. 8

3.2

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 8

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 10

Beschermde soorten plangebied ................................................................................. 13 4.1

Methode ............................................................................................................... 13

4.2

Resultaten ............................................................................................................ 14

5

Wet natuurbescherming............................................................................................... 28

6

Conclusie ..................................................................................................................... 33

Bijlage 1

Impressie plangebied ........................................................................................ 35

Bijlage2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ........................................................... 36

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten .................................................................... 44

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteiten het uitvoeren van een aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor eekhoorn, kamsalamander, kerkuil, kleine marterachtigen, poelkikker, ransuil, rugstreeppad, sperwer, steenmarter, steenuil en vleermuizen. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet rekening worden gehouden met (overige) broedvogels. Verstorende werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet in het kader van de zorgplicht tevens rekening worden gehouden met (overige) grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening zal moeten uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn. Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om woningbouw te realiseren in het projectgebied ‘Wijnbergen het Oosten’ in Doetinchem. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming.

Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van gemeente Doetinchem. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Wijnbergen het Oosten’ ten hoogte van de Doetinchemseweg/Wijnbergseweg/Torontostraat in Doetinchem. Mevrouw Wopereis is namens de gemeente Doetinchem betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande activiteiten schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Doetinchemseweg/Wijnbergseweg/Torontostraat Doetinchem Doetinchem Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een gedeelte van het natuurpark Kapperskolk, bestaande uit extensief beheerd grasland, ruigte, (braam)struweel en verschillende boomgroepen en bosschages, in de bebouwde kom van Doetinchem (zie figuur 1). Door het plangebied lopen een aantal half verharde wandelpaden. Het gebied heeft relatief veel gradiënten tussen (matig) voedselarm en voedselrijk, tussen vochtig en droog en tussen extensief en intensief beheerde en gebruikte terreindelen. De opgaande groenstructuren bestaan hoofdzakelijk uit soorten als zwarte els, schietwilg, ruwe berk, zomereik, gewone es, zoete kers en gewone esdoorn, met in de struiklaag onder andere rode kornoelje, Gelderse roos, eenstijlige meidoorn, hazelaar, braam sp. en wilde liguster. Het oude bosgedeelte aan de noordzijde van het plangebied kent een afwisseling van allerlei loofbomen, naaldbomen en cipressen. De open terreindelen bestaan uit een kruidenrijke matig voedselrijke vegetatie. De ondergroei van de bosschages bestaat uit algemene soorten van voedselrijke omstandigheden. In de meest zuidwestelijke hoek van het plangebied is een poel aanwezig. Net buiten het plangebied, aan de zuidzijde is een watervoerende sloot aanwezig (zie figuur 2 en bijlage 1). Bebouwing is niet aanwezig in het plangebied.

Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Torontostraat, aan de zuidzijde aan een paardenwei en braakliggend terrein, aan de westzijde aan de Kapperskolk met bijbehorende oeverzones en aan de oostzijde aan de woningen met bijbehorende tuinen aan de Doetinchemseweg/Wijnbergseweg. De Oude IJssel stroomt op circa 100 meter afstand van het plangebied.

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door de overige delen van het natuurpark Kapperskolk, een aantal woonerven en infrastructuur (zie figuur 2).

Pagina 5

2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen voor woningbouw in het kader van de realisatie van woonwijk ‘Wijnbergen het Oosten’. Dit bouwplan is onderdeel van het woningbouwproject ‘Wijnbergen’. Dit woningbouwproject is voor de economische crisis opgestart en deels gerealiseerd. Door de economische crisis heeft een deel van de realisatie van dit project vertraging opgelopen. Inmiddels is er weer dermate veel woningbehoefte dat de realisatie van het deelproject ‘Oosten’ opnieuw opgestart wordt op de gronden die hiervoor reeds bestemd zijn. Er wordt uitgegaan van een gevarieerd woningbouwprogramma voor 130-170 woningen. Het stedenbouwkundig programma van eisen moet nog geactualiseerd worden. Hierna komt er meer duidelijkheid over de exacte aantallen woningen en wordt er een stedenbouwkundig plan opgesteld met een kaart van de verkaveling.

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2020).

Pagina 6

Route wegbrengen eerste groep deelnemers van verzamelplek naar prison escape (blauw)

Route ophalen tweede groep deelnemers naar prison escape (geel)

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Google Earth (2020).

Pagina 7

3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Gelders Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het

Pagina 8

type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). De Oude IJssel, ten oosten van het plangebied is aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Ook natuurgebied De Zumpe, ten oosten van het plangebied is aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Rondom de bebouwde kom van Doetinchem liggen nog een aantal bos- en natuurgebieden die zijn aangewezen als bestaande natuur. Tussen deze gebieden liggen verschillende GO’s. Ten zuiden van het plangebied ligt een GO. Deze GO vormt een ecologische verbindingszone tussen Landgoed Slangenburg en overige bos- en natuurgebieden ten oosten van Doetinchem met het Bergherbos (zie figuur 3).

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, bron: Provincie Gelderland 2020.

Pagina 9

3.3

Natura 2000

3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS1-berekening zal uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied In het plangebied vindt woningbouw binnen de bebouwde kom van Doetinchem plaats. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf circa 12 kilometer (zie figuur 4). Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Veluwe’, ‘Landgoederen Brummen’ en ‘Stelkampsveld’ (niet afgebeeld) liggen op een nog grotere afstand, vanaf ruim 16 km. Het Duitse Natura 2000-gebied ‘Hetter-Millinger Bruch’ (niet afgebeeld) ligt eveneens op ruime afstand, vanaf circa 11 km. Door de aard en de omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000gebieden verwacht door directe verstoringsbronnen als oppervlakteverlies en versnippering. Ook van negatieve effecten door indirecte verstoringsbronnen, zoals geluid, licht, trillingen, verdroging en verontreiniging, is geen sprake door de ruime afstand en het ontbreken van

Het rekeninstrument berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Voor alle gebieden en sectoren AERIUS rekent voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en voor alle sectoren die stikstof uitstoten, waaronder landbouw, industrie en verkeer & vervoer. 1

Pagina 10

een ecologische verbinding met het plangebied. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat er door de ontwikkeling sprake is van negatieve effecten door stikstofdepositie. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste uitdagingen bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’, is de overbelasting door stikstofdepositie een obstakel voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstofgevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: “Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038)” en “Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057)”).

Veluwe

Rijntakken

Rijntakken

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Veluwe’ (groen). Bron: Provincie Gelderland 2020.

Pagina 11

Aanlegfase De tijdelijke toename van verkeer en het gebruik van mobiele werktuigen tijdens de bouwfase (ook bekend als aanlegfase), kunnen resulteren in extra emissie van stikstof op nabijgelegen gevoelige habitats (bron: Handreiking woningbouw en AERIUS). Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUS-berekening niet op voorhand uit te sluiten. Gebruiksfase Onder de gebruiksfase wordt de situatie verstaan na afronding van de aanlegfase. De stikstofuitstoot wordt in deze fase bepaald door de aantrekkende werking van het verkeer en de emissie van de woningen, die afhankelijk is van de aard van de woningen. Mogelijk is er tijdens de gebruiksfase sprake van extra emissie van stikstof op nabijgelegen gevoelige habitats. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er dient cijfermatig onderbouwd te worden dat er geen sprake is van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden middels een AERIUS-berekening. De AERIUS-berekening voor woningbouw moet uitgevoerd worden voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (bron: Handreiking woningbouw en AERIUS). Een AERIUS-berekening is derhalve noodzakelijk.

Pagina 12

4 Beschermde soorten plangebied 4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1).

Onderzoeker Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

07-02-2020

08.30 uur

Bewolkt, droog, 3°C, wind 0-1 Bft

1

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 13

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het onderzoeksgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied en omgeving melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:  

Nationaal beschermde soorten: bosmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn en steenmarter1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, otter, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieën- en reptielensoorten: 

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker¹.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van enkele beschermde ongewervelde diersoorten: 

Nationaal beschermde soorten: beekrombout en grote weerschijnvlinder.

1 Deze soorten zijn in de provincie Gelderland, met uitzondering van de hermelijn en steenmarter, vrijgesteld

van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 14

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora De open terreindelen bestaan uit een kruidenrijke, matig voedselrijke vegetatie met kenmerkende soorten als jakobskruiskruid, peen, knoopkruid, boerenwormkruid, wilde cichorei, duizendblad, gewoon biggenkruid en algemene grassen. Plaatselijk groeien in en net buiten het plangebied soorten die afkomstig zijn uit een ooit ingezaaid bloemenmengsel. Het betreft zeldzame (niet beschermde) soorten als steenanjer, veldsalie, wilde marjolein, blaassilene, heemst, ijzerhard en welriekende agrimonie. De ondergroei van de bosschages bestaat uit algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals grote brandnetel, look-zonder-look, geel nagelkruid, gewone vogelmelk, klimop, stinkende gouwe en fluitenkruid. Aan de oostrand van het plangebied is de zeldzame gifsla aangetroffen (zie foto 1). Deze plant heeft geen beschermde status in de Wet natuurbescherming. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Ook tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen in het plangebied. Beschermde plantensoorten worden niet verwacht omdat er geen geschikte groeiomstandigheden zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.

Foto 1. Gifsla (foto: R. Boerboom).

Pagina 15

Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten waargenomen: aalscholver, appelvink, boomklever, boomkruiper, buizerd, ekster, gaai, groenling, grote bonte specht, grote Canadese gans, houtduif, huismus, ijsvogel, koolmees, meerkoet, merel, sperwer, staartmees, Turkse tortel, vink, waterhoen, wilde eend, winterkoning, zanglijster en zwarte kraai. In het struweel, de boomgroepen en de bosschages in het plangebied en de directe omgeving kunnen algemene soorten als houtduif, merel, winterkoning en zanglijster broeden. Op korte afstand buiten het plangebied zijn bomen aanwezig met geschikte nestlocaties voor diverse bosvogels als boomklever en grote bonte specht. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn de buizerd, huismus en sperwer waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. Buizerd Tijdens het veldbezoek is een buizerd waargenomen in een boom in het plangebied (zie foto 2).

Er zijn echter geen (recent) gebruikte nesten of andere gebruikssporen (prooiresten, veren, uitwerpselen, braakballen, etc.) aangetroffen van de buizerd. Broedgevallen zijn ook niet bekend uit het plangebied en de directe omgeving (bron: NDFF). De aanwezige bomen bieden waarschijnlijk te weinig rust en dekking om als nestlocatie voor de soort te fungeren. Mogelijk foerageert de buizerd zo nu en dan in of nabij het plangebied. Rondom het plangebied zijn echter voldoende alternatieven voorhanden voor wat betreft foerageergebied. Het plangebied is niet van essentieel belang voor de soort.

Foto 2. Rustende buizerd in het plangebied (foto: R. Boerboom).

Pagina 16

Ransuil en sperwer Tijdens het veldbezoek is een sperwer waargenomen in een bosstrook net ten noorden van het plangebied. Verder is er uit 2019 een waarneming bekend van een roepende jonge ransuil uit hetzelfde bosperceel (eigen waarneming R. Boerboom). Dit deel van het onderzoeksgebied, dat bestaat uit een ouder bosperceel met een gevarieerd bomenbestand, is potentieel geschikt als broedlocatie voor de ransuil en sperwer (zie figuur 5). In de bomen in en rondom het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen, maar nesten van ransuil en sperwer zijn niet uit te sluiten. Een roestplek van de ransuil is niet aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Gierzwaluw en huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van de gierzwaluw en huismus bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen bij enkele woningen aan de Doetinchemseweg en Torontostraat. De mussen broeden op deze locaties vermoedelijk onder de dakpannen van de aanwezige woningen. Vanuit de wijk ‘De Hoop’, ten noorden van het plangebied zijn in 2019 83 broedpaar van de huismus en 4 broedpaar van de gierzwaluw bekend (bron: biodiversiteitsonderzoek in de wijk ‘De Hoop’, K. van der Spek). Gierzwaluwen zijn tijdens het veldbezoek (februari) nog niet in Nederland aanwezig.

Gierzwaluwen en huismussen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing. Nestlocaties liggen vaak in ruimtes tussen dakpannen en het dakbeschot, achter dakgootbekisting of in scheuren of spleten van muren van gebouwen. In het plangebied is geen sprake van bebouwing en derhalve zijn er geen geschikte nestlocaties aanwezig voor deze soorten. De aangetroffen huismussen vertoonden geen binding met het plangebied, maar het plangebied kan incidenteel wel door huismussen worden gebruikt als foerageergebied. Er is echter geen sprake van aantasting van een essentieel leefgebied. Grote gele kwikstaart De NDFF meldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de grote gele kwikstaart. Vrijwel alle waarnemingen betreffen foeragerende en overvliegende exemplaren die terug te voeren zijn op een groenstrook met enkele vijvers langs de Bedrijvenweg, gelegen op circa 500 meter ten oosten van het plangebied. In Nederland broedende grote gele kwikstaarten hebben hun leefgebied bij snelstromende en meanderende beken. Nestlocaties zijn onder andere holle oevers met boomwortels en bouwwerken, zoals sluizen, stuwen en watermolens. In het onderzoeksgebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart en er zijn geen broedlocaties van de grote gele kwikstaart bekend in de omgeving van het plangebied.

Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort. Sporadisch kan een foeragerende, overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het onderzoeksgebied aangetroffen worden. Kerkuil De kerkuil is niet bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Net buiten het plangebied bevinden zich een aantal schuren en loodsen die potentieel geschikt zijn als

Pagina 17

nestlocatie voor de kerkuil. Deze vallen buiten het plangebied. Er zijn in het onderzoeksgebied geen kerkuilen en (verse) sporen als braakbalen, uitwerpselen, veren en prooiresten in het plangebied zelf aangetroffen. Ook zijn er geen speciale nestkasten voor de kerkuil aanwezig in het plangebied zelf. Het plangebied is echter wel geschikt als foerageergebied voor de kerkuil. Door de aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen net buiten het plangebied, is niet uit te sluiten dat het plangebied tot het functioneel leefgebied van de soort behoort. Ooievaar Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de ooievaar bekend. Broedgevallen zijn niet bekend uit het plangebied en de directe omgeving (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. In het plangebied bevinden zich geen ooievaarsnesten. Het plangebied is ook niet van belang als leefgebied voor de soort. Roek Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele roekenkolonies bekend, waarvan de dichtstbijzijnde zich in een bomengroep aan de Europaweg bevindt (bron: NDFF). De roeken foerageren hoofdzakelijk op de omliggende agrarische percelen. Tijdens het veldbezoek zijn geen recent gebruikte roekennesten aangetroffen in het plangebied. Alle roekenkolonies binnen de gemeente Doetinchem worden jaarlijks gemonitord.

Vanuit het plangebied zijn geen roekenkolonies bekend (bron: gemeente Doetinchem). Het plangebied is plaatselijk geschikt als foerageergebied voor de roek, maar niet van essentieel belang voor de functionaliteit van de nestlocaties van in de omgeving broedende roeken. Steenuil Uit de directe omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen van deze uilensoort bekend. De soort heeft een territorium ten noordwesten van het plangebied, in het Canadapark. Hier is in 2019 nog succesvol gebroed (bron: o.a. eigen waarnemingen R. Boerboom en biodiversiteitsonderzoek in de wijk ‘De Hoop’, K. van der Spek). Ook is een broedgeval van de soort bekend op een boerenerf aan de Doetinchemseweg, net ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Kapperskolk. Hier heeft de soort in ieder geval tot en met 2018 nog gebroed (bron: NDFF). Het ideale leefgebied van de soort wordt bepaald door een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met vee. Hierbij is het belangrijk dat er geschikte nestlocaties zijn in de omgeving, en dat er een gevarieerd prooiaanbod is in het territorium, danwel de directe omgeving, zoals muizen, regenwormen en insecten.

Door de aanwezigheid van half natuurlijk grasland en relatief veel gradiënten met ruigten en verspreide boomgroepen is het onderzoeksgebied geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Het foerageergebied van de steenuil is, naast de vaste rust- en verblijfplaats, eveneens strikt beschermd. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden.

Pagina 18

Boom met holten Nest eekhoorn Geschikte verblijfplaats marters Potentiele nestlocaties ransuil en sperwer Figuur 5. Aangetroffen holle bomen, eekhoornnesten en potentiele verblijfplaatsen marters en nestlocaties ransuil en sperwer.

Pagina 19

Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn relatief veel sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen in het plangebied, zoals molshopen, graafsporen en wissels van konijnen, muizenholletjes en enkele eekhoornnesten. Verder zijn er diverse houtstapels, takkenhopen en een grote bult snoeiafval aanwezig, welke geschikte verblijfplaatsen bieden voor kleine marterachtigen, zoals bunzing, hermelijn en wezel. De NDFF bevestigt de aanwezigheid van een deel van deze soorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Gebruik door soorten als eekhoorn, haas, steenmarter, bunzing, wezel, konijn en diverse muizensoorten is te verwachten. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bunzing, hermelijn en wezel

Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kunnen zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood.

De NDFF meldt het voorkomen van de hermelijn voor de omgeving van het plangebied. Het plangebied, bestaande uit een natuurpark met veel gradiënten zoals elkaar afwisselende delen met struweel, ruigten en bosschages, is geschikt als leefgebied voor bunzing en andere kleine marterachtigen als hermelijn en wezel. Geschikte verblijfplaatsen van deze soorten zijn aanwezig in de vorm van takkenhopen, konijnenholen, stapels hout, ruigte en dichte struwelen (zie foto 3 t/m 6 en figuur 5).

Pagina 20

Foto 3 t/m 6. Geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen in het plangebied (foto’s: R. Boerboom).

Eekhoorn Van de eekhoorn zijn alleen de vaste verblijfplaatsen (boomnesten) beschermd. Er zijn tijdens het veldbezoek drie vermoedelijke eekhoornnesten aangetroffen, waarvan één binnen het plangebied (zie foto 7) en twee net erbuiten (zie figuur 5). Ook is een eekhoorn waargenomen, net ten noorden van het plangebied (zie foto 8). Het gebied is door de aanwezigheid van (oudere) bospercelen geschikt als leefgebied voor de eekhoorn.

Pagina 21

Foto 7. Boomnest van een eekhoorn (foto: R. Boerboom).

Foto 8. Waargenomen eekhoorn tijdens het veldbezoek (foto: R. Boerboom).

Pagina 22

Otter Bij de Oude IJssel, ten oosten van het plangebied, zijn sporen (spraints) van de otter gevonden (bron: NDFF). In de Oude IJssel leven sinds een aantal jaren otters, mede door de uitzetting van een ottermannetje in 2012 bij Doesburg (bron: Zoogdiervereniging VZZ). Sporen van de otter worden verspreid over de gehele Oude IJssel en enkele aangrenzende wateren aangetroffen. Vanuit het plangebied zijn geen waarnemingen van (sporen van) otters bekend. De otter is gebonden aan open water en bijbehorende oeverzones met voldoende rust en schuilmogelijkheden. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied door de afstand tot de Oude IJssel en het ontbreken van voldoende rust in het natuurpark. Steenmarter Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van steenmarters gevonden of steenmarters waargenomen. De steenmarter is echter hoofdzakelijk ’s nachts actief. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes, takkenhopen en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Het plangebied heeft geen bebouwing en biedt met de aanwezige takkenhopen slechts beperkte mogelijkheden voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor de steenmarter (zie foto 3 t/m 6 en figuur 5).

De aanwezigheid van gradiënten zoals elkaar afwisselende delen met struweel, ruigten en bosschages, maakt het plangebied wel geschikt als leefgebied voor de steenmarter. Van de steenmarter zijn diverse waarnemingen bekend rondom het plangebied en het is niet uit te sluiten dat ook het plangebied behoort tot het leefgebied van steenmarters, mogelijk met vaste rust- en verblijfplaats. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). De bospercelen, met name het oudere deel aan de noordkant van het plangebied, kan geschikte verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuissoorten zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Hier zijn enkele bomen met holten aanwezig (zie foto 9 en figuur 5). Door de afwezigheid van bebouwing worden geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten, zoals de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, niet verwacht.

De parkachtige inrichting van het plangebied maakt het gebied geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Doordat er weinig alternatieven in de directe omgeving zijn, is het plangebied mogelijk een essentieel foerageergebied voor een

Pagina 23

of meerdere vleermuiskolonies die in de nabijheid van het plangebied hun verblijfplaats hebben. Bomenrijen en bosranden in en langs het plangebied kunnen dan ook onderdeel zijn van essentiële vliegroutes van vleermuizen.

Foto 9. Een van de bomen met holten net buiten het plangebied (foto: R. Boerboom).

Amfibieën Amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (februari) grotendeels niet waar te nemen. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water is aanwezig langs de randen van het plangebied in de vorm van een sloot en poel aan de zuidkant en de Kapperskolk aan de westkant. Deze wateren worden vermoedelijk als voortplantingswater gebruikt door deze amfibieënsoorten. Het plangebied is geschikt als landhabitat voor de genoemde soorten. Ook is het plangebied plaatselijk geschikt als landhabitat voor de strikt beschermde kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad.

Pagina 24

Kamsalamander Deze strikt beschermde soort is niet bekend vanuit het plangebied en de directe omgeving. De soort is wel bekend van een aantal locaties in de ruime omgeving van het plangebied. Het betreft onder andere De Zumpe, de Kruisbergsche Bossen, landgoed Slangenburg, het Wehlse Bos, en de woonwijk de Huet (bron: NDFF). De poel en de sloot langs de zuidrand van het plangebied zijn geschikt als voortplantingswater voor deze soort. Aangrenzende extensieve graslanden en houtige beplantingen binnen het plangebied zijn geschikt als landhabitat voor de soort. Het voorkomen van landhabitat van de kamsalamander is hier niet op voorhand uit te sluiten. Poelkikker Op diverse locaties in het buitengebied van Doetinchem en aan de rand van de bebouwde kom komt de strikt beschermde poelkikker voor. Ook vanuit natuurpark Overstegen in de stad is de soort bekend (bron: NDFF). De soort is in dit deel van de Achterhoek een vrij algemene soort (meded. amfibieëndeskundige J. Stronks). Vanuit het plangebied zelf is de soort niet bekend. Echter zijn de poel en de sloot langs de zuidrand van het plangebied geschikt als voortplantingswater voor deze soort. Aangrenzende extensieve graslanden en houtige beplantingen binnen het plangebied zijn geschikt als landhabitat voor de soort. Het voorkomen van de poelkikker is niet op voorhand uit te sluiten.

Rugstreeppad Vanuit verschillende locaties langs de Oude IJssel, in de ruime omgeving van het plangebied, is de strikt beschermde rugstreeppad bekend (bron: NDFF). De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met dynamische omstandigheden, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en zand- en steengroeven (Kennisdocument rugstreeppad, 2017). Rugstreeppadden beschikken over het vermogen om binnen afzienbare tijd nieuwe geschikte locaties te koloniseren. Het plangebied is plaatselijk geschikt als leefgebied voor de rugstreeppad, door de aanwezigheid van open en vergraafbaar zand, in combinatie met geschikte voortplantingswateren, zoals de poel en sloot in de zuidrand van het plangebied en de Kapperskolk net buiten het plangebied. Ook het braakliggende terrein ten zuidwesten van het plangebied is door de aanwezigheid van open zand en pioniervegetatie geschikt als leefgebied voor de soort. De soort is niet op voorhand uit te sluiten in het plangebied. Overige strikt beschermde soorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied of de geïsoleerde ligging van het plangebied tot bekend verspreidingsgebied van deze soorten. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Dit is ook niet te verwachten aangezien reptielen op het moment van het veldbezoek in winterslaap zijn.

Uit de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van reptielen (zie paragraaf 4.2.1). Zonbeschenen bos- en greppelranden met structuurrijke vegetatie van heidestruiken of open, grazige vegetaties met pijpenstrootje ontbreken in het plangebied,

Pagina 25

waardoor het voorkomen van beschermde reptielen als hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis uitgesloten is. Beschermde reptielensoorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied en de geïsoleerde ligging van het plangebied tot bekend verspreidingsgebied van soorten als hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis. Het plangebied is plaatselijk geschikt als leefgebied voor de ringslang, maar vanuit de ruime omgeving zijn geen waarnemingen van de soort bekend. Door de geïsoleerde ligging van het plangebied en het ontbreken van waarnemingen van de soort, is het voorkomen van de beschermde ringslang hier uitgesloten. Vissen In de meest zuidwestelijke hoek van het plangebied is een poel aanwezig. Deze poel valt vermoedelijk ’s zomers droog. Permanent open water ontbreekt in het plangebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (februari) grotendeels niet waar te nemen. De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van het voorkomen van een beschermde libellensoort, de beekrombout en van de grote weerschijnvlinder (zie paragraaf 4.2.1). Het plangebied is mogelijk ook geschikt voor de beschermde vlindersoort grote vos.

Beekrombout Vanuit de NDFF is een waarnemingen bekend van de beekrombout van de oever van de Kapperskolk, net ten westen van het plangebied. De beekrombout wordt in uiteenlopende typen stromende wateren aangetroffen met een voorkeur voor traag stromende laaglandbeken. Van belang is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten. Dit biotoop is in het plangebied niet aanwezig. De aangetroffen beekrombout betreft waarschijnlijk een rondzwervend exemplaar. Het plangebied is niet geschikt als voortplantingsbiotoop of essentieel leefgebied voor de beekrombout. Grote vos Vanuit de NDFF zijn enkele waarnemingen bekend van de grote vos uit een gebied ten oosten van Doetinchem. Grote vossen worden de laatste jaren steeds vaker waargenomen in Nederland en in 2019 is er ook op diverse plaatsen voortplanting vastgesteld van deze zeldzame soort (bron: De Vlinderstichting). Onbekend is of de soort zich ook in of rond Doetinchem voortplant. Als waardplant worden breedbladige wilgensoorten, zoete kers of iepen gebruikt, die op een warme, beschutte plaats staan. Net buiten het plangebied staan wel geschikte waardbomen, met name langs de oevers van de Kapperskolk, ten westen van het plangebied en in de bosranden van het bosperceel ten noorden van het plangebied. In het plangebied zelf wordt geen voortplanting van de soort verwacht.

Grote weerschijnvlinder Vanuit de NDFF zijn enkele waarnemingen bekend van de grote weerschijnvlinder uit de randgebieden van Doetinchem, waaronder één waarneming ten westen van het

Pagina 26

plangebied. Dit betreft een waarneming van een zwervend imago in een tuin (bron: NDFF). Deze vlindersoort is voor het leefgebied afhankelijk van oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes met wilgen, waarbij diverse wilgensoorten de waardplanten vormen voor de rupsen. Door het ontbreken van dit leefgebied wordt er geen populatie van deze soort in het plangebied verwacht. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied aangetroffen worden. Overige beschermde ongewervelde diersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte leefgebieden.

Pagina 27

5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1 en 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiomstandigheden. Uit de NDFF blijken ook geen waarnemingen van beschermde plantensoorten. Ten oosten van het plangebied is wel de zeldzame plantensoort gifsla waargenomen, maar deze is niet beschermd. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle aangetroffen en te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk.

Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Door de geplande activiteiten is er waarschijnlijk sprake van fysieke aantasting van vogelnesten en verstoring van broedvogels. Er vinden namelijk ruimtelijke ingrepen plaats en ten behoeve van de bouw van woningen worden bomen, struiken en struwelen, welke geschikt voor broedvogels, verwijderd.

Pagina 28

Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied en direct hieraan grenzend bevinden zich geschikte groenstructuren en nestgelegenheden voor de ransuil en sperwer, waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. De overige delen van het plangebied kunnen fungeren als foerageergebied voor deze soorten en daarmee onderdeel zijn van het functioneel leefgebied. Indien deze verblijfplaatsen of nesten aanwezig zijn in het plangebied, is het aannemelijk dat deze door de geplande activiteiten, namelijk woningbouw, verstoord of fysiek aangetast zullen worden. Het plangebied behoort mogelijk tot het essentiële leefgebied van de kerkuil en steenuil. Beide soorten broeden mogelijk op korte afstand van het plangebied, waardoor het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied. Door de geplande woningbouw gaat er mogelijk een essentieel foerageergebied van deze soorten verloren. Derhalve is aanvullend onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of de kerkuil, ransuil, sperwer en steenuil vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied hebben in het plangebied en de directe omgeving. Gericht onderzoek naar het voorkomen van deze soort dient uitgevoerd te worden middels de onderzoeksprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de BMP-handleiding van SOVON.

Hiervoor dienen meerdere avond- en dagbezoeken in de periode maart t/m juli uitgevoerd te worden. Indien uit het aanvullend onderzoek blijkt dat deze soorten aanwezig zijn, is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de in de NDFF vermelde soorten buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, ooievaar en roek worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdiersoorten waargenomen in het plangebied. Wel zijn sporen van de beschermde soorten konijn en mol aangetroffen. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageer- of leefgebied door enkele algemene beschermde soorten als bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, konijn, mol, steenmarter, wezel en algemene muizensoorten. Voor deze soorten zoogdieren geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Bunzing, hermelijn en wezel Deze kleine marterachtigen zijn strikt beschermd in de provincie Gelderland.

Het voorkomen is ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn en de functionaliteit hiervan aangetast wordt, bijvoorbeeld door het verwijderen van de verblijfplaats, verstoring of aantasting van het leefgebied. Verblijfplaatsen kunnen takkenhopen of konijnen- of knaagdierholen zijn, welke in het plangebied op een aantal locaties aanwezig zijn. Mogelijk bevinden zich in het plangebied dus vaste rust- en verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn of wezel. Om vast te stellen of deze soorten

Pagina 29

daadwerkelijk voorkomen op deze locaties, zal een inventarisatie uitgevoerd moeten worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in de “handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming” (bron: zoogdiervereniging). Voor het vaststellen van deze soorten zijn verschillende inventarisatie-methoden mogelijk (zie tabel 2). Indien meerdere soorten (kunnen) worden verwacht is een combinatie van methoden wenselijk, bijvoorbeeld cameraval en sporenbuis. De apparatuur dient geplaatst te worden in de meest kansrijke landschapselementen, zoals bij takkenrillen. In actieve periode voor deze soorten (maart tot en met augustus) dient de cameraval minimaal zes weken achtereenvolgens in het gebied te worden geplaatst. De inzet van het aantal inventarisatiematerialen is afhankelijk van de grootte van het terrein. Indien op deze wijze de aanwezigheid van één of meerdere soorten wordt aangetoond, is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. Indien deze soorten niet worden aangetroffen kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat een ontheffing nodig is voor betreffende soorten.

Cameraval Marterbox Sporenbuis Nestkast

Bunzing + ?

Hermelijn ? + +

Wezel + + +

Tabel 2. Geschiktheid van inventarisatiemethoden voor de verschillende kleine marterachtigen (Bron: ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming’, 2017).

Eekhoorn Het voorkomen van deze beschermde soort is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn, zoals boomnesten. Tijdens het veldbezoek zijn in en net buiten het plangebied enkele boomnesten aangetroffen. Ook is de soort waargenomen net buiten het plangebied. Het is niet bekend of het eekhoornnest binnen het plangebied bewoond is. De geplande activiteiten leiden mogelijk tot fysieke aantasting of verstoring van eekhoornnesten. Nader onderzoek naar het actueel voorkomen van de eekhoorn en vervolgens het aanvragen van een ontheffing zijn noodzakelijk. Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied is geschikt als leefgebied en biedt mogelijk ook verblijfplaatsen voor de soort. Daarom is nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter noodzakelijk, om vast te stellen of het plangebied vaste verblijfplaatsen herbergt. Voor dit onderzoek wordt een cameraval ingezet (in combinatie met het onderzoek naar kleine marterachtigen) en wordt sporenonderzoek uitgevoerd. Indien er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats, is vervolgens het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk.

Pagina 30

Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige grondgebonden zoogdiersoorten. Wel geldt de algemene zorgplicht. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee  Nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Mogelijk  Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is noodzakelijk. 3. Maken de struiken, gewassen, bomen deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja  Nader onderzoek naar foerageergebieden en routes van vleermuizen is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien er door de geplande activiteiten mogelijk verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes aangetast worden.

Ten behoeve van de ontwikkeling van een woonwijk met 130-170 woningen worden de bestaande groenstructuren mogelijk verwijderd of aangetast en is mogelijk sprake van lichtverstoring, wat een negatief effect kan hebben op verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen dient uitgevoerd te worden in de perioden 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 1 oktober. Amfibieën, reptielen en vissen Het voorkomen van de strikt beschermde kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soorten voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Kamsalamander Het voorkomen van de kamsalamander is het beste vast te stellen door in het voorjaar (april – juni) naar eitjes te zoeken in de voortplantingswateren. Daarnaast dient in de periode april – augustus naar juveniele en adulte exemplaren gezocht te worden met het schepnet (bron Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus).

Pagina 31

Poelkikker Om vast te stellen of de soort aanwezig is dient conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus, 2 maal in de periode mei – juli naar kooractiviteit geluisterd, bij voorkeur in combinatie met het vangen determineren van volwassen exemplaren in dezelfde periode. Rugstreeppad Om de aanwezigheid van de rugstreeppad vast te stellen dient 3 maal in de periode half april t/m mei en half juni – begin augustus geluisterd te worden naar kooractiviteit. Aanvullend kan in het voortplantingswater gezocht worden naar eisnoeren, larven en juvenielen met het schepnet (bron: Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus). Afhankelijk van de uitkomsten van het aanvullend onderzoek kan er sprake zijn van ontheffingsaanvraag voor bovengenoemde soorten. Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn overige beschermde amfibieën, reptielen en/of vissen, met uitzondering van enkele algemene soorten als bruine kikker en gewone pad, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen. Ongewervelde dieren Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde ongewervelde dieren niet te verwachten in het plangebied.

Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor ongewervelde dieren. Algemene zorgplicht Bij werkzaamheden in het plangebied is de wettelijk vastgelegde algemene zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat handelingen die nadelig kunnen zijn voor wilde dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten worden of dat maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In dit kader moet rekening worden gehouden met het voorkomen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën op en in de bodem. Bij voorkeur wordt gewerkt in de actieve periode van deze dieren (maart tot en met oktober). Daarnaast moeten aangetroffen (niet mobiele) individuen als kikkers, padden en salamanders worden verplaatst naar geschikt leefgebied in de directe omgeving.

Pagina 32

6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven door directe verstoringsfactoren worden niet verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening zal moeten uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is ten aanzien van de te ontwikkelen woonwijk noodzakelijk voor eekhoorn, kamsalamander, kerkuil, kleine marterachtigen, poelkikker, ransuil, rugstreeppad, sperwer, steenmarter, steenuil en vleermuizen. Afhankelijk van de resultaten van dit aanvullend onderzoek is mogelijk ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet rekening worden gehouden met broedvogels. Verstorende werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd.

Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet tevens rekening worden gehouden met (overige) grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Verstorende werkzaamheden moeten buiten de meest kwetsbare periode (november-maart) worden uitgevoerd.

Pagina 33

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 34

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 35

Bijlage2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7741/documents/41184