CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - Toelichting op Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem 2026.pdf

beeldvormende raad 4 december 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 8: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 202610.285 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING Sommige artikelen uit de verordening vragen om een nadere toelichting, hieronder zijn aan de hand van de nummering van de verordening enkele artikelen toegelicht.

Hoofdstuk 2 – De hulpvraag Artikel 2.1 – Indienen hulpvraag In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo wordt bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Het ‘door of namens de cliënt’ doen van de melding kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Uit de memorie van toelichting op de Wmo (p. 24) blijkt dat de melding niet gebonden is aan vorm of locatie en schriftelijk, mondeling of telefonisch kan worden gedaan. De medewerker van Buurtplein zal de ontvangst van de melding aan de cliënt bevestigen en het tijdstip van de melding registreren. Op grond van de Jeugdwet wordt geen onderscheid gemaakt tussen een melding en aanvraag. Het onderdeel cliëntondersteuning in lid 2 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste en tweede lid van de Wmo. Ook in gevallen waarin jeugdhulp wordt aangevraagd, kan de medewerker van Buurtplein cliëntondersteuning aanbieden. Artikel 2.3 - Het gesprek Ten aanzien van een hulpvraag ingediend door een jeugdige of een hulpvraag die een jeugdige betreft geldt het volgende. Het is van belang om de jeugdige te betrekken bij het zorgtraject.

Het zorgtraject kent meerdere momenten waarop contact met de jeugdige wordt gerealiseerd. De werkwijze van Buurtplein is dat ze iedere jeugdige altijd spreken en zien. Buurtplein kan hier een onderbouwde uitzondering op maken wanneer de situatie hier volgens hen om vraagt. Wanneer een jeugdige12 jaar of ouder is, is het vanuit de Jeugdwet verplicht om de jeugdige te spreken. Artikel 2.4 - Het onderzoek Dit artikel is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt/de jeugdige en/of ouder(s) en waar mogelijk met de mantelzorger dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt/de jeugdige. Waar dat kan, zal worden verwezen naar de eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociaal netwerk, algemene, algemeen gebruikelijke of andere (voorliggende) voorzieningen. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt/de jeugdige en ouder(s) (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht.

Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de cliënt en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger), maar hiervan kan ook worden afgeweken

Het sociaal netwerk van de cliënt wordt zoveel mogelijk betrokken bij het gesprek en het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Het gesprek hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Er kan worden afgezien van een gesprek of besloten tot een kort of telefonisch gesprek als dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen, bijvoorbeeld omdat de cliënt en diens beperkingen al bekend zijn bij Buurtplein. De medewerker van Buurtplein kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs verplicht. Het is van belang dat elk onderzoek plaatsvindt aan de hand van het stappenplan, zoals opgenomen in artikel 2.4 van de verordening. Het stappenplan bestaat uit vijf te volgen stappen. Zie hieronder een specifieke toelichting op het stappenplan als bedoeld in lid 3: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de hulpvraag van de cliënt of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Ter inventarisatie van de hulpvraag wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom er nu een beroep doen op de gemeente wordt gedaan.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart, leg dat vast. Welke problemen, beperkingen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de cliënt, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond. Dit heeft als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat cliënt kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt/ ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is.

De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de hulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de hulpplicht concretiseert, welke op het college rust.

Artikel 2.4.1 - Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Dit artikel concretiseert het wettelijke uitgangspunt: het college treft pas een individuele of maatwerkvoorziening indien de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de betrokkene (en in het geval van een jeugdige diens ouder(s)) ontoereikend zijn om de hulpvraag op te lossen. Daarbij geldt dat – zo nodig met inzet van het sociale netwerk – eerst gekeken moet worden wat zij zelf kunnen bijdragen. De eigen kracht staat centraal; pas bij gebleken onmacht treedt het college ondersteunend op. Dit volgt ook uit de parlementaire geschiedenis en diverse uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). Het eerste lid geeft uitvoering aan het principe dat bij toereikende eigen kracht geen individuele voorziening wordt verstrekt. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en het toezicht op hun kinderen (zie BW art. 1:82 en 1:247). Van hen wordt verwacht dat zij alles binnen hun mogelijkheden doen om hulp te bieden, inclusief boven gebruikelijke hulp indien noodzakelijk. Personen uit de kring van familie, vrienden, kennissen en andere betekenisvolle relaties vormen het sociaal netwerk.

Uit jurisprudentie blijkt dat expliciet moet worden beoordeeld of het sociale netwerk in staat is om (gedeeltelijk) noodzakelijke hulp te bieden. Belangrijk is ook de mate van betrokkenheid van het netwerk vóór de aanvraag. De betrokkene (en in het geval van een jeugdige diens ouder(s)) moeten medewerking verlenen aan dit onderzoek op grond van hun medewerkingsplicht. Lid 3 bevat een concrete plicht voor ouders om gebruik te maken van een reeds afgesloten aanvullende verzekering die (gedeeltelijk) dekking biedt voor de gevraagde hulp. Het college onderzoekt of een dergelijke verzekering bestaat, maar ouders hoeven er geen af te sluiten om recht op hulp te verkrijgen. Dit sluit aan bij rechtspraak van de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2021:5828). Het college hanteert als uitgangspunt dat ouders en opvoeders verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van jeugdigen. Dit geldt ook bij ziekte, aandoeningen of beperkingen. De norm wordt mede ingevuld door de verplichtingen zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek én door rechtspraak, waaruit blijkt dat ouders ook boven gebruikelijke hulp geacht worden te kunnen bieden (CRvB 17 juli 2019). Indien zij door aanpassing van hun arbeidspatroon of maatschappelijke activiteiten overbelasting kunnen opheffen, wordt dat van hen verwacht.

Bij de beoordeling van de hulpvraag is het cruciaal dat het college de verhouding tussen draaglast en draagkracht onderzoekt. Alleen bij een structureel onevenwicht dat de ontwikkeling of veiligheid van de jeugdige bedreigt, is jeugdhulp gerechtvaardigd. Financiële draagkracht is hierbij geen criterium, conform CRvB 26 mei 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1327), al wordt het belang van inkomen wel meegewogen. Het zesde lid operationaliseert de afweging van eigen kracht en probleemoplossend vermogen. De criteria a t/m h zijn gestoeld op zowel wettelijke grondslagen als jurisprudentie en parlementaire toelichting. Hier volgt een toelichting op de subleden: a. b. Bij sub a en b over de behoeften en mogelijkheden van de client en de voor de client benodigde ondersteuningsintensiteit en duur spelen onder meer leeftijd, problematiek,

c.

d.

e.

f.

g.

h.

beperkingen of stoornissen een rol. Het kan dan gaan om hoeveel hulp de client nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulp in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden. Het gaat dus om hoe zwaar of complex de hulpvraag is, hoe vaak en hoe lang de hulp nodig is en of het structureel of tijdelijk van aard is. Bij sub c over de mogelijkheden wordt in het geval van een jeugdige meegewogen in hoeverre de ouders voorafgaand aan de aanvraag de hulp al boden en of zij deze hulp kunnen voortzetten. Een andere vraag kan zijn of de aard van de hulp het toelaat dat deze door de ouders wordt geboden. Of dat ouders vanwege het ontbreken van bepaalde deskundigheid of eigen problematiek de hulp niet kunnen bieden. Is er sprake van (dreigende) overbelasting van de ouders, dan wordt eerst onderzocht wat de ouders zelf kunnen doen om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Bij sub d over de samenstelling van het gezin en de woonsituatie spelen verschillende factoren een rol om te bepalen wat redelijkerwijs van de betrokkene (en in het geval van een jeugdige de ouder(s)) kan worden verwacht.

Zijn er bijvoorbeeld meerdere kinderen in het gezin, wat is de leeftijd van de kinderen, hebben meerdere kinderen hulp nodig, wat is de aard en omvang van die hulp en op welke tijden is er hulp nodig? Het college doet op basis van sub e ook onderzoek naar de mogelijkheden van het sociale netwerk. Dit wordt expliciet genoemd in de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet en jurisprudentie van de CRvB (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Een relevante vraag is dan ook wat de betrokkenheid van het sociale netwerk was voordat de aanvraag werd ingediend. En kan het sociale netwerk de noodzakelijke hulp bieden of is hiervoor bepaalde deskundigheid vereist? Bij het beoordelen van de eigen kracht speelt ook een rol in hoeverre er gebruik kan worden gemaakt van overige (wettelijke) voorzieningen. Het college onderzoekt of er bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of overige voorzieningen. Daarnaast wordt onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een voorliggende wettelijke voorziening. Denk hierbij aan hulp of zorg vanuit de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of via onderwijswetgeving. Als er sprake is van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt ook onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een aanvullende verzekering (Rechtbank Oost-Brabant 10 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5828).

In sub g is opgenomen dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het beoordelen van de eigen kracht. Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de eigen kracht, in regels te vatten. Daarom is in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college. Bij sub h over het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen heeft de CRvB op 26 mei 2021 een uitspraak gedaan (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327). Daaruit volgt dat de maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet, geen ruimte bieden voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen. Een dergelijke vergaande interpretatie vindt volgens de CRvB geen steun in de tekst en ook niet in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet. Dat betekent dat het college bij het beoordelen van het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen geen financiële draagkrachtmeting uitvoert.

Ter ondersteuning van de beoordeling van de belastbaarheid en draagkracht van de ouder(s) maakt het college gebruik van de Ouderschap Belastbaarheidsvragenlijst (bijlage 3 van de Nadere regels Jeugdhulp). Dit draagt bij aan een objectieve, transparante beoordeling van de hulpbehoefte en het probleemoplossend vermogen. Artikel 2.4.2 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp Eerste lid Uit artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 blijkt dat een (passende) maatwerkvoorziening moet worden verstrekt als bepaalde onderzochte alternatieven (eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit netwerk en/of algemene voorzieningen) geen of onvoldoende oplossing bieden. Dat sluit ook aan op wat artikel 1.2.1 Wmo 2015 regelt. Omgekeerd geredeneerd: voor zover die (op basis van artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015) onderzochte mogelijke alternatieven wel een oplossing bieden, hoeft er geen maatwerkvoorziening geboden te worden. De maatwerkvoorziening is immers de ‘hekkensluiter’ bij het zoeken naar oplossingen voor problemen op het gebied van zelfredzaamheid, participatie en het zich handhaven in de samenleving, zie TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3 blz.148.

Kortom, de wet regelt via een dwingend geformuleerde bepaling (…“het college beslist tot verstrekking”…) dat een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt, als bepaalde voorliggende mogelijkheden ontbreken of ontoereikend zijn. Daarmee wordt impliciet gezegd dat die maatwerkvoorziening kan worden geweigerd voor zover die voorliggende oplossingen wel aanwezig zijn. Dat alles lijkt voldoende om te kunnen weigeren op basis van de wet. Maar toch is dat niet voldoende: de verordening moet dit – om rechtszekerheid te bieden – wel vermelden. Tweede lid Onderdeel a. Als een cliënt zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, moet het college die melding systematisch onderzoeken. Bij dat onderzoek moet worden bekeken of het probleem waarvoor de cliënt zich meldt, opgelost kan worden zonder een Wmomaatwerkvoorziening. Daarbij moet onder meer worden onderzocht of dat probleem geheel of gedeeltelijk via gebruikelijke hulp kan worden opgelost. Gebruikelijke hulp is in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 gedefinieerd als “hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten”.

De Memorie van Toelichting op het toenmalige wetsvoorstel Wmo 2015 vermeldt er dit over: “gebruikelijke hulp In het kader van de indicatiestelling binnen de AWBZ speelt de zogenaamde gebruikelijke zorg een belangrijke rol. Gebruikelijke zorg is de zorg die redelijkerwijs van huisgenoten mag worden verlangd. Hiervoor is geen indicatie mogelijk. De zorg die deze gebruikelijke zorg in omvang en intensiteit overstijgt, wordt als mantelzorg gezien en deze zorg is in principe wel indiceerbaar; dit impliceert dat die zorg alsnog wordt verstrekt als de mantelzorg zou wegvallen. De indicatiesteller bepaalt voor hoeveel professionele zorg iemand in aanmerking komt. De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van deze zorg te bieden, is bepalend voor het aantal uren professionele zorg dat iemand uiteindelijk krijgt. Hierbij speelt de draagkracht van mantelzorgers een rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon zal het bieden

van één uur zorg per dag het maximum zijn dat hij of zij kan dragen, terwijl voor een ander de grens hoger kan liggen. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger (leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera). Bij het indicatieproces kan de mantelzorger aangeven welke ondersteuning hij nodig heeft om mantelzorg te kunnen bieden. Het voorgaande geeft aan dat mantelzorg niet gezien kan worden als een soort voorliggende voorziening. Gemeenten zullen – net als onder de AWBZ gebeurt – moeten bepalen wanneer iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het wetsvoorstel staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gemeenten zullen op het punt van de gebruikelijke hulp beleid moeten ontwikkelen. Anders zou er sprake kunnen zijn van toeval of van willekeur.

Uitgangspunt is echter wel dat voor gebruikelijke hulp geen maatschappelijke ondersteuning mogelijk is. Het gaat, gelet op de definitie, om de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (d.w.z. de personen waarmee betrokkene gezamenlijk een huishouden voert). Van de echtgenoot of partner en van inwonende kinderen mag in het algemeen worden verwacht dat zij hun naaste hulp bieden («gebruikelijke hulp»). De invulling van gebruikelijke hulp door de echtgenoot of partner en inwonende kinderen is aan deze personen zelf. Zo kan het voorkomen dat een echtgenoot, partner of de inwonende kinderen ervoor kiezen hulp in te huren in plaats van de hulp zelf te verrichten. De definitie van gebruikelijke hulp strekt zich niet uit tot niet-inwonende kinderen. Deze maken immers niet langer deel uit van het gezamenlijke huishouden van hun ouder(s). Dit laat onverlet dat de gemeente wel met de cliënt kan bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden. Bij het bieden van mantelzorg, eventueel in aanvulling op gebruikelijke hulp, speelt de draagkracht van de mantelzorger als gevolg van zijn persoonlijke omstandigheden in relatie tot de relatie en de zorgintensiteit een rol.

Als langs die weg geen oplossing kan worden gevonden, wordt naar andere mogelijkheden (mantelzorg en hulp van anderen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen) gekeken; als ook dat geen soelaas biedt, is de gemeente verplicht ondersteuning te bieden in de vorm van een maatwerkvoorziening.” Er moet dus sprake zijn van huisgenoten; bij alleenwonende cliënten is onderzoek naar gebruikelijke hulp dus niet nodig. Wel kan het dan verstandig zijn om kritisch te beoordelen of de cliënt ook echt alleen woont, ter voorkoming van misbruik van de Wmo (of andere regelingen waarbij de woonsituatie een rol speelt). Onderdeel b. In artikel 2.3.8 lid 3 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt geregeld. Aangezien bij onderzoek (zie artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015) of heronderzoek (zie artikel 2.3.9 Wmo 2015) ook onderzoek naar de aanwezigheid van gebruikelijke hulp van huisgenoten vereist is, is onder b. ook een medewerkingsplicht voor die huisgenoten geregeld. Het gaat om alle denkbare medewerking, zoals het aanleveren van bewijsstukken, medewerking aan een gesprek en medewerking aan het onderzoek door een deskundige. Derde lid

Om te bepalen of huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen bieden moeten gemeenten beoordelen wat er in redelijkheid van die huisgenoten kan worden gevraagd. Om de manier waarop die beoordeling plaatsvindt kenbaar te maken, moeten gemeenten zelf regels stellen in hun verordening, zie artikel 2.1.3 lid 2, onder a. Wmo 2015. Zo wordt meer rechtszekerheid geboden en willekeur zoveel mogelijk vermeden. In het tweede lid is daarom een aantal criteria neergelegd, die de beoordeling concretiseren van wat redelijkerwijs van huisgenoten kan worden gevraagd. Ad a. Hier wordt de samenstelling van het huishouden genoemd. Verschillende factoren kunnen een rol spelen bij het antwoord op de vraag wat er redelijkerwijs gevraagd kan worden. In een groot huishouden zijn er in principe meer mensen van wie mogelijk hulp kan worden gevraagd. Maar er kan meer spelen, zoals de leeftijd van de verschillende huisgenoten. Van volwassen huisgenoten kan meer gevraagd worden dan van (jonge) kinderen. Andersom vragen jonge kinderen zelf ook zorg, waardoor mogelijk minder tijd overblijft voor gebruikelijke hulp voor huisgenoten uit de Wmo-doelgroep (mensen met beperkingen, chronische psychische problemen en met psychosociale problemen). Ad b. Onder b. wordt de aard van de relatie tussen huisgenoten genoemd.

Echtgenoten onderling en ouders en kinderen hebben een directe familierechtelijke band; ze zijn eerstegraads bloed- of aanverwanten. Echtgenoten onderling en ouders hebben sowieso een wettelijke zorgplicht (voor elkaar en voor hun kinderen) op grond van het Burgerlijk Wetboek. In grote lijnen komt het erop neer, dat hoe nauwer de familieband is, hoe meer van huisgenoten kan worden verwacht. Aan de andere kant zijn er steeds meer samengestelde gezinnen, waarbij één van de volwassen partners geen familieband heeft met kinderen binnen dat gezin. Maar wellicht wel een (gedeeltelijke) zorgtaak voor eigen kinderen uit een vorige relatie, die geen huisgenoot zijn, maar voor wie misschien wel een zorgtaak speelt. Ad c. De behoefte aan ondersteuning van de cliënt is afhankelijk van diens beperkingen. Dan kan het gaan om de hoeveelheid hulp die de cliënt nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulpvraag in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden. Soms gaat het om hulp die goed te plannen is, en misschien kan worden gecombineerd met gezamenlijke gezinsactiviteiten, waarbij men elkaar spreekt. Denk aan het doornemen van de dag tijdens het ontbijt. Ook kan een rol spelen of de hulp uitstelbaar is en/of kan worden verdeeld over de week, bijvoorbeeld huishoudelijk werk of administratieve werkzaamheden.

Veel administratief werk kan tegenwoordig worden beperkt door digitalisering. Denk aan het regelen van automatische incasso’s voor het betalen van vaste lasten. Het is ook denkbaar dat ondersteuning bepaalde kwalificaties vraagt van degene die de cliënt ondersteunt, en dat huisgenoten die niet hebben. Denk aan bepaalde complexe gedragsproblematiek waarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Ook kan een nauwe sociale

relatie juist een belemmering zijn om bepaalde hulp te bieden, omdat daarvoor juist een objectieve benadering door een (professionele) buitenstaander nodig is om adequate hulp te geven. Waar mogelijk wordt het vaststellen van de behoefte aan (de omvang van) hulp gerelateerd aan normtijden in gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld aan normtijden voor het indiceren van huishoudelijke hulp. Ad d. Onder de toelichting op onderdeel c. is een aantal voorbeelden gegeven rond de variatie in hulpvragen van cliënten. Tegenover de ondersteuningsvraag staan de mogelijkheden van huisgenoten. Kunnen die huisgenoten aan die vraag voldoen? Of is deze vraag te groot of te gecompliceerd voor één of meer huisgenoten? Daarbij kunnen allerlei factoren een rol spelen. Denk aan het hebben van een baan buitenshuis, lange reistijden, of het hebben van een zorgtaak voor kinderen binnen of buiten de gezinsrelatie. Ook huisgenoten van wie gebruikelijke hulp wordt gevraagd, kunnen beperkingen hebben, zowel fysiek als geestelijk. Die kunnen mogelijkheden om hulp te bieden beïnvloeden, in samenhang gezien met de aard en omhang van de hulpvraag van de cliënt. Een huisgenoot met fysieke beperkingen kan misschien niet alle huishoudelijke werkzaamheden overnemen, maar bijvoorbeeld wel een cliënt met geestelijke problematiek helpen met organisatorische zaken.

Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar fysieke en geestelijke (on-) mogelijkheden van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate. Daarbij is van belang dat (dreigende) overbelasting van degenen die de hulp verlenen, wordt voorkomen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door bij (dreigende) overbelasting wel een tijdelijke indicatie voor ondersteuning te geven, die gefaseerd wordt afgebouwd. Zo wordt aan de betrokkenen ruimte gegeven om zich in te stellen op de situatie. Dat kan spelen bij een situatie waarin iemand plotseling ernstig beperkt raakt en huisgenoten tijd nodig hebben om zich op de nieuwe situatie te kunnen instellen. Ad e. Sommige problemen waarvoor cliënten een Wmo-melding doen, spelen al langere tijd. In zulke gevallen is de vraag hoe de cliënt zich in de periode voorafgaand aan de melding heeft ‘gered’. Hebben huisgenoten daarbij een rol gespeeld, en zo ja welke? En kunnen die huisgenoten hun ondersteuning dan niet ‘redelijkerwijs’ blijven bieden, als dat voorafgaand aan de melding ook mogelijk was? Of is de ondersteuning te zwaar geworden en zijn huisgenoten overbelast of dreigen ze overbelast te raken? Het is denkbaar dat de duur en intensiteit van de hulp op een gegeven moment te veel wordt.

Ook kunnen andere factoren een rol spelen, bijvoorbeeld ouder worden, een bijkomende mantelzorgtaak bijvoorbeeld voor ouder wordende ouders, of door een andere baan. Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar (dreigende) overbelasting van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate. Ad f.

Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om gebruikelijke hulp te bieden, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van huisgenoten. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college. Vijfde lid Uitgangspunten gebruikelijke hulp Een veilige woonomgeving = gebruikelijke hulp Het door ouders bieden van een veilige thuisomgeving is gebruikelijke hulp. Dit betekent dat: • De lichamelijke en sociale veiligheid van het kind is gewaarborgd, en • Er een bij de leeftijd van het kind passend opvoedkundig klimaat is, en • Het kind de verzorging, begeleiding en stimulans krijgt die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Als een kind niet bij (een van) de ouder(s) kan wonen omdat de ouder(s) geen veilige woonomgeving kunnen bieden en/of vanwege opvoedingsonmacht van de ouder(s), is verblijf op grond van de Jeugdwet aan de orde. Permanent toezicht = geen gebruikelijke hulp Permanent toezicht in de zin van actieve observatie valt niet onder gebruikelijke zorg.

24 uur per dag zorg in de nabijheid = gebruikelijke hulp afhankelijk van leeftijd en zorgbehoefte Kinderen die een blijvende behoefte hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, kunnen nog zijn aangewezen op (gebruikelijke) hulp van ouders, zo nodig ondersteund door zorg vanuit de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. Vanaf ongeveer 8 jaar spreken we (bij kinderen die voldoen aan de toegangscriteria van de Wlz) niet meer van gebruikelijke hulp. Kinderen tot ongeveer 8 jaar hebben nog hulp in de nabijheid nodig. Daarbij houden we de volgende richtlijnen aan: • Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig, maar zijn steeds meer zelfstandig in de zelfzorg en motoriek. Overdag hebben zij veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig. Er is bijvoorbeeld geen sprake meer van gebruikelijke hulp bij kinderen met een matige, ernstige of zeer ernstige verstandelijke beperking als er bij hen ook: 1. Intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig is in verband met (geobjectiveerde) ernstige gedragsproblemen, of 2. Een blijvende noodzaak is voor (volledige) overname van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL40), of 3. Sprake is van beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag.

•

Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar hebben overdag voortdurend begeleiding, toezicht en overname van zelfzorg nodig. ’s Nachts hebben zij soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig. Er is voor kinderen vanaf ongeveer 3 jaar geen sprake meer van gebruikelijke hulp als is vastgesteld dat het gaat om een kind met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). EMBkinderen hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een ernstige motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkelverwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera). •

Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar hebben voortdurend begeleiding, toezicht en volledige overname van zelfzorg nodig.

Artikel 2.5 – Verslag Zowel binnen de Wmo als de Jeugdwet is verslaglegging een belangrijk onderdeel van het onderzoek. De medewerker van Buurtplein verstrekt aan de cliënt/ de jeugdige en/of of ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Een goede weergave van het uitgevoerde onderzoek, stelt de medewerker van Buurtplein in staat om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen. Artikel 2.6 – Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid van de Wmo is bepaald dat een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd (de meldingsfase is afgerond), tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding. In de Jeugdwet wordt geen onderscheid gemaakt tussen de meldingsfase en de aanvraag. Het onderzoek volgt nadat de aanvraag is ingediend. Naast de cliënt kan alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen.

Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. De Wmo bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). Voor besluiten op grond van de Jeugdwet geldt de algemene beslistermijn van acht weken (op grond van de Algemene wet bestuursrecht). Artikel 2.6.1 - Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college moet ervoor zorgen dat deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)).

Daartoe bepaalt artikel 2.6.1 lid 2 van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register of een andere erkende beroepsregistratie. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Deze registratie waarborgt dat de betreffende adviseur valt onder tuchtrecht en zich toetsbaar opstelt. Dit sluit aan bij de jurisprudentie van de CRvB die stelt dat adviseurs moeten beschikken over de noodzakelijke vakkennis (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, r.o. 4.9). De CRvB heeft geoordeeld dat geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit (zoals vereist op grond van artikel 3:2 van de Awb) wanneer de beoordeling en de uitvoering van dat besluit zijn belegd bij dezelfde organisatie. Ten aanzien van het uitbesteden van taken, bevat artikel 2.6.1 lid 3 een expliciete bepaling op basis waarvan het college verantwoordelijk is voor het voorkomen van rolvermenging.

Advisering, besluitvorming en levering van ondersteuning moeten vanuit oogpunt van zorgvuldige besluitvorming onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd. Dit heeft de CRvB expliciet genoemd in zijn uitspraak van 29 mei 2024 (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, r.o. 4.11). Ten slotte geldt de norm van deskundigheid ook bij heronderzoeken. Hierbij wordt opnieuw beoordeeld of een voorziening of pgb nog passend is. Ook hier wordt vereist dat het onderzoek met passende deskundigheid wordt uitgevoerd om de zorgvuldigheid van het besluit te waarborgen. Artikel 2.8 – Inhoud besluit Als de cliënt/de jeugdige en/of ouder(s) een aanvraag bij het college indienen, dan dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen de cliënt desgewenst bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. De beschikking is duidelijk over de in te zetten maatwerkvoorziening en de voorwaarden die daarvoor gelden. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Ook het betalen van een eventuele bijdrage (in geval van de Wmo), moet in de beschikking zijn opgenomen.

Hoofdstuk 3 - Soorten voorzieningen Artikel 3.1 – Algemene criteria voor toekenning van een maatwerkvoorziening Dit artikel bevat de criteria voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan worden volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. Als meerdere voorzieningen voldoen aan het criterium van adequaatheid, dan wordt de goedkoopste toegekend. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo (Kamerstukken II 201314, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:

“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Het college moet per situatie onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt in kwestie.

Artikel 3.2 – Algemene weigeringsgronden ten aanzien van een maatwerkvoorziening / terugwerkende kracht Als een cliënt een voorziening heeft aangeschaft voordat hij of zij een beroep doet op de Wmo, gaat de medewerker van Buurtplein alleen over tot vergoeding hiervan als de noodzaak en de passendheid van de voorziening nog kunnen worden beoordeeld. Tenzij de medeweker van Buurtplein hiervoor toestemming heeft gegeven of als de cliënt door de weigering onevenredig nadeel ondervindt. Artikel 3.6 - Primaat van collectief vervoer Dit artikel benoemt het primaat dat een collectieve maatwerkvoorziening heeft op een individuele maatwerkvoorziening. Indien de cliënt toegang heeft tot een collectieve maatwerkvoorziening en deze voorziening levert een passende bijdrage, dan kan het college volstaan met het verstrekken van de collectieve maatwerkvoorziening. De kaders van de collectieve vervoersvoorziening (hierna: cvv) zijn vastgelegd. Ook hierbij geldt het primaat van het cvv op een individuele maatwerkvoorziening gericht op vervoer. Het zich kunnen verplaatsen is van belang bij zelfstandige maatschappelijke participatie. De bijdrage vanuit de Wmo beperkt zich tot het verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon- en leefomgeving.

Het gaat om lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal tot 20 kilometer rond de woning ZOOV Op Maat is voor elke inwoner met een vervoersbeperking, waarvoor het niet mogelijk is om via het reguliere openbaar vervoer naar een plaats van bestemming binnen de regio Achterhoek te reizen. Artikel 3.7 - Overige vervoersvoorzieningen Eerste lid Een vervoersmiddel in de zin van de Wmo is een voorziening die een cliënt helpt om zich lokaal te kunnen verplaatsen als hij of zij dit vanwege lichamelijke, psychische of cognitieve beperkingen niet (meer) op eigen kracht kan doen en als het gebruik van algemeen beschikbare voorzieningen niet mogelijk of niet passend is. Vervoersmiddelen die hieronder kunnen vallen zijn bijvoorbeeld: •

Een scootmobiel

• • • •

Een rolstoel met elektrische ondersteuning (elektrische rolstoel) Een driewielfiets of aangepaste fiets Een aangepaste brommer Vervoerspas voor bijvoorbeeld regiotaxi

Let op: het gaat in deze bepaling dus niet om het leveren van algemene vervoersvoorzieningen, maar om maatwerkvoorzieningen die aansluiten bij de persoonlijke vervoersbehoefte van de cliënt.

Hoofdstuk 4 - Wonen 4.1 – Criteria woonvoorzieningen Het uitgangspunt is dat inwoners zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Waar dat noodzakelijk is, kan op grond van de Wmo een woonvoorziening worden verstrekt. Het primaat van verhuizen geldt als uitgangspunten bij het verstrekken van kostebare woonvoorzieningen. Dit betekent dat wordt beoordeeld of verhuizen een optie is. Hierbij worden de omstandigheden van de cliënt, zoals sociale factoren, de woonlastenconsequenties en de binding met de buurt, altijd afgewogen. Artikel 4.3 en 4.4 – Beschermd wonen en maatschappelijke opvang Als het voor de inwoner niet mogelijk is om (veilig) thuis te blijven wonen, of wanneer dit voor de samenleving een gevaar oplevert, bestaat de mogelijkheid om beschermd te wonen. Maatschappelijke opvang kan worden geboden als de inwoner (feitelijk) dakloos is.

Hoofdstuk 5 – Gezond en veilig opgroeien Artikel 5.1 – Preventieve maatregelen Het uitgangspunt bij het gezond en veilig opgroeien is dat zoveel mogelijk wordt gekeken naar de inzet van preventieve maatregelen. Artikel 5.2 – Jeugdhulp Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen, alleen als het sociale netwerk, gebruikelijke hulp, of gebruikmaking van andere voorzieningen niet voldoende oplossing biedt, of ontoereikend is, zal jeugdhulp worden ingezet. Vanuit de Jeugdwet wordt in principe de goedkoopst adequate voorziening ingezet. Jeugdhulp is altijd gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de jeugdige. Dit betekent dat het de bedoeling is om jeugdhulp zoveel mogelijk tijdelijk in te zetten. Zie ook de memorie van toelichting op de Jeugdwet, o.a. pagina 16 en 17. In het derde lid wordt de doeltreffendheid van de voorziening behandeld. Een individuele voorziening wordt uitsluitend toegekend indien deze daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van de gestelde hulpvraag. Het college beoordeelt daarbij of het inzetten van de voorziening is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat de voorziening effectief is en dus bewezen werkt.

Hiermee wordt aangesloten bij de geldende rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen. Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die

specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. 5.4 Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+.

Hoofdstuk 6 - Vormen van hulp en de te betalen bijdrage Artikel 6.1 lid 4 - Hulp in natura – Maatschappelijke ondersteuning 1. Hulp bij het Huishouden De volgende vormen van hulp bij het huishouden worden onderscheiden: 1. Maatwerkvoorziening HH1 – Huishoudelijke werkzaamheden; 2. Maatwerkvoorziening HH2 – Organisatie van het huishouden; 3. Maatwerkvoorziening Combinatie-ondersteuning; Zie voor een nadere toelichting van bovenstaande maatwerkvoorzieningen de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026. 2. Begeleidingsvormen Wmo ondersteuning helpt cliënten vanaf 18 jaar die een verstandelijke of lichamelijke beperking hebben, of die (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen hebben. De hulp wordt zoveel mogelijk gegeven in de eigen omgeving van de cliënt. Andere voorliggende voorzieningen en hulp in de buurt zijn voor deze cliënt niet voldoende geschikt.

De volgende andere vormen van ondersteuning worden onderscheiden: 1. Begeleiding individueel; 2. Begeleiding individueel; 3. Begeleiding individueel beschermd thuis; 4. Begeleiding groep belevingsgericht; 5. Begeleiding groep ontwikkelgericht; 6. Persoonlijke verzorging; 7. Logeren. 1. Begeleiding individueel De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de cliënt zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de hulpvraag en mogelijkheden van de cliënt. 2. Begeleiding individueel extra De begeleiding helpt cliënten om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een plan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen.

Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de hulpvraag en mogelijkheden van de cliënt. 3. Begeleiding individueel beschermd thuis De begeleiding helpt cliënten om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de cliënt (thuis) zijn. 4. Begeleiding groep belevingsgericht De cliënt heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur geven en de dag zinvol maken, om sociaal isolement te voorkomen. De begeleiding helpt bij het behouden van vaardigheden en ontlast de mantelzorger of thuissituatie.

Ontwikkelingsgerichte dag invulling is voor deze groep niet passend of niet meer mogelijk. De activiteiten zijn vooral recreatief en gericht op sociale contacten, het versterken van het sociale netwerk en ontmoeting. Voorbeelden van activiteiten zijn wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen, samen koken en andere mensen ontmoeten. 5. Begeleiding groep ontwikkelgericht De begeleiding helpt cliënten om zich op lange(re) termijn te ontwikkelen. Het doel is dat

cliënten uit de hulp op maat/maatwerkvoorziening gaan naar een volgende plek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk of onderwijs. De begeleiding helpt bij het aanleren van (werk)vaardigheden om zelfredzaam te worden en mee te doen in de samenleving: inzet op maximale persoonlijke ontwikkeling in een werkomgeving of een hogere trede op de participatieladder. Waar nodig ondersteunt de begeleiding bij behandeling en herstel. 6. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging helpt mensen om zichzelf beter te verzorgen in het dagelijks leven. Het doel is dat de cliënt zo zelfstandig mogelijk is en blijft bij activiteiten als wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om een cliënt die tijdelijk niet zelfredzaam is, maar waarbij er geen sprake is van een geneeskundige context of een verhoogd risico op geneeskundige zorg. De begeleider kijkt goed of er signalen bestaan die laten zien dat het moeilijker wordt voor de cliënt of dat de situatie onveilig is. De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden gebruikt, bijvoorbeeld om aan te sturen of uitleg te geven. Dit gebeurt alleen als het past bij wat de cliënt nodig heeft. Beeldbellen is een aanvulling en vervangt het persoonlijke contact niet. 7. Logeren Logeren via de Wmo is bedoeld voor mensen die tijdelijk niet thuis kunnen blijven.

Bijvoorbeeld omdat hun mantelzorger even rust nodig heeft. Tijdens het logeren krijgt de cliënt hulp bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (hierna ADL) zoals eten, wassen en aankleden. Ook zijn er activiteiten om tot rust te komen en weer energie op te doen. De begeleider let goed op signalen zoals overbelasting van de mantelzorger of onrust bij de cliënt. De zorg vindt plaats in een accommodatie van de aanbieder. Deze locatie is huiselijk ingericht en biedt comfort en veiligheid. De cliënt heeft hier een eigen slaapkamer en er is altijd toezicht, ook in de avond en nacht. De aanbieder zorgt voor ADL-ondersteuning. De begeleiding is persoonlijk en gebeurt op de locatie zelf. Beeldbellen wordt meestal niet ingezet, omdat het belangrijk is dat er iemand fysiek aanwezig is bij de cliënt. 3. Wmo wonen 1. Beschermd wonen; 2. Beschut wonen; 3. Safehouse; 4. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+; 1. Beschermd wonen Vanwege problemen is het nodig dat de cliënt in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de cliënt om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom.

De begeleiding is altijd dichtbij en de cliënt kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op.

Beschermd wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. In bijlage 2 van de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026 is hierover nadere informatie te vinden. Dagbesteding of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Dagbesteding kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder. 2. Beschut wonen De cliënt kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de cliënt om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de cliënt zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de cliënt over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven. Beschut wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. In bijlage 2 van de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026 is hierover nadere informatie te vinden. 3. Safehouse Een Safehouse biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen.

Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten. De ondersteuning in een Safehouse is met name voor mensen die net een behandeling tegen verslaving hebben afgerond, kampen met multi-problematiek, een terugval hebben gehad of gebaat zijn bij een een ‘’oefenplek’’ zonder de verleiding van hun oude (verslavings-)netwerk. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De cliënt leert bijvoorbeeld hoe je een dagritme opbouwt, zelfstandig kunt wonen en omgaan met problemen. Ook is er aandacht voor psychische en sociale problemen. De begeleiders letten goed op hoe het met de cliënt gaat. Ze kijken of er signalen zijn van terugval of andere problemen. Als het nodig is, grijpen ze op tijd in. De cliënt leert ook om problemen te herkennen en ermee om te gaan. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. De plek is veilig en geschikt voor de doelgroep. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn.

Er is ook een gezamenlijke ruimte voor groepsactiviteiten. De cliënt woont samen met anderen die ook werken aan hun herstel. Ze kunnen elkaar helpen door ervaringen te delen. Begeleiding op afstand, zoals beeldbellen, gebeurt in principe niet. Wel kunnen begeleiders de cliënt telefonisch ondersteunen. Als er iets misgaat, kunnen zij snel in actie komen. De begeleiding gebeurt vooral op de plek waar de cliënt woont. Dat is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en het herstelproces. 4. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ De cliënt heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet

goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de cliënt heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De cliënt is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De cliënt werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn. Artikel 6.2 – Hulp in de vorm van een pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb verstrekken. De Jeugdwet heeft in artikel 2.9 en artikel 8.1.1. bepaalt dat dit mogelijk is. Criteria en weigeringsgronden ten aanzien van een Pgb zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van de verordening. Tweede lid In sommige situaties is een cliënt niet in staat om het pgb zelf te beheren. In dat geval mag een ander persoon het pgb namens de cliënt beheren. Deze persoon wordt de pgb-beheerder genoemd. De pgb-beheerder kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, zoals een bewindvoerder, mentor of curator. Ook kan het gaan om een andere persoon uit het netwerk van de cliënt, zoals een familielid, partner of een bekende. Het is van belang dat de pgb-beheerder: − − − −

betrouwbaar is, beschikt over voldoende kennis van de pgb-systematiek en wet- en regelgeving, en in staat is om de administratie en verantwoording van het pgb correct bij te houden. in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt.

De gemeente moet erop kunnen vertrouwen dat het pgb op een verantwoorde en rechtmatige manier wordt besteed. Om die reden mag de pgb-beheerder in principe niet tegelijkertijd ook de zorgverlener zijn. Het belang van de cliënt dient centraal te staan. Hiermee wordt belangenverstrengeling voorkomen. Een uitzondering wordt gemaakt voor situaties waarin de pgb-beheerder tevens een partner of familielid van de cliënt is. In dat geval beoordeelt het college of dit in het specifieke geval toegestaan is. Indien een ander, zoals een bewindvoerder, het pgb-beheer op zich neemt, draagt de cliënt er zorg voor dat een onafhankelijke derde toezicht houdt op de kwaliteit en voortgang van de geleverde zorg. De gemeente kan vragen om bewijs dat de pgb-beheerder geschikt is. Dit kan bijvoorbeeld een beschikking zijn van de rechtbank of een schriftelijke machtiging als het gaat om een informele vertegenwoordiger. De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de zorgaanbieder. Vijfde lid De in te kopen voorziening van goede kwaliteit zijn. Zesde lid Daarnaast moet duidelijk zijn voor welke kosten het pgb niet kan worden gebruikt. Hierin voorziet de verordening.

Artikel 6.5 en artikel 6.6 - Hoogte pgb Wmo en Jeugd Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners, zoals voor ondersteuning door informele hulp. Voor professionele hulp wordt de hoogte van het pgb als volgt vastgesteld: voor formele hulp vanuit de Jeugdwet en Wmo hanteert de gemeente het geldende hulp in natura tarief, gebaseerd op het kostprijsmodel van Sociaal Domein Achterhoek (www.sociaaldomeinachterhoek.nl), verminderd met een percentage aan overheadskosten. Het percentage kan wisselen per product. Het pgb is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk. Dit zodat inwoners in staat zijn met behulp van pgb passende zorg in te kopen bij een niet door de gemeente gecontracteerde (jeugdhulp)aanbieder. Over de hulp uit de sociale omgeving wordt in de memorie van toelichting behorend bij de Wmo 2015 (pag. 20) opgemerkt dat met het wetsvoorstel een omslag in denken in gang wordt gezet. Dit geldt ook voor de Jeugdwet (zie memorie van toelichting, pag. 16). Het is niet meer vanzelfsprekend dat de overheid bij iedere hulpvraag bijspringt.

De regering heeft daarbij aangegeven dat de inzet van informele hulp als zeer waardevol wordt geacht, maar dat het wenselijk is dat de beloning met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Uitgangspunt is dat iedere ingezetene kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Het tarief is lager dan het tarief voor professionele hulp aangezien voor informele hulp geen arbeidsrechtelijke verplichtingen (o.a. werkgeverslasten), verzekeringen, reiskosten gelden en omdat lagere kwaliteitseisen worden gesteld t.o.v. de aanbieder van formele zorg (o.a. opleidingsniveau). Gelet op de genoemde uitgangspunten van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is het reëel dat voor ondersteuning ingekocht bij informele hulp het pgb zodanig is vastgesteld dat dit niet als inkomensvoorziening gaat gelden. Het tarief maakt duidelijk dat ondersteuning vanuit het sociale netwerk van een andere orde is dan ondersteuning verleend door derden of gecontracteerde aanbieders. Artikel 6.10 - Bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening Dit artikel geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde lid en 2.1.5, eerste lid van de Wmo.

Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen. In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn regels gesteld met betrekking tot deze bijdragen. De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. Beschermd wonen kent een andere systematiek voor de eigen bijdrage dan de overige Wmo maatwerkvoorzieningen, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De eigen bijdragen voor maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van opvang, worden geïnd door het CAK.

Hoofdstuk 7 – Nakomen van afspraken Op grond van artikel 2.1.3, vierde lid van de Wmo en artikel 2.9, onder d van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen

van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het college zet hiertoe met name in op preventie van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en voert tevens al dan niet steekproefsgewijs controles uit naar het gebruik en de besteding van voorzieningen. Het college wijst daarnaast een toezichthouder aan die toeziet op de kwaliteit van de Wmo-voorzieningen en de rechtmatige uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8318/documents/50969