CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Archeologie.pdf

gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4: Verklaring van geen bedenkingen zonnepark Keppelseweg10.239 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bureauonderzoek Zonneveld Keppelseweg te Doetinchem Gemeente Doetinchem

KSP Archeologie

Colofon Datum Versie Status KSP Rapport Auteur In opdracht van ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie

: : : : : : : : :

22 maart 2019 1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 19433 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Eelerwoude, Mark Elshof 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

:

S.M. Koeman (senior KNA Prospector)

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

5 6 6 6 6 7 8 10 10 10 13 19 23 23 26 28

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Principediagram voor archeologische vondst- en spoorcomplexen en zoekmethoden Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 4 Figuur 2: Schetsontwerp zonnenveld Keppelseweg Doetinchem (bron: opdrachtgever). 7 Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart (Cohen et al. 2012). 12 Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 13 Figuur 5: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1774-1794 (bron: Versfelt 2003). 16 Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 16 Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1898, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1930 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1966 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl). 19 Figuur 12: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem (Oosterhout 2008). 22

Lijst van afbeeldingen Tabel 1: Overzicht van de onderzoeks- en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 21 Tabel 2: Archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 24

KSP Archeologie

3

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek

: : : : : : : : : : : :

19433 Eelerwoude, Mark Elshof KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Doetinchem Regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek archeologie@odachterhoek.nl 4678580100 Gelderland Doetinchem Keppelseweg Doetinchem x: 215.129 / y: 444.232 Sectie B, nummers: 1430 en 3079 Maart 2019

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

4

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het zonneveld (zonnepanelen) aan de Keppelseweg in Doetinchem (gemeente Doetinchem). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de aanleg van een zonneveld. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierterras Allerød, afgedekt door dekzandwelvingen, een dekzandrug en een land-/rivierduin is aan het plangebied wat het rivierterras betreft een onbekende verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum. Aan het afdekkende pakket is voor de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Aan het afdekkende pakket is voor zuidoostelijke helft van het plangebied geen verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 van de gemeente Doetinchem geldt voor het grootste deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1 en voor een klein deel de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 2. Dit betekent respectievelijk dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m dan wel 250 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor de aanleg van bloemrijk grasland, het struweel, het onderhoudspad en de transformatorstations (54 m2) wordt de bodem niet dieper dan de hierboven genoemde archeologische ondergrenzen verstoord. De verstoring van de bodem dieper dan de archeologische ondergrenzen betreft het plaatsen van palen voor de zonnepanelen met een totaal oppervlak van 3,5 m2 en het aanleggen van kabelsleuven met een totaal oppervlak van 180 m2, wat neerkomt op in totaal 183,5 m2. Aangezien minder dan 250 m2 van de bodem dieper dan de archeologische ondergrenzen wordt verstoord, is geen archeologisch noodzakelijk.

KSP Archeologie

5

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Eelerwoude heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het zonneveld (zonnepanelen) aan de Keppelseweg in Doetinchem (gemeente Doetinchem). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de aanleg van een zonneveld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen (Willemse & Kocken 2012 en Normblad archeologisch vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 8,8 ha groot en ligt aan de Keppelseweg in Doetichem net ten zuidoosten van Langerak (Figuur 1). Het terrein wordt in het noordwesten begrensd door een bosstrook, in het noordoosten door bos en een pad met bomen, in het zuidoosten door landbouwgrond en in het zuidwesten door landbouwgrond, ert met opstallen en de Keppelseweg. 1.3

Overheidsbeleid

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2012 van de gemeente Doetinchem geldt voor het grootste deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 1 en voor een klein deel de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 2 (www.ruimtelijkeplannen.nl, tevens een hoge verwachting op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem). Dit betekent respectievelijk dat bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,4 m dan wel 250 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen mogelijk worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch noodzakelijk. Op basis van de hoge verwachting en het grote oppervlak van de locatie is gekozen voor een bureauonderzoek.

KSP Archeologie

6

1.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied zal een zonneveld worden aangelegd (Figuur 2). Het doel is om in totaal 18.000 zonnepanelen te plaatsen over een totaal oppervlak van ca. 60.000 m2. Gemiddeld wordt er één paal geplaatst per 4 zonnepanelen. Een paal beslaat een oppervlak van 0,00075 m2. Bij een totaal van 4.500 palen wordt er een oppervlak van ca. 3,4 m2 verstoord. De palen worden tot een diepte van 1,6 m -mv in de bodem gedrukt. De kabels tussen het inkoopstation en de transformatorstations zullen in kabelsleuven worden weggewerkt, dit betreft een totale lengte van ca. 200 m. Ook de kabels van de transformatorstations naar de combinerboxen zullen ondergronds worden weggewerkt. Dit kan via twee parallel kabelsleuven over de gehele lengte van het plangebied met elk een lengte van ca. 200 m. In totaal zal er ca. 600 m aan kabelsleuven worden aangelegd. De kabelsleuven worden tot een diepte van ongeveer 80 cm -mv worden aangelegd en zijn ca. 30 cm breed. Het totale oppervlak aan te graven kabelsleuven bedraagt 180 m2. Er zullen 4 transformatorstations worden geplaatst. Deze hebben elk een oppervlakte van 13,5 m2 (4,5 m x 3,0 m). Gezamenlijk geeft dat een totaal oppervlak van 54,0 m2. De fundering onder de transformatorstations hebben een diepgang van ca. 0,3 m. Centraal gelegen in het zonnepark zal er één onderhoudspad van ca. 200 m lengte worden aangelegd met een breedte van ca.

4,5 m, dat geeft een totaal oppervlak van 900 m2. Hier zullen gras-beton stenen worden toegepast met beperkte diepgang om de water doorlatendheid zoveel mogelijk te behouden. De overige beheerspaden rondom het zonnepark zullen geen verharding bevatten, enkel grasland.

Figuur 2: Schetsontwerp zonnenveld Keppelseweg Doetinchem (bron: opdrachtgever).

KSP Archeologie

7

Er worden geen natuurvriendelijke oevers aangelegd. De watergangen en oevers zijn bestaand. Voor de aanleg van het bloemrijk grasland (totaal 21.800 m2) wordt ook niet gegraven, alleen oppervlakkig omwoelen/frezen tot maximaal 30 cm diep, en inzaaien, zoals ieder ander gewas. Voor de aanleg van het natuurlijk struweel (9.200 m2) wordt ook eerst oppervlakkig gefreesd tot maximaal 40 cm diep. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen. 1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

De opdrachtgever heeft geen specifieke doelen en wensen ten aanzien van de uitvoering van het archeologisch onderzoek, anders dan de standaard doelstellingen zoals hieronder geformuleerd.

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn door de Omgevingsdienst Achterhoek dertien onderzoeksvragen verplicht gesteld (Normblad archeologisch vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Vanwege de uitgebreide vraagstelling wordt bij de paragrafen in hoofdstuk 2 aangegeven welke onderzoeksvragen in de betreffende paragraaf worden beantwoord. 1.

2. 3.

4.

5.

6.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot ca. 200 m van de onderzoekslocatie) en in de ondiepe ondergrond? d) Hoe dik is de holocene deklaag? Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) de Hottingerkaart, b) het Kadastraal minuutplan, c) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en d) het Bonneblad? Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondsten/of spoorcomplex minimaal: a)

bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie, dat wil zeggen zowel systemisch (indien redelijkerwijs uit de gegevens af te leiden) als volgens het

KSP Archeologie

8

7.

8.

9.

10. 11. 12. 13.

principediagram in figuur 2 op pagina 52 (zo gespecificeerd mogelijk (top-down typering) op basis van de waarnemingen). Gegeven 1 tot en met 4; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied? Gegeven 5 en 6; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-] constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting]? Gegeven 7 en 8; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Wat is de aard (mobilia [materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden], immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het onderzoeksgebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe.

Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden.

KSP Archeologie

9

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Huidige topografische kaart (Figuur 1);  Luchtfoto uit 2017 (via PDOK);  Grondwatertrappen op de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 (via geoplaza.vu.nl);  (Rijks)monumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen bebouwing aanwezig;  Informatie van de opdrachtgever over het plangebied;  Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl);  Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding). Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond. Binnen het plangebied zijn geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Er zijn geen ondergrondse tanks aanwezig (www.bodemloket.nl). Evenwijdig aan het noordelijke deel van de zuidwestgrens van het plangebied is een leiding aanwezig (Bijlage 2, Brouwer & van der Werff 2012). Op de bodemkaart staan de gemiddelde grondwaterstanden aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII, geoplaza.vu.nl). Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VII). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 160 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. 2.2

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (www.nitg.tno.nl);  Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN2/3 grid 0,5 x 0,5 m);  Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl); De volgende onderzoeksvragen worden in deze paragraaf beantwoord: 1. Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot ca. 200 m van de onderzoekslocatie) en in de ondiepe ondergrond? d) Hoe dik is de holocene deklaag? 2. Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? 3. Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? 4.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Het plangebied ligt in het oostelijke zandgebied van Nederland. Het landschap in dit gebied heeft vooral tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (circa 370.000 – 115.000 jaar geleden) en de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 – 11.755 jaar geleden) vorm gekregen (Berendsen 2005).

KSP Archeologie

10

Aan het einde van de voorlaatste ijstijd in het Laat-Saalien (circa 150.000 – 130.000 jaar geleden), toen het landijs was afgesmolten, heeft de Rijn door het dal van de huidige IJssel richting het noorden gestroomd. Tijdens deze koude periode heeft de Rijn een vlechtend rivierpatroon gehad. Een vlechtend rivierpatroon betekent dat de rivier gekenmerkt wordt door een zeer brede riviervlakte met een grillig systeem van ondiepe geulen die zich voortdurend verplaatsen. De rivierafzettingen uit deze periode worden tot de Formatie van Kreftenheye gerekend en bestaan hoofdzakelijk uit grof zand en grind (Stouthamer et al. 2015). Deze afzettingen liggen in het plangebied in de diepere ondergrond (Van de Meene 1988). In het Midden-Weichselien, tussen circa 40.000 – 30.000 C14-jaren geleden, heeft de hoofdstroom van de Rijn zich naar het gebied ten zuiden van het Montferland verlegd (Busschers 2008). In deze periode is in het plangebied geen rivier actief geweest. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 – 15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer et al. 2015). Hierbij is dekzand over de fluvioperiglaciale afzettingen afgezet.

Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Stouthamer e.a. 2015). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Vanaf het Laat-Glaciaal (circa 15.700 – 11.755 jaar geleden) is het plangebied beïnvloed door de rivier de Oude IJssel, die nu ten zuidwesten van het plangebied ligt (Figuur 3, nummer 131). Deze heeft verschillende rivierterrassen gevormd, waarvan de laatglaciale meandergordel uit het Allerød (Figuur 3, nummer 702) in de ondergrond van het plangebied aanwezig is. Naast oeverafzettingen direct langs de bedding is vanuit deze meandergordel ook klei/leem afgezet in de wat verder van de bedding gelegen lagere delen van het zandige rivierterras. Dit blijkt ook uit boring B40F1221 (www.dinoloket.nl), gelegen net ten zuidwesten van het midden van de zuidwestgrens van het plangebied. Hier is onder een 1,55 m dik matig grof zandpakket een 15 cm dikke klei/leemlaag aangetroffen, met daaronder uiterst grof rivierzand.

Aan het einde van het Laat-Glaciaal, de Jonge Dryas (circa 12.745 – 11.755 jaar geleden), is het tijdelijk heel koud en droog geworden en hebben de rivieren deels weer een vlechtend rivierpatroon gekregen, waaronder de Schlederhorst stroomgordel ten zuidwesten van het plangebied (Figuur 3, nummer 569). Vanwege het koude en droge klimaat zijn delen van de overstromingsvlakte een groot deel van het jaar droog en onbegroeid (Stouthamer et al. 2015). Op deze manier is zand beschikbaar gekomen, dat voornamelijk door zuidwesten winden is weggeblazen en elders op de hogere terrasdelen langs de rivier (de laatglaciale meandergordel en het Laagterras) weer is neergelegd. Zo zijn rivierduinen gevormd en is dekzand afgezet. Volgens de geomorfologische kaart (Bijlage 1) komen in het plangebied van het zuidwesten naar het noordoosten gaand respectievelijk dekzandwelvingen (code L51), een dekzandrug (code B53) en een landduin (code B58) voor. Waarbij het landduin waarschijnlijk een rivierduin betreft. Het rivierduinzand en het dekzand dat in de Jonge Dryas uit de bedding van de voornamelijk vlechtende rivier is opgewaaid en over een kortere afstand is getransporteerd is grover dan het dekzand dat eerder in het Laat-Pleniglaciaal is afgezet en een andere bron kent en over grotere afstand is getransporteerd.

Het rivierduinzand bestaat uit matig gesorteerd, matig grof, scherp zand en wordt tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel gerekend (gemiddelde mediaan van circa 300 μm) (Stouthamer et al. 2015).

KSP Archeologie

11

Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart (Cohen et al. 2012).

Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 4) is het hierboven geschetste beeld van een overgang van dekzandwelvingen (lichtgroene kleur) via een dekzandrug (gele kleur) naar een land/rivierduin (oranje kleur) redelijk goed te herkennen, hoewel het land/rivierduin net ten noordoosten van het plangebied lijkt te liggen ten opzichte van de geomorfologische kaart (Bijlage 1). De hoogte van het terrein neemt vanaf het zuidwesten, ca. 13,0 m +NAP, toe naar ca. 15,0 m in het noordoosten, waarbij het rivierduin net ten noordoosten van het plangebied een hoogte heeft van 19,0-21,0 m +NAP. Ook zijn op het AHN binnen het plangebied enkele rechthoekige structuren te zien (blauwe kleuren), die mogelijk duiden op afgravingen. In het Holoceen (circa 11.755 jaar geleden tot heden) is het klimaat warmer en vochtiger geworden en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. Het dekzand en rivierduinzand zijn door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken en rivieren hebben zich ingesneden. Er is geen holocene deklaag aanwezig. De huidige Oude IJssel ligt op ruim 1.100 m ten zuidwesten van het plangebied.

KSP Archeologie

12

Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

Volgens de bodemkaart (Bijlage 2) worden er in het plangebied vooral hoge zwarte enkeerdgronden (code zEZ21) verwacht. Langs de noordoostelijke rand worden vorstvaaggronden verwacht (code Zb21). Enkeerdgronden worden gekenmerkt door een humushoudende bovengrond die dikker is dan 50 cm (De Bakker& Schelling 1989). Deze worden ook wel plaggendekken genoemd en zijn ontstaan, doordat in de regio Achterhoek vanaf ca. de 15e en 16e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. De oorspronkelijke bodem onder het plaggendek is waarschijnlijk een vorstvaaggrond, zoals ook voor het noordoostelijke deel van het plangebied staat aangegeven. Vorstvaaggronden ontwikkelen zich meestal in mineralogisch rijker zand in tegenstelling tot podzolgronden die meestal in mineralogisch armer zand worden aangetroffen. Door de rijkere bodem is er meer bodemleven, waardoor vorstvaaggronden kunnen ontstaan. Vorstvaaggronden hebben een ‘vage’ humushoudende bouwvoor (Ap-horizont), door de voortdurende omwerking als gevolg van een hoge biologische activiteit. Onder de bovengrond is een min of meer homogene verbruiningsslaag aanwezig (Vroon 2000).

Door de voortdurende omwerking behoort deze bodem tot de vaaggronden, maar dat is dus niet het gevolg van een beperkte periode van bodemvorming. Deze gronden kunnen soms abusievelijk als enkeerdgronden worden aangezien. Aangezien de zandige afzettingen van de Oude IJssel mineralogisch gezien relatief rijk zijn, moet het dekzand uit een lokale bron, één van de pleistocene rivierterrassen uit de directe omgeving, zijn opgestoven. 2.3

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:

KSP Archeologie

13

 

              

Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); Historische kaarten uit de afgelopen 300 jaar: Hottingerkaart (Versfelt 2003, Topografische Militaire Kaart uit 1850 (www.wildernis.eu), Bonnebladen en topografische kaarten (www.topotijdreis.nl); Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (Haartsen 2009); Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland: geen cultuurhistorische elementen aanwezig binnen plangebied; Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl); V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl); Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): geen melding binnen het plangebied; Luchtfoto uit 2017 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v.

het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn meerdere mogelijke afgravingen zichtbaar (zie paragraaf 2.2); In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.

De volgende onderzoeksvraag wordt in deze paragraaf beantwoord: 5. Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) de Hottingerkaart, b) het Kadastraal minuutplan, c) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en d) het Bonneblad? Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, landbouwgrond, historische wegen etc. Aard, omvang, diepteligging en locatie van (mogelijke) bodemverstoringen, bodemvervuilingen. Het plangebied ligt in de regio IJsselvallei, die bestaat uit het dal van de Oude IJssel en het dal van de IJssel (Haartsen 2009). Het plangebied maakt onderdeel uit van het eerstgenoemde dal en heeft een overlap met de regio de Graafschap. De Oude IJssel komt bij Ulft ons land binnen en neemt op haar tocht naar Doesburg verschillende zijbeken op, zoals de Aastrang, de Keizersbeek en de Boven-Slinge. De rivier loopt in een breed dal tussen de hogere gronden van Montferland en de rivierduin/dekzandrug van Keppel-Doetinchem. Door de gunstige ligging aan zowel land- als waterwegen zijn er aan de oevers van de Oude IJssel diverse welvarende steden en dorpen ontstaan. De aanwezigheid van ijzererts in de vorm van oerbanken heeft geleid tot de voor deze omgeving kenmerkende ijzerindustrie.

Behalve de dekzandruggen en de rivierduinen, die zijn ontstaan in de laatste ijstijd en het begin van het Holoceen, vinden we in de IJsselvallei ook oeverwallen die door de rivier zijn gevormd. Al met al bestaat het landschap van de regio uit een afwisseling van hogere en lagere gronden. De aanwezigheid van doorgaande landwegen en bevaarbare waterwegen leidde tot het ontstaan van diverse

KSP Archeologie

14

handelsnederzettingen, waarvan sommige uitgroeiden tot belangrijke steden: Doetinchem, Doesburg, Zutphen en Deventer. De dorpen liggen op de hogere delen van het gebied: op rivierduinen, dekzandkopjes en de oeverwallen van de IJssel. Het bodemgebruik was sterk gebonden aan de terreingesteldheid: de hogere delen van het land werden als akker gebruikt, de lagere als weide of hooiland. Uitgestrekte heidevelden waren nauwelijks te vinden op de flanken van de IJsselvallei. Volgens Dirkx & Nieuwenhuizen (2013) behoorde het overgrote deel van het plangebied tot het landschapstype van de stroomrug ontginningen, dat wat indeling betreft in de loop der tijd totaal is veranderd. Gezien de aanwezigheid van dekzandwelving, dekzandrug en land/rivierduinen kan dit niet kloppen en moet het plangebied gerekend worden tot het landschapstype van de kampontginningen met plaatselijke essen, wat op grond van de bodemkaart ook aannemelijk is. Het landschap is na 1850 ingericht. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op de Hottingenkaart uit 1773-1794 is het plangebied onbebouwd en grotendeels nog niet verkaveld (Figuur 5). Alleen in het zuidoostelijke deel is verkaveling te zien. Binnen de zuidoostelijk helft is ook een land/rivierduin prominent aanwezig, die ongeveer noord-zuid is georiënteerd.

De Keppelseweg is al aanwezig, maar ligt iets meer ten zuidwesten van het plangebied ten opzichte van de huidige ligging. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 6) is het plangebied nog steeds onbebouwd, maar wel verkaveld. Vanaf het midden van de noordoostgrens loopt een pad richting het zuidwesten naar de Keppelseweg, die nu wat meer richting het plangebied is opgeschoven en deels de zuidwestelijke begrenzing van het plangebied vormd. De percelen met de nummers 43, 47 en 52 zijn in gebruik als bouwland, de percelen met de nummers 48, 49 en 50 als bos en het perceel met nummer 51 als heide, waar ook het noord-zuid georiënteerde duin ligt. Op de kaart uit ca. 1898 (Figuur 7) is het plangebied nog steeds onbebouwd, maar zijn er aan de zuidwestzijde, net buiten het plangebied, wel twee gebouwen aanwezige. Ook is het landgebruik op deze kaart duidelijk te zien, bos is groen, weiland is lichtgroen, bouwland is wit en heide is wit met rode stippen (duin). Mogelijk dat het deel dat als weiland in gebruik is toen mogelijk al was afgegraven, zoals vermoed werd op grond van het AHN-kaartbeeld (Figuur 4, paragraaf 2.2). Op de kaart uit 1930 (Figuur 8) is te zien dat het duin met heide nu deels is bebost en het westelijke deel van het duin is afgegraven. Het plangebied is onbebouwd en grotendeels in gebruik als bouwland.

Bij de woning ten zuidoosten van het weiland staat nu nog een gebouw ten noordoosten van de woning. Ook bij de woning ten westen van het duin is er een gebouw ten noordoosten bijgekomen. Op de kaart uit 1957 (Figuur 9) is het plangebied nog steeds onbebouwd en is het noordelijke deel van het duin grootschalig afgegraven (naar binnen wijzende zwarte driehoekjes) en in gebruik als weiland, wat ook uit het AHNkaartbeeld blijkt (Figuur 4). Ten oosten van deze afgraving is nu een nieuw pad te zien. Ook het weiland met bebouwing aan de zuidoostzijde is verder afgegraven. Hier is de bebouwing toegnomen met een woning en meerder schuren en leiden er nu ook twee paden naar toe. Het plangebied is in gebruik als bouwland en weiland. Op de kaart uit 1966 (Figuur 10) is het plangebied onbebouwd en is er nog meer grond afgegraven, waardoor het areaal aan weiland is toegenomen. Alle aanwezige bebouwing bevind zich net buiten het plangebied aan de zuidwestzijde van de zuidoostelijke helft van het plangebied. Op de kaart van 1977 (Figuur 11) is het plangebied onbebouwd en is het middengedeelte in gebruik als weiland en het noordwestelijk en zuidoostelijke deel als bouwland. Het plangebied is onbebouwd tot op heden en nu geheel in gebruik als bouwland (Figuur 1).

Zowel op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed als op de kaart met V1 & V2 inslagen staan geen vermeldingen van resten uit WO II binnen het plangebied en de directe omgeving aangegeven (www.ikme.nl en www.vergeltungswaffen.nl).

KSP Archeologie

15

Figuur 5: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1774-1794 (bron: Versfelt 2003).

Figuur 6: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

16

Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1898, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1930 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

17

Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 1966 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

18

Figuur 11: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl).

Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl). Wel blijkt uit het historisch kaartmateriaal en het AHN-kaartbeeld dat een aanzienlijk deel van het plangebied is afgegraven (ca. 30%), waardoor eventueel aanwezige archeologische resten in het dekzand en het duinzand zijn verdwenen. 2.4

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologisch Informatiesysteem (archis.cultureelerfgoed.nl);  Historische kaarten (zie paragraaf 2.2);  Gemeentelijke archeologische beleidskaart (Oosterhout 2008).  Historische Vereniging Deutekom (via email aan: secretaris@deutekomhistorie.nl). De volgende onderzoeksvraag wordt in deze paragraaf beantwoord: 6.

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondsten/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie, dat wil zeggen zowel systemisch (indien redelijkerwijs uit de gegevens af te leiden) als volgens het

KSP Archeologie

19

principediagram (Willemse & Kocken 2012, Bijlage 3) (zo gespecificeerd mogelijk (top-down typering) op basis van de waarnemingen). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstlocaties aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn geen AMK-terreinen, maar wel meerdere onderzoeksmeldingen en is één vondstlocaties gemeld (Tabel 1, Bijlage 4).

Onderzoeksmelding 2038854100 (Nederbergweg 4, Bergman et al. 2003) De toplaag van alle boringen is sterk verstoord, onder deze laag is nog een restant van het esdek aanwezig nnet uitzondering van de boringen 6, 7, 8 en 9 (bijlage 3). Onder het esdek zijn geen archeologische indicatoren zoals vuursteen, bot, houtskool, ijzerslakken of aardewerk gevonden. In het esdek is één ijzerslak gevonden, deze is echter niette dateren door het ontbreken van dateerbaar materiaal zoals potscherven. Het esdek heeft een dikte van maximaal 1,6 meter, onder het esdek van de boringen 1, 2, 11 en 12 gaat het profiel over in een moderpodzol. Het esdek is ontstaan op een rivierduin. De boringen 6, 7 en 8 zijn in een opgehoogd of opgespoten gedeelte van het terrein gezet waar een meandergeul heeft gelopen. Op basis van de boringen, de stratigrafie en het ontbreken van vondstmateriaal is de onderzoekslocatie te interpreteren als een gebied met een lage archeologische verwachting. Door het ontbreken van archeologische indicatoren is er geen datering te geven aan de aangetroffen grondlagen. De ijzerslak, aangetroffen in boring 4, geeft geen indicatie voor de antropogene invloed van het terrein in het verleden. Sporen van een cultuurlaag zijn in de boringen niet aangetroffen.

Onderzoeksmelding 2170316100 (Rozengaarderweg, Koeman 2007) Aan de randen van het plangebied, de hogere delen, zijn meestal veldpodzolgronden aangetroffen (boring 2, 3, 6, 7, 11, 17, 23, 24 en 25). Deze bodems hebben een 10-20 cm dikke donkergrijs(zwarte) bovengrond, waar soms loodzandkorrels in aanwezig zijn. Hieronder ligt de bruingekleurde B-horizont van gemiddeld 20-40 cm dik. Onderin de B-horizont is de bodem soms sterk roestig. Waar dat het geval was, zijn de boringen vanwege deze oerlaag gestaakt (boring 2, 3, 4, 12, 17, 19, 23 en 24). De oerlaag zorgt namelijk voor een schijngrondwaterstand en het voortbestaan van het ven.38 Een groot deel van de overige boringen heeft onder de bovengrond een (licht)bruin(grijs) gekleurde horizont, die is geïnterpreteerd als een verbruinde Bw-horizont (boring 4, 5, 9, 10, 13, 15, 18, 21 en 22). Naar beneden toe wordt de bodem geleidelijk lichter van kleur. Deze bodems zijn geclassificeerd als vorstvaaggronden. De C-horizont bestaat in het algemeen uit zwak siltig, matig fijn zand, soms uit matig grof zand, zoals in boring 5, 6 en 7. Op basis van de textuur is het lastig onderscheid te maken tussen rivierduinafzettingen en dekzand. De aanwezigheid van enerzijds veldpodzolgronden en anderzijds vorstvaaggronden geeft echter aan dat de sedimenten een pleistocene ouderdom hebben.

Bij 8 boringen is boven de veldpodzolgrond of vorstvaaggrond een zandlaag aangetroffen van 20 tot 50 cm dik (boring 9, 10, 11, 13, 17, 23, 24 en 25). Hier is sprake van een overstoven bodem (afbeelding 8). De bodems met een stuifzanddek zijn in het zuiden en in het westen van het plangebied aanwezig. Mogelijk is ook in boring 12 een stuifzanddek aanwezig. Dit was niet met zekerheid vast te stellen, omdat de boring op 60 cm beneden maaiveld is gestaakt vanwege de oerlaag. Bovendien zag de zandlaag tussen 20-30 cm beneden maaiveld er verstoord uit. Onderzoeksmelding 2241450100 (Lubberslaan 18 en 19, Ten Broeke 2009) Tijdens het karterend booronderzoek is vastgesteld dat de bodemopbouw bestaat uit een eerdlaag op dekzand. Ter plaatse van het zuidwestelijk deel van het terrein behorende tot het erf gelegen aan de Lubberslaan 19 bevindt zich een 50 tot 80 cm dik pakket ophoogzand, welke in een eerder stadium op de eerdlaag is aangebracht. Verder heeft de eerdlaag binnen het terrein behorende tot het erf gelegen aan de Lubberslaan 19 een dikte van 70 tot 100 cm en kan hierdoor als zwarte enkeerdgrond worden geclassificeerd. Ter plaatse van het terrein behorende tot het erf gelegen aan de Lubberslaan 18 heeft de eerdlaag een dikte van 40 cm en wordt hierdoor geclassificeerd als akkereerdgrond.

Onder de eerdlaag werden geen restanten van ouder (podzol)bodems aangetroffen, maar het oorspronkelijke

KSP Archeologie

20

moedermateriaal, dekzand. De eerdlaag ter plaatse van het noordoostelijk deel van het erf gelegen aan de Lubberslaan 19 en ter plaatse van het gehele terrein behorende tot het erf gelegen aan de Lubberslaan 18 is vergraven tot in de C-horizont, hetgeen zich uit in een zogenaamde menglaag of A/Chorizont. De top van het onverstoorde moedermateriaal ligt binnen het gehele plangebied tussen 60 en 180 cm beneden het huidige maaiveldniveau.

Onderzoeksmelding 2389771100 (hoogspanningsverbinding, Boon et al. 2014). Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied bestaat uit rivierafzettingen, voornamelijk bestaande uit lichte klei en zavel op zand. Dit komt in grote lijnen overeen met de verwachtingen uit het bureauonderzoek (onderzoeksmelding 2363883100). De bodems die in de boringen zijn aangetroffen, doen vermoeden dat een groot deel van de mastlocaties in het verleden minder geschikt waren voor (permanente) bewoning, vanwege activiteiten van de Oude IJssel. De top van de Pleistocene Kreftenheye-formatie bevind zich op circa 1 m beneden het maaiveld. Nabij Ulft is in een aantal boringen dekzand aangetroffen, dit is een indicatie voor hogere, drogere gronden. Een groot deel van het dekzand bleek echter verstoord en/of verspoeld te zijn. Alhoewel niet kan worden uitgesloten dat er in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied bewoningsresten aanwezig zijn, zijn er tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren waargenomen. Onderzoeksmelding 2440298100 (Kabeltracés Doetincem-Wesel, Boon et al. 2014) Keppelseweg (25 boringen). De laagopeenvolging in de bodemopbouw wordt van boven naar beneden beschreven. De afdekkende humeuze toplaag bestaat uit een bouwvoor en/of verstoorde laag van zand of zavel met een gemiddelde dikte van 0,35 m (variërend van 0,15 m tot 0,75 m).

In deze laag zijn geen relevante archeologische indicatoren waargenomen. Onder deze afdekkende laag ligt een pakket veelal matig grof zand, met uitzondering van B02, B03 en B04, waar lichte klei is aangetroffen. De bodem onder de bouwvoor is veelal verstoord, tot een gemiddelde diepte van 1 m –mv. In boringen P03 is de verstoring zelfs 2,30 m diep. Dieper in de ondergrond, op een gemiddelde diepte van 1,55 m, bevindt zich in ongeveer de helft van de boringen (B02, P02, P03, B10, B11, B12, B17, B18, B19, B20, B26 en B27) zavel en klei, waaronder weer matig grof zand voorkomt. Dit zijn afzettingen van de Oude IJssel. In boring B10 is bovendien een pakket veen van 0,6 m dik aangetroffen, op een diepte van 0,8 m.

Type onderzoek (6g)

Aard vondstlocatie/resultaten (indien van toepassing/ bekend 6b, d, e, f en h)

Datering (indien van toepassing/ bekend c6)

Nederbergweg 4

Bureau- en booronderzoek 2003 door Synthegra

Zie tekst

n.v.t.

2170316100

Rozengaarderweg

Bureau- en booronderzoek 2007 door Synthegra

Zie tekst

n.v.t.

2241450100

Lubberslaan 18,19

Bureau- en booronderzoek 2009 door Econsultancy

Zie tekst

n.v.t.

2363883100

Doetinchem, hoogspanningskabel

Bureauonderzoek 2009 door Arcadis

Geen relvante informatie voor huidig plangebied

n.v.t.

2389771100

Hoogspanningsverbinding Doetichem-Wesel

Booronderzoek 2012 door Sweco

Zie tekst

n.v.t.

2440298100

Kabeltracés DoetinchemWesel

Booronderzoek 2014 door Sweco

Zie tekst

n.v.t.

4618972100

Doetinchem

Bureauonderzoek 2018 door Vestigia

Niet relevant voor huidige onderzoek

n.v.t.

Onderzoeks/vondstmelding

Locatie

2038854100

2691828100 Heksenplas Onbekend, 1975 1 stuks aardewerk, urnenveld BRONSL-IJZV Tabel 1: Overzicht van de onderzoeks- en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

21

Uit de bestudeerde voor het huidige plangebied meest relevante onderzoeksmeldingen (2038854100, 2170316100 en 2241450100) komt naar voren dat in het plangebied veld- dan wel vorstvaaggronden kunnen worden verwacht, die eventueel zijn afgedekt door enkeerdgronden (plaggendek). Deze hebben zich gevormd in het dekzand dan wel rivierduinzand. Op basis van alleen de textuur is het lastig onderscheid te maken tussen rivierduinafzettingen en dekzand. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting (Figuur 12) voor zowel gronden die zijn afgedekt (plaggendek) als voor gronden die niet zijn afgedekt. Ook staat op deze kaart aangegeven dat de zuidoostelijke helft van het plangebied is afgegraven, wat ook al uit het historisch kaartmateriaal is gebleken.

Figuur 12: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem (Oosterhout 2008).

KSP Archeologie

22

De Historische Vereniging Deutekom is via email benaderd voor informatie met betrekking tot het plangebied. Ten tijde van het opstellen van het rapport is nog geen reactie ontvangen. 2.5

Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden

Aangezien het plangebied momenteel onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.2) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.3) worden deze ook niet verwacht. 2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend (Figuur 12). Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.4) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Daarnaast worden de volgende onderzoeksvragen in deze paragraaf beantwoord: 7. Gegeven 1 tot en met 4; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied? 8. Gegeven 5 en 6; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-] constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting]? 9. Gegeven 7 en 8; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? 10.

Wat is de aard (mobilia [materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden], immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? 11. Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt binnen een zone met dekzandwelvingen, een dekzandrug en een land/-rivierduin, afgezet op een rivierterras van de Oude IJssel uit het Allerød. In de tijdens het Weichselien eolisch afgezette dekzanden en rivierduinzanden is vermoedelijk een voorstvaaggrond en/of podzolbodem ontstaan. Aan het einde van de Late Middeleeuwen en/of in de Nieuwe tijd is een plaggendek opgebracht. Mogelijk is de vorstvaaggrond dan wel podzolbodem door landbewerking geheel of gedeeltelijk opgenomen in het plaggendek. De zuidoostelijke helft van het plangebied, waar vooral duinen aanwezig waren, is in de 20e eeuw afgegraven ten behoeve van de zandwinning. Hierdoor zijn daar alle eventueel aanwezige vindplaatsen vanaf het LaatPlaeolithicum/Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd verdwenen.

Afhankelijk van de diepte van afgraving is het mogelijk dat eventueel aanwezige vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum onder het duinzand in het rivierzand van het terras uit de Allerød nog bewaard zijn gebleven. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

KSP Archeologie

23

Periode

Landschap

Laat-Paleolithicum

Pleistocene riviervlakte onder het dek/duinzand

Noordwestelijke helft Laat-Paleolithicum – Neolithicum

Verwachting

Verwachte kenmerken vindplaats

Onbekend

Hoog

Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen

Zuidoostelijke helft Laat-Paleolithicum – Geen Neolithicum Noordwestelijke helft Nederzetting: cultuurlaag, Neolithicum – Volle (paal)kuilen, greppels, Hoog Middeleeuwen (tot in fragmenten aardewerk, Dekzand, de 13e eeuw) natuursteen, landgebruiksvoorwerpen Zuidoostelijke helft /rivierduin Begravingsresten: kringgreppel, Neolithicum – Volle Geen fragmenten aardewerk (urn), Middeleeuwen (tot in verbrande botresten de 13e eeuw) Noordwestelijke helft Late Middeleeuwen Laag (vanaf de 13e eeuw) – Huisplaats: cultuurlaag, Nieuwe tijd (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, Zuidoostelijke helft gebruiksvoorwerpen Late Middeleeuwen Geen (vanaf de 13e eeuw) – Nieuwe tijd Tabel 2: Archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

Diepteligging sporen Op de noordwestelijke helft onder het dek-/rivierduinzand (1,0 tot meer dan 2,0 m dik) Op de zuidwestelijke helft 0,0 tot 1,0 m dik Onder het plaggendek vanaf de top van de vorstvaaggrond dan wel podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Afgegraven Onder het plaggendek vanaf de top van de vorstvaaggrond dan wel podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Afgegraven

Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de Chorizont

Afgegraven

Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt binnen een zone met dekzandwelvingen, een dekzandrug en een land/-rivierduin, afgezet op een rivierterras van de Oude IJssel uit het Allerød. Hoe het landschap van het rivierterras ter plekke van het plangebied eruit heeft gezien is niet bekend. In de tijdens het Weichselien eolisch afgezette dekzanden en rivierduinzanden is vermoedelijk een voorstvaaggrond en/of podzolbodem ontstaan. Aan het einde van de Late Middeleeuwen en/of in de Nieuwe tijd is een plaggendek opgebracht. Mogelijk is de vorstvaaggrond dan wel podzolbodem door landbewerking geheel of gedeeltelijk opgenomen in het plaggendek. De zuidoostelijke helft van het plangebied, waar vooral duinen aanwezig waren, is in de 20e eeuw afgegraven ten behoeve van de zandwinning. Hierdoor zijn daar alle eventueel aanwezige vindplaatsen vanaf het LaatPlaeolithicum/Mesolithicum tot en met de Nieuwe Tijd verdwenen. Afhankelijk van de diepte van afgraving is het mogelijk dat eventueel aanwezige vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum onder het duinzand in het rivierzand van het terras uit de Allerød nog bewaard zijn gebleven. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Hoe het pleistocene rivierlandschap onder het dek-/rivierduinzand eruit heeft gezien ter plekke van het plangebied is onbekend. Daarom is aan het plangebied met betrekking tot dit rivierterras een onbekende verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum. De dekzandwelvingen, dekzandrug en de land/-rivierduin binnen het plangebied vormen met de ten zuidwesten gelegen Schlederhorst

KSP Archeologie

24

stroomgordel een duidelijke gradiëntzone, waardoor aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting is voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum is toegekend en aan de afgegraven zuidoostelijke helft geen verwachting is toegekend. Rivierterras uit het Allerød 1. Datering: Laat-Paleolithicum 2. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats 3. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot) 4. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het dekzand en rivierduinzand in het rivierterraszand op een diepte van één tot meerder meters beneden maaiveld. Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot enige diepte in het rivierzand reiken. 5. Gaafheid en conservering: aangezien het rivierterras is afgedekt door dekzand dan wel rivierduinzand wordt de kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is groot geacht. Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied wordt de kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is iets lager ingeschat, omdat deze mogelijk door de zandwinning is aangetast. 6. Locatie: hele plangebied 7. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. 8.

Mogelijke verstoringen: Aangezien deze vuursteenvindplaatsen op groter diepte worden verwacht zijn deze niet aangetast door landbouwkundige ingrepen. Dekzand- rivierduinlandschap 1. Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum 2. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats 3. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot) 4. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. 5. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf minimaal de Middeleeuwen is de kans groot dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in het plaggendek. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom klein geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Aangezien de zuidoostelijke helft van het plangebied is afgegraven worden daar geen vindplaatsen meer verwacht. 6. Locatie: Noordwestelijke helft van het plangebied 7. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. 8.

Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek. Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied binnen een zone met dekzandwelvingen, een dekzandrug en een land/-rivierduin ligt, is aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting en aan de afgegraven zuidoostelijke helft geen verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).

KSP Archeologie

25

1. 2. 3.

4.

5.

6. 7.

8.

Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door het plaggendek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: noordwestelijke helft plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken.

Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt voor de noordwestelijke helft klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven voor de zuidoostelijke helft aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen (afgraving) in het plangebied.

Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de dorpskern van Langerak ligt. Het plangebied is tot op heden onbebouwd en in gebruik geweest als landbouwgrond. Op basis hiervan worden in het plangebied geen archeologische resten verwacht uit de Late-Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd verwacht. Voor deze periode geldt daarom een lage verwachting voor de noordwestelijke helft van het plangebied en vanwege de afgraving geen verwachting voor de zuidoostelijke helft. 2.7

Conclusie en advies

In deze paragraaf worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 12. Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram, Bijlage 2) kunnen binnen het onderzoeksgebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe. 13. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Op basis van de landschappelijke ligging op een rivierterras Allerød, afgedekt door dekzandwelvingen, een dekzandrug en een land-/rivierduin is aan het plangebied wat het rivierterras betreft een onbekende verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum. Aan het afdekkende pakket is voor de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7669/documents/40285