CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Philipsstraat Ruimtelijke onderbouwing.pdf

gemeenteraad 30 maart 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.5: Bestemmingsplan Philipsstraat ong. - 202216.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit: a. voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en b. kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en c. mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.

Onderzoek Het plan betreft de realisatie van 10 woningen. De activiteit 'woningbouw' valt in het Besluit m.e.r. onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (categorie 11.2) en wordt niet als activiteit genoemd in de C-lijst. De drempelwaarde qua aantallen woningen voor categorie 11.2 wordt niet overschreden (drempelwaarde is een aaneengesloten gebied van 2000 woningen of meer). Ook zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten (op grond waarvan een Passende Beoordeling opgesteld moet worden).

40

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Meer informatie hierover is opgenomen in paragraaf 4.7. Een directe m.e.r.-plicht is daarom niet van toepassing. In het besluit m.e.r. is geen grens voor een stedelijk ontwikkelingsproject qua aantal woningen opgenomen waarboven een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is onder meer afhankelijk van de volgende factoren: -

aard, omvang en schaalgrootte van de ontwikkeling;

-

of er sprake is van functiewijziging of behoud van bestaande functie(s), uitbreiding van een bestaand

-

bouwwerk of een nieuw bouwwerk;

-

ligging in stedelijk gebied of niet;

-

stedenbouwkundige vormgeving en opzet t.o.v. het bestaande gebied.

Het project is qua aantal woningen beperkt, waarbij de ontwikkeling plaats vindt op een voormalig bedrijfsperceel midden in de bebouwde kom van Doetinchem. Er is geen sprake van hergebruik van bestaande bebouwing, de toename van bebouwing ligt rond de 500 m2. De locatie ligt in een bestaande bebouwde structuur. Op basis hiervan is volledigheidshalve een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd om zeker te zijn dat belangrijke negatieve milieugevolgen zijn uit te sluiten. In paragraaf 1.2 van voorliggend document wordt ingegaan op de locatie van het gebied. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 4 bevat de uitleg over effecten van de ontwikkeling.

Conclusie Op grond van de inhoud van de genoemde onderdelen van voorliggend document is de conclusie dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk, het bevoegd gezag kan volstaan met een vormvrije-mer-beoordelingsbesluit. Daarbij kan voorliggende ruimtelijke onderbouwing als aanmeldnotitie beschouwd worden.

Versie 5 (definitief)

41

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.2

Bodem

Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel).

Onderzoek Op het voormalige Saronixterrein zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Omdat deze in opdracht van de gemeente zijn uitgevoerd, zijn de rapporten niet als aparte bijlagen toegevoegd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder samengevat. In verband met een bodemverontreiniging met chloorkoolwaterstoffen is in 2007-2009 een bodemsanering uitgevoerd. Deze heeft bestaan uit het ontgraven van verontreinigde grond (fase 1) en een aanvullende in-situ-sanering (fase 2). Na de sanering heeft het bevoegd gezag, de provincie Gelderland, ingestemd met het behaalde resultaat door middel van een beschikking (zaaknummer 2010-009899, d.d. 26 juli 2011) op het tussentijdse evaluatierapport (kenmerk 06102548DOE.Y04.EVA, d.d. 7 mei 2010). In de beschikking is geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geschikt is voor woningbouw. Conform verwachting is na de sanering een grondwaterverontreiniging achtergebleven die gemonitord moet worden (fase 3 van de sanering). Deze monitoring loopt momenteel nog. Uit de monitoring is gebleken dat de hoogste concentraties aan chloorkoolwaterstoffen zich ruimschoots buiten het huidige plangebied van de tien woningen bevinden (zie rode contour in figuur 15 hieronder). In verband met deze restverontreiniging is ter plaatse van de hoogste concentraties in mei 2022 een aanvullende bodemsanering uitgevoerd.

De verwachting is dat in het grondwater een restverontreiniging achterblijft die vooralsnog gemonitord moet blijven worden totdat het bevoegd gezag (provincie Gelderland) instemt met het eindresultaat. Omdat de restverontreiniging zich ruimschoots buiten het huidige plangebied voor de tien woningen bevindt, vormt deze geen belemmering voor het plan. Buiten de weergegeven rode contour komen over het algemeen in het grondwater licht verhoogde VOCl-concentraties voor. Door een zuidwestelijke grondwaterstroming, richting de Oude IJssel, kan het plangebied niet verder verontreinigd raken door verspreiding van verontreiniging.

42

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Figuur 16 Globale situering restverontreiniging na sanering

Wel gelden bij de ontwikkeling van het gebied de volgende aandachtspunten en adviezen -

Voor het gehele plangebied geldt op dit moment nog een kadastrale aantekening omdat de sanering formeel nog niet is afgerond vanwege de lopende grondwatermonitoring. Na de grondwatermonitoring zal de provincie het eindresultaat beoordelen en wordt de kadastrale aantekening naar verwachting opgeheven.

-

Er mag enkel onder strikte voorwaarden grondwater worden opgepompt, dit ter voorkoming dat de restverontreiniging in het grondwater wordt aangetrokken;

-

Bodemenergiesystemen kunnen niet zondermeer worden aangebracht. Hiervoor gelden specifieke regels vanuit de Wet bodembescherming.

-

In verband met de grondwaterverontreiniging wordt geadviseerd om enkel boven grondwaterniveau (tot maximaal circa 1,5 m -mv.) te bouwen. Hoewel ter plaatse van de tien woningen enkele sprake is van een lichte verontreiniging kan door bijvoorbeeld een grondwaterbemaling sterkere verontreiniging worden aangetrokken.

4.2.1

Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bouw van de tien woningen. Wel dient rekening te worden gehouden met bovenstaande aandachtspunten en adviezen.

Versie 5 (definitief)

43

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.3

Akoestiek

4.3.1

Wegverkeerslawaai

Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden.

Onderzoek De voorliggende ontwikkeling maakt een geluidsgevoelige functie mogelijk maakt in de vorm van woningen binnen de geluidzone van de Keppelseweg en de IJsselstraat. Daarom is er akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeerslawaai (Kragten, rapportnummer 20220607-DOE003RAP-AKO-WVL 1.0, datum 7 juni 2022), zie bijlage 6 voor het rapport. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (Wgh) wordt alleen overschreden voor het wegverkeerslawaai door de Keppelseweg voor woning nummer 10 (49 dB inclusief aftrek artikel 110g Wgh). Aan de maximale ontheffingswaarde wordt wel voldaan. In het rapport zijn in paragraaf 4.1.3 eventuele maatregelen beschouwd om de geluidsbelasting te beperken. Conclusie is dat het toepassen van bron- en/of overdacht maatregelen stuit op overwegende bezwaren. Omdat aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan, wordt er een hogere waarde vastgesteld van 49 dB voor woning 10. De berekende geluidbelasting van de beschouwde 30 km/uur-wegen respecteren de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat er daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt maximaal 56 dB ter plaatse van de beoogde bebouwing. Voor startervilla’s 1, 3, 6, 7, 9 en 10 wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden.

44

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw moet een onderzoek naar de geluidwering van de gevels aangeleverd worden waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Bouwbesluit t.a.v. de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit geldt voor woning 10 vanwege het wegverkeerslawaai door de Keppelseweg en voor woningen 1, 3, 6, 7, 9 en 10 vanwege de gecumuleerde geluidbelasting. Bij de berekeningen dient uitgegaan te worden van de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning gewaarborgd blijft.

4.3.2

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek De locatie ligt niet binnen 100 meter van de spoorlijn. Er is daarom geen akoestisch onderzoek nodig in het kader van railverkeerslawaai. 4.3.3

Industrielawaai/bedrijfszonering

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai).

In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid.

Onderzoek Binnen de gemeente Doetinchem zijn de Bedrijventerreinen Hamburgerbroek, Verheulsweide, Langerak, De Huet-Keppelseweg en A18 Bedrijvenpark gezoneerd. Het plangebied ligt niet in de geluidzone van deze terreinen.

Versie 5 (definitief)

45

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Conclusie geluidsaspecten Met het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluidsaspect geen probleem oplevert voor de voorliggende ontwikkeling. Er dient voor woning 10 wel een hogere waarde vastgesteld te worden van 49 dB. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw moet een onderzoek naar de geluidwering van de gevels aangeleverd worden waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Bouwbesluit t.a.v. de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit geldt voor woning 10 vanwege het wegverkeerslawaai door de Keppelseweg en voor woningen 1, 3, 6, 7, 9 en 10 vanwege de gecumuleerde geluidbelasting. Bij de berekeningen dient uitgegaan te worden van de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning gewaarborgd blijft.

4.4

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvBnibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij zijn 7,5 verkeersbewegingen per woning per dag als uitgangspunt gehanteerd.

46

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Figuur 17 Uitkomstberekening met behulp van NIBM-tool (versie 6 april 2021)

Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPGtankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken

Versie 5 (definitief)

47

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.

Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: -

Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied.

-

Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid.

-

In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten.

-

Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen.

-

Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk.

-

Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.

-

Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het

48

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.

Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling bevat de realisatie van kwetsbare objecten (woningen). Voor de beoordeling van externe veiligheid is de Risicokaart Nederland geraadpleegd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede zichtbaar. Het geldende bestemmingsplan sluit de vestiging van nieuwe externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied uit.

Figuur 18 Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied in groen aangegeven)

In of nabij het plangebied zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig met een extra veiligheidsrisico (dichtstbij gelegen bronnen liggen aan de westzijde op meer dan 700 meter, hiertussen ligt een nieuwe woonwijk). Het plangebied valt niet binnen de invloedzone van een spoorlijn of wegen waarover transporten met gevaarlijke stoffen plaats vinden. In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen met risicocontour aanwezig.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Versie 5 (definitief)

49

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: -

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

-

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging.

In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies.

50

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Onderzoek en conclusie Het plangebied en haar omgeving maakt gezien de aanwezige functies deel uit van een 'gemengd gebied'. De nieuwe woningen zijn geen milieubelastende activiteit en wel een milieugevoelige functie. Onderzocht is welke milieubelastende activiteiten in de omgeving aanwezig zijn.

Richtafstand VNG

Daadwerkelijke afstand tot woonbestemming

IJsselstraat 2: supermarkt

0 meter

6 meter

Keppelseweg 51

0 meter

40 meter

detailhandel (geen supermarkt)

Op basis van bovenstaande blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden die door de VNG zijn opgesteld. Ondanks dat wordt voldaan aan de richtafstand is in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de supermarkt aan de IJsselstraat 2 ter beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat (Kragten, rapportnummer 20220607DOE003-RAP-AKO-IL 1.0, datum 7 juni 2022, zie bijlage 7).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 52 dB(A) in de dag-, 48 dB(A) in de avond-, en 39 dB(A) in de nachtperiode (53 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer in de dag- en avondperiode niet op alle gevels gerespecteerd. In de nachtperiode wordt de standaard normstelling wel gerespecteerd. Daarnaast wordt de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in de dag- en avondperiode niet gerespecteerd. De richtwaarde van 55 dB(A) uit stap 3 wordt wel gerespecteerd. De overschrijding in de dag- en avondperiode vindt op de noordelijke gevels plaats. Op de overige gevels wordt de richtwaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) uit stap 2 van de VNG-publicatie gerespecteerd. Door het realiseren van een scherm met een hoogte van 1,8 meter boven plaatselijk maaiveld bedraagt de berekende geluidbelasting 50 dB(A) in de dagperiode. Hiermee zou in de dagperiode voldaan worden aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Om ook in de avondperiode te kunnen voldoen aan de standaard normstelling zou het scherm minimaal 5 meter hoog moeten zijn.

Versie 5 (definitief)

51

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

De gemeente kiest ervoor om geen scherm te realiseren maar conform artikel 2.20 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften vast te stellen, omdat: -

De realisatie van een scherm vanuit stedenbouwkundig oogpunt stuit op bezwaren.

-

De overschrijding enkel plaats vindt tijdens de openingsuren van de supermarkt. Hierdoor vindt er geen slaapverstoring plaats.

-

Voor de dagperiode zonder scherm aangesloten kan worden bij de richtwaarde van stap 3 van de VNG-publicatie.

-

Met een aannemelijke minimale geluidwering van het Bouwbesluit van 20 dB voldaan kan worden aan een binnenniveau van 35 dB(A) in de dagperiode en 30 dB(A) in de avondperiode de gevelwering tenminste respectievelijk 17 dB en 18 dB te bedragen.

Maximaal geluidniveau Het maximaal geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 66 dB(A) in de dagperiode, 64 dB(A) in de avondperiode en 43 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer gerespecteerd. De richtwaarde van stap 2 (70 dB(A) voor woningen gelegen in ‘gemengd gebied’) uit de VNG-publicatie wordt met de berekende geluidniveaus gerespecteerd.

Gemeentelijk geluidbeleid De startersvilla’s 1, 3, 6 en 10 dienen conform het gemeentelijk geluidbeleid te beschikken over een geluidsluwe zijde en de buitenruimte dient aan de geluidluwe zijde te zijn gesitueerd. De startersvilla’s (nr. 1, 3, 6 en 10) beschikken over een geluidluwe ruimte. De buitenruimte rondom de villa’s is gezamenlijke ruimte, daardoor hebben alle villa’s een geluidluwe buitenruimte.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan, onder de voorwaarde dat er conform artikel 2.20 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften worden vastgesteld voor de supermarkt aan de IJsselstraat 2.

52

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.7

Ecologie

4.7.1

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Floraen faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd.

Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.

Versie 5 (definitief)

53

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Gezien de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden kunnen direct negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn niet aannemelijk. Ook is de geplande ontwikkeling klein in relatie tot een zeer grote afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden. De afstand ten opzichte van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied (Rijntakken) bedraagt circa 13 kilometer. Zekerheidshalve is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Aanlegfase: voor het bepalen van de emissie tijdens de aanlegfase is gebruikt gemaakt van de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS' (januari 2020). Hierin is per woning (mobiele werktuigen en transportbewegingen) een emissie van 3kg NOx aangegeven. Gebruiksfase: de woningen worden conform wetgeving gasloos gebouwd. Voor de Aeriusberekening is daarom alleen de toename van wegverkeer opgevoerd.

Hierbij is gebruikt gemaakt van onderstaande uitgangspunten uit de 'Checklist aanvraagvereisten vergunningaanvragen stikstof' van de provincie Gelderland.

54

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Figuur 19 Uitsnede 'Checklist aanvraagvereisten vergunningaanvragen stikstof' van de provincie Gelderland

De rijbewegingen gaan vrijwel direct op in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen per jaar (7,5 per woning per dag, waarvan 1% vrachtverkeer) zijn ingetekend tot het kruispunt Keppelseweg / IJsselstraat / Loolaan.

Uitkomst van de berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase (zie bijlagen 2 en 3) is dat er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn. Een verdere toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Bescherming houtopstanden Er zijn in het plangebied geen houtopstanden aanwezig.

Versie 5 (definitief)

55

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het projectgebied ligt buiten de gebieden die behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en buiten de gebieden die behoren tot de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast. Aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het natuurnetwerk zijn in onderhavige situatie niet benodigd.

Soortenbescherming Het project betreft realisatie van tien woningen op een braakliggend terrein (al geruime tijd bestemd voor woningen). Door Eelerwoude is een quickscan uitgevoerd om de mogelijke effecten op beschermde soorten in beeld te krijgen (Eelerwoude, quickscan Wet natuurbescherming, projectnummer 203499, 7 juli 2022, zie bijlage 4). Conclusie van de quickscan is dat er alleen voor broedvogels een aandachtspunt is, voor alle andere soorten is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

Broedvogels Binnen het plangebied worden geen nesten verwacht van broedvogels door het vrijwel ontbreken van beplanting. Omdat nesten niet worden verwacht kan ook binnen het broedseizoen worden gewerkt. Men dient echter altijd alert te zijn op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Op deze wijze is een nader onderzoek of ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk voor broedvogels of andere soortgroepen.

Algemene zorgplicht Het kan zijn dat algemene diersoorten tijdens de werkzaamheden in het plangebied voorkomen. Hierbij moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen (artikel 1.11 Wnb). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan.

56

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.7.2

Groen- en natuurinclusief bouwen Doetinchem

Naast de Wet natuurbescherming stimuleert de gemeente Doetinchem natuurinclusief bouwen. In de brochure ‘Ideeën voor natuurinclusief bouwen en ontwerpen’ is een leidraad uitgewerkt voor nieuwbouw. De daarin genoemde maatregelen zijn in onderstaande tabel benoemd, waarbij is aangegeven of dit inpasbaar is in de beoogde nieuwbouw.

Maatregelen

Toepasbaarheid

Neststenen voor vogels

-

De beoogde bouwwijze (houtbouw met prefabelementen) is minder geschikt voor toepassing van neststenen. Deze zijn bedoeld voor reguliere gemetselde muren van steen. Daarnaast zijn er geen overstekende dakdelen van voldoende hoogte of schuine daken met dakpannen.

Kasten voor vleermuizen

-

De beoogde bouwwijze (houtbouw met prefabelementen) is minder geschikt voor toepassing van inbouwkasten (ander klimaat dan stenen en geen spouw).

Hotels en stenen voor insecten

+

Er worden insectenhotels geplaatst in de gezamenlijke tuin.

Groen dak

+

Op de daken van de benedenverdieping is sedum voorzien (extensief dak), op de daken van de bovenverdieping komen zonnepanelen (hier is geen ruimte over).

Waterdak

-

Op de daken van de benedenverdieping is sedum voorzien, op de daken van de bovenverdieping komen zonnepanelen (hier is geen ruimte over).

Groene gevel

-

De gebouwen krijgen een dikkere houten gevel dan regulier, dit zorgt voor de bescherming tegen de opwarming door de zon en heeft in de winter een isolerende werking. Deze houtconstructie is daarnaast vanwege het materiaal lastig te combineren met een groene gevel.

Versie 5 (definitief)

57

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Geveltuin

+

Opzet van het plan is dat de woningen een gezamenlijke tuin hebben, dit bloemrijke grasland start vanaf de gevels.

Vijver

-

Er worden wadi’s aangelegd, maar deze zijn bedoeld om het water maximaal 2 dagen vast te houden. Hierdoor zijn ze niet als vijver te gebruiken. Voor het resterende terrein is gekozen voor bloemrijk grasland.

Amfibieënpoel

-

Er worden wadi’s aangelegd, maar deze zijn bedoeld om het water maximaal 2 dagen vast te houden. Hierdoor zijn ze niet als amfibieënpoel te gebruiken. Voor het resterende terrein is gekozen voor bloemrijk grasland.

Haag

+

Gekozen wordt voor inheemse soorten (zoals liguster, meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn).

Bloemrijke beplanting

+

De onverharde gronden wordt ingezaaid met een bloemrijk grasmengsel.

58

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.8

Water

4.8.1

Gemeentelijk Rioleringsplan

In paragraaf 3.4.5 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf.

4.8.2

Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.

Onderzoek

Toename van afvalwater De nieuwbouw wordt voor het afvalwater aangesloten op de riolering. Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Uitgaande van een gemiddelde bezetting van 2 personen per woning en een vuilwaterproductie van 120 liter per persoon per etmaal verdeeld over 10 uur wordt een toename aan vuilwater verwacht van (10 x 2 x 12 l/uur) = 0,24 m³/uur. Aannemelijk is dat het bestaande gemeentelijk stelsel deze (relatief kleine) toename goed kan verwerken.

Toename van verharding / berging hemelwater Voor het plangebied staan in het waterbeheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven. Vanuit het verleden is geen wateroverlast op het terrein bekend. Dit geeft geen aanleiding voor nadere maatregelen. Voor de gehele woningbouwontwikkeling is in het verleden al een watertoets uitgevoerd (rapport Witteveen en Bos d.d. 13 september 2006, nummer DTC 1239-1 zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0222.R36B025A-

Versie 5 (definitief)

59

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

0003/tb_NL.IMRO.0222.R36B025A-0003_8.pdf). Geconcludeerd werd dat er geen problemen waren ten aanzien van de berging, afwatering en infiltratie van hemelwater en ten aanzien van de waterkwaliteit. De beoogde realisatie van de tien woningen wijkt niet af van de gehanteerde uitgangspunten. De gemeente heeft als uitgangspunt meegegeven dat met het oog op de toenemende (extreme) droogte maximaal 10% van het hemelwater dat op verhard valt (bebouwing en tuinverharding) terecht mag komen in de riolering. 90% van het hemelwater moet op het eigen kavel in de bodem infiltreren en bergen. Er zijn vier wadi’s voorzien van samen circa 41 m3, waardoor op het perceel in ieder geval een waterberging van minimaal 40 liter per m² bebouwd oppervlak aanwezig is. Om de waterberging beschikbaar te houden geldt voor het vasthouden en ledigen van de waterberging een termijn van maximaal 2 dagen. Afvalwater wordt via de riolering afgevoerd, de toename in aantal woningen is dermate beperkt dat dit geen problemen op zal leveren voor de riolering. Daarnaast is de Digitale Watertoets ingevuld, uitkomst is dat er waterschapsbelangen geraakt worden (toename verharding van meer dan 500 m2) en dat de reguliere procedure van toepassing is (zie bijlage 8 voor de uitgevoerde watertoets).

Bij de berekening voor de benodigde hemelwaterberging (zei tabel volgende pagina) op eigen terrein zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: -

de halfverharding is voor 70% meegeteld bij het totale verhardingsoppervlak, waardoor het totaal verhard oppervlak uitkomt op 569 m2.

-

Het totale plangebied is circa 1.400 m2, aangenomen is dat het infiltratieoppervlak het verschil tussen het totaal en het verharde gedeelte is.

-

Uit het bodemonderzoek volgt dat de voornaamste grondsoort fijn zand is wat een infiltratiecapaciteit heeft van 20 mm per uur.

-

Uitgangspunt is dat T=100+10% (80 mm) geen wateroverlast op mag leveren.

60

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bij de inrichting van het terrein zijn de volgende onderdelen meegenomen voor de berging van hemelwater: -

Op de platte daken van de eerste bouwlaag komen sedumdaken, doordat deze het hemelwater vasthouden tellen deze oppervlakten niet mee in de berekening.

-

Vier wadi’s met een totale bergingscapaciteit van 41 m3.

Het verschil tussen de bergingscapaciteit (41 m3) en de benodigde compensatie volume waterberging (46 m3) is beperkt. Op het terrein resteert voldoende infiltratiecapaciteit (bodem bestaat uit fijn zand) buiten de wadi’s om dit op te kunnen vangen tijdens een bui. Er zal geen extra water wordt afgevoerd naar het watersysteem van het waterschap. Als de wadi’s vol zitten is er geen overloop maar komt er water in het groen te staan. Versie 5 (definitief)

61

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Conclusie is dat met de beoogde inrichting het wateraspect voldoende geborgd is en het aannemelijk is dat de aan te vragen watervergunning verleend wordt. Aanvullend is er naar aanleiding van artikel 2.65b van de provinciale verordening (zie paragraaf 3.2.2) gekeken naar de gevolgen door klimaatveranderingen. Hierbij is gebruik gemaakt van de Klimaatatlas Doetinchem. Op onderstaande afbeelding is het projectgebied en de beoogde bebouwing over de kaart gelegd waarop zichtbaar is waar bij een bui van 160 mm in 2 uur tijd plassen water ontstaan (kans hierop is 1x per 1.000 jaar). De risicogebieden liggen met name op omliggende percelen, waarbij randen ook in het plangebied komen. In het stedenbouwkundig plan Heelweg (waarvan Saronix een onderdeel is) is rekening gehouden met hemelwaterberging. In het plandeel Saronix waren geen wadi's voorzien, er is rekening mee gehouden dat het hemelwater naar de wadi's in het naastgelegen plangebied wordt geleid. Desondanks is ervoor gekozen om ook binnen het plangebied wadi’s aan te leggen met een bergingscapaciteit van circa 41 m3. Daarmee is het risico op waterschade beperkt.

Figuur 20 Uitsnede Klimaatatlas Doetinchem (bui 160 mm / 2 uur)

Binnen het projectgebied is volgens de klimaatatlas het risico op plasvorming en onbegaanbare wegen in de omgeving beperkt.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

62

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 4.9.1

Archeologisch erfgoed

Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.

Onderzoek en conclusie De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor:

Dubbelbestemming

uitgangspunten archeologiebeleid

Waarde - Archeologische verwachting 5

bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter - maaiveld en bij bouwwerken met een totaal oppervlak groter dan 1.000 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

Voor de realisatie van de woningen blijft het verstoringsoppervlak ruimschoots onder de 1.000 m2 (circa 500 tot 600 m2, rekening houdend met een afgravingszone rondom de beoogde bebouwing). Op grond hiervan is er geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Eerder uitgevoerd onderzoek uit 20071 toont bovendien aan dat de bodem diep verstoord is, Een WOII loopgraaf in de nabijheid van het plangebied ligt op een afstand van ruim 35 meter , ook vanuit die optiek is nader archeologisch onderzoek niet benodigd. Het gebied kan daarom worden vrijgesteld van verdere archeologische onderzoekverplichtingen.

1

ADC ArcheoProjecten, rapportnummer 978, mei 2007

Versie 5 (definitief)

63

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10). Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.10 Verkeer en parkeren De locatie ligt voor het bepalen van de verkeerskundige aspecten in matig stedelijk gebied en in de rest van de bebouwde kom (zie paragraaf 3.4.14 voor de gemeentelijke parkeervisie).

Verkeer Volgens de kengetallen van het CROW is het aantal verkeersbewegingen, uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk' en het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’, maximaal 7,5 voor de hoekwoningen (koop). Dit komt voor de toekomstige situatie neer op een totaal van maximaal 75 verkeersbewegingen per dag. De woningen worden voor autoverkeer ontsloten via de Philipsstraat en IJsselstraat. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen.

Parkeren Op grond van de ‘Nota Parkeren Auto en Fiets’ volgend, is de parkeernorm voor de categorie ‘rijtjeswoning’ (tussen- hoekwoning) in de rest van de bebouwde kom 1,9 parkeerplaatsen per woning. Het bezoekersdeel daarvan (0,3 pp/woning) kan buiten beschouwing worden gelaten, zij kunnen op de openbare weg parkeren aangezien het veelal 30 kilometerwegen zijn. Er dienen dus in totaal 10 x 1,6 = 16 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Aan de westzijde van het plangebied worden nog 6 parkeerplaatsen aangelegd (zie Figuur 21), deze zijn niet aan andere ontwikkelingen in de omgeving gekoppeld en kunnen voor de startervilla’s gebruikt worden. Conform de parkeernota dient de bestaande situatie verrekend te worden met de nieuwe situatie (ook al moeten de betreffende parkeerplaatsen nog aangelegd worden door de gemeente). De resterende opgave betreft daarmee de realisatie van 10 parkeerplaatsen. Vanuit de gewenste groene en open uitstraling van het beperkte onbebouwde deel van het terrein, dat daarmee aansluit op de openbare groenstrook aan de noordzijde, is het niet wenselijk om direct rondom de startervilla’s op eigen terrein te parkeren.

64

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Aan de zuid- en zuidwestzijde van het plangebied zijn al een drietal parkeerstroken met in totaal 29 parkeerplaatsen aanwezig, zie onderstaande afbeelding. Deze worden maar beperkt gebruikt door de woningen aan de zuidzijde. recent woningen opgeleverd.

6

8

8 13 3

Figuur 21 Bestaande (oranje) en nieuwe (geel) parkeerplaatsen

Om inzicht te krijgen in de bezetting van deze parkeerplaatsen is er een parkeerdruk onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat op het drukste moment er 11 van de 29 parkeerplaatsen bezet waren. Daarmee waren er in alle situaties minimaal 18 parkeerplaatsen beschikbaar (ruimschoots meer dan de benodigde 10 parkeerplaatsen voor de startervilla’s). Er zijn geen andere ontwikkelingen in de omgeving die gebruik gaan maken van deze parkeerplaatsen (de woningen aan de westzijde parkeren op eigen terrein). Hiermee wordt een sluitende parkeerbalans voor de ontwikkeling gerealiseerd en past de gewenste herontwikkeling binnen het parkeerbeleid van de gemeente Doetinchem.

Versie 5 (definitief)

65

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

4.11 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

Economische uitvoerbaarheid Voorliggend project betreft een particulier initiatief, waarvoor grond van de gemeente is aangekocht. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten in verband met het verhalen van mogelijke planschade. De verkoop van gemeentelijke grond is in een aparte koopovereenkomst geregeld, waarbij voorafgaand derden in de gelegenheid zijn gesteld om bezwaar te maken. De verkoopwaarde is marktconform en sluit aan op de gemeentelijke grondexploitatie. De kosten die zijn gemaakt en gemaakt worden voor het opstellen van het plan zijn voor rekening van de initiatiefnemer en worden via de leges in rekening gebracht. Het verhaal van kosten is daarmee anderszins verzekerd, waarmee het vaststellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Naar aanleiding van het besluit van B&W in 2021 om in principe medewerking te verlenen aan het plan, heeft de gemeente omwonenden per brief geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Door de initiatiefnemer is in juli 2022 naar aanleiding van de uitgewerkte plannen een omgevingsdialoog gevoerd. De uitkomst hiervan is in een separaat verslag aan de gemeente gestuurd.

66

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Hoofdstuk 5

Conclusie

De realisatie van tien starterswoningen in het noordelijke deel van het Saronixterrein in Doetinchem is niet geheel mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. Er kan medewerking verleend worden via een herziening van het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan kan alleen worden herzien als de activiteit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling hieraan voldoet is opgenomen in voorliggend document. De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij het beleid van de verschillende overheden. Bij de uitvoering van het plan zijn er geen specifieke beleidskaders waar rekening mee gehouden moet worden. Het project levert geen problemen op ten aanzien van de onderzochte milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten (archeologie en cultuurhistorie, bodem, geluid, luchtkwaliteit, verkeer en parkeren, externe veiligheid, milieuzonering, flora en fauna, water) mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: -

Er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk, het bevoegd gezag dient wel een vormvrije-merbeoordelingsbesluit te nemen.

-

Voor het gehele plangebied geldt op dit moment nog een kadastrale aantekening omdat de sanering formeel nog niet is afgerond vanwege de lopende grondwatermonitoring. Na de grondwatermonitoring zal de provincie het eindresultaat beoordelen en wordt de kadastrale aantekening naar verwachting opgeheven.

-

Er mag enkel onder strikte voorwaarden grondwater worden opgepompt, dit ter voorkoming dat de restverontreiniging in het grondwater wordt aangetrokken;

-

Bodemenergiesystemen kunnen niet zondermeer worden aangebracht. Hiervoor gelden specifieke regels vanuit de Wet bodembescherming.

-

In verband met de grondwaterverontreiniging wordt geadviseerd om enkel boven grondwaterniveau (tot maximaal circa 1,5 m -mv.) te bouwen. Hoewel ter plaatse van de tien woningen enkele sprake is van een lichte verontreiniging kan door bijvoorbeeld een grondwaterbemaling sterkere verontreiniging worden aangetrokken.

-

Binnen het plangebied worden geen nesten verwacht van broedvogels door het vrijwel ontbreken van beplanting. Omdat nesten niet worden verwacht kan ook binnen het broedseizoen worden gewerkt. Men dient echter altijd alert te zijn op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten.

Versie 5 (definitief)

67

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

-

Er dient voor woning 10 een hogere waarde vastgesteld te worden van 49 dB.

-

Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw moet een onderzoek naar de geluidwering van de gevels aangeleverd worden waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Bouwbesluit t.a.v. de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit geldt voor woning 10 vanwege het wegverkeerslawaai door de Keppelseweg en voor woningen 1, 3, 6, 7, 9 en 10 vanwege de gecumuleerde geluidbelasting. Bij de berekeningen dient uitgegaan te worden van de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning gewaarborgd blijft.

-

Er dienen conform artikel 2.20 uit het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften vastgesteld te worden voor de supermarkt aan de IJsselstraat 2.

Met de voorgenoemde randvoorwaarden is het beoogd initiatief haalbaar en wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

68

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlagen

Versie 5 (definitief)

69

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 1

70

Inrichtingstekening

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 2

Versie 5 (definitief)

Aerius-berekening (aanlegfase)

71

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 3

72

Aerius-berekening (gebruiksfase)

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 4

Versie 5 (definitief)

Ecologische quickscan

73

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 5

74

Parkeerdrukonderzoek

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 6

Versie 5 (definitief)

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

75

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 7

76

Akoestisch onderzoek industrielawaai

versie 5 (definitief)

Ruimtelijke onderbouwing realisatie startervilla’s Saronixterrein Doetinchem

Bijlage 8

Versie 5 (definitief)

Watertoets

77

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7862/documents/42593