CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5a Onderbouwing Amphionpark Doetinchem.pdf

beeldvormende raad 18 september 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7: Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan19.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk.” Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 26

5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.

Figuur 5.2 Ruimtelijk streefbeeld. De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toetsing aan het beleid In december 2021 heeft het college principe medewerking verleend aan de woningbouwontwikkeling Amphionpark. Vervolgens is de Raad hier in 2022 over geïnformeerd. Voor voorliggende ontwikkeling geldt dat planvorming al plaatsvond voorafgaand aan de vaststelling van de woonvisie. Tot april 2023 was de ‘Woningbouwstrategie 2019’ van kracht. Dit was de lokale uitwerking van het op dat moment geldende regionale woonbeleid. Via deze ‘Woningbouwstrategie 2019’ werd gestuurd op minimaal 20% sociale huur en/of goedkope koop binnen de woningbouwontwikkeling. Met 22% sociale huur voldoet dit plan aan de op dat moment geldende woningbouwstrategie. Verder geldt dat de woningen worden gerealiseerd in binnenstedelijk gebied waardoor sprake is van inbreiding. Dit sluit aan bij de wens om primair in te zetten op binnenstedelijke transformatie en inbreiding. Een ander uitgangspunt is het inzetten op aantrekkelijke woningen en woonmilieus. De toekomstige woningen zijn ruim opgezet gepositioneerd in een groene omgeving. Dit draagt bij aan het verhogen van een aantrekkelijk woonmilieu.

Daarnaast wordt bij de ontsluiting van het plangebied de bestaande wegenstructuur doorgetrokken. Hetzelfde geldt voor de groenstructuur: het plangebied wordt groen ingericht en dit is passend bij de groene omgeving. Hierdoor draagt de woningbouw zo veel mogelijk bij de bestaande mobiliteits- en groenstructuren. 27

In hoofdstuk 6.15 Ladder voor duurzame verstedelijking wordt getoetst in hoeverre het woningprogramma voldoet aan de marktvraag, zoals beschreven in deze woonvisie. 5.5.3

Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023

Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad, in navolging van de vaststelling van de woonvisie, van de gemeente Doetinchem, de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023 vastgesteld. In de betreffende verordening definieert de gemeente de doelgroep voor sociale huur en sociale/betaalbare koopwoningen. Daarnaast moet in deze verordening de instandhoudingstermijn voor deze woningen worden bepaald. Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende wijzigingsplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. Het toepassen van de verordening is een keuze die afhankelijk van de afwegingen in elk omgevingsplan moet worden gemaakt. De doelgroepenverordening geeft aan voor welke doelgroep de te bouwen sociale huur- en betaalbare koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep worden bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat deze woningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moet blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroep. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. De aanleiding voor deze uitgangspunten en keuzes in de doelgroepenverordening worden gevormd door de Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 “Stadse allure – dorpse gemoedelijkheid”. Het bevorderen van het realiseren van woningen voor starters, senioren en mensen met een laag of middeninkomen is een belangrijk doel van het beleid.

Met voorliggende ontwikkeling wordt rekening gehouden met de doelgroepenverordening. Toetsing In de regels van het omgevingsplan wordt opgenomen welk percentage van de nieuw te realiseren woningen moeten worden gerealiseerd als sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen en dure koopwoningen in de zin van de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023. En voor welke doelgroep en voor welke termijn die woningen in stand gehouden moeten worden. Daarmee wordt invulling gegeven aan de doelgroepenverordening. Voor voorliggende ontwikkeling geldt dat planvorming al plaatsvond voorafgaand aan de vaststelling van de doelgroepenverordening. Tot april 2023 was de ‘Woningbouwstrategie 2019’ van kracht. Via deze strategie werd gestuurd op minimaal 20% sociale huur en/of goedkope koop binnen de woningbouwontwikkeling. Met 22% sociale huur voldoet dit plan aan de op dat moment geldende woningbouwstrategie. Dit percentage wordt geborgd in de regels van het omgevingsplan. 5.5.4

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Het GRP moest om de 5 jaar worden vastgesteld. Met de komst van de Omgevingswet is deze verplichting komen te vervalen. Een vervanger van het GRP is in de maak. Vooralsnog is het huidige GRP als richtlijn aangehouden. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: 28

• het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; • water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); • met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; • een goede communicatie opzetten (intern en extern); • water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; • samenwerken en afstemmen; • balans in watersysteem en waterketen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. Toetsing aan het beleid In paragraaf 6.10 duurzaamheid wordt nader op het aspect water ingegaan. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit op de uitgangspunten zoals benoemd in het Gemeentelijke rioleringsplan 2016-2020. 5.5.5

Inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem

Het plangebied ligt niet in een welstandszone volgens de welstandsnota van de gemeente Doetinchem. Derhalve wordt nader ingegaan om de inspiratiebundel omgevingskwaliteit. De gemeente Doetinchem heeft een inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem. In deze bundel staan voorbeelden hoe initiatiefnemers in hun planvoornemen rekening kunnen houden met de volgende thema’s: 1. Woonmilieus 2. Klimaatadaptatie 3. Biodiversiteit en natuurinclusief bouwen 4. Circulariteit 5. Energie 6. Mobiliteit 7. Leefbaarheid Toetsing aan het beleid Voor voorliggende ontwikkeling wordt een BKP opgesteld. Met het opstellen van het BKP wordt rekening gehouden met de uitgangspunten die benoemd zijn in de inspiratiebundel. 5.5.6

Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de 29

gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Toetsing aan het beleid De nieuw te bouwen woningen worden, conform geldende wet- en regelgeving, aardgasloos gerealiseerd. Omdat het gaat om een gasloze wijk, zullen de daken ruim voorzien zijn van zonnepanelen. De zonnepanelen zullen op een zo goed mogelijke manier geïntegreerd worden met de bebouwing. Als alternatief voor de verwarming worden naar verwachting individuele oplossingen toegepast c.q. wordt op voorhand geen collectieve voorziening aangelegd. 5.5.7

Duurzame energieopwekking in Doetinchem

Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: 1. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Tot de vaststelling van het beleidskader werden initiatieven voor energieopwekking welke afwijken van het bestemmingsplan, door gebrek aan beleid, niet in behandeling genomen. Het beleidskader heeft hier verandering in gebracht. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid binnen Doetinchem. 2. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Bronnen voor duurzame energieopwekking nemen ruimte in beslag. Afhankelijk van de beschikbare ruimte, het soort bron en de ruimtelijke impact die het heeft, is de benodigde ruimte en impact van het initiatief kleiner of groter.

Met het beleidskader worden richtlijnen gegeven voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid tot stand komen. Initiatiefnemers voor ontwikkeling van bronnen van duurzame energieopwekking beogen over het algemeen een zo groot mogelijk rendement. Deze rendementen keren over het algemeen niet terug in het gebied. De omgeving van zo'n project ervaart daardoor vaak alleen de lasten (als visuele hinder, geluidhinder, enz.) en niet de lusten. Met het beleidskader wordt juist lokaal initiatief en eigenaarschap gestimuleerd. Daarnaast wordt beoogd dat initiatiefnemers van buiten de gemeente aangezet worden tot het betrekken van omwonenden in het totale proces van idee tot exploitatie. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan. 30

In het beleidskader staan richtlijnen en randvoorwaarden, waar en onder welke voorwaarden de duurzame energiebronnen in de gemeente tot stand mogen komen. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn:  Alle bronnen en vormen van duurzame energieopwekking zijn nodig.  Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden samen met de omgeving en belanghebbenden vormgegeven.  Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden landschappelijk ingepast. Toetsing aan het beleid Grootschalige initiatieven gericht op de opwek van duurzame energie wordt niet mogelijk gemaakt met voorliggend wijziging omgevingsplan. Het plan is daarom niet in strijd met het beleidskader 'Duurzame energieopwekking Doetinchem'. 5.5.8

Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem

Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust wil zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1. De verwachte klimaateffecten in onze gemeente (zie Klimaateffectatlas Doetinchem: Klimaatatlas - Weet van Water); 2. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de Klimaatadaptatiestrategie). De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers:  Stad en dorp gezond en groen;  Adaptief landelijk beleid;  Robuuste vitale infrastructuur;  Ontwikkelingen klimaatbestendig;  Betrokken en actieve mensen. Om onze ambities en doelen voor 2050 te bereiken heeft de gemeente een eerste uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 2022-2026 vastgesteld. Hierin staan per pijler uitvoeringsacties om ons doel te bereiken. In 2026 volgt een nieuwe stresstest en uitvoeringsagenda. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050.

Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag:  Neerslag vasthouden waar het valt (bodem als ‘spons’ gebruiken);  Meer schaduw en minder verharding door meer groen en bomen;  Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen.

31

Figuur 5.3 opgaven per gebied. Toetsing aan het beleid Risico's als gevolg van klimaatverandering en klimaatadaptieve maatregelen in het plangebied nemen toe door de extra oppervlakteverharding. Op basis van de Klimaateffectenatlas van Doetinchem is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering. Dit in beschreven in 6.10 duurzaamheid. 5.5.9

Bomenverordening gemeente Doetinchem 2024

Vanaf 1 januari 2024 geldt de Bodemverordening gemeente Doetinchem 2024. In deze verordening zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden in de gemeente Doetinchem. Toetsing aan het beleid Met de beoogde ontwikkeling zullen enkele bomen geveld worden. Voordat deze werkzaamheden van start gaan, wordt alvorens een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vellen van de houtopstanden in het plangebied. Dit is pas aan de orde zodra de bouwwerkzaamheden van start gaan en is niet relevant voor de functiewijziging. De waardevolle boom aan de Nieuweweg is als zodanig waardevol bevonden dat deze behouden en beschermd moet blijven in dit plan. De Bomenverordening 2024 biedt hiervoor voldoende zekerheid voor. 5.5.10 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene functies in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: 3.

vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groenen bomenstructuren; 4. verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; 5. handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; 32

functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; - mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud Toetsing aan het beleid Het plangebied ligt aangrenzend aan de verbinding groenstructuur en het plangebied ligt deels in de nevenstructuur groen. Met de ontwikkeling wordt een deel van de bebouwing aangelegd in de nevenstructuur groen. Om dit te compenseren wordt het plangebied groener ingericht. 5.5.11 Mobiliteitsplan, parkeervisie en parkeernota Het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 geeft een beeld waar de gemeente Doetinchem in 2036 wil staan als het gaat om verkeer en mobiliteit. Het mobiliteitsplan bestaat uit drie delen: 1. Visiedeel: met mobiliteitsambities en wensbeelden over mobiliteit. 2. Uitvoeringsprogramma: maatregelen hoe we de ambities en de wensbeelden kunnen realiseren. 3. Bijlagen: ter onderbouwing van het visiedeel en het uitvoeringsprogramma. Visiedeel In het visiedeel wordt beschreven dat wordt ingezet op duurzame mobiliteit en het zo goed mogelijk benutten van het bestaande netwerk. Het verkeer dat niet in gemeente Doetinchem hoeft te zijn, wil de gemeente zoveel mogelijk laten rijden over de provinciale en rijkswegen rond Doetinchem. In de stad Doetinchem wil de gemeente het gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk laten rijden via een ringstructuur ruim om het centrum. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor fietsers.

En wordt het aantrekkelijker en fijner om te leven en te wonen in de stad. Er zijn vier hoofdambities beschreven: 1. Bruisende binnenstad. Hierbij gaat het om het aantrekkelijker maken van de binnenstad, het beperken van gemotoriseerd verkeer en het parkeren aan de randen. Zorgen voor een goede en aantrekkelijke bereikbaarheid van het centrum en de binnenstad voor fietsers, voetgangers en met het openbaar vervoer. 2. Het fijner maken om te leven en wonen in wijken en kernen. Hierbij wordt uitgegaan van het zoveel mogelijk terugbrengen van de maximale snelheid van wegen naar 30 km/h. Ook kijken we naar het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. 3. Aanmoedigen actieve mobiliteit en openbaar vervoer. Hierbij wordt uitgegaan van het zo makkelijk mogelijk maken voor fietsers en voetgangers, daar waar het kan. Bijvoorbeeld door het bieden van goede en logische loop- en fietsroutes. Het openbaar vervoer wordt aantrekkelijker gemaakt, onder andere door haltes van goede kwaliteit op logische locaties. Onderzoek en realisatie van hubs kan zorgen voor minder (overlast van zwaar) verkeer en biedt meer opties voor een verplaatsing. Het delen van fietsen en/of auto’s kan ook zorgen voor minder verkeer en daardoor fijner wonen en leven. 4. Zo goed mogelijk sturen verkeer.

Naast het afwaarderen van wegen, worden ook een aantal wegen aangewezen om de doorstroomfunctie voor gemotoriseerd verkeer te verbeteren. Naast fysieke maatregelen speelt het gebruik van data en andere nieuwe technologieën een rol. 33

Uitvoeringsprogramma mobiliteitsplan In het uitvoeringsprogramma wordt beschreven hoe de ambities en wensen uit het visiedeel worden doorgevoerd. Hiervoor is een pakket van maatregelen opgesteld. Deze maatregelen gaan bijvoorbeeld over: • • •

het verbeteren en aanleggen van schakels in het fietsnetwerk. het verbeteren van bestaande wegen voor een betere doorstroming. het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties.

Parkeervisie De Parkeervisie is in nauwe samenhang met het Mobiliteitsplan opgesteld. In de parkeervisie wordt ingespeeld op de ruimtelijke ontwikkelingen die zich de komende jaren gaan voordoen nu Doetinchem de wens heeft uitgesproken om te willen groeien naar 70.000 inwoners. Het parkeren in Doetinchem bevindt zich nog altijd in een lastig vaarwater. Dit omdat de parkeerinkomsten minder groeien dan de kosten. De landelijke trend van het kopen via internet is niet gewijzigd. Dit betekent dat minder mensen voor de inkopen naar de binnenstad komen. Daar staat tegenover dat er steeds meer winkelpanden omgebouwd worden tot woningen. Dit alles maakt dat er een heldere visie en concrete maatregelen noodzakelijk zijn. In de Parkeernota 2024 staan verschillende voorstellen om de inkomsten te verhogen maar ook om het parkeren in de binnenstad de komende jaren mogelijk te houden. Onderdeel van de parkeervisie is de nieuwe Nota Parkeernormen Doetinchem 2024. Het doel van de Nota Parkeernormen 2024 is om een kader te scheppen waaraan toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de hele gemeente ten aanzien van parkeren getoetst kunnen worden. Het is een maatschappelijk belang dat woonruimte wordt gerealiseerd, zowel door transformaties, als door bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen.

Voor de transformaties geldt dat de realisatie van parkeerplaatsen vaak niet mogelijk is door ruimtegebrek. Deze nota parkeernormen zorgt ervoor om op een verantwoorde wijze ruimtelijke ontwikkelingen met minder parkeerplaatsen toch mogelijk gemaakt kunnen worden. De parkeernorm is een vast gegeven, gebaseerd op de functie die wordt gerealiseerd en de omvang ervan. De parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat uiteindelijk aangelegd dient te worden, nadat de stappen van de berekening in de parkeerbalans doorlopen zijn, zoals de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende functies en de mogelijkheid van het afkopen van een reductie. Toetsing aan beleid Voor de ontwikkeling geldt een parkeernorm van 1 per woning. Met voorliggende ontwikkeling worden maximaal 130 woningen mogelijk gemaakt en dus worden er maximaal 130 parkeerplaatsen aangelegd. Dit wordt nader beschreven bij 6.6 mobiliteit en parkeren. Daarnaast is in het plangebied voldoende rekening gehouden met fietsparkeren, zodat toekomstige bewoners hun fiets kunnen stallen zonder dat dit leidt tot (visuele)overlast. Met de ontwikkeling komen meerdere bestaande parkeerplaatsen te vervallen. Ter compensatie van de parkeerplaatsen die vervallen, is in de grondexploitatie een afkoopsom opgenomen.

Deze afkoopsom is bedoeld om het parkeercompensatiefonds te vullen, waarmee elders nieuwe parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

34

5.5.12 Relevante programma’s Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke (beleids)plannen kan onder de Omgevingswet als programma worden beschouwd. Het gaat om tal van beleidsplannen voor uiteenlopende onderwerpen zoals wegen, bereikbaarheid, landschapskwaliteit, cultureel erfgoed of buisleidingen, of om structuurvisies voor een specifiek gebied. De gemeente Doetinchem heeft op het moment nog geen programma’s vastgesteld. 5.5.13 Maatschappelijke behoefte Het plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid. De ontwikkeling voorziet in het planologisch toestaan om maximaal 130 woningen te realiseren in stedelijk gebied. Daarbij wordt uitgegaan van een woningbouwprogramma dat aansluit bij de woningbehoefte zoals beschreven is in het gemeentelijke beleid. 5.5.14 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

35

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden.

36

Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2

Onderzoek

In de nabije omgeving zijn geen bedrijfsmatige activiteiten gelegen die zorgen voor geluidsbelasting op de gevels van de toekomstige woningen. In de nabijheid van het plangebied is ook geen industrie en spoorweg gelegen. Spoorlawaai en industrielawaai kan daarom worden uitgesloten. Hinder afkomstig van wegverkeerslawaai kan echter niet worden uitgesloten door de aanwezigheid van de omliggende wegen. Voor dit aspect is daarom een akoestisch onderzoek verricht en dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Het akoestisch onderzoek toont aan dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 53 Lden bedraagt als gevolg van de aanwezigheid van de gemeentewegen. Aan de standaardwaarde van de betreffende geluidbronsoort wordt voldaan. In de toekomstige woningen is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. 6.1.3

Conclusie

Het aspect geluid is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de 37

omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Voor het aspect is bovendien de luchtkwaliteit ter plaatse beoordeeld. Hiervoor de Actuele luchtkwaliteitsindex (LKI) geraadpleegd van de Atlas Leefomgeving. De luchtkwaliteit ter hoogte van het projectgebied is beoordeeld als 'goed'. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 130 woningen gebouwd. Dit blijft onder de grenswaarden zoals beschreven in artikel 5.54 Bkl. Het plan draagt niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. 6.2.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

38

6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt en dit zijn geurgevoelige gebouwen. In de nabije omgeving zijn geen bedrijfsmatige activiteiten aanwezig die geur emitteren. Het is daarom uitgesloten dat de woningen geurhinder ondervinden van nabije activiteiten. Bovendien zorgt de nieuwe ontwikkeling niet voor geuremissie waardoor geurhinder op de nabije omgeving is uitgesloten. 6.3.3

Conclusie

Het aspect geur is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 6.4.1

(Wettelijk) kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.

39

6.4.2

Onderzoek

In de nabije omgeving zijn geen activiteiten gesitueerd die trillingen vooroorzaken. Het plangebied is bovendien op ruime afstand gesitueerd vanaf het spoor waardoor trillinghinder afkomstig van het spoor is uitgesloten. Bovendien voorziet de ontwikkeling in woningbouw en dit is geen activiteit die trillingen veroorzaakt. Conclusie Het aspect trillingen is niet in strijd met ETFAL en de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.5.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.5.2

Onderzoek

De geplande ontwikkeling maakt de realisatie van woningen mogelijk, wat volgens het Bkl valt onder een 'bodemgevoelig gebouw'. Daarom moet worden aangetoond dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor het beoogde gebruik.

40

Voor de beoogde ontwikkeling is daarom een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem verricht, zie bijlage 3. Naar aanleiding van het vooronderzoek is daarna een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek verricht, zie bijlage 4. Resultaten milieuhygiënisch vooronderzoek Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat er binnen de planlocaties verdachte deellocaties (A t/m I) zijn aan te merken. Er is onvoldoende informatie beschikbaar over de bodemkwaliteit op deze locaties. De onderzoeksresultaten geven derhalve aanleiding voor verder verkennend bodemonderzoek en/of verkennend onderzoek asbest in bodem en/of puin. Verder wordt opgemerkt dat ter plaatse van de bekende restverontreinigingen met perchloorethyleen in de (onder)grond en het diepere grondwater sprake is van diverse gebruiksbeperkingen ten aanzien van graafwerkzaamheden, grondwateronttrekkingen en mogelijke humane risico’s bij een gebruikswijziging van infrastructuur naar wonen (uitdampingsonderzoek noodzakelijk). Resultaten verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek Voor het onderzoek is het plangebied opgedeeld in deellocatie A t/m J. Uit onderzoek blijkt dat op deellocatie A (trottoir en berm Nieuweweg) restverontreiniging van tetrachlooretheen met Per (>I) is vastgesteld, die horizontaal en verticaal nog niet is afgebakend.

Naar verwachting is er ook onder de aangrenzende Nieuweweg sprake van verhoogde gehalten. Hoewel hier geen werkzaamheden gepland staan, wordt bij toekomstige activiteiten nader bodemonderzoek hiernaar geadviseerd. Op deellocatie H is in de grond geen restverontreiniging met VOCl aangetoond. Elders op de onderzoekslocatie zijn maximaal (licht) verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of PCB vastgesteld, soms met industriegrondkwaliteit. In het grondwater zijn plaatselijk (licht) verhoogde concentraties aan zware metalen, VOCl en/of xylenen aangetoond, maar zonder overschrijding van signaleringsparameters. Volgens het omgevingsplan van Doetinchem voldoet de bodemkwaliteit voor de deelgebieden B-J, met uitzondering van de restverontreiniging langs/onder de Nieuweweg (deelgebied A), aan de eisen voor bodemgevoelige bouwwerken. Voor de voorgenomen nieuwbouw zijn er geen belemmeringen. Asbest Tijdens het onderzoek zijn deellocaties C en D al op asbest onderzocht; verder onderzoek is hier niet nodig. Op de overige deellocaties is nog geen asbestonderzoek uitgevoerd, maar tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Wel zijn op enkele terreindelen binnen deellocaties E, G en I betonresten aangetroffen, waarvoor een verkennend asbestonderzoek nodig is. Op deellocaties G (beperkt) en H is onder het asfalt puingranulaat aanwezig.

Volgens het milieuhygiënisch vooronderzoek is de herkomst hiervan onbekend, en puin uit 1998 wordt conform NEN 5725 als asbestverdacht beschouwd, hoewel de kans op asbest ‘gering’ is. Tijdens het onderzoek zijn indicatief geen asbestverdachte materialen aangetroffen, maar formeel dient de puinfundatie op asbest onderzocht te worden. Het advies is om bij werkzaamheden of afvoer van grond/puin op deellocaties E, G, H en I een asbestonderzoek uit te voeren.

41

Conclusie De bodem is van voldoende kwaliteit voor de beoogde functie. Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van planregels is niet noodzakelijk.

6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.6.2

Onderzoek

Op de locatie van het voormalige Amphion en de parkeerplaats daarachter is een plan ontwikkeld om woningen te bouwen. Dit betreffen drie woontorens met maximaal 86 appartementen een appartementencomplex met 29 sociale huurappartementen en 15 grondgebonden koopwoningen. Wat het parkeren betreft zijn afspraken gemaakt dat er 1 parkeerplaats per woning/appartement aangelegd moet worden. Dit is conform de nieuwe Nota parkeernormen Doetinchem. Voor de koopappartementen is afgesproken dat deze in de halfverdiepte parkeerkelder onder het totale complex parkeren. Het parkeerplan voorziet in één parkeerplaats per appartement in de parkeergarage. Op maaiveldniveau achter het sociale blok worden minimaal 44 parkeerplaatsen gerealiseerd: 29 voor de sociale appartementen en 15 voor de grondgebonden woningen. Daarnaast komen er nog 3 parkeerplaatsen aan de Nieuweweg, bedoeld voor het blok 7 met 3 grondgebonden woningen. Deze grondgebonden parkeerplaatsen zijn alleen te gebruiken door vergunninghouders en dat zijn dan de bewoners van de grondgebonden woningen en huurappartementen. Bezoekers van de bewoners van zowel de appartementen als de grondgebonden woningen moeten parkeren op de (betaalde) parkeerplaatsen in de omgeving.

Compensatie vervallen parkeerplaatsen Met de ontwikkelaar zijn separate afspraken gemaakt in de grondexploitatie voor het compenseren van de parkeerplaatsen van het parkeerterrein waarop de ontwikkeling wordt gebouwd. Uit een parkeerdrukmeting is gebleken dat dat dit om circa 70 parkeerplaatsen gaat. Dit bedrag wordt gestort in het parkeercompensatiefonds zodat door de gemeente in de toekomst parkeervakken rond het centrum aangelegd kunnen worden. In de huidige situatie zijn nog voldoende parkeerplaatsen in de omgeving beschikbaar, zoals de Amphiongarage. Verkeersgeneratie In het Handboek Parkeercijfers 2024 staan de verkeersgeneratiecijfers van alle mogelijke voorzieningen in een gemeente. Dit is het aantal auto’s dat in een etmaal naar een voorziening rijdt. De verkeersgeneratie van koopappartementen ligt tussen de 4 en 6 voertuigbewegingen per etmaal. Die van huurwoningen tussen 3 en de 4 42

voertuigbewegingen per etmaal. Op deze manier kan berekend op worden hoeveel bewegingen een ontwikkeling kan rekenen. Voor een totaal aantal van maximaal 130 woningen betekent dit 390 tot 780 voortuigbewegingen per etmaal. Zoals hierboven beschreven ontstaan er tussen 390-780 voertuigbewegingen op de Amphionstraat door de ontwikkeling. Het bestaande parkeerterrein is ongeveer 150 parkeerplaatsen groot. Zeker toen de Aldi nog volop in bedrijf was, werd dit parkeerterrein intensief gebruikt met zeker meer dan 5-6 bewegingen per parkeerplaats. Dat zijn zeker 850- 1020 bewegingen per etmaal. 6.6.3

Conclusie

Het aspect mobiliteit en parkeren is niet in strijd met het gemeentelijk beleid. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan 43

kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2

Onderzoek

Niet-gesprongen explosieven Volgens de explosievenkaart Nederland zijn in het plangebied mogelijk nog niet-ontplofte explosieven aanwezig afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van niet ontplofte explosieven wordt daarom een onderzoek verricht. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Het onderzoek heeft aangetoond dat ter plaatse van het projectgebied is geen sprake van verdachte gebieden. Derhalve adviseert BeoBOM dat de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden zonder aanvullende maatregelen doorgang kunnen vinden. Overige risicobronnen Voor het aspect omgevingsveiligheid is de veiligheidskaart geraadpleegd van de Atlas Leefomgeving. In de nabije omgeving zijn geen risicovolle objecten aangetroffen. Een uitsnede van de risicokaart is te zien in figuur 6.1. Het plangebied is aangegeven met een blauwe pin.

44

Figuur 6.1. Ligging projectgebied ten opzichte van risicobronnen (bron: Atlas Leefomgeving). 6.7.3

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 45

6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.8.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000 netwerk, het Geldersnatuurnetwerk of ander aangewezen natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura200-gebied betreft 'Rijntakken' en dit gebied ligt op 12 km afstand tot aan het plangebied, zie figuur 6.2. Het dichtstbijzijnde Gelders natuurnetwerk is op ongeveer 680 meter gelegen van het plangebied, zie figuur 6.3.

Figuur 6.2. Ligging plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebieden (bron: natura2000.nl). 46

Figuur 6.3. Ligging plangebied (rode pin) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk (bron: Gaaf Gelderland). Met de beoogde ontwikkeling kan leiden tot stikstofdepositie en daarom is een stikstofberekening uitgevoerd, zie bijlage 6. Het projecteffect op zowel de in Nederland als Duitsland gesitueerde Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Soortenbescherming Met de ontwikkeling wordt de bestaande oppervlakteverharding verwijderd en diverse bomen en struiken gekapt. Dit kan invloed hebben op de eventueel aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. Om dit te onderzoeken in een quickscan flora en fauna verricht en dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Nader onderzoek Uit het onderzoek is gebleken dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de huismus, gebouwbewonende vleermuizen, de steenmarter en kleine marterachtigen en de teunisbloempijlstaart. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogels die te verwachten zijn geldt, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, geen overtreding plaats zal vinden. Groen in het 47

plangebied mag alleen worden verwijderd nadat een inspectie heeft plaatsgevonden door een ecoloog. Algemene zoogdieren en amfibieën Als gevolg van het verwijderen van begroeiing kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Hiervoor dient buiten de winterrust gewerkt te worden. Eveneens geldt voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijk doden van individuen te voorkomen. Resultaten aanvullend ecologisch onderzoek Uit het verrichte aanvullende veldonderzoek, zie bijlage 8, naar huismus, steenmarters, kleine marterachtigen en teunisbloempijlstaart bleek dat de planlocatie essentieel leefgebied voor de huismus betreft. Het vervolgonderzoek heeft aangetoond dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het opstellen van een groenplan is wel noodzakelijk om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Tevens kan natuur inclusieve inrichting bijdragen aan biodiversiteit en woongenot. Bomeneffectenanalyse In het plangebied is een bomenanalyse uitgevoerd en de volledige analyse is opgenomen in bijlage 9. Voor het kappen van een boom (niet openbare houtopstand), met een stamdiameter van meer dan 38 cm en 1,30 meter hoogte geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning bij de gemeente Doetinchem noodzakelijk is. Aan de hand van de bomenanalyse wordt geconcludeerd dat deze aanvraag voor meerdere bomen noodzakelijk is.

Dit geldt onder andere ook voor de bijzondere boom aan de Nieuweweg, die in het plan een bijzondere plaats inneemt en behouden dient te blijven. 6.8.3

Conclusie

Het opstellen en het naleven van een groenplan is noodzakelijk voor de bescherming van de huismus. Het aspect soortenbescherming is voor de rest voldoende geborgd in het planvoornemen. Het plan is niet in strijd de instructieregels.

6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; 48

• • • • 6.9.2

Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Onderzoek

Cultuurhistorie Tussen de Nieuweweg, Paul Krugerlaan, Rozengaardseweg en Dr. Huber Noodtstraat bleef tot in de jaren '60 van de 20e eeuw een drassig, agrarisch gebied onbebouwd, dit gebied werd 'De Veentjes' genoemd. Een groot deel van dit gebied is door de jaren heen ontwikkelt voor woningbouw en bovendien is het Amphionpark aangelegd waar voorheen het theater heeft gestaan op deze locatie. Door het aanleggen van woningen en het Amphionpark is niets meer te vinden van het drassige agrarische gebied. Dit houdt ook in dat de kernkwaliteit van het kenmerkende Achterhoekse landschap is verdwenen. Op de diverse kaarten van de gemeentelijke website is te zien dat het gebied geen beschermde cultuurhistorische elementen bevat. Ook in het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied 2021' en het parapluplan 'Parapluherziening Cultuurhistorie - 2023', die per 1 januari 2024 onderdeel uitmaken van het omgevingsplan Doetinchem, heeft het plangebied geen cultuurhistorische aanduidingen. Voor de ontwikkeling geldt dat artikel 5.34 van de provinciale verordening van toepassing is. Met nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van landschap Gelderse streek en Achterhoek.

Voor ontwikkelingen in het stedelijk gebied van Doetinchem is ontwikkeldoel 4 is van toepassing: • Bij stedelijke opgaven is het behoud van het karakteristieke dorpenlandschap van belang, met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de stadsranden. Het monumentaal karakter van Doesburg en Zutphen bewaren, herstellen en beleefbaar maken. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt in de Doetinchem. De ontwikkeling wordt echter mogelijk gemaakt in het centrum en niet aan de stadsranden van Doetinchem. Gesteld wordt dat artikel 5.34 niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Wel wordt met de uitstraling van het definitieve ontwerp rekening gehouden met het karakteristieke dorpenlandschap. Met het ontwikkelen van woningbouw in het plangebied is het uitgesloten dat cultuurhistorische waarden worden aangetast. Archeologie Het plangebied beschikt over meerdere dubbelbestemmingen om de archeologische waarden te beschermen. Voor voorliggende ontwikkeling is daarom archeologisch onderzoek verricht. Het onderzoekrapport is opgenomen in bijlage 12. Het onderzoek heeft aangetoond dat het plangebied niet meer over archeologische waarden beschikt, aangezien de bodem reeds is verstoord. Indien er sprake is van een archeologische vondst tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden, dan dient dit te worden gemeld bij de gemeentelijk archeoloog.

49

6.9.3

Conclusie

Het aspect ‘cultureel erfgoed’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan voldoet aan de instructieregels. Het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk en het opnemen van planregels is niet aan de orde.

6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

6.10.2 Onderzoek energietransitie & circulariteit De toekomstige woningen zullen voldoen aan de BENG-norm en de milieuprestatie-eis, zoals gesteld in het Bbl. Met de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen worden berekeningen opgenomen waarin wordt aangetoond dat de nieuwe woningen voldoen 50

aan de BENG-norm en milieuprestatie-eis. Hetzelfde geldt voor het treffen van circulaire maatregelen, dit wordt nader uitgewerkt bij deze aanvraag. 6.10.3 Onderzoek klimaatadaptatie en water Voor de ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, zie bijlage 10. Hieronder staan beknopt de adviezen beschreven. Watercompensatie Het verhard oppervlakte bedraagt in de toekomstige situatie 9.350 m 2. Conform het beleid van het waterschap is ten aanzien van de ontwikkeling en het af te koppelen verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ca. 748 m3 (9.350 m2 x 0,08 m). Op de planlocatie is voldoende ruimte beschikbaar om te kunnen voorzien in de benodigde waterberging. Tot de mogelijkheden behoren onder andere de aanleg van wadi’s, verlagingen in het maaiveld of ondergrondse voorzieningen in de vorm van infiltratiekratten. Hiermee wordt voldaan aan de compensatie-eis. Grondwater In het planvoornemen is de aanleg van een halverdiepte parkeerlaag voorzien. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. In overleg met de waterbeheerder zal tijdens verdere planuitwerking, middels het uitvoeren van een geohydrologisch onderzoek (zogenoemde barrièreberekening), moeten worden berekend c.q. worden aangetoond dat de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft op de grondwaterstanden in de omgeving.

Riolering Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal maximaal 130 woningen worden gerealiseerd. Dit komt neer op een lozing van 39.000 liter per dag. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van ca. 39 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente worden afgestemd. Klimaat Naast bovengenoemde aspecten, is het thema klimaat ook relevant. Het waterschap wil namelijk inzetten om een klimaatrobuust watersysteem. Dit komt ook terug artikel 5.58 van de provinciale omgevingsverordening Gelderland.

Voor nieuwe ontwikkelingen moet beschreven worden hoe in het planvoornemen rekening is gehouden met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Dit is beschreven in de klimaattoets en dit is opgenomen in bijlage 11. Hieruit is geconcludeerd dat het plan voorliggend plan voldoende aandacht wordt besteed aan klimaatadaptieve maatregelen ter voorkoming of beperking van mogelijke risico's als gevolg van klimaatverandering. 51

Conclusie Het aspect duurzaamheid is niet in strijd de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8314/documents/50187