CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Landelijk gebied - 2020 Bijlagen bij de regels Bijlage 26 Landschappelijk inpassingsplan Mgr. Hendriksenstraat 29 Wehl.pdf

gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4: Beheersverordening Landelijk Gebied - 20213.091 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Landschappelijke inpassing Mgr. Hendriksenstraat 29 in Wehl

Colofon

Landschappelijke inpassing Mgr. Hendriksenstraat 29 in Wehl

Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

Rombou dhr. S. Kondring

Projectnummer en versie: 797, versie 1.1 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Mgr. Hendriksenstraat 29 in Wehl

Veldmedewerker(s): Ing. P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 23-9-2016

Correspondentieadres: Postbus 206 7480 AE Haaksbergen info@natuurbankoverijssel.nl

@natuurbankOverijssel 1

Inhoudsopgave 1. Inleiding........................................................................................................................................... 3 2. Het plangebied................................................................................................................................. 3 2.1 Situering..................................................................................................................................... 3 2.2 Beschrijving van het plangebied ................................................................................................... 3 3 Voorgenomen activiteiten.................................................................................................................. 5 3.1 Algemeen ................................................................................................................................... 5 4. Ruimtelijke kwaliteit ......................................................................................................................... 5 4.1 Algemeen ................................................................................................................................... 5 4.2 Landschap .................................................................................................................................. 6 5.

Erfinpassing en beleid ....................................................................................................................... 8 5.1 Algemeen ................................................................................................................................... 8 5.2 Wat zegt het beleid? ................................................................................................................... 8 6. Ruimtelijke analyse........................................................................................................................... 9 6.1 ruimtelijke kwaliteit .................................................................................................................... 9 7. De visie ............................................................................................................................................ 9 7.1 Uitgangspunten .......................................................................................................................... 9 7.2 Bouwstenen voor het ontwerp .................................................................................................. 10 7.3 Het ontwerp ............................................................................................................................. 10 8.

Inrichting en beheer ...................................................................................................................... 11 8.1 Inrichtingsmaatregelen ............................................................................................................. 11 8.2 Beheer ..................................................................................................................................... 13

2

1. Inleiding In het kader van een nieuw te bouwen ligboxenstal op het adres Mgr. Hendriksenstraat 29 in Wehl is een visie voor de landschappelijk inpassing van het erf gewenst. Rombou BV heeft Natuurbank Overijssel gevraagd om, in samenspraak met de initiatiefnemer een visie voor de landschappelijke inpassing van het erf op te stellen. Voorliggend rapport beschrijft het plangebied, de omgeving, de voorgenomen activiteit en presenteert een visie voor landschappelijke inpassing van het nieuwe erf op basis van een ruimtelijke analyse van het plangebied en het omringende landschap. Deze visie richt zich daarbij op het erf en niet op het omringende landschap. De visie wordt afgesloten met een concreet hoofdstuk over inrichting en beheer van de aan te leggen erfbeplanting.

2. Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied is gelegen op het adres Mgr. Hendriksenstraat 29 in Wehl. Op onderstaande kaart wordt de ligging van het plangebied weergegeven.

Globale ligging van het plangebied in de omgeving. De ligging van de afzonderlijke deelgebieden wordt met de cirkel aangeduid. Afbeelding: Kadaster, 2016.

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit oud agrarisch erf dat op enige afstand van de doorgaande weg ligt. Op het erf staan een boerderij een grote open schuur en een oude stierenstal. Op het erf is een rundveehouderij gevestigd welke een ‘bescheiden’ omvang heeft. De melkkoeien staan in een grupstal in de oude gebouwen.

3

Detailopname van het plangebied.bron: PDOK.nl.

4

Verbeelding van het erf

3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om een loopstal te bouwen ten noorden van het hoofdgebouw. Op onderstaande afbeelding wordt de nieuw te bouwen werktuigenberging met de arcering aangeduid.

Wenselijk eindbeeld; de nieuw te bouwen schuur wordt met de arcering aangeduid. Bron: Rombou

4. Ruimtelijke kwaliteit 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beschrijving van het landschap rondom het plangebied, streekeigen beplanting en –beplantingsvormen en de ruimtelijke kwaliteit van het nieuwe erf. Dit hoofdstuk levert als het ware de bouwstenen voor het erfinpassingplan. 5

4.2 Landschap Ontstaansgeschiedenis omringende landschap Tijdens het Saalien, de laatste ijstijd waarbij het landijs tot in Nederland kwam, werden de Rijn en Maas gedwongen hun noordelijke loop door respectievelijk het huidige IJsseldal en de Gelderse Vallei, af te buigen naar het westen. De sedimenten die door de Rijn en Maas waren afgezet, werden door het ijs opgestuwd en deels overdekt met nieuwe lagen. De stuwwallen, zoals de Montferlandsche Berg, zijn daarvan de meest evidente overblijfselen. Het is daardoor mogelijk oude sedimentlagen (klei) van bijna een miljoen jaar geleden op plekken in Montferland te vinden. Door de stuwing van het landijs zijn de afzettingslagen veelal scheef komen te liggen, waardoor men in de stuwrichting verschillende lagen op korte afstand van elkaar kan aantreffen. Waar slecht doorlatende kleilagen voorkomen, zijn soms meertjes ontstaan, zoals bij het Peeske ten zuidoosten van Beek. Bij het smelten van het ijs stroomde het water van de stuwwallen en liet grof, kriskras gelaagd materiaal achter, de smeltwaterafzettingen (sandr). Vooral in het voorjaar werd veel smeltwater bovengronds afgevoerd over de nog bevroren ondergrond (permafrost). Daarbij zijn brede dalen ontstaan, bijvoorbeeld tussen Zeddam en Stokkum, waar het de scheiding vormt tussen het gestuwde preglaciale materiaal en het gestuwde materiaal bedekt door een smeltwaterafzetting.

Voor de mond van de dalen ligt uitgeschuurd, grof materiaal: de uitspoelingswaaiers. De Rijn had in de warmere tussenperiode, het Eemien, haar weg in noordelijke richting ten oosten van de Montferlandsche Berg hervonden. Gedurende het koudere Weichselien brak de Rijn door de stuwwallen tussen Montferland en Veluwe en stroomde de Rijnloop ten noorden van de Montferlandsche Berg naar het westen. De brede, vlechtende rivierloop van de Rijn leidde tot terrassen tussen de stuwwallen en het dekzandgebied. Zand dat uit de rivierbedding verstoof vormde ten westen van de huidige Oude IJsselloop (oude) rivierduinen van grof zand. In een koudere tussenperiode van het Weichselien werd veel zand uit de droogstaande rivierbedding door de wind verspreid, het oudere dekzand. Deze afzetting, de formatie van Kreftenheye, die bestaat uit lemige en minder lemige laagjes, komt veel voor in de Liemers en ten oosten van de Oude IJssel. Veelal bevonden zich natte, moerassige plekken zich in het gebied, later ookwel onland genoemd. Soms vond hier ook veenvorming plaats. In het Midden-Weichselien brak de Rijnloop bij de Gelderse Poort door de stuwwal tussen Montferland en Nijmegen-Kleef. Daarmee werd de Oude IJsselloop als hoofdtak verlaten. In de Oude en Jonge Dryastijd was het weer kouder en traden opnieuw zandverstuivingen op.

Het Jonger Dekzand I, dat meestal een lager leemgehalte heeft dan het oude dekzand, is veelal in ruggen parallel aan beken afgezet, zoals de rug van Lintelo langs de Keizersbeek. Het Jonger Dekzand II uit de Jonge Dryastijd komt veel voor in de omgeving van Zelhem, langs de randen van de stuwwallen en als ruggen (Halse rug of Romeinendiek). Dit Jonger dekzand ligt even- eens in de omgeving van Didam en Wehl aan de oppervlak, maar welk type dit precies is, is onbekend. Bij het smelten van sneeuw en ijs in het voorjaar werd in korte tijd veel water afgevoerd, waarbij ook veel sediment werd verplaatst. De rivierbeddingen werden hiermee snel opgevuld, waardoor het water een nieuwe weg moest vinden en een systeem van verwilderde of vlechtende watergeulen ontstond. In de warmere perioden van het Weichselien werd het vegetatiedek meer gesloten en voerden de rivieren minder sediment aan, waardoor de hoofdgeulen in hun afzettingen begonnen in te snijden. Bij overstromingen werden over de grove zanden een dunne laag klei gesedimenteerd, de oude rivierklei. Deze naar boven geleidelijk zwaarder wordende afzetting ligt rondom Azewijn en ten noorden en zuiden van de lijn Dieren-Doetinchem aan het oppervlak. Het warmere klimaat van het Holoceen leidde tot eustigere waterafvoeren en meer vegetatie.

Langs de Oude IJssel stuifde het zand op tot (jonge) rivierduinen (Formatie van Kootwijk), waarvan de Kruisberg en Oosseld rond Doetinchem voorbeelden zijn en loopt door langs Gaanderen, Terborg en Gendringen. Tussen Doetinchem en Azewijn zijn deze rivierduinen geleidelijk door dikke lagen jonge rivierklei bedekt en steken alleen de hoogste toppen boven de klei uit. Deze toppen vormden veelal vroege bewoningsplaatsen, zoals Azewijn. Verder van de rivier werd alleen klei afgezet bij overstromingen. Deze kommen, zoals die ten zuiden van ‘s Heerenberg, 6

bevatten zware klei afgewisseld met donkere veenlaagjes (Betuwe-formatie). Het gebied rond Stokkum met grof zand wordt eveneens als holoceen stuifzand beschouwd. Op lagere, vochtige plaatsen kon veen ontstaan, zoals bij Azewijn, Doetinchem, soms in restgeulen van vlechtende rivieren, en in het Goor. Op de Halse rug konden onder menselijke invloed zanden weer gaan stuiven, wat de formatie van Kootwijk vormde. Aan de westkant van het gebied, ten westen van Nieuw-Wehl en Didam ligt het komgebied met kleiafzettingen van de Rijn en IJssel. In de beekdalen van o.a. de Boven-Slinge en Keizersbeek komen gedeelten voor waar door overstroming grove zanden en plaatselijk ook kleiige lagen en veen zijn gevormd. Ook in de broekgebieden wordt plaatselijk een toplaag aangetroffen van recent door de beken afgezet kleiig materiaal, merendeels dunner dan 40 cm, vaak ijzer bevattend en soms moerig ontwikkeld (bron: LOP-Doetinchem).

Geomorfologische kaart van de ZO-Liemers. Het plangebied wordt met de cikel aangeduid.

Historisch landschap Het plangebied ligt op de overgang van het kampenlandschap naar het rivierweidenlandschap van de IJssel, zoals zichtbaar op de uitsnede van de historische topografische kaart van 1880.

Uitsnede van de historische topografische kaart anno 1880. Het plangebied wordt met de cirkel aangeduid.

Op onderstaande hoogtekaart is duidelijk de es ten oosten en noorden van het plangebied zichtbaar, evenals de lager gelegen weidegronden ten westen ervan. Het erf ligt precies op de overgang. 7

Uitsnede van het plangebied uit de Actuele Hoogtekaart van Nederland; zichtbaar zijn de hoogteverschillen in het landschap. Bron: AHN.nl

5. Erfinpassing en beleid 5.1 Algemeen De gemeente Doetinchem heeft samen met de buurgemeenten Oude IJsselstreek en Montferland een ‘landschapsontwikkelingsplan’ opgesteld. In dit hoofdstuk wordt concreet aangegeven welke uitgangspunten en wensen gehanteerd worden voor de beoordeling van een erfinpassingsplan.

5.2 Wat zegt het beleid? Helaas is het LOP een plan dat zich in zet voor er verfraaiing van het landschap en het verbeteren van de ‘beleefbaarheid’ van het landschap. Het plan is te abstract om benut te worden t.b.v. het opstellen van een erfinpassingsplan. Algemene uitgangspunten over het gebruik van inheems plantmateriaal wordt overgenomen. Conclusie: Het Landschapsontwikkelingsplan is een visie op hoofdlijnen dat op landschapsschaal voorstellen doet. Met betrekking tot het opstellen van een afzonderlijk erfinpassingsplan is het te abstract.

8

6. Ruimtelijke analyse 6.1 ruimtelijke kwaliteit Het plangebied bestaat uit een oude bouwplaats. Het erf dateert minimaal uit de 19e eeuw en mogelijk al van vroeger. Het ligt precies op de overgang van het kampenlandschap van (Nieuw) Wehl naar het rivierweidelandschap van de IJssel. Dit is fraai zichtbaar op de hoogtekaart waarop de esgrond ten oosten van het erf zichtbaar wordt en de lage weidegrond ten westen. Rondom de es staat nog originele kavelgrensbeplanting in de vorm van enkele oude zomereiken en meidoornhaag. De kavelgrensbeplanting vanaf de inrit naar het erf ontbreekt. Aan de voorzijde van de woning ligt een eenvoudige siertuin omzoomd met een (gedeeltelijk) ligusterhaag. In de tuin staan verschillende coniferen, dennen en andere cultivars.

Ruimtelijke kwaliteit van het erf in de originele opzet en na de bouw van de stal (rechts).

In de nieuwe situatie is de nieuw te bouwen stal duidelijk zichtbaar vanaf de Mgr Hendriksenstraat komende vanuit westelijke richting. Verkeer vanuit oostelijke richting heeft nauwelijks zicht op de nieuwe stal vanwege de ligging van de stal en de aanwezigheid van erfbeplanting ten noorden van de sleufsilo’s. Op basis van de ruimtelijke analyse worden de volgende aspecten mee genomen in het ontwerp van de erfinpassing. • • •

Verminderen zicht op nieuw te bouwen stal vanaf Mgr Hendriksenstraat Herstel randbeplanting rond es Herstel voortuin (verwijderen exoten)

7. De visie 7.1 Uitgangspunten Het nieuwe erfontwerp is tot stand gekomen op basis van een ruimtelijke analyse waarbij gekeken is naar de aanwezige erfbeplanting, de functies van het erf, de nieuwe wenselijke ontwikkelingen, het omringende landschap en streekeigen- karakteristieke beplanting. Bij het opstellen van het inpassingsplan is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten; Zichtbaarheid bebouwing Agrarische bebouwing mag zichtbaar zijn in het agrarisch cultuurlandschap. Het uitgangspunt is niet om alle bebouwing achter een ‘groene muur’ te plaatsen. Lelijke objecten worden bij voorkeur wel achter ‘groen’ geplaatst. 9

Inheems plantmateriaal Uitheems plantmateriaal, zoals laurier, fijnsparren en coniferen in siertuinen zijn acceptabel. Het gebruik van uitheems plantmateriaal op het erf wordt verwijderd en vervangen voor inheems plantmateriaal. Streekeigen beplantingsvormen Als plantmateriaal voor nieuwe beplanting wordt streekeigen beplanting gebuikt en benut als streekeigen beplantingsvorm. Beplantingsvormen zijn het resultaat van actief beheer, zoals hakhout, knotten, hoogstamfruitboombeheer, scheerhagen etc. Landschap Het plangebied ligt op de rand van het kampenlandschap naar het rivierweidelandschap. Kenmerkende beplanting van het kampenlandschap is o.a. zomereiken laanbomen, erfbosjes, gemengde hakhoutsingel.

7.2 Bouwstenen voor het ontwerp Het ontwerp omvat de volgende aspecten; • • • • •

Aanplant drie solitaire zomereiken laanbomen langs de oprit naar het erf. Deze bomen herstellen de kavelgrensbeplanting langs de es Aanleg twee rijen struweelhaag aan achterzijde van de nieuwe stal. Dit neemt grotendeels het zicht op de nieuwe stal weg Aanleg struweelhaag langs pad als begrenzing van de es Aanleg hoogstam boomgaard met scheerhaag aan de voorzijde. De huidige beplanting wordt verwijderd. Om de bongerd wordt een scheerhaag van meidoorn of beuk geplant Ten westen van de nieuwe stal worden twee solitaire zomereiken geplant

7.3 Het ontwerp Op onderstaande afbeelding wordt de landschappelijke inpassing van het nieuwe erf weergegeven.

10

Inrichtingsplan voor het nieuwe erf.

8. Inrichting en beheer In dit hoofdstuk wordt ingegaan op beheer- en inrichtingsmaatregelen die genomen moeten worden om het erfinpassingsplan in de praktijk ten uitvoering te brengen.

8.1 Inrichtingsmaatregelen Maatregelen De strook hakhout aan te oostzijde van het erf staat gedeeltelijk op de bouwplaats van de nieuwe schuur. Deze dient verwijderd te worden om de bouw mogelijk te maken. Het resterende deel van de hakhoutbeplanting wordt verwijderd. Solitaire bomen Er worden vijf zomereiken op het erf geplant. Twee als solitaire bomen en drie in de struweelhaag. Als plantmateriaal worden als laanboom gekweekte bomen gebruikt met een minimale stamomtrek van 1416 cm op 1,5 meter hoogte. Het aanplanten van een boom kan plaats vinden tussen half november en half maart, mits het niet vriest. Specifieke plantinstructie 1. Voor het aanplanten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat dient daarom ongeveer een afmeting te hebben van 70x70x70 cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. 2. Plaats daarna een boompaal van onbehandeld hout naast de boom (maat 250 cm lengte bij 8 cm doorsnede), op ongeveer 15 cm van de boom, aan de kant van de heersende windrichting (dit is meestal het zuidwesten). Bevestig de jonge boom met een brede band aan de boompaal. 11

3. U kunt nu het plantgat weer dichtgooien. Pas indien nodig bodemverbetering toe door bijvoorbeeld potgrond te mengen met de grond uit het plantgat. 4. Plaats bij een bomengroep de bomen ruim uit elkaar, de minimale plantafstand is 6 meter. Een volwassen boom kan al snel een kroon ontwikkelen van 10 meter breed.

Boom met boompaal.

Scheerhaag De scheerhaag bestaat uit meidoorn of beuk en bestaat uit plantsoen met een minimale maat 80-120. Er worden minimaal 3 stuks per strekkende meter haag geplant. Struweelhaag Er worden twee rijen bosplantsoen geplant in een plantverband van 1,5 x 1,5 meter. Als plantmateriaal wordt meidoorn, veldesdoorn, es, esdoorn, berk, lijsterbes, Gelderse roos, liguster, vuilboom en boswilg gebruik (gelijkmatig gemengd). De totale breedte van de haag is 4,5 meter en de haag wordt 2 meter naast de stal geplaatst. De totale oppervlakte van de struweelhaag is ca. 450 m2. In totaal worden 130 à 140 stuks beplanting geplant. Soort Meidoorn 10% Veldesdoorn 10% Es 10% Esdoorn 10% Berk 10%

Aantal 14 stuks 14 stuks 14 stuks 14 stuks 14 stuks

Soort Liguster Vuilboom Boswilg Lijsterbes 10% Gelderse roos 10%

Aantal 14 stuks 14 stuks 14 stuks 14 stuks 14 stuks

Hoogstam fruitbomen Aan de voorzijde van de boerderij wordt een boomgaard met hoogstam fruitbomen aangelegd. Deze boomgaard wordt omzoomd door een scheerhaag van meidoorn of beuk. De fruitbomen worden geplant in grasland. Voor de aanleg van de hoogstam appelbomen wordt gebruik gemaakt van bomen met een maat van 1012 cm (stamomtrek op 1,5 m1 hoogte). De hoogstamappelbomen worden in een ruim plantgat gepoot en ondersteund door twee boompalen met boomband. Er wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van oude rassen. Deze zijn van nature robuuster en minder kwetsbaar voor ziektes en plagen.

12

Verder: • Hoogstambomen kunnen meer dan 10 meter hoog en breed worden. Het is daarom belangrijk bij aanplant de fruitbomen op ruime afstand van elkaar te planten. • Plant daarom appelbomen minstens 10 meter uit elkaar, peren en kersen 8 meter en pruimen 6 meter uit elkaar. • Voor het planten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat moet daarom een afmeting hebben van 70x70x70 cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. • Plaats daarna een boompaal van onbehandeld hout naast de boom (maat 250 cm bij 8 cm), op ongeveer 15 cm van de boom, aan de kant van de heersende windrichting (dit is meestal het zuidwesten), waar u de jonge boom met een brede band aan bevestigd. • U kunt nu het plantgat weer dichtgooien. Pas bij arme grond bodemverbetering toe door bijvoorbeeld potgrond te mengen met de grond uit het plantgat.

8.2 Beheer Solitaire bomen Geen beheer; mogelijk opkronen indien laaghangende takken hinder veroorzaken aan landbouwvoertuigen. Scheerhaag De scheerhaag wordt jaarlijks één of meerdere keren geschoren om deze op de wenselijke hoogte en in de wenselijke breedte te houden. Hoogstam fruitbomen Het snoeien van fruitbomen wordt al eeuwen toegepast. Het snoeien van de fruitboom in de jeugdfase wordt de vormsnoei genoemd. De vormsnoei zorgt voor een bepaald model. Wanneer dat model is bereikt volgt de onderhoudssnoei. Ook kunnen fruitbomen op verschillende manieren gesnoeid worden. Bijvoorbeeld met als doel productie of als doel het landschappelijk beeld. Landschapsbeheer Gelderland geeft basiscursussen voor het snoeien van hoogstamfruit. Vormsnoei De vormsnoei is vooral belangrijk bij de jonge bomen. Elke soort heeft zijn eigen specifieke vorm. Bij de appel wordt over het algemeen een bolvorm aangehouden zonder harttak. Peren vormen van nature meer een kroon met een harttak. Deze kroon krijgt meer een piramidale vorm. Nadat de fruitboom is aangeplant is het belangrijk direct de eerste vormsnoei toe te passen. Uit het

13

gestel worden vaak niet meer dan 4 gesteltakken aangehouden, de overige takken kunnen worden weggesnoeid. Afhankelijk van de soort kunt u kiezen voor het behouden of weghalen van de harttak. Onderhoudssnoei Fruitbomen kunnen het beste jaarlijks gesnoeid worden. Het gaat daarbij om vervanging van minder vitaal, afgedragen vruchthout, het verwijderen van ziek hout en het verwijderen van verkeerd geplaatste nieuwe scheuten. In een regelmatig onderhouden, vitale hoogstamfruitboom zullen elk jaar nieuwe scheuten ontstaan. Een deel kan worden gehandhaafd en gebruikt als nieuwe vruchttakken. Een ander deel dient te worden verwijderd. Struweelhaag De struweelhaag wordt beheerd als hakhoutsingel. Dat houdt in dat de haag periodiek afgezet wordt waardoor de haag als dichte beplantingsstrook behouden blijft. Daarbij wordt de beplanting 15-20 cm boven de grond afgezaagd waarna de beplanting weer zal uitlopen. Tak- en tophout van een struweelhaag bij voorkeur uit het element afvoeren (verbranden). De drie solitaire eiken die in de struweelhaag geplant zijn, worden bij het afzetten van het element gespaard zodat deze kunnen uitgroeien tot beeldbepalende bomen.

Voorbeeld van een struweelhaag met geschoren zijkant (Etten, Tappenweg juli 2013)

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7471/documents/37599