CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Quickscan flora- en fauna.pdf

beeldvormende raad 16 juni 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 2: Verklaring van geen bedenkingen zonnepark Keppelseweg7.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toetsing Wet natuurbescherming Zonneveld Kraaijvanger, Doetinchem

Toetsing Wet natuurbescherming Zonneveld Kraaijvanger, Doetinchem Definitief

Opdrachtgever LC Energy T.a.v. de heer F. Huizinga Bronland 12 6708 WH Wageningen

Opdrachtnemer Eelerwoude Mossendamsdwarsweg 3 7470 AB Goor 088-1471100 info@eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: P8526.45 Datum: 3-7-2019 Opgesteld: M. Hoofd Gecontroleerd: B. Haamberg Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken.

INHOUD

1

INLEIDING ........................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 4

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 5

2.1 2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 5 Voorgenomen ontwikkeling en ecologisch perspectief ........................................ 5

3

NATUURWETGEVING EN -BELEID .................................................................. 9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding ................................................................................................................ 9 Bescherming van soorten .................................................................................... 9 Bescherming van gebieden ................................................................................. 9 Bescherming van houtopstanden ...................................................................... 10 Gelders Natuurnetwerk ...................................................................................... 12

4

METHODE ......................................................................................................... 13

4.1 4.2

Bureauonderzoek............................................................................................... 13 Terreinbezoek .................................................................................................... 13

5

BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 15

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Planten ............................................................................................................... 15 Zoogdieren ......................................................................................................... 15 Vleermuizen ....................................................................................................... 15 Overige zoogdieren............................................................................................ 18 Vogels ................................................................................................................ 19 Reptielen ............................................................................................................ 20 Amfibieën ........................................................................................................... 21 Vissen ................................................................................................................ 21 Ongewervelden .................................................................................................. 22

6

CONCLUSIE ...................................................................................................... 23

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Conclusie bescherming soorten ........................................................................ 23 Conclusie bescherming gebieden ...................................................................... 24 Conclusie bescherming houtopstanden ............................................................ 24 Conclusie Natuurnetwerk Nederland ................................................................. 24 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 25

LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 26 BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING .............................................. 27

1 1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om in Doetinchem langs de N317 een zonneveld te realiseren. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in. Daarnaast zijn er een aantal aanbevelingen gedaan ten gunste van de ecologie.

4

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1

Huidige situatie

Het plangebied is gelegen ten noordwesten van Doetinchem en bestaat uit bouwland (afbeelding 1, 2 en 3). Het perceel heeft een oppervlakte van circa 15 ha. Het terrein is glooiend en ligt tussen de N317 en het bosrijke gebied van Landgoed Hagen (onderdeel van de Kruisbersche Bosschen). Er is geen beplanting aanwezig in het plangebied. De beplanting om het plangebied heen bestaat aan de noordoostzijde uit een singel van zomereik met onderbegroeiing van met name vlier en braam. Daarachter ligt een wandelpad en het Landgoed Hagen. Aan de kant van de N317 staan twee solitaire beuken, waarvan één rode beuk. Ten zuiden liggen agrarische gronden. In het plangebied is een watergang aanwezig. Het plangebied wordt alleen verlicht vanaf de N317.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling en ecologisch perspectief

De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied een zonneveld te realiseren. Afbeelding 4 toont een inrichtingsschets. De panelen (inclusief constructie) worden zuid georiënteerd en de stellages worden maximaal 2,00 meter hoog ten opzichte van het maaiveld. De kleur van de zonnepanelen is donkergrijs/zwart en er wordt één type paneel toegepast; 6 panelen landscape op 12,5 graad. De panelen worden binnen een hekwerk geplaatst (eis vanuit verzekeraar), zo transparant mogelijk en passeerbaar voor fauna, van maximaal twee meter hoog, inclusief toegangspoorten. De afstand tussen de panelen (de rijen) bedraagt circa 2,20 meter aan de noordwestelijke zijde van het plangebied, en 1,5 meter aan de zuidoostelijke zijde. Daarnaast worden transformator- / omvormerstations gerealiseerd van max 2,6 meter hoog, een inkoopstation van netbeheerder Liander van 3,00 meter hoog en een opslagcontainer voor reserveonderdelen. De watergang zal behouden blijven. Om het zonneveld heen komt een ‘luchtig hekwerk’ zodat het zonneveld een minder industriële uitstraling krijgt. De verlichting zal zeer beperkt blijven. De omgevingsvergunning is in juni 2019 aangevraagd bij de gemeente. Vanuit het perspectief van ecologie is het gunstig om ruimte tussen de panelen te houden. Dit draagt bij aan de mogelijkheden voor natuurontwikkeling.

Maaibeheer is gunstiger dan begrazing, met name voor de verschraling. Als op locatie niet wordt ingezaaid zijn ook geen resultaten te verwachten. Op soort(groep)specifieke effecten wordt in hoofdstuk 5 in gegaan.

Zonneveld Kraaijvanger, Doetinchem Definitief

5

Afbeelding 1. Luchtfoto plangebied. (Bron: ESRI, 2019)

6

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

Afbeelding 2. Globale ligging plangebied (rood omlijnd). (Bron: ESRI, 2019)

Afbeelding 3. Impressie plangebied, situatie op 4 februari 2019.

Zonneveld Kraaijvanger, Doetinchem Definitief

7

Afbeelding 4. Inrichtingsschets (Bron: Eelerwoude, 2019)

8

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

3 3 NATUURWETGEVING EN -BELEID 3.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2

Bescherming van soorten

Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3

Bescherming van gebieden

Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden

instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.

is

dat

deze

Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied In de omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden (afbeelding 4). Op ruim 8 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: Rijntakken. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Afbeelding 4. Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden. (Bron: Provincie Gelderland)

3.4

Bescherming van houtopstanden

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m 2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.

De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen.

Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5

Gelders Natuurnetwerk

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming gelegen in de voormalige EHS. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt direct tegen het NNN aan, maar maakt hier geen deel van uit (afbeelding 5). Het NNN kent geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid is daarom niet noodzakelijk. Er zou bij de landschappelijke inpassing wel rekening gehouden kunnen worden met het NNN door hier op aan te sluiten.

Door een nadere afstemming met de beheerder van Landgoed Hagen kan hier gehoor aan worden gegeven. Het Landgoed ligt in deelgebied 18 van het NNN. Ontwikkelingsdoelen waar op gericht kan worden zijn verbeteren/realiseren van het leefgebied van de das, steenuil, amfibieën en reptielen. Maatregelen worden bij de betreffende soort(groepen) besproken.

Afbeelding 5. Ligging plangebied ten opzichte van het NNN. (Bron: Provincie Gelderland)

4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1

Bureauonderzoek

Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2

Terreinbezoek

Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door M. Hoofd uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 4 februari bij 1ºC, dicht bewolkt weer en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.

Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,

RAVON,

Stichting

Das

en

Boom,

Vogelbescherming

Nederland,

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Planten

Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (winter) lag dit ook niet in de verwachting. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied (bouwland) is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Er worden dan ook geen effecten op beschermde plantensoorten verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2

Zoogdieren

5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats;

-

winterverblijfplaats.

Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

In het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig. Derhalve ontbreken verblijfplaatsen van zowel boombewonende als gebouwbewonende vleermuizen. Foerageergebied en vliegroutes Vleermuizen jagen op insecten. De grootste aantallen insecten bevinden zich rond beplanting en nabij water. In het plangebied is geen beplanting aanwezig. De functie van de watergang zal momenteel ook zeer beperkt zijn omdat er geen beplanting omheen aanwezig is die voor luwte en beschutting zorgt. Langs de bosranden is wel geschikt foerageergebied aanwezig. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen dienen zijn in het plangebied niet aanwezig. De bosranden kunnen wel als vliegroute gebruikt worden. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven.

Door het ontbreken van bomen met holtes en bebouwing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten in het plangebied. Langs de bosranden kan wel gefoerageerd worden en ook kunnen er vliegroutes aanwezig zijn. Mits de verlichting tot het minimum beperkt blijft (zie Kader Verlichting) worden er geen negatieve effecten op verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes verwacht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Het is daarbij wel van essentieel belang dat de verlichting tot het minimum beperkt blijft.

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, vos, haas, konijn, egel en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast zullen een aantal het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Gelderland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Daarnaast kunnen ook zoogdiersoorten die wel beschermd zijn maar waarvoor geen vrijstelling geldt in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Dit betreft: eekhoorn, boommarter, steenmarter en das. Eekhoorn Eekhoorn kan in de bossen rond het plangebied voorkomen. In het plangebied zelf zijn echter geen bomen aanwezig. Voor eekhoorn geldt daarom dat verblijfplaatsen in het plangebied uitgesloten kunnen worden. Boommarter Het plangebied ligt tegen de Kruisbergsche Bosschen, waar Landgoed Hagen ook tot behoord. Dit is potentieel leefgebied van de boommarter, die houdt van grote structuurrijke bossen. Boommarters hebben hun verblijfplaatsen in boomholtes.

Doordat bomen in het plangebied afwezig zijn, zijn verblijfplaatsen in het plangebied uitgesloten. Geschikt foerageergebied ontbreekt momenteel eveneens. Steenmarter De steenmarter is een weinig kritische soort die tot in het centrum van steden te vinden is, maar een voorkeur heeft voor het landelijk gebied. Daar heeft hij veelal verblijfplaatsen in verlaten schuren maar ook soms in takkenhopen, holle bomen of dichte vegetatie. Dergelijk biotoop is in het plangebied afwezig. Er zijn ook geen sporen (krabsporen, uitwerpselen, latrines, prooiresten) rond het plangebied aangetroffen. Steenmarters kunnen grote territoria hebben dus mogelijk heeft het plangebied wel een functie als foerageergebied. Das Van das is bekend dat er zich een populatie bevindt in de Kruisbergsche Bosschen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van das (prenten, neusputjes, latrines, burchten) aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Burchten zijn niet aanwezig, en het plangebied vormt momenteel ook geen geschikt foerageergebied. Enerzijds omdat het intensief wordt gebruikt voor de landbouw; wanneer bodem veel wordt bewerkt raakt het bodemleven verstoord en verdwijnen de insecten. De insecten die overblijven zijn klein en vormen geen prooien voor dassen.

Anderzijds ligt het grondwaterniveau erg laag (grondwatertrap VII, gemiddelde hoogste grondwaterstand 80 cm onder maaiveld, zie bijlage 2). Dassen zijn alleseters maar regenwormen vormen een belangrijke voedselbron. Doordat het grondwater erg diep zit zijn de regenwormen onbereikbaar. Afhankelijk van wat er verbouwd wordt en de periode van het jaar, kan het plangebied op specifieke

momenten wel een functie hebben als foerageergebied. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied. Effecten en ontheffing De ingreep heeft de potentie om te leiden tot een verbetering van het leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Het plangebied moet dan wel toegankelijk blijven voor deze soorten. Bijvoorbeeld door ruimte te houden onder het hekwerk om het niet begraasde deel. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland wel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Voor de strenger beschermde soorten eekhoorn, boommarter en steenmarter zijn er geen verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Het plangebied is ook niet tot weinig geschikt als foerageergebied. Voor deze soorten geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Er zijn geen verblijfplaatsen van dassen in het plangebied aanwezig. Het plangebied kan op specifieke momenten geschikt foerageergebied vormen maar over het algemeen is het weinig geschikt als foerageergebied omdat het aantal (grote) insecten beperkt is en met name de regenwormen te diep zitten om als voedselbron te dienen. Verwacht wordt dat het plangebied na de ontwikkeling geschikter wordt als foerageergebied doordat er geen grondbewerkingen meer uitgevoerd zullen worden.

Daarnaast zal er bij de landschappelijke inrichting rekening gehouden worden met dassen door het gebied voor deze soort toegankelijk te houden. Ook worden er bloemrijke randen aangelegd, beplanting aangelegd met bes- en nootdragende struiken en worden er verschillende vegetatietypen gerealiseerd (Eelerwoude, 2019). Conclusie: Om het plangebied toegankelijk te houden voor grondgebonden zoogdieren wordt aanbevolen om waar mogelijk een hekwerk te gebruiken met 10-20 cm afstand tot de grond.

5.3

Vogels

Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het plangebied om te foerageren; houtduif, vinkachtigen en enkele kraaiachtigen. Broedgelegenheid is nauwelijks aanwezig. Wellicht kan een enkele kievit het bouwland gebruiken om op te broeden. Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd,

steenuil en kerkuil, wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. Buizerd is ook op korte afstand van het plangebied waargenomen tijdens het veldbezoek. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd.

Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Soorten als buizerd, kerkuil en steenuil vallen onder deze bescherming. Met de ontwikkeling worden echter geen negatieve effecten op deze soorten verwacht. Door de landschappelijke inpassing, voldoende ruimte tussen de panelen, begrazing en vegetatieontwikkeling zal de biodiversiteit en dus het voedselaanbod toenemen. Steenuil behoort tot de doelsoorten, samengevat in de kernkwaliteiten van deelgebied 18 van het NNN, waar het plangebied direct tegenaan ligt. Van steenuilen is bekend dat het broedsucces hoog is in steenuilenkasten. Er wordt geadviseerd om navraag te doen of er al steenuilenkasten op erven in de omgeving hangen. Zo niet dan kunnen deze daar worden geplaats, eventueel in overleg met de plaatselijke vogelwerkgroep/uilenwerkgroep. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Nader onderzoek of een ontheffing is niet noodzakelijk, maar ten behoeve van steenuil kunnen er kasten worden opgehangen.

5.4

Reptielen

Voorkomen en functie In het plangebied is momenteel geen geschikt leefgebied aanwezig voor reptielen. Uit de omgeving zijn wel waarnemingen bekend van levendbarende hagedis en hazelworm. Effecten en ontheffing Beschermde reptielen worden niet verwacht in het plangebied. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. In de omgeving zijn wel populaties van levendbarende hagedis en hazelworm

aanwezig. Er zijn mogelijkheden om het plangebied geschikt te maken voor deze soorten door het terrein te verschralen en door het realiseren van mantelzoomvegetatie op de landduin. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk. Er zijn wel mogelijkheden om het plangebied geschikt te maken voor levendbarende hagedis en hazelworm.

5.5

Amfibieën

Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Gelderland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Daarnaast komen ook amfibieënsoorten die wel beschermd zijn maar waarvoor geen vrijstelling geldt in de directe omgeving van het plangebied voor. Dit betreft: heikikker, poelkikker en kamsalamander. In het plangebied is er momenteel geen geschikt leefgebied aanwezig voor deze soorten. Knoflookpad kwam voor 2005 nog voor in de omgeving (Bron: Ravon, 2007). Na 2005 zijn geen waarnemingen meer van deze soort gedaan (Bron: Verspreidingsatlas). Effecten en ontheffing De ingreep zal leiden tot een verbetering van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bovendien bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Op zwaarder beschermde soorten, waarvoor geen vrijstelling geldt, worden geen negatieve effecten verwacht. Er liggen wel mogelijkheden om het leefgebied voor deze soorten te verbeten door middel van het aanleggen van poelen.

Deze zullen wel beleemd moeten worden om uitspoeling te voorkomen. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. Er liggen wel kansen om het leefgebied van deze soorten te verbeteren.

5.6

Vissen

Voorkomen en functie Binnen het plangebied is een afwateringssloot aanwezig. Deze is niet beschikt als leefgebied voor beschermde vissoorten. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7

Ongewervelden

Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Kleine ijsvogelvlinder komt in de omgeving wel voor, maar hiervoor is in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

6 6 CONCLUSIE Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1

Conclusie bescherming soorten

Het plangebied biedt een potentieel habitat voor een aantal beschermde soorten. Hoewel er geen gerichte en uitgebreide veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en eenmalig veldbezoek vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele soorten zonder deze vrijstelling. Voor veel soorten maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soort. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Er zijn wel enkele aandachtspunten: Vleermuizen Nader onderzoek naar verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied is niet noodzakelijk mits de verlichting tot het uiterste minimum wordt beperkt. Das Met de landschappelijke inrichting wordt rekening gehouden met deze soort. Het plangebied zal daardoor voor dassen toegankelijk blijven en geschikter worden als foerageergebied. Grondgebonden zoogdieren Om het plangebied toegankelijk te houden voor grondgebonden zoogdieren wordt aanbevolen om waar mogelijk een hekwerk te gebruiken met 10-20 cm afstand tot de grond. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Verder dient er bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met nesten van vogels en de algemene zorgplicht.

Vogels met jaarrond beschermde nesten Nader onderzoek of een ontheffing is niet noodzakelijk, maar ten behoeve van steenuil kunnen er kasten worden opgehangen. Reptielen Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk. Er zijn wel mogelijkheden om het plangebied geschikt te maken voor levendbarende hagedis en hazelworm. Amfibieën Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. Er liggen wel kansen om het leefgebied van deze soorten te verbeteren. Beheer Vanuit het perspectief van ecologie is het gunstig om ruimte tussen de panelen te houden. Dit draagt bij aan de mogelijkheden voor natuurontwikkeling. Maaibeheer is gunstiger dan begrazing, met name voor de verschraling. Als op locatie niet wordt ingezaaid zijn ook geen resultaten te verwachten.

6.2

Conclusie bescherming gebieden

Op ruim 8 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied: Rijntakken. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

6.3

Conclusie bescherming houtopstanden

Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

6.4

Conclusie Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt direct tegen het NNN aan, maar maakt hier geen deel van uit (afbeelding 5). Het NNN kent geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid is daarom niet noodzakelijk. Er zou bij de landschappelijke inpassing wel rekening gehouden kunnen worden met het NNN door hier op aan te sluiten.

6.5

Geldigheid onderzoek

Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

LITERATUURLIJST -

ESRI (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home. Eelerwoude (2019). Zonneveld Keppelseweg, landschappelijk inpassingsplan, mei 2019. Eelerwoude. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Provincie Gelderland. Kernkwaliteiten GNN en GO. Datum van raadplegen: 04-022019. http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten. Provincie Gelderland. Natura 2000. Datum van raadplegen: 04-02-2019. http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_natura2000. Provincie Gelderland (2019). Uitvoeringskader Fauna Gelderland. Datum: 05-022019. Ravon (2017). Atlas reptielen en amfibieën in Gelderland 1985 – 2005. Verspreidingsatlas. Datum van raadplegen: 05-02-2019. www.verspreidingsatlas.nl

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende plantenen diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

1

De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat

van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in:

1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

BIJLAGE 2 BODEMKAART

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7661/documents/40126