Bijlage 2b.14. Bijlage 14 bij ruimtelijke onderbouwing - Activiteitenplan ontheffing Wnb.pdf
Tekst van het document
Activiteitenplan ontheffing Wnb soortbescherming Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem
In opdracht van Burgland Real Estate BV
Colofon Activiteitenplan ontheffing Wnb soortbescherming Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem
Opdrachtgever Contactpersoon
Burgland Real Estate BV Dhr. IJ. Alberts
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Status Publicatiedatum Foto voorblad
2386 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom Definitief 02 december 2021 Plangebied
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 1.
Algemene informatie .................................................................................................... 2
2.
Werkzaamheden en planning ...................................................................................... 3 2.1 Beschrijving werkzaamheden .................................................................................... 3 2.2 Werkwijze werkzaamheden ....................................................................................... 5 2.3 Planning werkzaamheden .......................................................................................... 5
3.
Verbodsbepalingen ...................................................................................................... 6 3.1 Plantensoort: Planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen ........ 6 3.2 Plantensoort: Onder zich hebben of vervoeren van planten of delen/producten van planten, anders dan voor verkoop.................................................................................... 6 3.3 Diersoort: Opzettelijk doden of vangen van het dier ................................................... 6 3.4 Diersoort: Beschadigen en vernielen of wegnemen van voortplantings- of rustplaatsen, nesten of eieren van het dier ...................................................................... 6 3.5 Diersoort: Verstoren van het dier (niet van toepassing bij vogels als de verstoring geen invloed heeft op de gunstig staat van instandhouding) ............................................ 7 3.6 Diersoort: Onder zich hebben of vervoeren van dieren of delen/producten van dieren, anders dan voor verkoop ................................................................................................. 7 3.7 Diersoort: Het uitzetten van dieren of eieren van dieren............................................. 7 3.7 Diersoort: Het uitzetten van dieren of eieren van dieren............................................. 7
4.
Ecologisch inventarisatie: achtergrond ......................................................................... 8 4.1 Methode inventarisatie ............................................................................................... 8 4.2 Actualiteit inventarisatiegegevens ............................................................................ 10 4.3 Locatie inventarisatie ............................................................................................... 10
5.
Ecologisch inventarisatie: resultaten .......................................................................... 15 5.1 Plantensoort: groeiplaatsen ..................................................................................... 15 5.2 Plantensoort: verspreiding ....................................................................................... 15 5.3 Plantensoort: omgevingscheck ................................................................................ 15 5.4 Diersoort: verblijfplaatsen ........................................................................................ 15 5.5 Diersoort: foerageergebieden, migratie- en vliegroutes ............................................ 17 5.6 Diersoort: omgevingscheck ...................................................................................... 17
6.
Effecten ..................................................................................................................... 19 6.1 Effect werkzaamheden: kwaliteit en kwantiteit ......................................................... 19
7.
Maatregelen ............................................................................................................... 20 7.1 Preventieve maatregelen (om overtreding te voorkomen) ........................................ 20 7.2 Tijdelijke maatregelen .............................................................................................. 20 7.3 Permanente maatregelen ........................................................................................ 21 7.4 Locatie maatregel .................................................................................................... 22 7.5 Effectiviteit maatregel............................................................................................... 22 7.6 Afhankelijk derden ................................................................................................... 24 7.7 Uitvoering maatregel: monitoren .............................................................................. 24
8.
Alternatieven .............................................................................................................. 25 8.1 Alternatieve locatie................................................................................................... 25 8.2 Alternatieve inrichting ............................................................................................... 25 8.3 Alternatieve werkwijze.............................................................................................. 25 8.4 Alternatieve planning ............................................................................................... 25
9.
Gunstige staat van instandhouding ............................................................................ 26 9.1 Staat van instandhouding ........................................................................................ 26 9.2 Afbreuk gunstige staat van instandhouding .............................................................. 27 9.3 Zorgvuldig handelen ................................................................................................ 27
10.
Literatuur ................................................................................................................ 29
10.1 Gebruikte documenten........................................................................................... 29 Bijlage 1. Adresgegevens locatie vleermuiskasten ............................................................ 30
1. Algemene informatie Projectnaam Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem (Setax-terrein)
Projectlocatie Adres:
Dr. Hubert Noodtstraat 38a, 38b, 40 en 42 in Doetinchem
Kadastraal:
DTC01-C-1563, DTC01-C-3105, DTC01-C-3106, DTC01-C-1386 en DTC01-C-
1388
Naam aanvrager Dhr. IJ. Alberts (Burgland Real Estate BV)
Pagina 2
2. Werkzaamheden en planning 2.1 Beschrijving werkzaamheden Er zijn plannen om de aanwezige bebouwing aan de Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem te slopen ten behoeve van de realisatie van een parkeerkelder met daarop 64 appartementen en een binnenhof. Hiervoor worden onder andere bestaande bebouwing gesloopt en het terrein verder gesaneerd. Hierna zal nieuwbouw van twee appartementencomplexen en bijbehorende infrastructuur plaatsvinden. Zie figuur 1 en 2 voor de ligging van het plangebied ‘Dr. Huber Noodtplaats (Setax-terrein)’. Zie figuur 3 voor schetsontwerp van het project ‘Dr. Huber Noodtplaats (Setax-terrein)’.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 3
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 3. Schetsontwerp project ‘Dr. Huber Noodtplaats (Setax-terrein)’, bron: Felixx landscape architects & planners.
Pagina 4
2.2 Werkwijze werkzaamheden De periode van het uitvoeren van de werkzaamheden, bestaande uit het slopen van gebouwen, het saneren van het terrein, aanleg van infrastructuur, bouwwerkzaamheden, het bouwrijp maken van de kavels en het opleveren van de woningen/appartementen, en de wijze waarop wordt afgestemd op de ecologie van de gewone dwergvleermuis en de eisen die het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (versie 1.0, juli 2017) van BIJ12 stelt bij het vernielen of beschadigen van vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis.
2.3 Planning werkzaamheden Planning werkzaamheden Een exacte planning is nog niet bekend wat betreft sloop van de aanwezige bebouwing en het bouwrijp maken van de bouwkavels (start bouw). Vermoedelijk worden de eerste werkzaamheden In het derde kwartaal van 2022 opgestart. • •
3e kwartaal 2022: start werkzaamheden (ongeschikt maken gebouwen) 3e kwartaal 2028 eind werkzaamheden
De planning kan nog eventueel aangepast worden op de ecologie van en het gebiedsgebruik door de gewone dwergvleermuis. Er wordt hierbij rekening gehouden met uitvoering van de werkzaamheden. Deze vinden bijvoorbeeld niet na zonsondergang en voor zonsopgang plaats. Verder wordt rekening gehouden met het broedseizoen (globaal van 15 maart – 15 juli), aangezien verschillende soorten broedvogels in het plangebied verwacht worden. Er wordt gewerkt buiten het broedseizoen, of er wordt ruim voor het broedseizoen gestart, waarbij het terrein ongeschikt gemaakt wordt als nestlocatie voor broedvogels, zodat vestiging voorkomen wordt. Sloop van de gebouwen vindt plaats onder ecologische begeleiding, met name bij werkzaamheden buiten het regulier broedseizoen (perioden 1 februari – 15 maart en 15 juli – 1 oktober). In dit activiteitenplan worden maatregelen behandeld om negatieve effecten op de aangetroffen gewone dwergvleermuis te vermijden of zoveel mogelijk te beperken.
Pagina 5
3. Verbodsbepalingen Soort Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Verbod(en) Artikel 3.5 lid 2 Artikel 3.5 lid 4
Het opzettelijk verstoren
Belang A
Het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
Belang: A. Artikel 3.8 lid 5b onder 3 van de Wnb: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
3.1 Plantensoort: Planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen -
3.2 Plantensoort: Onder zich hebben of vervoeren van planten of delen/producten van planten, anders dan voor verkoop -
3.3 Diersoort: Opzettelijk doden of vangen van het dier -
3.4 Diersoort: Beschadigen en vernielen of wegnemen van voortplantings- of rustplaatsen, nesten of eieren van het dier Gewone dwergvleermuis • •
Als gevolg van de voorgenomen sloop van aanwezige bebouwing worden dieren mogelijk opzettelijk verstoor (overtreding Artikel 3.5 lid 2); Als gevolg van de voorgenomen sloop van aanwezige bebouwing worden verblijfplaatsen vernietigd (overtreding Artikel 3.5 lid 4).
Pagina 6
3.5 Diersoort: Verstoren van het dier (niet van toepassing bij vogels als de verstoring geen invloed heeft op de gunstig staat van instandhouding) Gewone dwergvleermuis •
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, waaronder sloop van bebouwing, worden dieren verstoord (overtreding Artikel 3.5 lid 2).
3.6 Diersoort: Onder zich hebben of vervoeren van dieren of delen/producten van dieren, anders dan voor verkoop -
3.7 Diersoort: Het uitzetten van dieren of eieren van dieren -
3.7 Diersoort: Het uitzetten van dieren of eieren van dieren -
Pagina 7
4. Ecologisch inventarisatie: achtergrond 4.1 Methode inventarisatie Op basis van een door Tritium Advies B.V. uitgevoerde quickscan natuurtoets (documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0) is gebleken dat aanvullend onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus en gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk was. Dit aanvullend onderzoek is in 2021 door Staring Advies uitgevoerd. Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Voor het onderzoek naar de jaarrond beschermde gebouwbewonende vogelsoorten gierzwaluw en huismus zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus, het Kennisdocument Gierzwaluw en het Kennisdocument Huismus van BIJ12 richtinggevend. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol 2017/2021, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend.
Gierzwaluw Voor het onderzoek naar gierzwaluw zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Gierzwaluw (versie 1.0 juli 2017 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. De nesten van de gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Er zijn 3 bezoeken met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen uitgevoerd vanaf 2 uur voor zonsondergang tot enige tijd na zonsondergang, in de periode 1 juni t/m 15 juli (zie tabel 1). Dit onderzoek is deels gecombineerd met het vleermuisonderzoek in de avonduren. Er is zoveel mogelijk gepost vanaf strategisch gekozen punten waarbij zoveel mogelijk alle laag vliegende (tot 20 meter boven de gebouwen of lager) gierzwaluwen worden genoteerd. Deze losse individuen of groepen zijn vervolgens gevolgd waarbij er speciaal wordt gelet op gedrag (bezoek aan waarschijnlijke nestplaats en vluchtgedrag). Was de vlucht herhaaldelijk over een bepaald dak/gebouw dan is er gepost bij de zijde van het gebouw waar de gierzwaluwen op aanvliegen. Werd er herhaaldelijk geroepen bij het langsvliegen op eenzelfde locatie dan is daar gepost. Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door gierzwaluwen. Ronde 1 2 3
Onderzoeker(s) S.J.J. Wamelink Ing. R. Top S.J.J. Wamelink Ing. R. Top Ing. R. Boerboom S.J.J. Wamelink Ing. R. Top
Functie
Datum
Nestlocaties
14-062021
Nestlocaties Nestlocaties
Begintijd
Eindtijd
Weersomstandigheden
20:00 uur
22:00 uur
Onbewolkt, droog, 21-17°C, wind 0-2 Bft
28-062021
20:00 uur
22:00 uur
Half bewolkt, droog, 24-22°C, wind 1-2 Bft
06-072021
19:45 uur
21:50 uur
Half bewolkt, droog, 20-18°C, wind 0-1 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek gierzwaluw.
Pagina 8
Huismus Voor het onderzoek naar huismus zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Huismus (versie 1.0 juli 2017 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Volgens de richtlijnen van SOVON zijn hiervoor 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april – 20 juni (zie tabel 2). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen. Ronde
Onderzoeker(s)
Functie
1
Ing. R. Boerboom
Nestlocaties
2
Ing. R. Boerboom
Nestlocaties
Datum 18-042021 05-052021
Begintijd
Eindtijd
07:20 uur
09:30 uur
08:30 uur
10:30 uur
Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 3-5°C, wind 0-1 Bft Half bewolkt, droog, 6-8°C, wind 2-3 Bft
Tabel 2. Veldonderzoek huismus.
Vleermuizen De gebouwen aan de Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem zijn potentieel geschikt als kraamzomer- en paarverblijfplaats voor enkele gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het vleermuisprotocol (2021) adviseert om bij het vermoeden op vaste rust- en verblijfplaatsen in gebouwen van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli en 3 avondbezoeken in de periode 1 augustus – 1 oktober (zie tabel 3). Het vleermuisprotocol stelt dat als in het donker vanuit één positie meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, er een extra waarnemer ingeschakeld moet worden. Daarbij geldt voor die extra waarnemer weer dezelfde regel totdat het hele onderzoeksgebied goed in beeld is. De bezoeken zijn allen te voet uitgevoerd door één tot drie vleermuisonderzoekers. De veldbezoeken zijn conform de eisen van het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat het onderzoeksgebied iets groter is dan het weergegeven plangebied (zie figuur 2). Dit is gedaan omdat, ook al vinden de werkzaamheden binnen de grenzen van het plangebied plaats, deze werkzaamheden ook verstoring kunnen opleveren voor vleermuizen die zich mogelijk net buiten het plangebied bevinden.
Het plangebied is door de aanwezigheid van direct aangrenzende openbare wegen (Dr. Huber Noodtplaats en Dr. Huber Noodtstraat), parkeerterrein en overige verharding zeer overzichtelijk. Door de onderzoeksintensiteit en toegankelijkheid van het plangebied, en de direct aangrenzende openbare wegen en verharding, is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen.
Pagina 9
Ronde
Onderzoeker(s)
Functie
Datum
Begintijd
Eindtijd
Weersomstandigheden
Zomer- en kraamverblijfplaatsen gebouwbewonende soorten Soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis Avond – nacht 1
2
S.J.J. Wamelink Ing. R. Top Ing. R. Boerboom S.J.J. Wamelink Ing. R. Top Ing. R. Boerboom
zomer- en kraamverblijfplaatsen
27-052021
21:40 uur
00:15 uur
Bewolkt, droog, 15-13°C, wind 0-1 Bft
zomer- en kraamverblijfplaatsen
28-062021
22:00 uur
00:30 uur
Half bewolkt, droog, 22-18°C, wind 1-2 Bft
03:30 uur
05:30 uur
Bewolkt, droog, 14-16°C, wind 0-1 Bft
Soorten: gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis Nacht – ochtend 3
S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom
zomer- en kraamverblijfplaatsen
16-072021
Paarverblijfplaatsen gebouwbewonende soorten Soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis Avond – nacht 4
S.J.J. Wamelink
paarverblijfplaatsen
5
S.J.J. Wamelink
paarverblijfplaatsen
06-092021 27-092021
21:00 uur
00:35 uur
20:30 uur
22:35 uur
Onbewolkt, droog, 18-15°C, wind 1-2 Bft Bewolkt, droog, 15-13°C, wind 1-2 Bft
Tabel 3. Veldonderzoek vleermuizen.
4.2 Actualiteit inventarisatiegegevens De inventarisaties naar gierzwaluw, huismus en vleermuizen zijn uitgevoerd in de periode 1 april – 1 oktober 2021.
4.3 Locatie inventarisatie Gierzwaluw In figuur 4 staan, binnen de begrenzing van het plangebied, de gebieden weergegeven waar gericht onderzoek naar gierzwaluw is uitgevoerd. Hierbij is geïnventariseerd op laag vliegende (tot 20 meter boven de gebouwen of lager) gierzwaluwen. Deze losse individuen of groepen zijn vervolgens gevolgd waarbij er speciaal wordt gelet op gedrag (bezoek aan waarschijnlijke nestplaats en vluchtgedrag). Was de vlucht herhaaldelijk over een bepaald dak/gebouw dan is er gepost bij de zijde van het gebouw waar de gierzwaluwen op aanvliegen. Werd er herhaaldelijk geroepen bij het langsvliegen op eenzelfde locatie dan is daar gepost. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld.
Pagina 10
Figuur 4. Locatie inventarisatie gierzwaluw. Groen = binnen plangebied, gele stippellijn = buiten plangebied (omgevingscheck).
Onderbouwing De groen gemarkeerde gebouwen (Dr. Huber Noodtstraat 38a en 40-42) zijn geschikt als vaste verblijfplaats voor de gierzwaluw door de hoogte, aanwezigheid van gemetselde muren met spouw en een pannendak en de aanwezigheid van geschikte invliegopeningen. Het winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 40-42 beschikt over een met dakpannen bedekt dak. De dakpannen op het pand liggen op enkele plekken scheef waardoor er geschikte openingen aanwezig zijn die toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. Deze ruimtes kunnen dienen vaste verblijfplaats voor gierzwaluwen. Bij de vrijstaande garage (‘Petro-hal’) aan de Dr. Huber Noodtstraat 38a is in de nok van de oostgevel een geschikte opening aanwezig die toegang biedt tot de ruimte onder het dak. Deze ruimte eveneens als vaste verblijfplaats voor de gierzwaluw dienen. De overige gebouwen in het plangebied bestaan uit gemetselde gevels met platte daken of golfplaten daken en zijn niet geschikt als vaste verblijfplaats (nestlocatie) voor de gierzwaluw. Om eventuele negatieve effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op direct aan het plangebied grenzende vaste verblijfplaatsen aan te tonen is er ook een omgevingscheck uitgevoerd. De bezoeken voor deze omgevingscheck zijn gelijktijdig met het onderzoek bij de gebouwen uitgevoerd.
Hierbij zijn voor de gierzwaluw geschikte gebouwen in een straal van circa 100 meter van het plangebied geïnspecteerd op aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen.
Huismus In figuur 5 staan, binnen de begrenzing van het plangebied, de gebieden weergegeven waar gericht onderzoek naar huismus is uitgevoerd. Hierbij is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Tevens is in beeld gebracht of er (essentiële) elementen van de functionele leefomgeving zich binnen het plangebied of in de directe omgeving bevinden. De met een geel gestipte lijn gemarkeerde
Pagina 11
gebieden bevinden zich buiten het plangebied maar zijn tijdens het gericht onderzoek naar de huismus ook geïnspecteerd op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en (essentiële) elementen van de functionele leefomgeving (omgevingscheck).
Figuur 5. Locatie inventarisatie huismus. Groen = binnen plangebied, gele stippellijn = buiten plangebied (omgevingscheck).
Onderbouwing Het groen gemarkeerde deel zijn gebouwen (potentiele nestlocaties) met omliggende (essentiële) elementen welke onderdeel kunnen zijn van de functionele leefomgeving van de huismus. Deze delen voldoen aan het habitat van de huismus. Om eventuele negatieve effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op direct aan het plangebied grenzende vaste verblijfplaatsen en functioneel leefgebied aan te tonen is er ook een omgevingscheck uitgevoerd. De bezoeken voor deze omgevingscheck zijn gelijktijdig met het onderzoek in het plangebied uitgevoerd. Hierbij zijn voor de huismus geschikte gebouwen en groenstructuren in een straal van circa 100 meter van het plangebied geïnspecteerd op aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen en/of functioneel leefgebied.
Pagina 12
Vleermuizen In figuur 6 staan de gebieden weergegeven waar gericht onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op het in beeld krijgen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de in het plangebied te verwachten gebouwbewonende / vleermuissoorten.
Figuur 6. Locatie inventarisatie vleermuizen. Groen = binnen plangebied, gele stippellijn = buiten plangebied (omgevingscheck).
Onderbouwing Het groen gemarkeerde deel betreft gebouwen met voor gebouwbewonende vleermuizen toegankelijke ruimten. Het gehele plangebied is tijdens het onderzoek onderzocht op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen. De (platte) daken van de garages en opslagruimtes bestaan voornamelijk uit bitumen of golfplaten. Tussen deze daken en de gevels zijn vrijwel geen geschikte openingen die tot ruimtes onder het dak kunnen leiden. Golfplaten daken zijn veelal beperkt geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, omdat de temperatuur onder het dak erg kan fluctueren. Vleermuizen hebben baat bij verblijfplaatsen met constante temperaturen. Echter op een enkele plek is een vaste verblijfplaats van bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis niet uit te sluiten. De vrijstaande garage (‘Petro-hal’) aan de Dr. Huber Noodtstraat 38a beschikt over een met dakpannen bedekt zadeldak. Op enkele plekken in het dak zijn openingen aanwezig tussen de dakpannen die groot genoeg zijn om minder kritische gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. Daarnaast is er in de lange, noordelijke bakstenen gevel van dit pand een opening aanwezig in de gevel. Deze opening kan eveneens leiden tot jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Op het erf van het winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr.
Huber Noodtstraat 40-42 is een garage aanwezig. Deze garage beschikt eveneens over een met dakpannen bedekt zadeldak. De aanwezige dakpannen zijn plat en liggen dicht op elkaar
Pagina 13
aangesloten. Op de zuidwestelijke hoek van de zuidelijke gevel ontbreekt echter een dakpan, waardoor er toegang is tot de ruimtes onder het dak. Dit gedeelte van de bebouwing is hierdoor eveneens geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats van vleermuizen. Het aanwezige winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 40-42 beschikt ook over een met dakpannen bedekt dak. De dakpannen liggen op enkele plekken scheef waardoor er geschikte openingen aanwezig zijn die toegang bieden tot de ruimtes onder het dak. Hierdoor is het dak van het winkelpand c.q. bedrijfswoning geschikt als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor vleermuizen.
Pagina 14
5. Ecologisch inventarisatie: resultaten 5.1 Plantensoort: groeiplaatsen Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van de beschermde plantensoorten bekend geworden uit de omgeving van het plangebied. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat voor beschermde plantensoorten geschikte habitats ontbreken binnen het plangebied. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is zodoende uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk (zie ‘Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0’).
5.2 Plantensoort: verspreiding -
5.3 Plantensoort: omgevingscheck -
5.4 Diersoort: verblijfplaatsen Strikt beschermde soorten Van de volgende strikt beschermde soort zijn vaste rust- en verblijfplaatsen in het plangebied of net buiten het plangebied aangetroffen (zie figuur 7): •
Gewone dwergvleermuis
Soort Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Gebruik Vaste rust- en verblijfplaats
Type •
Zomerverblijfplaats (2 x)
Pagina 15
Figuur 7. Locaties zomerverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis. = zomerverblijfplaats van één exemplaar, gebouw aan de Dr. Huber Noodtstraat 38a (‘Petro-hal’) = zomerverblijfplaats van 3 exemplaren, bijgebouw Dr. Huber Noodtstraat 40 en 42 (garage)
Overige broedvogels Van enkele algemene beschermde broedvogelsoorten zijn verblijfplaatsen / nestlocaties in het plangebied te verwachten. Tijdens de veldbezoeken voor de quickscan flora en fauna en de aanvullend onderzoeken zijn kauw, merel, Turkse tortel, winterkoning en zwarte roodstaart vastgesteld in het plangebied (bron: ‘Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0’ + ‘Staring Advies, rapportnummer 2371, Aanvullend natuuronderzoek Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem’).
Vrijgestelde soorten Naast de strikt beschermde gewone dwergvleermuis en enkele overige broedvogelsoorten is het plangebied niet in gebruik als verblijfplaats voor algemene, vrijgestelde grondgebonden zoogdieren (bron: ‘Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0’). Door het vrijwel geheel ontbreken van opgaande beplanting, grazige vegetatie e.d. zijn hier verblijfplaatsen uit te sluiten.
Pagina 16
5.5 Diersoort: foerageergebieden, migratie- en vliegroutes Strikt beschermde soorten Van de in het plangebied vastgestelde strikt beschermde gewone dwergvleermuis zijn geen (essentiële) onderdelen van het functioneel leefgebied in het plangebied aangetroffen.
Overige broedvogels Het plangebied is als leefgebied (foerageergebied, rustplek, etc.) in gebruik door enkele algemene broedvogelsoorten.
Vrijgestelde soorten Het plangebied is (vermoedelijk) als foerageergebied in gebruik door een enkele algemene en vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdiersoort (bron: ‘Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0’). Soort Egel, konijn en algemene muizensoorten
Gebruik Leefgebied
Type •
Foerageergebied
5.6 Diersoort: omgevingscheck Gewone dwergvleermuis Eisen aan de omgeving De gewone dwergvleermuis is een echte cultuurvolger en is dan ook veel in de bebouwde omgeving te vinden. De verblijfplaatsen bevinden zich in de regel in of om gebouwen. Zo vindt baren en zogen vooral in gebouwen plaats, het paren in weer andere gebouwen en ook de winter wordt in gebouwen doorgebracht. In elk van deze perioden worden verschillende eisen aan een verblijfplaats gesteld. In de verschillende perioden en in de loop van de seizoenen gebruiken ze een netwerk aan verschillende verblijfplaatsen, vliegroutes en jachtgebieden. Vooral in gebieden met bebouwing nabij een ‘groene omgeving’ zoals parken, loofbossen, houtwallen en beschutte waterpartijen komen ze veel voor. De gewone dwergvleermuis is afhankelijk van meerdere, met elkaar samenhangende onderdelen van het landschap. De grootte van het jachtgebied van een individu is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en bedraagt 0,3 hectare in zeer natte gebieden tot 300 hectare in droge gebieden. Gewone dwergvleermuizen foerageren over het algemeen binnen 5 kilometer van hun verblijfplaats. De foerageergebieden worden volgens een vaste route bereikt. Aanwezigheid geschikt leefgebied in omgeving plangebied Rondom het plangebied bevinden zich onder andere langs de Dr.
Huber Noodtstraat en de Plantsoenstraat diverse voor gewone dwergvleermuis potentieel geschikte gebouwen in de vorm van woonhuizen en bedrijfspanden. Rond de gebouwen bevinden zich geschikte foerageerplekken in de vorm van gazons, stukken openbaar groen, tuinen met beplanting, bomenrijen, etc.
Pagina 17
Bereikbaarheid geschikt leefgebied Bij gewone dwergvleermuizen is de dispersie matig tot gering. Er is waargenomen dat eerstejaars dieren grotendeels op dezelfde locaties overwinteren als de volwassen vrouwtjes uit dezelfde kraamgroep en het jaar er na ook weer deels terugkeren naar dezelfde zomerleefgebieden. Er is geringe uitwisseling tussen kraamgroepen, ook over grotere afstanden (bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12). Potentieel geschikte gebouwen bevinden op korte afstand (< 50 meter) van de huidige vaste rusten verblijfplaats. Ook elders in de bebouwde kom van Doetinchem zijn voldoende gebouwen aanwezig welke potentieel zijn als (alternatief) verblijfplaats kunnen dienen. Tussen de (potentieel) geschikte gebouwen elders in de bebouwde kom van Doetinchem en het huidige leefgebied (vaste rust- en verblijfplaatsen) bevinden zich tuinen, openbaar groen, parken met hagen, bomenrijen en laanbeplantingen.
Pagina 18
6. Effecten 6.1 Effect werkzaamheden: kwaliteit en kwantiteit Gewone dwergvleermuis Tijdelijke effecten In de vrijstaande garage (‘Petro-hal’) aan de Dr. Huber Noodtstraat 38a is een vaste rust- en verblijfplaats vastgesteld. Het betreft hier een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis. Door het slopen van dit gebouw is er sprake van het vernielen of beschadigen van een vaste rust- en verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. In de garage op het erf van het winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 4042 is een vaste rust- en verblijfplaats vastgesteld. Het betreft hier een zomerverblijfplaats van 3 exemplaren. Door het slopen van dit gebouw is er sprake van het vernielen of beschadigen van een vaste rust- en verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Van zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis mag uitgegaan worden dat deze ook in gebruik zijn gedurende milde winters, door een of enkele individuen van de soort. Permanente effecten Door het treffen van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten ruim voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden en door tijdens en na afronding van de werkzaamheden rekening te houden met de gewone dwergvleermuis, worden geen blijvende negatieve effecten op de populatie van de gewone dwergvleermuis verwacht.
De vleermuiskasten worden als tijdelijke alternatieve verblijfplaats aan enkele gebouwen in de omgeving geplaatst. Daarnaast worden als permanente verblijfplaats voldoende inbouwkasten of -stenen in de beide appartementencomplexen geplaatst. Cumulatieve effecten Er is geen sprake van een cumulatief effect op de populatie van de gewone dwergvleermuis.
Pagina 19
7. Maatregelen Soort en waarop negatief effect wordt verwacht Gewone dwergvleermuis
Vermijden gevoelige periodes
Tijdelijke mitigatie
Zomer- en winterperiode [15 april t/m 15 augustus + 1 november – 1 april]
Ophangen 8 vleermuiskast en
Ongeschikt maken of verjagen ruim vóór de ingreep Vaste rust- en verblijfplaatsen ongeschikt maken voorafgaand aan de sloop en buiten de winterperiode
Permanente mitigatie
Inbouwkasten of -stenen woningen / appartementencomplexen
7.1 Preventieve maatregelen (om overtreding te voorkomen) Gewone dwergvleermuis De volgende preventieve maatregelen zullen worden genomen: • • • • •
Sloop / ongeschikt maken van bebouwing buiten de kwetsbare zomer- en paarperiode (15 april – 1 oktober) en de winterperiode (1 november – 1 april); Aanbieden van alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen, buiten het plangebied, in de vorm van 8 vleermuiskasten; Gebruik van vleermuisvriendelijk verlichting in het plangebied; Opstellen ecologisch werkprotocol; Verstorende werkzaamheden, ecologische controle en eventueel ongeschikt maken onder begeleiding van ecologisch deskundige.
7.2 Tijdelijke maatregelen Tijdelijke maatregelen Plaatsen vleermuiskasten
Voor welke soorten worden negatieve effecten beperkt door het nemen van tijdelijke maatregelen? Gewone dwergvleermuis x
Gewone dwergvleermuis In het plangebied zijn in totaal 2 vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het betreft hier een zomerverblijfplaats van één exemplaar in de vrijstaande garage (‘Petro-hal’) aan de Dr. Huber Noodtstraat 38a en een zomerverblijfplaats van drie exemplaren in de garage op het erf van het winkelpand c.q. bedrijfswoning aan de Dr. Huber Noodtstraat 40-42. Van deze zomerverblijfplaatsen mag uitgegaan worden dat deze ook in gebruik zijn gedurende milde winters, door een of enkele individuen. Per vaste rust- en verblijfplaats wordt met factor 4
Pagina 20
gemitigeerd en de alternatieve verblijfplaatsen worden gelijk gespreid als de huidige / oorspronkelijke verblijfplaatsen. De huidige / oorspronkelijke verblijfplaatsen worden door 2 x 4 = 8 (tijdelijke) vleermuiskasten gemitigeerd. Als tijdelijke mitigatie voor de 2 huidige / oorspronkelijke verblijfplaatsen, welke door de werkzaamheden verloren gaan, worden vleermuiskasten opgehangen. •
8 vleermuiskasten (type ‘Vleermuiskast Célina’ van Faunus Nature Creations) als mitigatie voor twee zomerverblijfplaatsen van respectievelijk één exemplaar en drie exemplaren. De Célina is een geïsoleerde kast waardoor deze kast geschikt is voor solitaire overwinterende vleermuizen. Deze externe kast is gemaakt van hydro-thermisch verduurzaamd hout dat 30% beter isolerend is dan regulier hout. De vleermuiskast Célina heeft een dubbele wand met daartussen isolatie. Daarnaast heeft de kast een kleinere ingang dan de reguliere kasten zodat de temperatuur in de kast zoveel mogelijk stabiel blijft.
•
•
De 8 vleermuiskasten worden aan het gebouw aan de Plantsoenstraat 75 (gebouw ‘ten Hag makelaarsgroep’) opgehangen. Dit gebouw bevindt zich op 80-100 meter afstand van de huidige verblijfplaatsen. De kasten worden ruim voor 1 april 2022 aan het gebouw geplaatst.
7.3 Permanente maatregelen Gewone dwergvleermuis In het plangebied worden de 2 huidige / oorspronkelijke vaste rust- en verblijfplaatsen permanent gemitigeerd door het aanbieden van minimaal 8 verblijfplaatsen in de te realiseren appartementencomplexen. Deze permanente verblijfplaatsen worden dan duurzaam geïntegreerd in beide gebouwen. Er worden geen losse opbouwkasten aan de gevels geplaatst. Hierbij stellen wij voor: •
Twee (2) appartementencomplexen met minimaal 4 verblijfplaatsen (= 8 inbouwkasten totaal) als permanent alternatief voor 2 vaste rust- en verblijfplaatsen.
Lichtverstoring in het plangebied, tijdens en na de werkzaamheden, moet zoveel mogelijk worden voorkomen door te werken met een vleermuisvriendelijke verlichtingskleur, bijvoorbeeld met amber. Lichtverstoring kan verder vermeden worden door het nemen van maatregelen om de hoeveelheid licht in het plangebied en de directe omgeving te beperken tot waar het strikt nodig is, zoals bijvoorbeeld: ➢ Spotlights op de nieuwbouw (waar permanente verblijfplaatsen / inbouwkasten worden gerealiseerd) mogen niet gericht zijn op de te realiseren verblijfplaatsen van vleermuizen.
Pagina 21
➢ De positie van een lamp (spotlight of straatlantaarn) ten opzichte van een verblijfplaats of directe omgeving aanpassen door verlichting op een lagere hoogte aan te brengen. ➢ Er wordt gewerkt (sloop-, en bouwfase) en permanent (gebruikfase) gebruik gemaakt van armaturen die het licht goed richten en die een scherpe bundel (“scherpe cut-off”) hebben om onnodige verstrooiing tegen te gaan (geen strooilicht naar boven maar verlichting naar beneden gericht), met name ledlampen zijn dan geschikt.
7.4 Locatie maatregel De 8 tijdelijke vleermuiskasten worden aan diverse gebouwen rondom het plangebied opgehangen: zie bijlage 1 voor de locaties. De 8 permanente verblijfplaatsen worden duurzaam geïntegreerd in de te realiseren appartementencomplexen.
7.5 Effectiviteit maatregel Gewone dwergvleermuis Hieronder staat per preventieve / tijdelijke maatregel aangegeven hoe de effectiviteit en duurzaamheid ervan geborgd wordt. •
•
•
•
Werken buiten de kwetsbare zomer-, paar- en winterperiode (15 april – 1 oktober) en de winterperiode (1 november – 1 april). ➢ omdat de sloopwerkzaamheden buiten de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis worden uitgevoerd, wordt doden, verwonden of verstoren van vleermuizen voorkomen. Gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting. ➢ Door gebruik te maken van (amberkleurige) vleermuisvriendelijke verlichting bij activiteiten tijdens de ruimtelijke ontwikkeling en in tijdens de in gebruik name van het terrein wordt lichtverstoring zoveel mogelijk vermeden. Daarbij dient men ook rekening te houden met het belichten van de permanente en eventueel tijdelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en de armaturen dienen naar beneden gericht zijn om strooilicht te voorkomen. Opstellen ecologisch werkprotocol. ➢ een deskundige op het gebied van vleermuizen stelt een ecologisch werkprotocol op. Dit ecologisch werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en de inhoud moet bij de betrokken werknemers bekend zijn. De activiteiten moeten aantoonbaar volgens dit protocol worden uitgevoerd. Aanbieden van alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen, buiten het plangebied, in de vorm van vleermuiskasten. ➢ ruim voor start van de (sloop)werkzaamheden worden de vervangende mitigerende verblijfplaatsen opgehangen.
Voor het aanbieden van alternatieve zomerverblijfplaatsen geldt een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden in de
Pagina 22
actieve periode van de gewone dwergvleermuis. De gewone dwergvleermuizen dienen voldoende tijd te hebben om aan de vleermuiskasten te wennen. ➢ de vleermuiskasten hangen zo dicht mogelijk bij de huidige / oorspronkelijke vaste rust- en verblijfplaatsen (binnen 200 meter). ➢ de alternatieve locaties zijn gelijk aan of beter van kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. De kasten worden op verschillende windrichtingen opgehangen. Het volgende type vleermuiskast wordt opgehangen: ‘Vleermuiskast Célina’ van Faunus Nature Creations. ➢ type vleermuiskasten en de ophanglocaties zijn uitgekozen en opgehangen onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van vleermuizen. Hieronder staat per permanente maatregel aangegeven hoe de effectiviteit en duurzaamheid ervan geborgd worden. •
Aanbieden van permanente verblijfplaatsen, binnen het plangebied, in de vorm van inbouwkasten / -stenen. ➢ In het plangebied worden de 2 huidige / oorspronkelijke verblijfplaatsen gemitigeerd door het aanbieden van minimaal 8 permanente verblijfplaatsen. Deze permanente verblijfplaatsen worden duurzaam geïntegreerd. Er wordt gekozen voor een inbouwkast welke in de gevel geplaatst wordt. Er worden dus geen losse opbouwkasten of vleermuiskasten buiten aan de gevels geplaatst. De permanente verblijfplaatsen worden zo veel mogelijk gelijk gespreid als de huidige / oorspronkelijke verblijfplaatsen. ➢ De inbouwkasten zijn gelijk aan of beter van kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. De kasten worden op verschillende windrichtingen opgehangen. De volgende type inbouwkast stellen wij voorlopig als permanente verblijfplaats voor: ‘Vleermuiskast Kleine Tichelaar’ van Faunus Nature Creations. ➢ de keuze en plaatsing van de inbouwkasten wordt uitgevoerd onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog op het gebied van vleermuizen.
Monitoring De effectiviteit van de permanente maatregelen wordt in een periode van minstens twee jaar gemonitord. De monitoring wordt opgestart vanaf het moment dat de werkzaamheden zijn afgerond en de permanente voorzieningen zijn gerealiseerd. Uit de monitoring moet blijken of de aanwezige populatie gewone dwergvleermuis (weer) gebruik maakt van het plangebied en hoe de populatie zich ontwikkelt. De monitoring wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van vleermuizen.
Pagina 23
7.6 Afhankelijk derden De 8 tijdelijke verblijfplaatsen (vleermuiskasten) worden in de directe omgeving van de huidige verblijfplaatsen opgehangen. Voor de locaties en toestemming van plaatsing door bewoners / eigenaren van de panden: zie bijlage 1.
7.7 Uitvoering maatregel: monitoren De effectiviteit van de permanente maatregelen wordt in een periode van minstens twee jaar gemonitord. De monitoring wordt opgestart vanaf het moment dat de werkzaamheden zijn afgerond en de permanente voorzieningen zijn gerealiseerd. Uit de monitoring moet blijken of de aanwezige populatie gewone dwergvleermuis (weer) gebruik maakt van het plangebied en hoe de populatie zich ontwikkelt. De monitoring wordt uitgevoerd door deskundigen op het gebied van vleermuizen.
Pagina 24
8. Alternatieven 8.1 Alternatieve locatie Het belang van het project is driedelig: •
•
•
Er wordt voorzien in een groot openbaar belang, namelijk het bijdragen aan nieuw aanbod van woningen die voorzien in de (grote) vraag naar woningen in Doetinchem. Dit openbaar belang is door Het Rijk o.a. bekrachtigd in de Nationale woonagenda 2018-2021 en de Woondeals. Regionaal is dit verder bekrachtigd doordat deze regio is aangegeven als ‘Dynamiek woningmarkt doorgroei Randstad’. De meeste woningen zijn voorzien in het middeldure segment. Op lokaal niveau is er de grootste vraag naar dit segment. Met de nieuwbouw wordt een verloederde en leegstaande plek opnieuw ingevuld. De jarenlange leegstand is gelegen nabij het centrum van Doetinchem en heeft hierdoor negatieve impact op de stad wat betreft leefbaarheid en levendigheid. De nieuwbouw wordt voorzien van kwaliteit: enerzijds d.m.v. semi-openbare ruimte in de vorm van een binnenterrein en nieuwe doorloop. Anderzijds d.m.v. klimaat adaptieve oplossingen zoals natuurinclusief bouwen, waterretentie en verhogen biodiversiteit. Deze nieuwe kwaliteiten hebben een positief effect op flora & fauna.
8.2 Alternatieve inrichting Bij de inrichting van het plangebied wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
8.3 Alternatieve werkwijze De werkwijze van de werkzaamheden worden zoveel mogelijk afgestemd op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de ecologie van deze soort. Er is geen alternatieve werkwijze denkbaar die voor deze beschermde soort gunstiger is.
8.4 Alternatieve planning De planning van de werkzaamheden wordt zo goed mogelijk afgestemd op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de ecologie van deze soort. Binnen het tijdsbestek van dit project is geen alternatieve planning denkbaar die beter is voor deze soort.
Pagina 25
9. Gunstige staat van instandhouding 9.1 Staat van instandhouding Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is een van de meest voorkomende vleermuizen van Europa en de meest voorkomende soort in stedelijk gebied en in het buitengebied. In Nederland is deze soort algemeen. De gewone dwergvleermuis is de meest wijdverspreide vleermuissoort in de omgeving van het plangebied en wordt in allerlei habitats vastgesteld. De gewone dwergvleermuis staat nu bekend als de meest algemene vleermuissoort in Gelderland. Het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis wordt in de huidige situatie beoordeeld als gunstig. De afwezigheid van foeragerende dieren in een gebied kan eerder als opvallend worden aangemerkt, dan de aanwezigheid. Jaarlijks komen tientallen meldingen van (kraam)kolonies binnen en per kolonie worden niet zelden meer dan honderd uitvliegende dieren geteld. Deze soort komt overal in Gelderland, waaronder ook ruim verspreid in en rondom het plangebied (bron: NDFF), voor. Er zijn geen uitspraken te doen over aantalsontwikkelingen in Nederland: er zijn geen aanwijzingen voor een af- dan wel toename in aantallen. Mogelijk neemt het aanbod van met name geschikte verblijfplaatsen wel af vanwege de toenemende na-isolatie van gebouwen en het dichten van kieren en gaten in gebouwen (bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12).
Het aantal gewone dwergvleermuizen in een gebied is sterk afhankelijk van het voedselaanbod, maar ook van de hoeveelheid verblijfplaatsen. Verondersteld wordt dat er een afnemende trend is in zowel het voedselaanbod als in het aantal geschikte verblijfplaatsen, maar met name dat er een afname is in de juiste samenstelling van deze twee componenten. Daarnaast is de gewone dwergvleermuis een soort die zich traag voortplant. Per jaar baart 50 tot 70% van de vrouwtjes slechts één jong. Uitbreiding of herstel van een populatie verloopt derhalve niet snel. Mede door de vermoedelijke afname van geschikte verblijfplaatsen in de toekomst is het toekomstperspectief ongunstig - ontoereikend.
Pagina 26
Figuur 9. Beoordeling staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis in Gelderland (bron: De staat van instandhouding factsheets voor 25 soorten in Gelderland. Rapport 079761421. Arcadis. 2018).
9.2 Afbreuk gunstige staat van instandhouding Gewone dwergvleermuis De ingreep heeft geen invloed op de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis op lokaal, regionaal of landelijk niveau. In de directe omgeving is voldoende geschikt leefgebied aanwezig. Bovendien worden zowel in de directe omgeving als in het plangebied compenserende en mitigerende maatregelen getroffen om het verlies van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis tegen te gaan.
9.3 Zorgvuldig handelen Gewone dwergvleermuis • • • • •
Werken buiten de kwetsbare zomer- en paarperiode (15 april – 1 oktober) en de winterperiode (1 november – 1 april); Gebruik van (vleermuisvriendelijke) amberkleurige verlichting in de bouw- en gebruikfase; Aanbieden van tijdelijke alternatieve vaste rust- en verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten ruim voorafgaand aan het verlies van de huidige verblijfplaatsen; Aanbieden van permanente verblijfplaatsen in de vorm van inbouwkasten in nieuwe woningen; De activiteiten worden volgens een door een deskundige op het gebied van vleermuizen opgesteld ecologisch werkprotocol uitgevoerd.
Pagina 27
Algemeen Tijdens de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de algemene zorgplicht. Er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat door de te nemen werkzaamheden nadelige effecten op flora en fauna worden veroorzaakt (werken buiten het broedseizoen). Globaal wordt ervoor gezorgd dat de werkzaamheden niet na zonsondergang worden uitgevoerd, zodat verstoring op de nacht actieve soorten als vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en uilen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ook worden zo weinig mogelijk verstoringsbronnen ingezet, zoals aggregaten of verlichting. Maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol opgenomen. Dit protocol is tijdens de werkzaamheden op de locatie aanwezig en onder betrokken medewerkers bekend. Tijdens de werkzaamheden staat een ter zake kundige paraat voor vragen en onvoorziene situaties.
Pagina 28
10. Literatuur 10.1 Gebruikte documenten • • • • • • • • •
Quickscan flora en fauna Dr. Huber Noodtplaats te Doetinchem. Documentkenmerk: 2010/199/TA-01, versie 0. Tritium Advies B.V. Aanvullend natuuronderzoek Dr. Huber Noodtplaats in Doetinchem. Rapportnummer 2371. Staring Advies Staat van instandhouding Gelderland, factsheets voor 24 soorten. 2019.09. Zoogdiervereniging De staat van instandhouding, factsheets voor 25 soorten in Gelderland. 079761421 B Datum: 16 mei 2018. Arcadis Kennisdocument Gierzwaluw. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 Kennisdocument Huismus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 Vleermuisprotocol 2021. Netwerk Groene Bureaus + Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
Pagina 29
Bijlage 1. Adresgegevens locatie vleermuiskasten
• • • • • • •
Plantsoenstraat 73 W. Buitink Plantsoenstraat 75 Hoofdgebouw ten Hag Plantsoenstraat 75 Aanbouw ten Hag Plantsoenstraat 75 Schuur ten Hag Plantsoenstraat 87 E. Willemsen Plantsoenstraat 91 W. Buitink Dr. H. Noodtstraat 35-37 Olthuis Takken
: 1 vleermuiskast : 1 vleermuiskast : 1 vleermuiskast : 1 vleermuiskast : 1 vleermuiskast : 1 vleermuiskast : 2 vleermuiskasten
•
TOTAAL
: 8 vleermuiskasten
Pagina 30
Pagina 31
Pagina 32
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 3