Bijlage 2 Versie Gemeenschappelijke regeling Laborijn (tekst na vierde wijziging).pdf
Tekst van het document
Peildatum is derhalve de datum van daadwerkelijke uittreding (zie de toelichting bij artikel 50); • Laborijn dient de gevolgen van uittreding van een deelnemer voor langlopende verplichtingen binnen een periode van maximaal 5 jaar te hebben opgevangen. Gevolgen van de uittreding van een deelnemer voor langlopende verplichtingen die zich voordoen in een periode van meer dan 5 jaar na het moment van uittreding mogen niet bij de uittredende deelnemer in rekening worden gebracht c.q. worden verrekend (zie de toelichting bij artikel 49); • Onder de afbouw van verplichtingen vallen ook de afbouw van risico's die behoren bij eerder aangegane verplichtingen (zie de toelichting bij artikel 49). •
Personele gevolgen
Uittreding kan ertoe leiden dat personele capaciteit bij Laborijn dient te worden verminderd of afgebouwd. Om die reden is een zo snel mogelijke inventarisatie van de gevolgen van de uittreding gewenst. De uittredingsregeling bepaalt dat het bestuur de ondernemingsraad van Laborijn in de gelegenheid moet stellen om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept uittredingsplan. Indien sprake is van een verlies van 20 of meer arbeidsplaatsen treedt het bestuur in overleg met de betrokken vakbonden over een mogelijk sociaal plan (artikel 51). De uittreding raakt niet de werknemers met een aanstelling op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Uit de WSW volgt dat die werknemers in diensttreden bij de uittredende gemeente.
Pagina 26 van 32
4^ wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn
De nadelige personele gevolgen van de uittreding kunnen mogelijk deels worden verminderd doordat de uittredende partij (een deel van) het betrokken boventallige personeel overneemt. Artikel 53 legt in dat kader een inspanningsverplichting op aan de uittredende deelnemer.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 46 Dit artikel regelt het moment waarop kan worden uitgetreden. Indien de regeling uit slechts twee colleges bestaat dan wordt een verzoek tot uittreding gezien als een verzoek om opheffing. In dat geval is er geen sprake meer van een gezamenlijke regeling. Artikel 47
Dit artikel regelt de wijze waarop de procedure voor uittreding en voor het vaststellen van het uitbreidingsplan aanvangt. Bepalend voor de aanvang van de uittredingsprocedure is het moment waarop het algemeen bestuur van Laborijn het uittredingsbesluit van het college van de uittredende deelnemer heeft ontvangen (lid 1). De uittreding heeft in veel gevallen financiële gevolgen voor de GR Laborijn, maar mogelijk ook andere (lid 4); de uittredende deelnemer dient de directe gevolgen van de uittreding te compenseren (zie ook artikel 49). Daarom dient het algemeen bestuur van Laborijn deze gevolgen zo spoedig mogelijk te inventariseren. Onderdeel van deze inventarisatie is ook het bepalen op welke wijze met deze gevolgen kan worden omgegaan. Daaronder valt ook de vraag op welke wijze bepaalde gevolgen kunnen worden voorkomen of verminderd. De verplichting hiertoe is ook vastgelegd in artikel 53. Bij de inventarisatie van de gevolgen van de uittreding kan het algemeen bestuur constateren dat er grond is om te betwijfelen of na deze uittreding de samenwerking tussen de overblijvende deelnemers nog zinvol is voor een of meer deelnemers. In dat geval doet het algemeen bestuur de deelnemers het voorstel de gemeenschappelijke regeling op te heffen (lid 5).
Het zesde lid biedt in aansluiting hierop een specifieke voorziening in de zin dat daarin wordt geregeld dat het besluit tot uittreding moet worden beschouwd als een besluit tot opheffing indien binnen 3 maanden na ontvangst door het algemeen bestuur van het uittredingsbesluit de colleges van twee andere deelnemers hebben besloten tot opheffing.
Artikel 48 Het uittredingsplan dient allereerst de systematiek te bevatten op basis waarvan de uittreedsom moet worden bepaald. Deze systematiek dient mede te zijn gebaseerd op de inhoud van de regeling (lid 1). Het algemeen bestuur wijst een onafhankelijke externe deskundige aan die het uittredingsplan voorbereidt en die met name de uittreedsom berekent (lid 3). De onafhankelijke externe deskundige, zal veelal een financieel deskundige zijn. Voor de hand ligt dat dit - gelet op de gewenste expertise - een accountant zal zijn. Echter niet ondenkbaar is dat (daarnaast) bijvoorbeeld ook nog juridische expertise noodzakelijk is, die niet bij de GR of de uittredende deelnemer zelf aanwezig is.
Pagina 27 van 32
4’ wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Labonjn
Dit kan een gespecialiseerd advocaat zijn, maar ook een andere juridische expert. Dergelijke kosten die met de inhuur van de onafhankelijke externe deskundige gepaard gaan behoren tot de frictiekosten. De kosten van inhuur van een advocaat of andere juridische expertise die voortkomen uit een conflict tussen partijen, behoren niet tot dergelijke frictiekosten en komen voor eigen rekening van de partijen.
Om een zo groot mogelijk draagvlak te verkrijgen voor de inhoud van het uittredingsplan, geschiedt de aanwijzing van de onafhankelijk externe deskundige op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en Laborijn (lid 4). Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie deze onafhankelijke deskundige aan. De deskundige dient expertise te hebben op het terrein van overheidsfinanciën en accounting. De deskundige dient niet in dienst te zijn van Laborijn of van een van de (uittredende of achterblijvende) deelnemers of voor hen in opdracht te werken waardoor hij een tegenstrijdig belang kan hebben. De selectiecommissie beslist bij meerderheid van stemmen. In de procedure voor berekening van de uittreedsom wordt onderscheid gemaakt tussen de voorlopige uittreedsom en de definitieve uittreedsom (leden 2 en 6). Het algemeen bestuur stelt het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast ten minste 8 maanden voorafgaand aan de daadwerkelijke uittreding; het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar (lid 5). Zowel het uittredingsplan als de voorlopige uittreedsom hebben de status van een besluit en zijn vatbaar voor bezwaar en beroep.
Met deze procedure hebben alle betrokken partijen ten minste een jaar voorafgaand aan de uitreding een hoge mate van duidelijkheid over de condities voor uittreding en de hoogte van de (voorlopige) uittreedsom. Omdat de hoogte van de uittreedsom in het laatste jaar van deelname in Laborijn nog kan wijzigen bepaalt het vierde lid dat het algemeen bestuur binnen acht maanden na het moment van uittreding de definitieve uittreedsom dient te bepalen. Het algemeen bestuur dient dat te doen op basis van de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van de uittreding (lid 6). De definitieve uittreedsom is een besluit en is eveneens vatbaar voor bezwaar en beroep. De systematiek voor berekening van de definitieve uittreedsom is al vastgesteld op het moment van vaststelling van het uittredingsplan (lid 1). Artikel 49 Dit artikel bepaalt welke kosten als gevolg van de uittreding voor compensatie door de uittredende deelnemer in aanmerking komen. De uittredingsregeling maakt daarbij onderscheid tussen frictiekosten en desintegratiekosten. Het is raadzaam om allereerst per betrokken kostensoort te berekenen alsof sprake is van liquidatie van het aandeel van de uittredende deelnemer in die kostensoort.
De kosten die aldus worden berekend (en bij de uittredende deelnemer in rekening gebracht dienen te worden) worden verminderd met eventuele baten die ontstaan doordat de capaciteit waarop de kosten betrekking hebben op alternatieve wijze kan worden ingezet (bijvoorbeeld; de inkomsten uit onderverhuur van overtollige bedrijfsruimte kunnen in mindering worden gebracht op de kosten voor leegstand).
Pagina 28 van 32
4’ wijzsging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn
De hier bedoelde kosten moeten worden bepaald aan de hand van principes die hiervoor in de (rechts)praktijk worden geaccepteerd (lid 1). Toepassing van deze principes dient bij te dragen aan de objectieve bepaling van de uittreedsom. In dat kader wordt in de eerste plaats aangesloten bij de principes van goed koopmanschap zoals deze door bedrijven worden gebruikt in het kader van de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Deze principes zijn het realiteitsbeginsel, het voorzichtigheidsbeginsel en het eenvoudsbeginsel. In dat kader wordt in de tweede plaats aangesloten bij de principes van accounting, zoals deze door accountants dienen te worden toegepast bij de controle van de boekhouding van organisaties. Daarbij gaat het om:
1. het toerekeningsbeginsel, 2. het voorzichtigheidsprincipe. 3. het realisatieprincipe, 4. het matchingprincipe, 5. het continuïteitsprincipe, en 6. het bestendigheidsprincipe.
Naast deze principes gelden hier altijd en onverkort de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheid, evenredigheid, motivering, etc ). Het uittredingsplan is immers een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht dat voor wat betreft de wijze van totstandkoming en inhoud daaraan moet voldoen. Alleen kosten die het directe gevolg zijn van de uittreding komen voor compensatie in aanmerking. Onder de kosten die voor compensatie in aanmerking komen vallen ook toekomstige kosten. Deze toekomstige kosten dienen te worden afgekocht. De raming van toekomstige kosten dient in de regel mede te worden gebaseerd op aannames, o.m. over de venwachte ontwikkeling van die toekomstige kosten en de kans dat deze kosten zich kunnen voordoen. Voor de onderbouwing van deze aannames is het van belang toepassing te geven aan voornoemde principes en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verplichting om deze kosten te compenseren is in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State begrensd door een termijn van vijf jaren, te rekenen vanaf het moment van uittreding (lid 4) (zie ABRS 15 april 2015, zaaknr. 201404322/1/A2). Kosten als gevolg van de uittreding dienen te worden verrekend met eventuele baten als gevolg van de uittreding (lid 5).
Alle frictiekosten en desintegratiekosten worden bij de uittredende deelnemer in rekening gebracht en deze is rechtens verplicht tot betaling van de kosten. Het gaat hierbij om het saldo van alle frictiekosten en desintegratiekosten. Eventuele baten van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld overname van overtollig personeel) moeten derhalve worden afgetrokken van de bruto kosten. Ook bij Laborijn opgebouwde reserves waartoe de uittredende deelnemer gerechtigd is dienen te worden verrekend met de verschuldigde frictiekosten en desintegratiekosten Lid 6 bepaalt dat de kosten die de uittredende deelnemer maakt in het kader van de uittreding voor rekening van de uittredende deelnemer blijven. Deze kosten kunnen niet in mindering worden gebracht op de uittreedsom.
Artikel 50 Het eerste lid regelt dat de datum van uittreding heeft te gelden als peildatum voor berekening van de uittreedsom. Feiten en omstandigheden die na de datum opkomen dienen buiten beschouwing te worden gelaten bij de bepaling van de uittreedsom.
Pagina 29 van 32 4" wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn
Dit impliceert dat bij de bepaling van de compensatie van toekomstige kosten een zo precies mogelijke raming moet worden gemaakt, gebaseerd op zo plausibel mogelijke aannames. Of deze aannames ook na de datum van uittreding blijken te kloppen mag vervolgens geen rol spelen. In zoverre moeten de uittredende deelnemer en Laborijn beiden een inschatting maken van de risico’s die zij lopen bij het bepalen van de compensatie en de onderbouwing daarvan. Het tweede lid regelt dat de uittredende deelnemer en Laborijn beiden alle informatie over en weer moeten delen op basis waarvan beide partijen een zo goed mogelijke inschatting kunnen maken van hun belangen bij de bepaling van de uitreedsom.
Artikel 51 Het eerste lid regelt dat de ondernemingsraad de gelegenheid heeft advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het concept uittredingsplan. Hiermee is overigens niet geregeld dat alle personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit de uittreding in het uittredingsplan geregeld moeten worden. Het is zeer wel voorstelbaar dat veel van personele en organisatorische gevolgen van de uittreding elders worden geregeld. Dit artikellid stelt zeker dat indien personele en organisatorische gevolgen van de uittreding worden geregeld in het uittredingsplan, de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld daarover advies uit te brengen. Het tweede lid stelt regels voor het geval de uittreding tot gevolg heeft dat 20 of meer arbeidsplaatsen verloren kunnen gaan. Voor dat geval is bepaald dat het algemeen bestuur eerst in overleg treedt het de vakbonden over de vraag of een sociaal plan noodzakelijk is voordat het dagelijks bestuur het concept uittredingsplan voor zienswijzen aan de colleges zendt. De conclusie van het overleg met de vakbonden wordt in het kader van de zienswijzeprocedure meegezonden met het concept uittredingsplan.
Artikel 52 Uittreding van een deelnemer zal in de regel aanpassing van de gemeenschappelijke regeling vergen, bijvoorbeeld op het punt van de stemverhoudingen. Dit artikel verplicht het algemeen bestuur een voorstel voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling voor te bereiden. Dit wijzigingsvoorstel wordt gelijktijdig met de zienswijzeprocedure inzake het uittredingsplan in de daarvoor bestemde besluitvormingsprocedures gebracht. Artikel 53
Het eerste lid verplicht Laborijn om de kosten voor uittreding voor de uittredende deelnemer zo laag mogelijk te houden. Dat hoeft er echter niet toe te leiden dat Laborijn reeds bepaalde ambities omlaag moet bijstellen en in gang gezette investeringen of aangegane verplichtingen moet staken. Vanaf het moment van ontvangst door het algemeen bestuur van de uittredingsbesluiten van de uittredende deelnemer dienen het algemeen bestuur en dagelijks bestuur bij alle te nemen beslissingen over het aangaan van verplichtingen die kunnen leiden tot uittredingskosten voor de uittredende partij of, en zo ja, hoe deze uittredingskosten voor de uittredende deelnemer kunnen worden vermeden. Het tweede lid regelt dat de uittredende deelnemer zich vanaf het moment van ontvangst van de uittredingsbesluiten door het algemeen bestuur in het algemeen bestuur onthoudt van besluitvorming over zaken die zijn belangen niet meer kunnen raken. Dat geldt bijvoorbeeld voor investeringsbeslissingen voor de lange termijn. Pagina 30 van 32
4^ wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn
In zulke gevallen dienen de achterblijvende deelnemers in het algemeen bestuur te overwegen de uittredende deelnemer uitdrukkelijk te vrijwaren van een compensatieplicht. De uittredende deelnemer behoeft zich natuurlijk niet van deelname aan besluitvorming te onthouden in het geval dat het belang van zijn gemeente daarbij is betrokken. Het derde lid van dit artikel regelt een inspanningsverplichting voor de uittredende deelnemer om eventuele als gevolg van de uittreding boventallige formatie over te nemen van de GR Laborijn, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is. De waarde van overgenomen formatie wordt in mindering gebracht op de uittreedsom. Deze inspanningsverplichting impliceert dat de uittredende deelnemer niet tot overname van boventallig personeel kan worden gedwongen. Tegenover deze verplichting voor de uittredende deelnemer staat de verplichting van Laborijn om zich in te spannen de kosten voor uittreding zo laag mogelijk te houden (lid 1). Het vierde lid bepaalt dat de bepaling in het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op alle andere verplichtingen van de GR Laborijn die als direct gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden.
Artikel 54 Dit artikel biedt een keuzemogelijkheid aan de uittredende deelnemer voor betaling van de uittreedsom in een keer of in termijnen. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur of de uittredende deelnemer in een keer of in termijnen dient te betalen, alsmede het aantal termijnen. Het algemeen bestuur volgt hierbij de door de uittredende deelnemer eerder aangegeven voorkeur. B.
Zienswijze procedure
In de gewijzigde Wgr is de verplichting opgenomen om in de regeling afspraken te maken over besluiten, waarop het bestuur van de regeling (algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter) een zienswijze aan de raden vraagt. Het DB moet gemotiveerd en schriftelijk reageren op de zienswijze. Daarmee moet worden voorkomen dat zienswijzen ongemotiveerd genegeerd worden. Het is overigens niet verplicht om besluiten aan te wijzen waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht, maar dan moet in de regeling tot uitdrukking worden gebracht dat daarvan is afgezien. In de regeling is ervoor gekozen om de raden een zienswijze te vragen over de kadernota (artikel 16a en 27, tweede lid, van de regeling). De kadernota vormt de basis voor de begroting van Laborijn, waarop eveneens een zienswijze procedure van toepassing is. De kadernota beschrijft uitvoerig de (beleidsmatige)ontwikkelingen en de financiële gevolgen daarvan en raakt als zodanig direct de kaderstellende rol van de raden. Afgezien van het besluit over de begroting zijn er geen andere besluiten van het bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze moet worden gevraagd. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 12a, 16a en 17a, van de regeling. C.
Inspraak / Participatie
De gewijzigde Wgr schrijft voor dat de regeling een bepaling moet bevatten of en hoe inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid worden betrokken. Het is ook mogelijk om de inspraak via de gemeenteraden te laten verlopen. Voor wat betreft de doelgroep van de Participatiewet is participatie nadrukkelijk in de Participatiewet vastgelegd. Artikel 47 van de Participatiewet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over hoe cliëntenparticipatie wordt vormgegeven.
Pagina 31 van 32 4“ wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn
De raden van de deelnemende gemeenten hebben gekozen voor de instelling van sociale raden. De sociale raden richten zich op het brede sociale domein. Laborijn heeft een eigen cliëntenraad die zich specifiek richt op de belangen van de doelgroep van de Participatiewet. De belangen van SW-medewerkers worden vanuit een onderdeel commissie behartigd. Via een periodiek medewerkers tevredenheidsonderzoek wordt in beeld gebracht wat er leeft onder de SW-medewerkers. In de regeling is nu in artikel 25 opgenomen dat het dagelijks bestuur, onverminderd het bepaalde in de verordening op grond van artikel 47 van de Participatiewet zorgdraagt voor de instelling van een cliëntenraad bestaande uit personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid Participatiewet of hun vertegenwoordigers. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de cliëntenraad van Laborijn zijn grondslag vindt in de regeling. De cliëntenraad zal worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid in het kader van de Participatiewet.
D.
Evaluatie
Op grond van de gewijzigde Wet moeten er afspraken worden gemaakt over de evaluatie van de regeling. Er kan worden gekozen om de regeling niet te evalueren, maar dan moet dat op basis van een bewuste keuze waarmee de gemeenteraden instemmen. In de regeling is in artikel 42 een facultatieve bepaling opgenomen inhoudende dat op voorstel van de raden het algemeen bestuur zorgdraagt voor een evaluatie van de regeling. Daarbij moeten de raden de inhoud en omvang van de evaluatie aangeven. Als alle raden instemmen met de evaluatie dan is het algemeen bestuur verplicht om de evaluatie uit te voeren. E.
Actieve informatieplicht
Artikel 17 lid 2 en 3 Wgr introduceert een actieve informatieplicht voor het bestuur van Laborijn. In dat kader is het bestuur (algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter) verplicht om de gemeenteraden actief te informeren, zodat de raden hun taken goed kunnen oppakken. Het gaat hier om een rechtstreekse informatieplicht, dus niet door tussenkomst van de colleges. De actieve informatieplicht is in de regeling tot uitdrukking gebracht in artikel 34, lid 4, 35, lid 4 en 36, lid 4. Artikel 35, lid 5, vermeld welke documenten het dagelijks bestuur in elk geval beschikbaar stelt. De documenten worden op de website van Laborijn geplaatst, zodat deze voor iedereen zichtbaar zijn. F.
Gemeenschappelijke raadscommissie
In de regeling is in artikel 20 een bepaling opgenomen gelijkluidend aan artikel 24a Wgr. Dit artikel biedt de mogelijkheid om een gemeenschappelijke raadscommissie in te stellen. Dat gebeurt op voorstel van de gezamenlijke gemeenteraden en dient te geschieden door het algemeen bestuur. G.
Data planning- en control-cyclus
Als gevolg van de wetswijziging verandert een aantal data in de planning- en control-cyclus. De in de Wgr gewijzigde data zijn in de regeling verwerkt en het proces ten aanzien de planning- en control-cyclus is opnieuw uitgelijnd.
Pagina 32 van 32 4- wijziging Gemeenschappelijke regeling Uitvoeringsorganisatie Laborijn