CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b.7. Bijlage 7 bij ruimtelijke onderbouwing - Quickscan flora en fauna.pdf

gemeenteraad 20 april 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6.1: Bestemmingsplan Dr Huber Noodtstraat 38-42a - 20226.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem (2010/199/TA-01, versie 1)

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Quickscan flora en fauna

in opdracht van Burgland Real Estate B.V. T.a.v. de heer I. Alberts ’t Vaartland 10 2821 LH STOLWIJK betreffende locatie Dr. Huber Noodtplaats Doetinchem documentkenmerk 2010/199/TA-01 versie 1 vestiging Nuenen datum 29 oktober 2021

opgesteld door: ing. L. Bouwmans

gecontroleerd door: ing. A. Paulusse

Projectleider ecologie

Projectleider ecologie

Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.

Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Prinsenbeek >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Inhoudsopgave pagina 1

Inleiding

1

2

Bronnenonderzoek

3

2.1

Gebieden

3

2.2

Soorten

5

3

Veldbezoek

7

4

Resultaten

8

4.1

Flora

8

4.2

Vogels

8

4.3

Grondgebonden zoogdieren

10

4.4

Vleermuizen

11

4.5

Amfibieën, reptielen en vissen

13

4.6

Ongewervelden/ overige soorten

14

5

Conclusies

15

5.1

Beschermde gebieden

15

5.2

Soorten

15

5.3

Zorgplicht

16

5.4

Eindconclusie

17

5.5

Advies

17

6

Literatuurlijst

18

Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.

situatietekening plangebied

2.

fotobijlage veldbezoek van 3 december 2020

1 30

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

1 Inleiding In opdracht van Burgland Real Estate B.V. is een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de locatie Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem. Het voornemen bestaat om 64 nieuwbouwappartementen te realiseren, zie het schetsontwerp in bijlage 1. Hierbij wordt de ter plaatse aanwezige bebouwing geamoveerd en worden de aanwezige bomen gerooid. Het plangebied betreft de kadastrale percelen van de gemeente Ambt-Doetinchem, sectie C, nummers 1386, 1388, 1563, 3105 en 3106 en heeft een oppervlakte van circa 2903 m2.

Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: www.perceelloep.nl)

Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep.

pagina 1 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen. Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in de bebouwde kom van Doetinchem is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.

Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)

pagina 2 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.

2.1 Gebieden In navolgende figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. In figuur 3 is het Natura 2000-gebied met de limegroene en blauwe kleuren aangeduid. In figuur 4, op pagina 5, betreft de donkergroene kleur het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de provincie Gelderland ook wel Gelders Natuurnetwerk (verder: GNN) genoemd. Met de lichtgroene kleur wordt in deze figuur de Groene Ontwikkelingszone aangeduid, eveneens ecologisch waardevol gebied binnen de provincie Gelderland. Met de blauwe strepen wordt de beschermingszone natte landnatuur in deze figuur weergegeven. De Natura 2000gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. De Natura 2000-gebieden die geen onderdeel zijn van het NNN betreffen vooral agrarische gebieden en hebben een beperkter beschermingsregime. Van de gebieden die wel binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.

Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

pagina 3 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 11,1 kilometer ten noordwesten van het plangebied gelegen en betreft de “Uiterwaarden IJssel”. Het natuurgebied maakt onderdeel uit van de “Rijntakken”. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder-Rijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen.

Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hooggelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhouthooibos voor. De doelsoorten in het Natura 2000-gebied de “Rijntakken ””betreffen onder andere broedvogels zoals de dodaars, roerdomp, kwartelkoning en grote karekiet. Ook andere soorten zoals de rivierprik, bittervoorn, kamsalamander en bever zijn doelsoorten in dit gebied. Daarnaast zijn de habitattypen die in het gebied voorkomen zoals slikkige rivieroevers en stroomdalgraslanden onderdeel van de instandhoudingsdoelstellingen.

In figuur 4, op de volgende pagina, overgenomen uit de kaart van in de Omgevingsverordening Gelderland, is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het GNN is op een afstand van circa 480 meter ten zuidwesten van het plangebied gelegen.

pagina 4 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Figuur 4: kaart GNN. plangebied is met de rode pijl aangeduid. (bron: https://glanders.planoview.nl/planoview)

Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN en Groene ontwikkelingszone. De provincie Gelderland hanteert geen externe werking als het gaat om deze gebieden. Het plangebied ligt eveneens buiten de begrenzing van de Beschermingszone natte landnatuur. Het plangebied is op een dergelijke afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied gelegen dat een negatief effect niet wordt verwacht. Tussen het plangebied en het natuurgebied bevindt zich bovendien een stedelijke omgeving met onder andere verkeersaders. Ten aanzien van het GNN, de Groene Ontwikkelingszone en Natte landnatuur worden geen negatieve effecten verwacht. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 11,1 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de aard van het planvoornemen (realisatie van circa 64 nieuwbouwappartementen) kan een negatief effect met betrekking tot stikstofdepositie echter niet op voorhand worden uitgesloten. Hierdoor is een stikstofdepositieberekening noodzakelijk.

2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas. In werkatlassen wordt het voorkomen van soorten doorgaans per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:217 / Y:442.

pagina 5 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2021 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, woelrat, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, otter, steenmarter, boommarter, das, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, huismuis, hermelijn, wezel, bunzing, beverrat, rosse woelmuis, meervleermuis, watervleermuis, baardvleermuis, rosse vleermuis, muskusrat, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, eekhoorn, tweekleurige bosspitsmuis, dwergspitsmuis, mol en vos. In de periode 2000-2021 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, rugstreeppad, boomkikker, kleine watersalamander, knoflookpad, bastaardkikker, poelkikker, meerkikker, heikikker, bruine kikker, kamsalamander, hazelworm en levendbarende hagedis.

pagina 6 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

3 Veldbezoek Het plangebied is op 3 december 2020 in de ochtend bezocht. Er was sprake van bewolkt, regenachtig weer, met windkracht 2 Bft en een temperatuur van circa 6 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een parkeerplaats, een winkelpand met bedrijfswoning en enkele garages en opslagruimtes.

De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 7 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.

4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Er zijn voornamelijk stedelijke soorten aangetroffen, zoals de kleinbladige klimop (Hedera helix), beukenhaag (Fagus sylvatica) en mos vegetatie op de aanwezige daken. Vanwege de voedselrijke omstandigheden en het stedelijke karakter waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet op voorhand kan worden uitgesloten. De aanwezige bomen en struiken kunnen wel dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk gebied” voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor weide-, struweel-, bos- en watervogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn drie kauwen (Corvus monedula), twee merels (Turdus merula), twee huismussen (Passer domesticus), een winterkoning (Troglodytes troglodytes) en drie zilvermeeuwen (Larus argentatus) waargenomen. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nesten waargenomen. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een winkelpand met bedrijfswoning en enkele garages en opslagruimtes. De (platte) daken van de garages en opslagruimtes in het zuiden en oosten van het plangebied bestaan voornamelijk uit bitumen of golfplaten. Tussen deze daken en de gevels zijn beperkt geschikte openingen aanwezig die tot ruimtes onder het dak kunnen leiden.

Golfplaten daken zijn veelal beperkt geschikt als verblijfplaats voor vogels, omdat de temperatuur onder het dak erg kan fluctueren (hitte kunnen de meeste vogelsoorten niet goed verdragen). In de kleinste schuur die zich in het zuiden van het plangebied begeeft is echter een opening aanwezig in de daklijst die toegang kan bieden tot de ruimte achter de daklijst. Deze ruimte kan dienen als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van de huismus. Rondom deze opening is begroeiing aanwezig die tevens kan dienen als rust- of schuilplaats voor deze soort. In de dichte begroeiing die aanwezig is op het golfplaten dak in het zuiden van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek twee huismussen waargenomen. De grote garage die zich in het midden van het plangebied begeeft, Dr. Huber Noodtstraat 38A, beschikt over een met dakpannen bedekt zadeldak.

pagina 8 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

De dakpannen liggen over het algemeen dicht op elkaar aangesloten waardoor er voor gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest, zoals de huismus of gierzwaluw (Apus apus), mogelijk geschikte openingen aanwezig zijn die toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. De onderste rij dakpannen boven de dakgoot biedt echter wel voldoende ruimte aan huismussen om als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats te dienen. Daarnaast is er in de lange, noordelijke bakstenen gevel van dit pand een opening aanwezig in de gevel. Deze opening kan eveneens leiden tot jaarrond beschermde verblijfplaatsen van huismussen. In het oosten van het plangebied is een kleine garage aanwezig. Deze garage beschikt eveneens over een met dakpannen bedekt zadeldak. De aanwezige dakpannen zijn plat en liggen dicht op elkaar aangesloten. Op de zuidwestelijke hoek van de zuidelijke gevel ontbreekt echter een dakpan, waardoor er toegang is tot de ruimtes onder het dak. Dit gedeelte van de bebouwing is hierdoor eveneens geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van huismussen. Het aanwezige winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 40-42 beschikt ook over een met dakpannen bedekt dak. De onderste rij dakpannen boven de dakgoot biedt voldoende ruimte aan huismussen om als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats te dienen.

De dakpannen liggen op enkele plekken scheef waardoor er geschikte openingen aanwezig zijn die toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. Deze ruimtes kunnen dienen als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor zowel huismussen als gierzwaluwen. Om voorgenoemde redenen dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de huismus en gierzwaluw. In onderstaande figuur 5 zijn de locaties binnen het plangebied weergegeven die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van deze soorten. De gehele objecten waarin geschikte locaties zijn aangetroffen dienen onderzocht te worden tijdens het aanvullende onderzoek.

Figuur 5: de gevels met geschikte openingen voor huismussen (geel gemarkeerd) en geschikte openingen voor huismussen en gierzwaluwen (rood gemarkeerd) ten opzichte van het plangebied (blauw gemarkeerd). (bron: Google Earth)

pagina 9 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

Conclusie: een gedeelte van de bebouwing aan de Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem is geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen en gierzwaluwen. Er dient derhalve onderzoek te worden uitgevoerd naar deze soorten. Een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten. Wel wordt bij de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.

4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied ongeschikt, vanwege de stedelijke ligging en de bebouwing en bestrating die aanwezig is. Daarnaast zijn er geen burchten en geen sporen aangetroffen van de das zoals pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied is eveneens ongeschikt om als foerageergebied te dienen. In de omgeving van het plangebied komt de steenmarter (Martes foina) voor. De steenmarter komt voornamelijk voor in parklandschap en heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Het plangebied is geschikt als (onderdeel van het) leefgebied voor de steenmarter vanwege de toegankelijkheid tot een zolder c.q. opslagplaats in het zuiden van het plangebied. Er zijn echter geen sporen aangetroffen in de vorm van pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen (in de vorm van latrines) in en rondom de bebouwing die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soort.

Ook de boommarter (Martes martes) komt volgens de gegevens van het NDFF voor in de omgeving van het plangebied. De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Deze soort verblijft voornamelijk in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Het plangebied voldoet niet aan de genoemde eisen voor het leefgebied van de boommarter. Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen in de vorm van pootafdrukken of uitwerpselen. Naast de steen- en boommarter komen ook kleine marterachtigen voor in de directe omgeving van het plangebied, zoals de bunzing (Mustela putorius), hermelijn (Mustela erminea) en wezel (Mustela nivalis). De bunzing en hermelijn geven de voorkeur aan gebieden met oppervlaktewater en voldoende schuilmogelijkheden, zoals heggen, houtwallen, bosranden en natuurlijke oevers. De wezel geeft de voorkeur aan open, droge, natuur- en cultuurlandschappen die dekking bieden door middel van bosschages, houtstapels en heggen. Het plangebied is ongeschikt voor deze soorten vanwege het ontbreken van voldoende natuurlijke schuilmogelijkheden en de vele bestrating en bebouwing die aanwezig is op het terrein. Daarnaast zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen, of uitwerpselen. De otter (Lutra lutra) komt eveneens voor in de omgeving van het plangebied.

De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Deze soort leeft in schoon en zoet water, waar voldoende dekking en rust is. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor deze soort, vanwege het ontbreken van oppervlaktewater. Een negatief effect op deze soort valt hierdoor uit te sluiten. Ook de eekhoorn (Sciurus vulgaris) komt voor in de omgeving van het plangebied.

pagina 10 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Binnen het plangebied zijn enkele bomen aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats van de eekhoorn. Er zijn echter geen exemplaren, nesten of sporen waargenomen. Naast eerdergenoemde soorten komt ook de bever (Castor fiber) voor in de omgeving van het plangebied. Bevers leven voornamelijk in overgangsgebieden tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen zoals wilgen en es. Aangezien het plangebied voornamelijk bestaat uit bebouwing en bestrating is het terrein ongeschikt als leefgebied voor deze soort. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van tuinen van omliggende woningen en plantsoenen om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.

4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied zodat de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand valt uit te sluiten. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een winkelpand met bedrijfswoning en enkele garages en opslagruimtes. De (platte) daken van de garages en opslagruimtes in het zuiden en oosten van het plangebied bestaan voornamelijk uit bitumen of golfplaten. Tussen deze daken en de gevels zijn geen geschikte openingen die tot ruimtes onder het dak kunnen leiden. Golfplaten daken zijn veelal beperkt geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, omdat de temperatuur onder het dak erg kan fluctueren. Vleermuizen hebben baat bij verblijfplaatsen met constante temperaturen. De grote garage die zich in het midden van het plangebied begeeft, aan de Dr. Huber Noodtstraat 38A, beschikt over een met dakpannen bedekt zadeldak. Op enkele plekken in het dak zijn kleine openingen aanwezig tussen de dakpannen die groot genoeg zijn om gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. De ruimtes onder het dak kunnen dienen als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats. Daarnaast is er in de lange, noordelijke bakstenen gevel van dit pand een opening aanwezig in de gevel.

Deze opening kan eveneens leiden tot jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. In het oosten van het plangebied is een kleine garage aanwezig. Deze garage beschikt eveneens over een met dakpannen bedekt zadeldak. De aanwezige dakpannen zijn plat en liggen dicht op elkaar aangesloten. Op de zuidwestelijke hoek van de zuidelijke gevel ontbreekt echter een dakpan, waardoor er toegang is tot de ruimtes onder het dak. Dit gedeelte van de bebouwing is hierdoor eveneens geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van vleermuizen. Het aanwezige winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 40-42 beschikt ook over een met dakpannen bedekt dak. De dakpannen liggen op enkele plekken scheef waardoor er geschikte openingen aanwezig zijn die toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. Hierdoor is het dak van het winkelpand c.q. bedrijfswoning geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Om voorgenoemde redenen dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar gebouwbewonende vleermuizen.

pagina 11 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

In onderstaande figuur 6 zijn de locaties binnen het plangebied weergegeven die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van deze soorten. De gehele objecten waarin geschikte locaties zijn aangetroffen dienen onderzocht te worden tijdens het aanvullende onderzoek.

Figuur 6: de gevels met geschikte openingen voor vleermuizen (geel gemarkeerd) ten opzichte van het plangebied (blauw gemarkeerd) (bron: Google Earth)

De bomen die zich aan de westelijke zijde van het plangebied bevinden beschikken over enkele holtes. Na een inwendige inspectie is gebleken dat de holtes niet voldoende doorlopen, waardoor deze ongeschikt zijn als vaste verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Er wordt verwacht dat dit geen essentieel foerageergebied zal zijn, aangezien in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals tuinen van omliggende woningen, plantsoenen en de rivier de “Oude IJssel”. Tijdens het aanvullende onderzoek zal worden onderzocht welke functie het plangebied heeft in combinatie met mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De bomen binnen het plangebied vormen geen lange, aaneengesloten lijnvormige structuur. De rivier de “Oude IJssel” en de bomenrijen aan de J.F. Kennedylaan kunnen wel dienst doen als vliegroute, deze lijnvormige structuren sluiten aan op de sportvelden ten zuiden van het plangebied en de vijver ten noordoosten van het plangebied.

Deze structuren zullen naar aanleiding van het planvoornemen

pagina 12 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

niet worden aangetast en kunnen daardoor dienst blijven doen als vliegroute. Mogelijk zijn er binnen het plangebied kleinschalige vliegroutes aanwezig in combinatie met mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Tijdens het aanvullende onderzoek zal dit worden onderzocht. Conclusie: een gedeelte van de bebouwing binnen het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Om deze reden dient nader onderzoek gedaan te worden naar vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd en wordt er mogelijk gebruik gemaakt van vliegroutes binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Tijdens het aanvullende onderzoek zal worden bepaald of er essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroutes in combinatie met verblijfplaatsen aanwezig zijn.

4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor de aanwezigheid van beschermde vissoorten kan worden uitgesloten. De rugstreeppad (Epidalea calamita), boomkikker (Hyla arborea) en knoflookpad (Pelobates fuscus) komen voor in de omgeving van het plangebied. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen met een pionier karakter. Deze soort geeft de voorkeur aan gebieden met veel dynamiek, zoals braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden. Het voortplantingswater is ondiep en bevat plaatsen die snel opwarmen. De boomkikker komt voornamelijk voor in visvrije, zonnig gelegen, matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. De knoflookpad komt voor in agrarische gebieden, ruderaal terrein en half natuurlijke graslanden. De aanwezigheid van open zandplekken die omringd zijn door vegetatie is essentieel voor het voorkomen van deze soort. Vanwege de aanwezige bebouwing en bestrating en het ontbreken van geschikte vegetatie is het plangebied ongeschikt voor deze drie soorten.

De heikikker (Rana arvalis) en poelkikker (Phelophylax lessonae) komen eveneens voor in de omgeving van het plangebied. De heikikker heeft een voorkeur voor landschapstypen zoals heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland. De poelkikker komt voor in zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Vanwege het ontbreken van geschikte leefgebieden, zoals heide en stilstaand water, is het plangebied ongeschikt voor deze soorten. Ook de kamsalamander (Triturus cristatus) komt voor in de omgeving van het plangebied. Deze soort komt voor op zandgronden en beekdalen en geeft de voorkeur aan een bosrijk landschap met houtwallen en struwelen. Deze soort komt vooral voor in poelen, vijvers, vennen en leemputten. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor deze soort, vanwege het stedelijke karakter en het ontbreken van geschikt leefgebied zoals bos en struwelen. Daarnaast is er geen voortplantingswater aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Naast eerdergenoemde beschermde amfibieën komen ook de hazelworm (Anguis fragilis) en levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) voor in de omgeving van het plangebied. De hazelworm komt voor in diverse biotopen, zoals heide, bosranden, kalkgraslanden en ruderale terreinen. De meeste waarnemingen worden gedaan in heidegebied waar voldoende vegetatie is waaronder ze kunnen verblijven.

De levendbarende hagedis heeft een voorkeur voor heide en hoogveen, maar

pagina 13 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

komt ook voor in open bos en ruig grasland. Het is een vochtminnende soort die in de genoemde biotopen voornamelijk wordt aangetroffen op de vochtige terreindelen. Het plangebied is ongeschikt voor voorgenoemde soorten, vanwege het stedelijke karakter en het gebrek aan geschikt habitat en natuurlijke schuilmogelijkheden. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. Algemene soorten worden eveneens niet verwacht door de aanwezige bebouwing en bestrating en het gebrek aan natuurlijke schuilmogelijkheden en oppervlaktewater. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt daarnaast geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en waardplanten en de aanwezige bebouwing en bestrating is het plangebied voor geen van de beschermde soorten geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

pagina 14 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.

5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het GNN en Groene ontwikkelingszone. De provincie Gelderland hanteert geen externe werking als het gaat om deze gebieden. Het plangebied ligt eveneens buiten de begrenzing van de Beschermingszone natte landnatuur. Het plangebied is op een dergelijke afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied gelegen dat een negatief effect niet wordt verwacht. Tussen het plangebied en het natuurgebied bevindt zich bovendien een stedelijke omgeving met onder andere verkeersaders. Ten aanzien van het GNN, de Groene Ontwikkelingszone en Natte landnatuur worden geen negatieve effecten verwacht. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 11,1 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de aard van het planvoornemen (realisatie van circa 68 nieuwbouwappartementen) kan een negatief effect met betrekking tot stikstofdepositie echter niet op voorhand worden uitgesloten. Hierdoor is een stikstofdepositieberekening noodzakelijk.

5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Een gedeelte van de bebouwing is geschikt bevonden als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen en gierzwaluwen. Om deze reden dient er nader onderzoek plaats te vinden naar deze soorten. Het aanvullend huismusonderzoek bestaat uit twee veldbezoeken in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier veldbezoeken in de periode van 10 maart tot en met 20 juni om uit te sluiten dan wel aan te tonen of en waar huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied.

Het aanvullend gierzwaluwonderzoek bestaat uit drie veldbezoeken in de periode van 1 juni tot en met 15 juli. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het

pagina 15 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Een gedeelte van de aanwezige bebouwing is geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen.

Hier dient aanvullend onderzoek voor uitgevoerd te worden in de vorm van vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei – 15 juli en twee in de periode 15 augustus – 1 oktober. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Mogelijk zijn er binnen het plangebied kleinschalige vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig in combinatie met mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Tijdens het aanvullende onderzoek zal dit eveneens worden onderzocht. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.

5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind

pagina 16 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).

5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •

de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;

•

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;

•

nader onderzoek naar huismussen, gierzwaluwen en gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk;

•

voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft;

•

om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofberekening te worden gemaakt.

5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van het nieuw te bouwen appartementen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.

pagina 17 van 18

documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 1

6 Literatuurlijst BIJ12 (2017) Kennisdocument Huismus, Passer domesticus BIJ12 (2017) Kennisdocument Gierzwaluw, Apus apus BIJ12 (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Natura 2000-gebieden in Nederland (2020) Geraadpleegd op 28 december 2020 via www.natura2000.nl NDFF (2020) Geraadpleegd op 28 december 2020 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2020) Geraadpleegd op 28 december 2020 via http://www.ravon.nl/ Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020 Zoogdiervereniging (2020) Geraadpleegd op 28 december 2020 via http://www.zoogdiervereniging.nl/

pagina 18 van 18

Situatietekening : 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Geplande situatie

pagina 1

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 1

Foto 2

Foto 3

pagina 1

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 4

Foto 5

Foto 6

pagina 2

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 7

Foto 8

Foto 9

pagina 3

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 10

Foto 11

Foto 12

pagina 4

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 13

Foto 14

Foto 15

pagina 5

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 16

Foto 17

Foto 18

pagina 6

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 19

Foto 20

Foto 21

pagina 7

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 22

Foto 23

Foto 24

pagina 8

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 25

Foto 26

Foto 27

pagina 9

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 28

Foto 29

Foto 30

pagina 10

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 31

Foto 32

Foto 33

pagina 11

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 34

Foto 35

Foto 36

pagina 12

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 37

Foto 38

Foto 39

pagina 13

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 40

Foto 41

Foto 42

pagina 14

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 43

Foto 44

Foto 45

pagina 15

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 46

Foto 47

Foto 48

pagina 16

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 49

Foto 50

Foto 51

pagina 17

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 52

Foto 53

Foto 54

pagina 18

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 55

Foto 56

Foto 57

pagina 19

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 58

Foto 59

Foto 60

pagina 20

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 61

Foto 62

Foto 63

pagina 21

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 64

Foto 65

Foto 66

pagina 22

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 67

Foto 68

Foto 69

pagina 23

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 70

Foto 71

Foto 72

pagina 24

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 73

Foto 74

Foto 75

pagina 25

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 76

Foto 77

Foto 78

pagina 26

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 79

Foto 80

Foto 81

pagina 27

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 82

Foto 83

Foto 84

pagina 28

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 85

Foto 86

Foto 87

pagina 29

Fotobijlage: 2010/199/TA-01, Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem

Foto 88

Foto 89

Foto 90

pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7863/documents/42746