CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 17 Doetinchem.pdf

beeldvormende raad 4 december 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Omgevingsvergunning Broekstraat 17 (bindend advies)14.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.5.3 Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem De Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem (2022) stelt voor het landelijk gebied de ambitie om het gebied toekomstbestendig te maken tegen droogte, hitte en overstromingen. Daarbij horen doelstellingen als het beperken van schade aan natuur en landbouw, het vergroten van de biodiversiteit, het bieden van verkoeling en het vasthouden en bergen van water. Nieuwe ontwikkelingen dienen klimaatbestendig en toekomstgericht te worden ingericht, waarbij meekoppelkansen benut en meerdere functies gecombineerd worden. Het initiatief van Zone.college sluit hierbij aan doordat het uitgaat van hergebruik van bestaande bebouwing, waardoor geen extra verharding en bijbehorende klimaateffecten worden veroorzaakt. Het omliggende terrein wordt landschappelijk ingepast met onder andere de aanleg van een waterberging waterberging (in de vorm van een wadi) en het versterken van biodiversiteit door midden van het aanplanten van een knotbomensingel, hoogstamfruitbomen en gemengde hagen. Daarnaast wordt er bij de nieuwe wadi en kavelsloot natuurvriendelijke oevers aangelegd en wordt er ingezet op de ontwikkeling van kruiden- en bloemrijk grasland aan de randen van het 35

terrein. Daarmee invulling gegeven aan de leidende principes uit de klimaatadaptatiestrategie voor het landelijk gebied.

5.5.4 Nota parkeernormen 2024 De gemeente Doetinchem heeft een Nota parkeernormen vastgesteld (2024). Hierin zijn eveneens normen opgenomen ten aanzien van onderwijsinstellingen. Onder 6.5 (Mobiliteit en parkeren) wordt nader gemotiveerd hoe het plan voldoet aan de Nota parkeernormen.

5.5.2

Conclusie gemeentelijk beleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 5.5.3.

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

36

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

•

Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

•

Het bevorderen van bronmaatregelen;

•

Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;

•

Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

37

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2

Onderzoek

Het gebruik van het pand en omliggend terrein aan de Broekstraat 17 in Doetinchem voor praktijkonderwijs is planologisch goed te verantwoorden met betrekking tot geluid. De onderwijsactiviteiten vinden plaats binnen reguliere schooltijden (08:30– 17:00 uur) en bestaan uit een combinatie van theorie- en praktijklessen, zowel binnen het gebouw als op het buitenterrein. In de buitenlucht vinden praktijklessen plaats, welke qua geluidsniveau vergelijkbaar zijn met regulier agrarisch gebruik, dat in de huidige situatie planologisch al is toegestaan. Daarnaast ligt de dichtstbijzijnde woning op een afstand van ruim 250 meter. Een schoolgebouw betreft daarnaast ook een geluidsgevoelig gebouw. Voor de beoordeling van de geluidsaspecten van het plan zijn de richtafstanden uit de eerdere VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009) als indicatief kader gehanteerd. In de actuele handreiking Activiteiten en Milieuzonering (2024) zijn voor dergelijke functies in het buitengebied geen specifieke richtafstanden opgenomen. De genoemde indicatieve waarden uit de eerdere publicatie bieden derhalve een inzicht in de haalbaarheid van het plan ten aanzien van geluid. Voor scholen voor beroepsonderwijs wordt doorgaans een richtafstand van 30 meter aangehouden voor het aspect geluid. Hieraan wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van andere geluidsgevoelige functies in de omgeving.

Daarnaast moet worden bepaald of er voldoende afstand kan worden gehouden ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft Olde Bolhaar Eco Service (opslag van biomassa materialen), waarvoor doorgaans een richtafstand van 100 meter wordt gehanteerd ten aanzien van het aspect geluid. Aan deze afstand wordt met circa 130 meter voldaan. 38

Ten aanzien van verkeerslawaai kan eveneens een goed verblijfsklimaat worden gegarandeerd ter plaatse van de Broekstraat 17 in Doetinchem. Het pand ligt op ca. 280 meter van de Velswijkseweg/Kruisbergseweg en dus buiten het geluidsaandachtsgebied van deze weg, waardoor deze geen nadelige effecten hebben en een akoestisch onderzoek niet nodig is. Het pand ligt wel in de geluidsaandachtsgebieden van de Wassinkbrinkweg en Broekstraat, maar de verkeersintensiteit van deze wegen is laag. Op de kaart ‘Geluid van wegverkeer’ van Atlas Leefomgeving is te zien dat de geluidsbelasting ter plaatse van de voorzijde van het pand circa 46dB bedraagt. Een akoestisch onderzoek en/of verdere maatregelen ten aanzien van geluid zijn dus niet noodzakelijk.

Figuur 9: Weergave kaart ‘Geluid wegverkeer (Lden) van Atlas Leefomgeving Daarnaast wordt een schoolgebouw niet als geluidgevoelig beschouwd voor activiteiten vanuit de school zelf. Dit betekent dat de activiteiten op het buitenterrein met bijbehorend geluid niet van invloed zijn op de gebruiksmogelijkheden van het schoolgebouw.

6.1.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect geluid voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van locaties. Er zijn geen nadelige effecten ten aanzien van het aspect geluid.

39

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 40

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is.

6.2.2

Onderzoek

Om vast te stellen dat de luchtkwaliteit niet verslechtert als gevolg van het plan, is middels de NIBM-tool een worst-case berekening uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van 200 extra vervoersbewegingen, waarvan 20% vrachtverkeer. In werkelijkheid ligt dit aantal lager, aangezien er naar verwachting circa 60 (auto’s en bromfietsen) vervoersbewegingen voor leerlingen en medewerkers per dag worden verwacht, met daarnaast nog enkele vervoersbewegingen van zwaarder verkeer vanwege het onderwijs (gebruik van machines) en eventuele bevoorrading van het pand. Met onderstaande worst-case berekening is er nog steeds geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 9: NIBM-berekening voor de ontwikkeling aan de Broekstraat 17 in Doetinchem

41

6.2.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van locaties. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit.

42

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

6.3.2

Onderzoek

Het bedrijf Olde Bolhaar Eco Service aan de Wassinkbrinkweg in Zelhem ligt op circa 140 meter van het pand aan de Broekstraat 17. Als minimale geurafstand voor opslag van groenafval en compostering (niet belucht) wordt doorgaans (op basis van VNGrichtlijnen) 50 meter aangehouden. Met 140 meter wordt ruimschoots voldoende afstand gehouden tot de onderwijslocatie aan de Broekstraat 17 in Doetinchem. Het onderwijspand en bijkomende onderwijsactiviteiten zorgen daarnaast zelf niet voor geuremissie, waardoor er geen omliggende geurgevoelige functies worden gehinderd als gevolg van het plan.

6.3.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect geur voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van locaties. Het plan heeft geen geuremissie tot gevolg en er wordt voldoende afstand gehouden ten opzichte het nabijgelegen composteerbedrijf.

43

6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

6.4.2

Onderzoek

Ten behoeve van het plan om de huidige bedrijfslocatie om te vormen naar een locatie voor praktijkonderwijs, heeft een milieuhygiënisch vooronderzoek plaatsgevonden. Deze bouwt voort op een reeds uitgevoerd verkennend bodemonderzoek op het perceel uit 2014. Tijdens dat onderzoek zijn er over het gehele perceel geen verhoogde gehalten in de bodem aangetroffen. In de tussentijd hebben er geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden op het perceel. Tijdens de terreininspectie voor het vooronderzoek zijn eveneens geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op een (mogelijke) bodemverontreiniging. Zodoende wordt uit het vooronderzoek geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een (nieuw) verkennend bodemonderzoek. De bodem wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik als onderwijslocatie. 44

6.4.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect bodem voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van locaties. Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik als praktijkonderwijslocatie.

6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

6.5.2

Onderzoek

Mobiliteit Het aantal vervoersbewegingen op de locatie zal als gevolg van het plan toenemen ten opzichte van de huidige situatie (bedrijf met circa 35 medewerkers). In de toekomstige situatie is er sprake van een onderwijslocatie met een dagelijkse bezetting van circa 100 personen (zowel leerlingen als medewerkers) met bijkomende vervoersbewegingen van auto’s en (brom)fietsen. De ontsluiting van de onderwijslocatie vindt met name plaats via de Broekstraat en Wassinksweg naar de N316 (Kruisbergseweg). De locatie kent een korte aanrijroute richting de N316, waaraan geen woningen of andere (geluids)gevoelige functies aanwezig zijn. De toename aan verkeer hindert daarmee geen andere functies in de directe omgeving. Daarnaast is de Kruisbergseweg erop ingericht om grote(re) aantallen motorvoertuigen te verwerken. De functieverandering brengt een relatief beperkte verandering van het aantal vervoersbewegingen (ten opzichte van de huidige situatie) met zich mee. Daarmee zal de functieverandering naar verwachting eveneens geen significant effect hebben de provinciale weg.

Parkeren De gemeente Doetinchem heeft een Nota parkeernormen vastgesteld (2024). Hierin zijn normen opgenomen ten aanzien van onderwijsinstellingen. Voor ROC onderwijs in 45

het buitengebied geldt een parkeernorm van 5,9 parkeerplaatsen per 100 leerlingen. Aangezien er, inclusief medewerkers, circa 100 personen dagelijks op de locatie aanwezig zijn, zijn er op basis van voorgenoemde parkeernorm 6 parkeerplaatsen benodigd. Dit is echter te weinig gelet op het feit dat enkele leerlingen en medewerkers met de auto komen. In de huidige situatie zijn bij het pand 30 parkeerplaatsen aanwezig. Hiermee wordt wel in voldoende parkeermogelijkheden voorzien, aangezien het merendeel van de leerlingen per OV of (brom)fiets zal komen.

6.5.3

Conclusie

Ten aanzien van de aspecten mobiliteit en parkeren voldoet het plan aan een evenwichtige toedeling van locaties. Er wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien, en de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen heeft geen gevolgen voor de omgeving.

6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

46

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

6.6.2

Onderzoek

Risicobronnen in de omgeving en gebruik van het pand De functie die aan de locatie wordt toegekend betreft een onderwijslocatie voor praktijkgericht mbo-onderwijs. De dagelijkse bezetting bedraagt circa 100 personen (leerlingen en medewerkers). Hiermee is sprake van een kwetsbaar gebouw in de zin van de regelgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen externe risicobronnen aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een aandachtsgebied externe veiligheid. Er geldt dan ook geen plaatsgebonden risico of groepsrisico waarmee in dit deelplan rekening gehouden moet worden. Binnen de inrichting zelf worden ook geen risicovolle activiteiten ontplooid die als risicobron worden aangemerkt in het Bkl. Praktijklessen in bijvoorbeeld lassen, metaalbewerking, hydrauliek en elektro vinden plaats in daartoe ingerichte werkplaatsen, waarbij wordt gewerkt met zeer beperkte hoeveelheden gevaarlijke 47

stoffen (zoals lasgassen en brandstoffen voor machines). Deze activiteiten vallen onder de reguliere veiligheids- en arbovoorschriften en leiden niet tot externe veiligheidsrisico’s. Voor een tankvoorziening voor kleinschalig tanken (minder dan 25m3 per jaar) met enkel het gebruik van diesel gelden daarnaast geen aanvullende regels (zoals plaatsgebonden risico of aandachtsgebieden) ten aanzien van externe veiligheid.

Aanpassingen brandveiligheid en Bbl Bij de verbouwing en inrichting van het pand worden de vereiste voorzieningen getroffen om te voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan: •

Brandcompartimentering;

•

voldoende en goed bereikbare vluchtwegen;

•

nood- en transparantverlichting;

•

brandmeld- en ontruimingsinstallatie conform de bezettingsgraad en gebruiksfunctie;

•

blusvoorzieningen;

•

veilige opslag van gevaarlijke stoffen conform PGS-richtlijnen.

Door deze maatregelen wordt geborgd dat het gebouw en terrein veilig kunnen worden gebruikt door de beoogde gebruikersgroep.

Buitenterrein Het buitenterrein wordt gebruikt voor praktijklessen met machines en grondwerkzaamheden. Vanwege de voorgenomen graafwerkzaamheden ten behoeve van het onderwijs, is de gemeentelijke kaart ten aanzien van de verwachtingen voor ontplofbare oorlogsresten geraadpleegd. Hierop is de locatie aan de Broekstraat 17 in Doetinchem als niet verdacht aangemerkt (‘lage verwachting aanwezigheid OO’). Daarmee vormen ontplofbare oorlogsresten geen extern veiligheidsrisico. Het voornemen bestaat om in de toekomst een wasplaats met tankvoorziening te realiseren voor eigen gebruik. Te zijner tijd worden hiervoor de benodigde meldingen gedaan, waarbij wordt geborgd dat de voorzieningen voldoen aan de milieuregels zoals opgenomen in het Bal.

6.6.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gebruik van de locatie voor praktijkonderwijs leidt niet tot knelpunten op het gebied van omgevingsveiligheid. 48

6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

6.7.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.7.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, NNN-gebied of in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Daarnaast heeft de functieverandering van het pand en bijkomende toekomstige activiteiten geen negatief effect (in de zin van trillingen, geluid en dergelijke) op een Natura 2000-gebied, aangezien er in de omgeving geen Natura 2000-gebieden aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde gebied (Rijntakken) ligt op een afstand van ruim 10 kilometer. Negatieve fysieke effecten op Natura 2000gebieden zijn daarom uitgesloten. Ten behoeve van de functieverandering van het pand naar een onderwijslocatie en bijkomende aanpassingen aan het pand en omliggende terrein, is een stikstofberekening uitgevoerd. Hieruit volgt dat zowel de werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de onderwijsvoorziening, als het gebruik daarvan, geen significante stikstofdepositie tot gevolg hebben. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (zowel voor stikstof als overige fysieke effecten) is niet aan de orde. 49

Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit een bestaand gebouw met verhard terrein en een naastgelegen agrarisch perceel dat is ingericht als grasland met Engels raaigras. Engels raaigras is een intensief beheerd agrarisch gewas met een lage natuurwaarde. Dergelijk grasland biedt vooral leefgebied voor algemeen voorkomende soorten. Gezien de aard van de activiteiten en het feit dat er een extra investering wordt gedaan in de landschappelijke structuren op het perceel, wordt aangenomen dat met de ontwikkeling het leefgebied voor deze soorten niet afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Aan het gebouw zelf vinden alleen inpandige aanpassingen plaats om het gebouw geschikt te maken voor de onderwijsfunctie. Dit betreft met name het verplaatsen van enkele (glazen) wanden ten behoeve van het realiseren van onderwijsruimten en werkplekken, en het realiseren van een brandbestendige wand. Er vinden geen aanpassingen plaats aan de buitenkant van het gebouw, zoals de buitenmuren of het dak. Zodoende zijn negatieve effecten op gebouwbewonende soorten eveneens uitgesloten. Het uitvoeren van quickscan flora en fauna is niet noodzakelijk.

6.7.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect natuur wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen sprake van significante negatieve effecten op aanwezige soorten of instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.8.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; 50

•

Verplaatsing van beschermde monumenten;

•

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

6.8.2

Onderzoek

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (archeologische) monumenten of overig cultureel erfgoed aanwezig, die als gevolg van het plan zouden kunnen worden aangetast. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem is daarnaast te zien dat het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (zie figuur 10). Voor deze gronden geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen van dieper dan 30 centimeter beneden het maaiveld met een oppervlakte van meer dan 5000m2. Dit komt overeen met de regels die zijn opgenomen voor de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 6’, welke aan het plangebied is toegekend. Voor het geschikt maken van het terrein voor de onderwijsactiviteiten, waaronder de landschappelijke inpassing, wordt niet dieper gegraven dan 30 centimeter. Graafwerkzaamheden ten behoeve van het onderwijs vinden plaats op het naastgelegen agrarische perceel, waar in het verleden reeds een laag van 50 centimeter zand is opgebracht vanuit de bouw van het pand. De graafwerkzaamheden overschrijden daarnaast de grens van 5000m2 niet. Daarmee is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet benodigd op voor deze ontwikkeling.

51

Figuur 10: Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) op de archeologische beleidskaart

6.8.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect cultureel erfgoed wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen sprake van een archeologische onderzoeksplicht of negatieve effecten op aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarden.

6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.9.1

(Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt 52

gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

6.9.2

Onderzoek

Het huidige pand betreft een zeer energiezuinig pand, welke onder andere is voorzien van PV-panelen, een warmtepomp en ledverlichting. Het pand kent dan ook energielabel A+++++. De inrichting van het praktijkonderwijsterrein sluit aan bij de Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Door het aanleggen van een wadi, behoud en uitbreiding van groenstructuren zoals hoogstamfruitboomgaard, gemengde hagen en een knotbomensingel, en het toepassen van halfverharding bij parkeerplaatsen wordt water langer vastgehouden, infiltratie bevorderd en biodiversiteit versterkt. Zo ontstaat een klimaatadaptief en ecologisch waardevoller terrein. 53

Het watersysteem wordt versterkt door de aanleg van een nieuwe kavelsloot die wordt aangesloten op het bestaande systeem en door de wadi die regenwater tijdelijk vasthoudt. Beide worden voorzien van een natuurvriendelijke oever. Halfverharde parkeerplaatsen dragen daarnaast bij aan infiltratie en verminderen de kans op wateroverlast. Hiermee ontstaat een robuust en klimaatbestendig watersysteem dat past bij het toekomstige functionele gebruik van het terrein.

6.9.3

Conclusie

Ten aanzien van het aspect duurzaamheid wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het huidige pand betreft al een zeer duurzaam (bijna energieneutraal) gebouw, en door middel van de landschappelijke inpassing worden er maatregelen genomen ten aanzien van klimaatadaptatie en biodiversiteit.

54

6.10 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of projectm.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;

•

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.10.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in bijlage V bij het Ob. Het project is gezien de beperkte omvang niet te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject of landinrichtingsproject, zoals opgenomen onder J11 en J12. Een plan-m.e.r.(beoordeling) is niet noodzakelijk.

55

6.10.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.11

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

6.11.2 Onderzoek Het plan om een nieuwe onderwijslocatie te realiseren aan de Broekstraat 17 in Doetinchem kan niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Er vindt geen 56

nieuwbouw plaats als gevolg van het plan. Het gaat enkel om het in gebruik nemen van het bestaande pand ten behoeve van een andere functie, wat in lijn is met de doel van de ladder om zoveel mogelijk bestaande panden te hergebruiken. Zodoende is een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.

6.11.3 Conclusie Van een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is voor voorliggende ontwikkeling geen sprake. De ontwikkeling is niet in strijd met het Bkl.

6.12

Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: •

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;

•

Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;

•

Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit” . Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 57

‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.12.2 Onderzoek Het plan voorziet in de inrichting van een hal met praktijkruimten ten behoeve van onderwijsactiviteiten op het gebied van onderhoud en reparatie van agrarische machines, alsmede praktijklessen in elektro-, hydrauliek-, metaalbewerking en lassen. Daarnaast worden in de toekomst een tankvoorziening en wasplaats voor eigen gebruik gerealiseerd op het buitenterrein. De voorgenomen activiteiten zijn kleinschalig en vinden plaats in het kader van onderwijs. Er is geen sprake van industriële of grootschalige productie. De milieubelasting is daarmee beperkt. Toekomstige milieubelastende activiteiten In de toekomst zal op het buitenterrein een tankvoorziening voor eigen gebruik (ca. 1m3 per jaar, waardoor het gaat om ‘kleinschalig tanken’ in de zin van het Bal) voor het tanken van tractoren en vergelijkbare voertuigen. Daarnaast wordt er in de toekomst een wasplaats gerealiseerd. Deze voorzieningen zijn uitsluitend bedoeld voor intern gebruik en niet voor derden. Voor deze milieubelastende activiteiten zal, zodra ze worden gerealiseerd, een melding worden gedaan conform de geldende milieuregelgeving (Bal). Hierbij zal worden voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van bodem-, lucht- en waterbescherming en afvalstoffenbeheer, waardoor geen onaanvaardbare milieueffecten optreden.

Overige activiteiten De werkzaamheden in de praktijkruimten, waaronder lassen en metaalbewerking, vinden plaats op kleine schaal en binnen een goed geventileerde ruimte. Er zullen maximaal twee gasflessen aanwezig zijn (één in gebruik en één als reserve). Deze beperkte opslag valt niet onder de categorie milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in het Bal.

6.12.3 Conclusie Voor de toekomstige wasplaats en tankvoorziening zal te zijner tijd een melding worden gedaan, waarmee eveneens wordt geborgd dat wordt voldaan aan de gestelde milieueisen op het gebied van bodem-, lucht-, en waterbescherming en 58

afvalstoffenbeheer. Zodoende is op dit vlak eveneens sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.13

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

6.13.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.13.2 Onderzoek Het plan betreft het hergebruik van een bestaand gebouw en terrein voor een onderwijsfunctie, waarbij uitsluitend inpandige aanpassingen plaatsvinden en het omliggende terrein wordt benut voor praktijklessen. De relevante milieu- en omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid, zoals geluid, luchtkwaliteit, geur, en bodem, zijn in de voorgaande paragrafen beoordeeld. Uit deze beoordelingen volgt dat geen sprake is van omstandigheden die kunnen leiden tot ernstige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid, zowel binnen als buiten het plangebied. Daarmee is de activiteit in lijn met de doelstelling van de Omgevingswet om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te waarborgen.

6.13.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat het plan betrekking heeft op het gewijzigde gebruik van een bestaand pand met omliggend 59

terrein, waarbij de activiteiten geen negatieve gezondheidseffecten met zich meebrengen.

60

7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De financieel-economische uitvoerbaarheid van het initiatief ligt volledig bij het Zone.college. Het college is verantwoordelijk voor de aankoop van het pand en de verdere inrichting en exploitatie van de onderwijslocatie. Daarmee is gewaarborgd dat de realisatie van de onderwijsfunctie binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden en financieel haalbaar is.

7.1.2

Nadeelcompensatie

Voor de aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit is door gemeente en Zone.college een nadeelcompensatieovereenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal voor de gemeente Doetinchem juridisch is gewaarborgd.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1

Participatie

Ten behoeve van het plan wordt een participatieproces doorlopen waarbij bewoners worden geïnformeerd middels en brief en een informatieavond. Conform artikel 16.262 van de Omgevingswet is voor de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) de reguliere procedure (titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. Hiermee is de beslistermijn acht weken. Het college van Burgemeester en wethouders kan gevallen aanwijzen waarvoor bij een BOPA de uitgebreide procedure conform afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Voorliggende onderbouwing betreft een ontwikkeling waarvoor de reguliere procedure van toepassing is. Het is mogelijk voor belanghebbenden om bezwaar te maken op het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen.

61

7.2.2

Vooroverleg

Het plan is in het kader van vooroverleg toegezonden naar waterschap Rijn en IJssel en provincie Gelderland. Zowel de belangen van het waterschap en provincie Gelderland zijn goed afgewogen in voorliggend plan. Er zijn dan ook geen bezwaren vanuit het waterschap (zie paragraaf 5.4.3) of de provincie (brief advies omgevingsvergunning met zaaknummer 2025-012371).

7.2.3

Advies en instemming

De gemeenteraad van Doetinchem heeft een lijst vastgesteld van gevallen waarbij (bindend) advies aan de raad moet worden gevraagd. Dit geldt onder andere voor plannen die niet passen binnen een door de gemeenteraad vastgesteld ruimtelijk beleidskader. Zodoende is het bindend advies van de gemeenteraad voor dit plan van toepassing verklaard.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8318/documents/51029