Bijlage 4 Landelijk gebied - 2020 Bijlagen bij de regels Bijlage 30 Landschappelijke inpassing IJzevoordseweg 38 Doetinchem.pdf
Tekst van het document
Landschappelijke inpassing
IJzevoordseweg 38 in Doetinchem
Colofon
Landschappelijke inpassing
IJzevoordseweg 38 in Doetinchem
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Van Westreenen dhr. R. ten Pas
Projectnummer en versie: 764, versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: IJzevoordseweg 38 in Doetinchem
Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise
Status: concept Rapportdatum: 15-12-2016
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122RR Aalten info@natuurbankoverijssel.nl
@natuurbankOverijssel
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding........................................................................................................................................... 3 2. Het plangebied................................................................................................................................. 3 2.1 Situering..................................................................................................................................... 3 2.2 Beschrijving van het plangebied ................................................................................................... 3 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................. 5 4 Landschap......................................................................................................................................... 5 4.1 Algemeen ................................................................................................................................... 5 4.2 Landschap .................................................................................................................................. 5 4.3 Ontstaansgeschiedenis van het omringende landschap ................................................................. 6 5.
Ruimtelijke kwaliteit ......................................................................................................................... 8 5.1 het erf in het landschap............................................................................................................... 8 5.2 Analyse van de ruimtelijke kwaliteit ............................................................................................. 8 5.3 Conclusie.................................................................................................................................... 9 5.4 Uitgangspunten voor landschappelijke inpassing .......................................................................... 9 6. Het ontwerp................................................................................................................................... 11 7. Inrichting en beheer ....................................................................................................................... 11 7.1 Inrichtingsmaatregelen ............................................................................................................. 11 7.2 Beheer ..................................................................................................................................... 13
2
1. Inleiding Er zijn concrete plannen voor vergroting van het agrarisch bouwperceel aan de IJzevoordseweg 38 in Doetinchem. Na vergroting van het agrarisch bouwperceel zijn er plannen voor de bouw van een nieuwe melkveestal, werktuigenberging en kuilvoeropslag. Natuurbank Overijssel is gevraagd om een erfinpassingsplan te ontwerpen voor de wenselijke nieuwe situatie. Voorliggend rapport presenteert een ontwerp voor landschappelijke inpassing van het nieuwe erf. Dit ontwerp is tot stand gekomen na analyse van de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de directe omgeving, het omringende landschap met bijbehorende beplantingsvormen en type beplanting en bouwstijl en gebruikte materialen voor de nieuwbouw. Naast een voorstel voor landschappelijke inpassing, worden concrete adviezen gegeven voor de inrichting van het erf en het beheer van de erfbeplanting om tot het wenselijke eindbeeld te komen.
2. Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres IJzevoordseweg 38 in Doetinchem. Het ligt in het buitengebied, net ten oosten van de Slangenburg. Op onderstaande luchtfoto wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven met de cirkel.
Globale ligging van het plangebied in de omgeving. Het plangebied wordt met de cirkel aangeduid. Bron: Provincie Gelderland.
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een agrarisch erf waarop een melkveebedrijf is gevestigd. Op het erf staan een woning, een loopstal, werktuigenberging en een jongveestal. Aan de zuidzijde van het erf ligt een mestsilo, kuilvoerplaten liggen aan de oostzijde van het erf. Op onderstaande luchtfoto wordt het erf meer in detail weergegeven.
3
Detailopname van het plangebied. Bron: Provincie Gelderland.
4
Impressie van het plangebied. foto’s: Auteur.
3 Voorgenomen activiteiten De voorgenomen activiteit bestaat uit het bouwen van een nieuwe melkveestal, werktuigenberging en kuilvoeropslag. Op onderstaande afbeelding wordt een verbeelding van de huidige en wenselijke situatie weergegeven.
Verbeelding van de huidige (links) en wenselijke nieuwe situatie (rechts).
4 Landschap 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beschrijving van het landschap rondom het plangebied, streekeigen beplanting en –beplantingsvormen en de ruimtelijke kwaliteit van het nieuwe erf. Dit hoofdstuk levert als het ware de bouwstenen voor het erfinpassingsplan. 4.2 Landschap Het plangebied ligt in een kampenlandschap, afgewisseld met jong ontginningslandschap (heide ontginning). Het erf is een oude bouwplaats (Steenhouwer) die al op kaarten van medio 19e eeuw wordt vermeld. De kleine boerderijen, met elk hun eigen éénmansesjes lagen verspreid in het landschap dat werd afgewisseld door woeste gronden (heide) en beboste percelen, grotendeels behorende tot de 5
heerlijkheid Slangenburg. Op onderstaande uitsnede van de historische topografische kaart wordt de ligging van het plangebied anno 1900 weergegeven.
Uitsnede uit de historische topografische kaart anno 1900. Bron: Kadaster 2016.
4.3 Ontstaansgeschiedenis van het omringende landschap Tijdens het Saalien, de laatste ijstijd waarbij het landijs tot in Nederland kwam, werden de Rijn en Maas gedwongen hun noordelijke loop door respectievelijk het huidige IJsseldal en de Gelderse Vallei, af te buigen naar het westen. De sedimenten die door de Rijn en Maas waren afgezet, werden door het ijs opgestuwd en deels overdekt met nieuwe lagen. De stuwwallen, zoals de Montferlandsche Berg, zijn daarvan de meest evidente overblijfselen. Het is daardoor mogelijk oude sedimentlagen (klei) van bijna een miljoen jaar geleden op plekken in Montferland te vinden. Door de stuwing van het landijs zijn de afzettingslagen veelal scheef komen te liggen, waardoor men in de stuwrichting verschillende lagen op korte afstand van elkaar kan aantreffen. Waar slecht doorlatende kleilagen voorkomen, zijn soms meertjes ontstaan, zoals bij het Peeske ten zuidoosten van Beek. Bij het smelten van het ijs stroomde het water van de stuwwallen en liet grof, kriskras gelaagd materiaal achter, de smeltwaterafzettingen (sandr). Vooral in het voorjaar werd veel smeltwater bovengronds afgevoerd over de nog bevroren ondergrond (permafrost). Daarbij zijn brede dalen ontstaan, bijvoorbeeld tussen Zeddam en Stokkum, waar het de scheiding vormt tussen het gestuwde preglaciale materiaal en het gestuwde materiaal bedekt door een smeltwaterafzetting.
Voor de mond van de dalen ligt uitgeschuurd, grof materiaal: de uitspoelingswaaiers. De Rijn had in de warmere tussenperiode, het Eemien, haar weg in noordelijke richting ten oosten van de Montferlandsche Berg hervonden. Gedurende het koudere Weichselien brak de Rijn door de stuwwallen tussen Montferland en Veluwe en stroomde de Rijnloop ten noorden van de Montferlandsche Berg naar het westen. De brede, vlechtende rivierloop van de Rijn leidde tot terrassen tussen de stuwwallen en het dekzandgebied. Zand dat uit de rivierbedding verstoof vormde ten westen van de huidige Oude IJsselloop (oude) rivierduinen van grof zand. In een koudere tussenperiode van het Weichselien werd veel zand uit de droogstaande rivierbedding door de wind verspreid, het oudere dekzand. Deze afzetting, de formatie van Kreftenheye, die bestaat uit lemige en minder lemige laagjes, komt veel voor in de Liemers en ten oosten van de Oude IJssel. Veelal bevonden zich natte, moerassige plekken zich in het gebied, later ook wel onland genoemd. Soms vond hier ook veenvorming plaats. In het Midden-Weichselien brak de Rijnloop bij de Gelderse Poort door de stuwwal tussen Montferland en Nijmegen-Kleef. Daarmee werd de Oude IJsselloop als hoofdtak verlaten. In de Oude en Jonge Dryastijd was het weer kouder en traden opnieuw zandverstuivingen op. Het Jonger Dekzand I, dat meestal een 6
lager leemgehalte heeft dan het oude dekzand, is veelal in ruggen parallel aan beken afgezet, zoals de rug van Lintelo langs de Keizersbeek. Het Jonger Dekzand II uit de Jonge Dryastijd komt veel voor in de omgeving van Zelhem, langs de randen van de stuwwallen en als ruggen (Halse rug of Romeinendiek). Dit Jonger dekzand ligt even- eens in de omgeving van Didam en Wehl aan het oppervlak, maar welk type dit precies is, is onbekend. Bij het smelten van sneeuw en ijs in het voorjaar werd in korte tijd veel water afgevoerd, waarbij ook veel sediment werd verplaatst. De rivierbeddingen werden hiermee snel opgevuld, waardoor het water een nieuwe weg moest vinden en een systeem van verwilderde of vlechtende watergeulen ontstond. In de warmere perioden van het Weichselien werd het vegetatiedek meer gesloten en voerden de rivieren minder sediment aan, waardoor de hoofdgeulen in hun afzettingen begonnen in te snijden. Bij overstromingen werden over de grove zanden een dunne laag klei gesedimenteerd, de oude rivierklei. Deze naar boven geleidelijk zwaarder wordende afzetting ligt rondom Azewijn en ten noorden en zuiden van de lijn Dieren-Doetinchem aan het oppervlak. Het warmere klimaat van het Holoceen leidde tot eustigere waterafvoeren en meer vegetatie.
Langs de Oude IJssel stuifde het zand op tot (jonge) rivierduinen (Formatie van Kootwijk), waarvan de Kruisberg en Oosseld rond Doetinchem voorbeelden zijn en loopt door langs Gaanderen, Terborg en Gendringen. Tussen Doetinchem en Azewijn zijn deze rivierduinen geleidelijk door dikke lagen jonge rivierklei bedekt en steken alleen de hoogste toppen boven de klei uit. Deze toppen vormden veelal vroege bewoningsplaatsen, zoals Azewijn. Verder van de rivier werd alleen klei afgezet bij overstromingen. Deze kommen, zoals die ten zuiden van ‘s Heerenberg, bevatten zware klei afgewisseld met donkere veenlaagjes (Betuwe-formatie). Het gebied rond Stokkum met grof zand wordt eveneens als holoceen stuifzand beschouwd. Op lagere, vochtige plaatsen kon veen ontstaan, zoals bij Azewijn, Doetinchem, soms in restgeulen van vlechtende rivieren, en in het Goor. Op de Halse rug konden onder menselijke invloed zanden weer gaan stuiven, wat de formatie van Kootwijk vormde. Aan de westkant van het gebied, ten westen van Nieuw-Wehl en Didam ligt het komgebied met kleiafzettingen van de Rijn en IJssel. In de beekdalen van o.a. de Boven-Slinge en Keizersbeek komen gedeelten voor waar door overstroming grove zanden en plaatselijk ook kleiige lagen en veen zijn gevormd.
Ook in de broekgebieden wordt plaatselijk een toplaag aangetroffen van recent door de beken afgezet kleiig materiaal, merendeels dunner dan 40 cm, vaak ijzer bevattend en soms moerig ontwikkeld (bron: LOP-Doetinchem).
Geomorfologische kaart van de ZO-Liemers. Het plangebied wordt met de cirkel aangeduid. 7
5. Ruimtelijke kwaliteit 5.1 het erf in het landschap Zoals zichtbaar op bovenstaande foto’s ligt het erf zichtbaar in het landschap. Het is bereikbaar via een eigen erftoegangsweg vanuit het noorden. Rondom de woning is een eenvoudige siertuin met gazon en een beukenhaag aanwezig en naast de woning staan enkele meters scheerhaag en een kers. De meest in het oog springende beplanting zijn de opgaande loofbomen naast de woning. Rondom het erf ontbreekt beplanting waardoor de gebouwen vrij zichtbaar zijn vanaf de omliggende doorgaande wegen zoals de Berkelaarlaan. Ten westen van het erf loopt de Beneden Slinge, maar deze ligt functioneel op enige afstand van het erf.
Ligging van het erf in het landschap.
5.2 Analyse van de ruimtelijke kwaliteit Het huidige erf heeft geen specifieke ruimtelijke kwaliteiten. Aansprekende, beeldbepalende erfbeplanting ontbreekt op het erf en in het direct aangrenzende agrarisch cultuurland. De huidige- en wenselijke agrarische bebouwing en kuilvoerplaten liggen vrij in het landschap. Vanwege de ligging op enige afstand tot doorgaande wegen, is de beleving van het erf gering. Alleen de noord- en oostzijde is zichtbaar vanaf de Berkelaarlaan. Op onderstaande afbeelding wordt de ruimtelijke kwaliteit weergegeven.
Ruimtelijke kwaliteit; analyse van knelpunten en kwaliteiten.
8
5.3 Conclusie De ruimtelijke kwaliteit van de huidige- en toekomstige erf is beperkt. De bebouwing is van recente oorsprong en beeldbepalende- of historische erfbeplanting ontbreekt. Vanaf de Berkelaarlaan is er vrij zicht op de gebouwen op het erf.
5.4 Uitgangspunten voor landschappelijke inpassing 5.4.1 Algemene uitgangspunten voor een erfinpassingsplan Bij het opstellen van het inpassingsplan is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten; Zichtbaarheid bebouwing Agrarische bebouwing mag zichtbaar zijn in het agrarisch cultuurlandschap. Het uitgangspunt is niet om alle bebouwing achter een ‘groene muur’ te plaatsen. Lelijke objecten worden bij voorkeur wel achter ‘groen’ geplaatst. Inheems plantmateriaal Uitheems plantmateriaal, zoals laurier, fijnsparren en coniferen in siertuinen zijn acceptabel. Het gebruik van uitheems plantmateriaal op het erf wordt verwijderd en vervangen voor inheems plantmateriaal. Streekeigen beplantingsvormen Als plantmateriaal voor nieuwe beplanting wordt streekeigen beplanting gebuikt en benut als streekeigen beplantingsvorm. Beplantingsvormen zijn het resultaat van actief beheer, zoals hakhout, knotten, hoogstamfruitboombeheer, scheerhagen etc. Landschap Het plangebied ligt in het kampenlandschap, op de overgang naar het heideontginningslandschap. Kenmerkende beplantingsvormen van het kampenlandschap zijn o.a. zomereiken laanbomen, erfbosjes, gemengde hakhoutsingel en struweelranden. Werkbaarheid Kuilvoerplaten worden gevuld vanaf de voor- en achterzijde. Daardoor dienen deze niet aan één zijde dichtgemaakt te worden door beplanting.
knaagdieren voer trekt kleine knaagdieren zoals muizen en ratten. Deze huizen onder andere in gebouwen, maar ook in ruige hoeken. Om deze dieren geen vestigingsplaats te bieden wordt er geen opgaande beplanting naast de sleufsilo’s geplaatst.
Uitgangspunten voor verdere versterking van het erf op basis van de ruimtelijke analyse. 9
5.4.2 Bouwstenen voor het ontwerp Op basis van de ruimtelijke analyse worden de volgende aspecten meegenomen in het ontwerp voor de landschappelijke inpassing van het nieuwe erf: Entree Versterken entree van het bedrijf vanaf de IJzevoordseweg door aanplant van laanbomen langs de erftoegangsweg, een meidoornscheerhaag langs de erfgrens en de aanplant van hoogstam fruitbomen bij de entree van het erf. Zicht verminderen op de stal oostzijde Om het zicht op de bebouwing en het erf vanaf de Berkelaarlaan te verminderen, worden enkele solitaire loofbomen geplant. Bewust is deze zijde van het erf niet volledig omzoomd door een houtsingel. Zicht verminderen op achterzijde van het erf Om het zicht op de bebouwing en het erf aan de achterzijde van het erf te verminderen, wordt een singel met opgaande beplanting geplant.
10
6. Het ontwerp Op basis van de ruimtelijke analyse en de karakteristieken van het omringende landschap is een plan voor de landschappelijke inpassing van het nieuwe erf opgesteld. Op onderstaande afbeelding wordt deze weergegeven.
Voorstel voor landschappelijke inpassing van het nieuwe erf.
7. Inrichting en beheer In dit hoofdstuk wordt ingegaan op beheer- en inrichtingsmaatregelen die genomen moeten worden om het erfinpassingsplan in de praktijk ten uitvoering te brengen.
7.1 Inrichtingsmaatregelen Laanbomen en solitaire bomen Op het erf worden zes linden laanbomen geplant, in de voortuin wordt een solitaire walnoot geplant en ten oosten van de sleufsilo’s worden vier solitaire linden geplant. Als plantmateriaal worden als laanboom gekweekte bomen gebruikt met een minimale stamomtrek van 14-16 cm op 1,5 meter hoogte. Het aanplanten van een boom kan plaats vinden tussen half november en half maart, mits het niet vriest. Specifieke plantinstructie 1. Voor het aanplanten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat dient daarom ongeveer een afmeting te hebben van 70x70x70 cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. 2. Plaats daarna een boompaal van onbehandeld hout naast de boom (maat 250 cm lengte bij 8 cm doorsnede), op ongeveer 15 cm van de boom, aan de kant van de heersende windrichting (dit is meestal het zuidwesten). Bevestig de jonge boom met een brede band aan de boompaal. 3. U kunt nu het plantgat weer dichtgooien. Pas indien nodig bodemverbetering toe door bijvoorbeeld potgrond te mengen met de grond uit het plantgat. 11
Boom met boompaal.
Elzensingel Langs de zuidrand van het erf wordt een enkele rij elzen geplant. Deze elzen mogen als plantsoen gepoot worden met een onderlinge plantafstand van 2 meter. Hierdoor ontstaat, wanneer de elzen uitgroeien tot bomen, een dichte singel. Als plantmateriaal mag plantsoen met een minimale maat 80-120 cm gebruikt worden. De singel wordt 185 meter lang.
Soort naam Hollandse linde Tilia Vulgaris Walnoot Juglans spec. Els Alnus glutinosa Plantlijst solitaire bomen/bomenrij
aantal 10 1 92
Maat
Omtrek 14-16 cm 14-16 cm
120-140 cm
Struweelhaag Om het zicht op de nieuwe stal te verminderen, wordt aan de oostzijde van de stal een struweelhaag van meidoorn of veldesdoorn (geen beuk) geplant. De struweelhaag bestaat uit plantsoen met een minimale maat 80-120. De beplanting wordt in een plantverband van 1,5 meter geplant. Er wordt in totaal 40 meter struweelhaag aangelegd.
Soort Eenstijlige meidoorn Lijsterbes sleedoorn veldesdoorn Hazelaar Plantlijst: struweelhaag
naam Crataegus monogyna Sorbus aucuparia Prunus avium Acer campestre Corylus avellana
aantal 6 5 6 6 5
Maat/omtrek 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm
Scheerhaag Aan de voorzijde van het erf wordt een scheerhaag van meidoorn of veldesdoorn aangelegd. De struweelhaag bestaat uit plantsoen met een minimale maat 80-120. Er worden 3 stuks per strekkende meter haag geplant. De totale lengte van de scheerhaag is 30 meter. Er worden in totaal 90 stuks beplanting geplant.
12
7.2 Beheer Solitaire bomen en laanbomen Geen beheer; mogelijk opkronen indien laaghangende takken hinder veroorzaken aan (landbouw)voertuigen. Scheerhaag De scheerhaag wordt jaarlijks één of meerdere keren geschoren om deze op de wenselijke hoogte en in de wenselijke breedte te houden. De scheerhaag heeft een minimale hoogte van 1 meter. Elzensingel De elzensingel wordt als hakhoutsingel beheerd. De beplanting wordt daarbij iedere 12-15 jaar afgezet door de stammen op 3cm boven de grond af te zagen. Deze lopen vervolgens weer uit waardoor een dichte houtsingel ontstaat. Tak- en tophout dienen afgevoerd te worden en niet in een ril op de stam gelegd te worden. Indien tak- en tophout versnipperd wordt, dienen de snippers verspreid in het element geblazen te worden en niet op bulten. Dit leidt tot verstikking van de vegetatie. Struweelhaag De struweelhaag wordt beheerd als een hakhoutsingel (zie boven). Om de breedtegroei van de struweelhaag te beperken mag de haag geschoren worden aan de zijkanten.
Voorbeeld van een struweelhaag met geschoren zijkant (Etten, Tappenweg juli 2013)
Verdieping Op de internetpagina van Stichting Landschapsbeheer Gelderland is veel informatie te vinden over aanleg en beheer van landschappelijke- en erfbeplanting. Zie www.landschapsbeheergelderland.nl
13