CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b. Bijlage 1 bij toelichting_Ruimtelijke onderbouwing Dr. Huber Noodtstraat 38a-42 - 2022.pdf

beeldvormende raad 6 april 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 2: Bestemmingsplan Dr Huber Noodtstraat  38a-42-202218.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voorontwerp buitenruimte

Beoogd wordt veel groen toe te voegen door de aanleg (en het beheer) van een groen binnenterrein en door natuurinclusief te bouwen (zie paragraaf 2.2 en bijlage 1 en 12 bij deze toelichting). Hiermee wordt tevens een kleine brug geslagen tussen de gewenste

30

groenstructuren vanuit het Groenstructuurplan Doetinchem 2017. Dit plan vult daarmee het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 aan. Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020 Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling.

Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Beoordeling plan In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staat per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 4.11 ‘Verkeer en parkeren’. Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder.

Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang:  het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren;  water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling);  met water de identiteit van een plek zichtbaar maken;  een goede communicatie opzetten (intern en extern);  water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen;  samenwerken en afstemmen;

31

balans in watersysteem en waterketen.

Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. In paragraaf 4.9 Water wordt nader op het aspect water ingegaan. Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Beoordeling plan De omgang met hemel- en afvalwater zal in lijn met het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 plaatsvinden. In paragraaf 4.9 is nader ingegaan op dit aspect. Zo is bekend dat het bestaande rioolsysteem de toename aan afvalwater kan verwerken en wordt er een hemelwaterbergingsvoorziening gerealiseerd binnen de grenzen van het plangebied. Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. De Klimaatadaptatiestrategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig wil zijn.

Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen.

Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1. De verwachte klimaateffecten in onze gemeente. 2. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de klimaatadaptatiestrategie) De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers:  Stad en dorp gezond en groen;  Adaptief landelijk beleid;  Robuuste vitale infrastructuur;  Ontwikkelingen klimaatbestendig;  Betrokken en actieve mensen. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050. Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag:  Neerslag vasthouden daar waar het valt;  De bodem inzetten als spons;  Meer schaduw door meer groen;

32

 

Minder verharding door meer groen; Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog.

De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen.

Beoordeling plan Met het voorliggende bestemmingsplan worden meerdere klimaatadaptieve oplossingen beoogd, zoals op het gebied van water, vergroening en duurzaamheid. In bijlage 1 bij deze toelichting is hier in meer detail op ingegaan. Met deze duurzaamheidsambities voldoet het plan aan het beleid ‘Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem’, omdat onder andere wordt ingezet op meer groen en minder verharding. Deze maatregelen dienen ter voorkoming van hittestress, is bevorderlijk voor de biodiversiteit en vergroot de leefbaarheid van deze plek.

33

Hoofdstuk 4.

Haalbaarheid

4.1. Algemeen Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

4.2. M.e.r.-beoordeling Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, zoals blijkt uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening (bijlage 5). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 62 appartementen en een parkeerkelder in de bestemming ‘Wonen’.

In de huidige situatie is er sprake van een centrumbestemming, waarbij de locatie voorheen is gebruikt als taxibedrijf. In het huidige Setax-kantoor zijn reeds 2 wooneenheden aanwezig. Voor zover de activiteit al zou zijn aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), is een milieueffectrapportage pas verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, hetgeen hier niet aan de orde is.

34

2. Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een ‘gevoelig gebied’ zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. 3. Belangrijke milieugevolgen In navolgende paragrafen zijn verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. Gelet op bovenstaande opsomming is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.3. Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een bodemonderzoek conform NEN5740 plaats te vinden. Met dit verkennend onderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Voor deze ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage - met kenmerk C21-073-O-N, d.d. 14 april 2021 - is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. Conclusies verkennend bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten ter plaatse van de voormalige boven- en ondergrondse brandstoftanks en vulpunt (deellocaties A, B en C) dient te worden verworpen. Ter plaatse van deze deellocaties is geen minerale olie of vluchtige aromaten boven de interventiewaarde gemeten in grond en grondwater, m.u.v. een lichte VOCI-verontreiniging in deellocatie C. Deze verontreiniging is afkomstig van Nieuweweg 32. Op basis van de analyseresultaten is op de locatie sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb).

De omvang van de sterke verontreiniging wordt voorlopig geschat op 110 m³. De aangetoonde sterke verontreiniging met koper is waarschijnlijk geheel of grotendeels ontstaan voor 1987 en wordt conform de Wbb derhalve beschouwd als historisch. Op basis van de resultaten van het indicatieve asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie kan worden beschouwd als niet-asbestverdacht.

35

De indicatieve toetsing aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is de vrijkomende bovengrond, met uitzondering van de sterke verontreiniging met koper naar verwachting geschikt voor hergebruik als klasse ‘’wonen en/of industrie’’. De ondergrond is naar verwachting ‘’vrij toepasbaar’’. Het asfalt is op basis van het uitgevoerde onderzoek teerhoudend en niet geschikt voor hergebruik. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat er een bodemsanering moet worden uitgevoerd. Er wordt na een nader onderzoek een saneringsplan opgesteld en met het bevoegd gezag afgestemd (provincie Gelderland) zodat na uitvoering van de sanering de bodem geschikt wordt voor de functie. De lichte VOCI-verontreiniging zal worden betrokken in het nader onderzoek en het saneringsplan. Grondverzet Indien er grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd en/of elders worden toegepast. De regels van de Nota bodembeheer regio Achterhoek en het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing, evenals de Bodemnota en -kaart 2020. Voor het afvoeren en toepassen van grond kan mogelijk aanvullend bodemonderzoek nodig zijn.

4.4. Akoestiek Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling van een geluidsgevoelig object of terrein plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In dit geval worden geluidsgevoelige objecten gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, waardoor een toetsing aan de Wet geluidhinder noodzakelijk is in verband met wegverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai - met kenmerk 2010/199/TA04-versie B, d.d. 2 december 2021 - is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten en conclusies. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Voor de gezoneerde wegen Raadhuisstraat, Rozengaardseweg en het gedeelte van de Dr. Huber Noodtstraat met een snelheidsregime van 50 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Dr. Huber Noodtplaats en het gedeelte van de Dr. Huber Noodtstraat met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het

36

wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op de gevels van de appartementen met respectievelijk 10 dB en 11 dB overschrijdt. Echter kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Aangezien er geen sprake is van een procedure hogere waarde hoeft formeel geen toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid plaats te vinden. Echter in het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt alsnog geadviseerd om ter plaatse van de geluidbelaste appartementen een geluidluwe zijde te realiseren. Op basis van de (concept) plattegronden is ter plaatse van de volgende appartementen sprake van een overschrijding van de richtwaarde van 48 dB: - begane grond: appartement W4 t/m W9 en de appartementen in het Setax-kantoor; - 1e en 2e verdieping: appartement W4 t/m W10 (de appartementen in het Setax-kantoor op de 1e, en eventueel 2e verdieping zijn reeds bestaand en hoeven derhalve niet beschouwd te worden); - 3e verdieping: W4 t/m W8; - 4e verdieping: W1 en W2. Op basis van de concept plattegronden zijn de appartementen W4 t/m W9, gelegen op de begane grond t/m de 2e verdieping, W4 t/m W7 op de 3e verdieping en W1 op de 4e verdieping aan de achterzijde gelegen aan een galerij c.q. open ruimte.

Wanneer er aan deze ‘galerij zijde’ minimaal één verblijfsruimte wordt gesitueerd met een te openen deel c.q. raam is ter plaatse van deze appartementen sprake van een geluidluwe zijde. Voor de appartementen W10 op de 1e en 2e verdieping, W8 op de 3e verdieping en W2 op de 4e verdieping geldt wanneer deze eveneens aan een galerij c.q. open ruimte worden gesitueerd dat deze aan de achterzijde eveneens voorzien zijn van een geluidluwe gevel. Voor de appartementen op de begane grond van het Setax-kantoor geldt dat sprake is van een geluidluwe gevel. Aan deze gevel dient dan wel een verblijfsruimte met een te openen deel c.q. raam te worden gerealiseerd. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal met de bovengenoemde resultaten rekening worden gehouden, zodat een goed- woon en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het bestemmingsplan is wat betreft akoestiek uitvoerbaar. Geluidemissie energiesystemen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden.

Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2021 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Daaruit volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit - weliswaar een regulering van de geluidemissie van zo'n pomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de

37

cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. In dit geval is een variantenstudie uitgevoerd naar 5 verschillende typen installaties voor het energiesysteem, waarbij de voorkeur is uitgegaan naar ventilatie retourlucht warmtepompen. Bij dit type systeem worden geen buitendelen gerealiseerd (deze komen in technische ruimte inpandig). Hierdoor is geen sprake van hinderlijke geluidemissies als gevolg van warmtepompen.

Schematische weergave warmtepomp op basis van ventilatie retourlucht

4.5. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht; • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor

38

‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. Beoordeling plan Het planvoornemen ziet op de realisatie van 62 appartementen. Op basis daarvan kan worden gesteld, voor zover daarvan al sprake is, dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming wordt gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat direct ten westen van het plangebied - ter plaatse van het rekenpunt aan de Dr. Huber Noodtplaats (ten noorden én ten zuiden van het plangebied) - zowel in de huidige situatie als voor 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10

39

ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6. Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPGtankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

40

Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen.

Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Beoordeling plan Op basis van de Risicokaart (www.risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Omdat geen sprake is van bovenstaande risicobronnen vormt het aspect externe veiligheid dan ook geen belemmering voor de beoogde realisatie van 62 wooneenheden t.b.v. dit bestemmingsplan.

4.7. Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden

41

van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.

Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande centrumbestemming gewijzigd naar een woonbestemming zodat er 62 appartementen kunnen worden gerealiseerd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich bijna uitsluitend centrumbestemmingen. Er zijn veel woningen en niet-woonfuncties aanwezig. Conform de centrumbestemming zijn uitsluitend inrichtingen toegestaan tot en met de milieucategorie 2. Gezien het feit dat het plangebied zich bevindt in een ‘gemengd gebied’ - het betreft het centrumgebied van Doetinchem - kan worden aangenomen dat de huidige inrichtingen niet in haar bedrijfsvoering worden belemmerd. Anderzijds kan worden geconcludeerd dat bestaande inrichtingen de toekomstige woonfunctie niet zullen belemmeren. Vanuit het aspect milieuzonering is er dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.8. Flora & fauna Algemeen Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

42

De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.

43

Uitsnede topografische kaart met Natura 2000-gebieden

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wnb is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Uiterwaarden IJssel’ dat op circa 11,1 km ten noordwesten van het plangebied is gelegen. Natura 2000-gebied ‘Hetter-Millinger Bruch’ (Duits grondgebied) ligt op circa 12,9 km ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een gebied behorende tot Gelders Natuurnetwerk (GNN) of een belangrijk weidevogelgebied of stiltegebied. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het GNN is op een afstand van circa 480 meter ten zuidwesten van het plangebied gelegen. Gelet op de aard en omvang van dit project, waarbij appartementen worden gerealiseerd, zijn als gevolg van dit project geen significant negatieve effecten te verwachten ten aanzien van het GNN-gebied. Ten aanzien van het GNN, de Groene Ontwikkelingszone en Natte landnatuur worden geen negatieve effecten verwacht. Voor wat betreft Natura 2000 is op voorhand niet met zekerheid te stellen dat dit planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Hiertoe is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. Het rapport - met kenmerk 2010/199/TA-02, d.d. 15 januari 2021 hiervan is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies.

Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

44

Soortenbescherming Quickscan flora & fauna en aanvullend natuuronderzoek Voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is in het kader van soortenbescherming een quickscan flora & fauna uitgevoerd. De rapportage - met kenmerk 2010/199/TA-01, d.d. 29 oktober 2021 - van dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Voor de soorten huismus, gierzwaluw en vleermuis is na de quickscan een aanvullend onderzoek uitgevoerd om te achterhalen of het bouwplan mogelijk negatieve effecten heeft op deze soorten in het geval deze aanwezig zijn. De rapportage - met kenmerk 2371, d.d. 17 november 2021 - is als bijlage 13 bij de toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies uit beiden onderzoeken. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Een gedeelte van de bebouwing is geschikt bevonden als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen en gierzwaluwen. Om deze reden is er in 2021 een nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten.

Het aanvullend huismusonderzoek bestond uit twee veldbezoeken in de periode van 1 april tot en met 15 mei om uit te sluiten dan wel aan te tonen of en waar huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. Het aanvullend gierzwaluwonderzoek bestond uit drie veldbezoeken in de periode van 1 juni tot en met 15 juli. De resultaten van het aanvullend onderzoek zijn als volgt: • Huismus: geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig • Gierzwaluw: geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig De conclusie m.b.t. de huismus en gierzwaluw is dat er geen mitigerende of compenserende maatregelen noodzakelijk zijn, omdat geen vaste rust- en verblijfsplaatsen zijn aangetroffen. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels.

Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

45

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Een gedeelte van de aanwezige bebouwing is geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. In dit kader is in 2021 aanvullend onderzoek uitgevoerd in de vorm van vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei - 15 juli en twee in de periode 15 augustus - 1 oktober. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Mogelijk zijn er binnen het plangebied kleinschalige vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig in combinatie met mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Tijdens het aanvullende onderzoek is dit eveneens onderzocht. De resultaten van het aanvullend onderzoek zijn als volgt: Twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen.

Tijdens de nazomerronden in augustus-september is net buiten het plangebied één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Binnen het plangebied zijn geen paarverblijfplaatsen vastgesteld. Voor de sloop van het gebouw met verblijfplaats is een activiteitenplan opgesteld, waarin maatregelen zijn voorgesteld om het verlies van de huidige verblijfplaatsen te mitigeren. Hiervoor worden alternatieve verblijflocaties in de vorm van minimaal 4 vleermuiskasten per verblijfplaats (dus 8 in totaal) binnen een straal van 200 meter van de huidige verblijfplaatsen geplaatst. Betreffende vleermuiskasten dienen minimaal 3 maanden voorafgaand aan de sloop aanwezig te zijn. Deze periode dient als gewenningsperiode zodat vleermuizen ruim tijd hebben om een alternatieve verblijfplaats te ‘koloniseren’. Deze 3 maanden van gewenning geldt alleen voor de actieve periode van vleermuizen (april t/m oktober). In de directe omgeving van het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om de betreffende mitigerende maatregelen te nemen. Door het treffen van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten ruim voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden en door tijdens en na afronding van de werkzaamheden rekening te houden met de gewone dwergvleermuis, worden geen blijvende negatieve effecten op de populatie van de gewone dwergvleermuis verwacht.

De vleermuiskasten worden als tijdelijke alternatieve verblijfplaats aan enkele gebouwen in de omgeving geplaatst. Daarnaast worden als permanente verblijfplaats minimaal 8 inbouwkasten of -stenen in de beide appartementencomplexen geplaatst, conform Wnb-ontheffing. Omdat het verwijderen van verblijfplaatsen in strijd is met de Wnb, is op 4 februari een ontheffing van de Wnb aangevraagd bij de provincie Gelderland. Ten behoeve van de aanvraag

46

voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming soortenbescherming is een activiteitenplan opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 14. In het activiteitenplan is beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd, de planning van de werkzaamheden, de aanwezige beschermde soorten, welke effecten optreden op de beschermde soorten en welke maatregelen hiervoor worden genomen. Met het activiteitenplan is aangetoond dat de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens een wettelijk belang, er geen andere bevredigende oplossing is en dat de staat van instandhouding van de betrokken beschermde soorten niet in gevaar komt. Overigens zijn de mitigerende maatregelen in het activiteitenplan geënt op het oude bouwontwerp (ten tijde van de ontheffingsaanvraag was het ontwerp nog niet definitief). Uiteraard zullen de mitigerende maatregelen worden betrokken in het nieuwe (definitieve) ontwerp. De ontheffing is op 21 april 2022 verleend. De ontheffing is als bijlage 15 bij deze toelichting gevoegd. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft.

Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Conclusie Wat betreft flora en fauna worden geen negatieve effecten verwacht door het planvoornemen op omliggende beschermde natuurgebieden. Vanuit soortenbescherming is uit een quickscan gebleken en nader onderzoek gebleken dat er vleermuizen verblijven in het plangebied. Voor deze soort is op 4 februari 2022 ontheffing van de Wnb aangevraagd bij de provincie Gelderland. De ontheffing is op 21 april 2022 verleend (zie bijlage 15). Omdat ontheffing is verleend en wordt uitgevoerd conform de werkwijze uit het Activiteitenplan (bijlage 14) is het bestemmingsplan uitvoerbaar wat betreft soortenbescherming. Voor het overige worden er vanuit soortenbescherming geen overtredingen van de Wet natuurbescherming verwacht. Daarnaast wordt bij de planrealisatie rekening gehouden met de zorgplicht, de bij de algemeen voorkomende vogels beschreven werkwijze en er wordt natuurinclusief gebouwd (zie bijlage 1 bij deze toelichting).

47

4.9. Water Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021:  Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water;  Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water;  Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water;  Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater;  Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Gemeentelijk Rioleringsplan In paragraaf 3.5.7 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies.

De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema

Toetsvraag

Relevant

Hoofdthema's Veiligheid

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale 1.Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? 2. Nee

Riolering en 1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 1. Ja afvalwaterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 2. Nee 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap? 3. Nee Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Nee 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Ja oppervlak? 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen 3. Nee gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 2. Nee IJssel?

48

3. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Nee 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? 4. Nee Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater 1. Nee geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 2. Nee 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch 3. Nee actiegebied?

Grondwaterkwaliteit Ligt het plangebied in drinkwateronttrekking?

de

beschermingszone

van

een Nee

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied 2. Nee die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 1. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor 2. Nee natte natuur?

Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom 1. Ja of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 2. Nee Aandachtsthema's Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?

Waterhuishoudkundig plan Er is voor dit bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. De rapportage - met kenmerk 2010/199/TA-01, d.d. 29 oktober 2021 - hiervan is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten van dit rapport. Grondwater Arnicon heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Arnicon, Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Dr. Huber Noodtstraat 38-42 te Doetinchem, rapport C21073-O-concept, d.d. 19 maart 2021). Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de grondwaterstand tijdens de uitvoering van de boringen is waargenomen op een diepte van 3,0 m-mv. De freatische grondwaterspiegel is aangetroffen vanaf een diepte van circa 1,5 m-mv. Het freatisch grondwater is zoetwater. De stromingsrichting van het freatische grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals oppervlaktewateren, de ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (bijvoorbeeld kabels- en leidingtracés, funderingen) en drainage.

49

Oppervlaktewateren Binnen zowel het plangebied als de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Bodem Uit het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon blijkt dat het plangebied een maaiveldhoogte heeft van 14 m+ NAP. De deklaag van 0 tot 4 m-mv is samengesteld uit fijn zand, leem en klei. Het 1e watervoerende pakket van 4 tot 17 m-mv bestaat uit grindhoudend grof zand. Voor het bepalen van de doorlaatfactor van de bodem is door Arnicon een onderzoek verricht De rapportage - met kenmerk C21-526-X/RL, d.d. 11 november 2021 - van dit onderzoek is als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Op basis de berekening kan worden geconcludeerd dat de bodemlaag van 0,08 tot 3,0 m-maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie in de klasse “Goed” tot “Zeer goed doorlatend” valt (K-waarde > 1). De onderzoeksresultaten geven aan dat de infiltratiemogelijkheden goed zijn. Conform gemeentelijk beleid kan bij een dergelijke Kwaarde worden volstaan me een berging van 10 mm. Geadviseerd wordt om op toekomstige extremen te dimensioneren (+ 10 mm). Afvalwater 62 appartementen met gemiddeld 3 bewoners per huishouden resulteert in circa 12 liter afvalwater per uur en 120 liter afvalwater per dag. Omgerekend is dit 2 m³/u en circa 22 m³/24u. De gemeente Doetinchem heeft berekend dat het huidige plaatselijke rioolstelsel deze toename kan verwerken.

Waterbergingsopgave Het plangebied behelst de realisatie van 62 appartementen aan Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem. De aanwezige bebouwing binnen het plangebied zal worden gesloopt, met uitzondering van het voormalige Setax-kantoor. In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard. In de toekomstige situatie zal bebouwing worden gerealiseerd op een parkeergarage die het gehele terrein vult. Naast de daadwerkelijke kavel is aan de Dr. Huber Noodtplaats een parkeerterrein gelegen. De wens is om in samenspraak met de gemeente Doetinchem het parkeerterrein groener en klimaatbestendiger in te richten.

Gegevens oppervlakte totale plangebied

50

Uit de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de totale verharding niet toeneemt. Wel biedt de ontwikkeling de mogelijkheid om verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. De gemeente Doetinchem verlangt dat elke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt gerealiseerd. Bij nieuwbouwplannen waarbij het verhard oppervlak meer dan 2.500 m² bedraagt dient, bij een K-waarde van minimaal 1, minimaal 10 mm per m² compensatie (statische berging) beschikbaar te zijn. Uit het doorlatendheidsonderzoek is gebleken dat de doorlatendheid van de bodem goed tot zeer goed is met een K-waarde van minimaal 3,6). Aangezien de voorkeur van de gemeente Doetinchem uitgaat naar een bergingseis van 20 mm hemelwater per m² wordt in het kader van het onderliggende plan met deze voorkeur rekening gehouden. In onderhavige situatie resulteert dit in de volgende rekensom: 2.903 m² x 20 mm = 58,06 m³. De bergingseis conform de aannames omtrent het verhard oppervlak bij onderhavige nieuwbouwontwikkeling bedraagt 58,06 m³. Hierbij dient de landelijke vastgestelde voorkeursvolgorde: vasthouden - bergen - afvoeren gevolgd te worden en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen.

Groen- en waterretentieplan (zie voor meer detail bijlage 12)

De ontwikkeling gaat bijdragen aan een duurzame en toekomstbestendige waterhuishouding. Er liggen verschillende kansen binnen het plangebied om te voldoen aan de bergingseis. Zo is de opdrachtgever voornemens om op het gehele dakoppervlak van de parkeergarage waarop geen woningen zijn voorzien een daktuin te realiseren. Dit gehele dakoppervlak zal worden voorzien van een retentielaag die enerzijds regenwater kan vasthouden en anderzijds dit water kan afgeven aan de bovenliggende planten (zie bijlage 12 bij deze toelichting).

51

Hier zijn verschillende systemen voor. Het dakoppervlak is groot genoeg om te voorzien in de benodigde berging. In het later stadium van het plan zal hierin een exacte keuze worden gemaakt c.q. technisch worden uitgewerkt. Naast het dak van de parkeergarage zijn er nog diverse vlakke daken op de appartementen die eveneens ingezet kunnen worden voor waterretentie. Door beplanting toe te voegen op daken en in de groene binnentuin kan verdamping op een natuurlijke wijze plaatsvinden. Om de bergingsopgave te verlagen, is het mogelijk om gebruik te maken van regentonnen voor het hergebruik van regenwater. Directe infiltratie in de ondergrond vanwege de ondergrondse parkeerplaats is niet mogelijk.

Van parkeerplaats naar parkeerplein met waterpasserende materialen (dit betreft een voorlopige ambitie)

Buiten het plangebied van de woonontwikkeling liggen er kansen om bij de herinrichting van de parkeerplaats gelegen aan Dr. Huber Noodtplaats gebruik te maken van waterdoorlatende verharding en/of infiltratie riolering. Hierdoor kan het regenwater infiltreren in de zandondergrond. Deze kans staat los van de bergingseis en bergingsopgave van dit planvoornemen. Uiteraard kan er ook voor een combinatie van oplossingsrichtingen worden gekozen. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van de genoemde oplossingen zal in een later stadium nader worden uitgewerkt. Voor alle oplossingen geldt sowieso dat het regenwater en afvalwater gescheiden zal worden ingezameld.

4.10. Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. Archeologie Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische

52

waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte.

Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn.

Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingenkaart

53

Op gemeentelijk niveau is het archeologiebeleid vastgelegd in de ‘Gemeentelijk archeologische beleidskaart’ en ‘Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart’. Hierin is o.a. vermeld welke archeologische verwachting er ter plaatse is aangegeven en wanneer archeologisch onderzoek benodigd is. Beoordeling plan Het plangebied is op de ‘Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart’ aangeduid met rood. Dit betekent historische nederzettingslocatie; hoge verwachting voor resten uit m.n. late middeleeuwen en later; archeologische resten mogelijk afgedekt door een >50 cm dikke conserverende laag. terrein. Op de ‘Gemeentelijke archeologische beleidskaart’ is aangegeven dat het plangebied is gelegen in AWG categorie 4. Archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm-mv. Dit archeologiebeleid is vervolgens juridisch-planologisch vertaald in het geldend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied - voorjaar - 2020’ geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm-mv archeologisch onderzoek vereist is. Gezien deze feiten is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauen inventariserend veldonderzoek. De rapportage - met kenmerk RAAP-rapport 4881, d.d.

23 april 2021 - van dit onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via Archis). Het bevoegd gezag heeft dit advies als juist beoordeeld en overgenomen. Wat betreft het aspect archeologie is het bestemmingsplan uitvoerbaar. Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. De gemeente Doetinchem heeft met de vaststelling van de “Nota Cultuurhistorie Doetinchem” de ambitie verwoord om waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. In het plangebied zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig.

In het bestemmingsplan Stedelijk gebied - voorjaar - 2020 van de gemeente Doetinchem is het ‘gehele ensemble’ aan de Dr. Huber Noodtstraat 40/42 opgenomen als ‘cultuurhistorisch waardevol’. Dit betekent dat ze niet zonder vergunning mogen worden gesloopt. Om die reden zijn

54

bouwhistorische verkenningen met waardestelling uitgevoerd naar het exterieur en interieur van de gebouwen behorende bij het complex, zowel huisnummer 38a als het Setax-complex. De rapportages van deze onderzoeken - d.d. 14 augustus 2020 en 11 juni 2021 - zijn als bijlage 3 & 4 bij deze toelichting gevoegd. Dr. Huber Noodtstraat 38a Het pand diende sinds 1921 als bedrijfsgebouw en wagenloods van de ‘Doetinchemse Begrafenisonderneming “Draagt Elkanders Lasten”. In 1970 werd het pand verkocht aan een autoverhuur - en taxibedrijf, waarna de schuur de naam ‘Petro-hal’ kreeg. In 1980 werd een benzine -installatie aan de voorgevel (oostzijde) geplaatst . Uit cultuurhistorische en bouwhistorische analyse komt naar voren dat de waarde van de schuur zowel in het materiële erfgoed als in het immateriële erfgoed zit. Door deze waardevolle elementen in het ontwerp voor de nieuwbouw op het terrein te integreren of als inspiratie te gebruiken kan recht worden gedaan aan deze waarden. Tevens geven ze waarde en karakter aan het nieuwe ontwerp. In een nieuw ontwerp kan erfgoed op verschillende manieren worden geïntegreerd. De schuur kan als inspiratiebron worden gebruikt zonder dat er elementen worden behouden. Ten slotte kunnen omwonenden worden betrokken bij de waardering en selectie van karakteristieke cultuurhistorisch waardevolle elementen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7857/documents/42648