CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.4 - Parapluherziening Externe veiligheid - 2020_Bijlagen toelichting.pdf

beeldvormende raad 11 februari 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Parapluherziening Externe veiligheid - 202015.125 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding Conform het Bevb een onderscheid tussen een beperkte verantwoording van het groepsrisico en een uitgebreide verantwoording. Onder de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verstaan dat alleen inzicht gegeven moet worden in:  de aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied;  de hoogte van het groepsrisico per kilometer;  de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval (bestrijdbaarheid);  de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt, veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet (zelfredzaamheid). Van een beperkte verantwoording is alleen sprake als:  het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt of;  het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of;  het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Bij de uitgebreide verantwoording moet ook onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de risico’s te beperken en dient gekeken te worden naar alternatieve locaties voor het ruimtelijk plan. Daarnaast dient ook de Veiligheidregio betrokken te worden in het proces.

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 18 -

27 oktober 2013

3.5

Effecten Risicobronnen die voldoen aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en verantwoording van het groepsrisico kunnen bij een calamiteit wel degelijk schadelijke en letale (dodelijke) effecten voor de mens veroorzaken. Vanuit het oogpunt van proactie en preventie dient daarom in de verantwoording van het groepsrisico te worden gekeken naar de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van de effecten (bron-, effect- en beheersmaatregelen). Wanneer het gaat om de mogelijkheden voor beperking, beheersing en bestrijding van effecten wordt een gedegen en goede onderbouwing verwacht. Er zullen voorstellen gedaan moeten worden om de veiligheidssituatie te optimaliseren. De maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn zeer divers. Zo kunnen er preventieve maatregelen voor de bron worden getroffen maar ook maatregelen specifiek gericht op vergroting van de zelfredzaamheid.

3.5.1

Beheersbaarheid Er moet specifiek aandacht worden gegeven aan de mogelijkheden voor de inzet van hulpdiensten (gemeentelijke brandweer, geneeskundige dienst en politie) in termen van bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en capaciteit. Om de effecten van een calamiteit met gevaarlijke stoffen te beperken of beter onder controle te kunnen krijgen is het van belang dat hierbij specifiek aandacht wordt besteed aan:  De bluswatervoorziening (voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig).  De opkomsttijden (kunnen de hulpverleningsdiensten op tijd ter plaatse zijn).  De bereikbaarheid (is de risicobron voldoende bereikbaar voor de hulpdiensten).

3.5.2

Risicocommunicatie Het is van belang dat burgers zelfredzaam zijn en weten wat zij moeten doen bij een calamiteit. Sinds de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) heeft de veiligheidsregio een wettelijke verplichting om informatie te verstrekken. De gemeente wil aan die verplichting bijdragen. De Veiligheidsregio NOG, de 22 regiogemeenten, de GHOR en de GGD werken samen aan risicocommunicatie. Zie http://www.vnog.nl/risicocommunicatie/ voor meer informatuie. De gemeente zal initiatieven van de Veiligheidsregio ondersteunen waar mogelijk en noodzakelijk. Belangrijke bijdrage van de gemeente in dit verband bestaat uit het signaleren van externe veiligheidsrisico en registratie daarvan in de provinciale risicokaart.

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 19 -

27 oktober 2013

4

UITVOERING VAN HET BELEID

4.1

Context en kader Integraal werkveld Het onderwerp externe veiligheid kent een takenveld waaraan vele gemeentelijke disciplines een bijdrage moeten leveren: milieu, RO, rampbestrijding, verkeer en vervoer, openbare orde en veiligheid, bouwen, communicatie, economische zaken. Waar toepasselijk, is sprake van inzet bij beleidsvorming, vergunningverlening en handhaving. Het merendeel van de werkzaamheden ligt echter bij de drie eerstgenoemde disciplines. Zij leveren belangrijke ‘producten’ in de eerste drie schakels (milieu, RO, rampbestrijding) van de veiligheidsketen (pro-actie, preventie, preparatie). Wetgeving en beleid Uitvoering van externe veiligheidstaken vindt haar grondslag in wettelijke regels en gekozen ambities op grond van wettelijk toegestane lokale beleidsruimte. Rond wettelijke regels kan specifiek worden gewezen op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het aanstaande Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij de uitvoering van externe veiligheidstaken voldoet de gemeente aan de wettelijke voorschriften en zal rekening houden met de uitgangspunten, ambities en acties van dit externe veiligheidsbeleid. Inhoud en proces Bij de uitvoering van externe veiligheidstaken gaat het om procesmatige (de ‘hoe’ vraag) en inhoudelijke aspecten (de ‘wat’ vraag).

Ten aanzien van de procesmatige aspecten rond uitvoering is de vraag aan de orde welke kwaliteitseisen mogen worden gesteld aan de uitvoering van de taken. Hier staat het begrip ‘efficiency’ voorop, dat wil zeggen ‘de juiste dingen goed doen’. Daar wordt het begrip ‘goed’ gedefinieerd vanuit het begrip ‘goede kwaliteit’. Rond kwaliteit van taakuitvoering zijn de begrippen deskundigheid, capaciteit en taakborging aan de orde. Zie verder paragraaf 4.2. Ten aanzien van de inhoudelijke aspecten rond uitvoering is de vraag aan de orde welke taken dienen te worden uitgevoerd. Voorop staan wettelijke taken. Hierbij valt een onderscheid te maken in structurele taken en incidentele taken. Centraal staat het begrip ‘effectiviteit’, dat wil zeggen ‘de juiste dingen doen’. Zie verder paragraaf 4.3. Incidentele en structurele taken Wettelijke kaders schrijven voor dat binnen de diverse taakgebieden van de landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke overheden continue afwegingen dienen te worden gemaakt tussen veiligheid, haalbaarheid en kosten rond externe veiligheidskwesties. Hierbij gaat het onder meer om taken op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer, milieu en rampenbestrijding.

De gemeente Doetinchem zal het gewenste externe veiligheidsniveau realiseren door het (laten) uitvoeren van:   Incidentele taken15 Onder incidentele taken worden die taken verstaan die er – vaak éénmalig – op zijn gericht om structurele taken blijvend mogelijk te maken. Daarbij kan het gaan om taken

15

Incidentele taken zijn niet per definitie facultatief. Ze dienen regelmatig om (nieuwe) structurele wettelijke taken mogelijk te maken of te verbeteren.

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 20 -

27 oktober 2013

voortkomend uit nieuwe wettelijke regelingen alsmede om de verbetering van het bestaande takenpakket.   Structurele taken Structurele taken zijn taken die permanent deel uitmaken van het gemeentelijke takenpakket en waarvan de uitvoering frequent aan de orde is. Deze taken worden hetzij specifiek verricht of zijn onderdeel van andere gemeentelijke activiteiten. Voor uitvoering van externe veiligheidstaken laat de gemeente zich ondersteunen door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) voorzover de Dienstverleningsovereenkomst daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunten en ambities zijn niet tijdloos. Interne en externe factoren en omstandigheden kunnen nopen tot een aanpassing van het ev-beleid. De vaststelling van relevante wijzigingen in het externe veiligheidsbeleid dient door de gemeenteraad te gebeuren.

4.2

Taakuitvoering – procesmatig Alvorens wettelijke en beleidsmatige taken ter hand te nemen is het essentieel dat de kwaliteit van het proces waarlangs de gemeentelijke producten tot stand komen optimaal is. In dat verband onderscheidt de gemeente de volgende randvoorwaarden. Deskundigheid en capaciteit In het kort: er dienen voldoende ambtelijk deskundigen te zijn om de omschreven taken uit te voeren. Verder moeten deze personen beschikken over voldoende expertise. Vooral via samenwerken en kennisdelen zal de gemeente invulling geven aan deze aspecten. Daarnaast zal de gemeente kennisvergaring ook bereiken door middel van deelname aan bepaalde opleidingsprogramma’s. Voor externe veiligheidstaken die de gemeente heeft belegd bij de ODA verwacht zij dat de ODA de vereiste capaciteit en deskundigheid bewaakt. Het bovenstaande resulteert in de volgende activiteiten:

Deskundigheid en capaciteit

Structurele taak

Incidentele taak

De gemeente bewaakt de vereiste niveaus van eigen deskundigheid en capaciteit. Waar nodig vindt bijscholing plaats.

De gemeente en de ODA onderzoeken hoe in de uitvoering van externe veiligheidstaken optimaal (samen)gewerkt kan worden volgens de landelijke vastgestelde en in de DVO vastgelegde en kwaliteitscriteria.

Taakborging Kwaliteit van procesvoering is er ook mee gebaat als taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden structureel zijn verankerd in procedures en beschrijvingen van werkprocessen. De gemeente verwacht dat externe veiligheidstaken die de gemeente heeft belegd bij de ODA worden uitgevoerd volgens vastgelegde en overeengekomen werkprocessen. Het bovenstaande resulteert in de volgende activiteiten:

Taakborging

Structurele taak

Incidentele taak

De gemeente voert structurele externe veiligheidstaken (die volgens de DVO niet

De gemeente beoordeelt of de interne werkafspraken aanpassing behoeven,

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 21 -

27 oktober 2013

overgaan naar de ODA) uit volgens vastgelegde en overeengekomen werkprocessen.

bijvoorbeeld in verband met gewijzigde wetgeving / inzichten of regionale / provinciale afspraken. Gemeente en ODA maken werkafspraken over wanneer de gemeente (conform DVO) de ODA om advies vraagt.

Actueel extern veiligheidsbeleid – kenbaarheid & integratie Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente dient bestuurlijk te zijn vastgesteld door het College van B&W en door de gemeenteraad. Voorts dient het beleid te zijn geïntegreerd in overige gemeentelijke gerelateerd beleid. Het externe veiligheidsbeleid dient kenbaar te zijn binnen de organisatie, in ieder geval bij die ambtelijk deskundigen die er in hun dagelijks werk mee moeten werken. Het vorenstaande resulteert in de volgende incidentele, randvoorwaardelijke taken: Incidentele taak Actueel externe veiligheidsbeleid

Na bestuurlijke vaststelling wordt dit beleid binnen de gemeente gepresenteerd en toegelicht, met name aan functionarissen die er in hun werkzaamheden mee te maken krijgen. Op natuurlijke momenten worden wettelijke regels en geambieerde uitgangspunten van het EV-beleid verankerd in RO, milieubeleid, verkeersbeleid, economisch beleid, inrichtingenbeleid, integrale veiligheidsbeleid en het beleid voor openbare orde en veiligheid. Bij het opstellen en actualiseren van externe veiligheidsbeleid zijn en worden voor externe veiligheid relevante beleidsvelden betrokken. Aan de medewerkers van de betreffende afdelingen wordt bekendgemaakt wie de contactpersoon bij de ODA is bij wie men voor vragen terecht kan.

4.3

Taakuitvoering – inhoudelijk Het takenpakket externe veiligheid voor de gemeente, de Omgevingsdienst Achterhoek en de Veiligheidsregio NOG speelt zich af rond de volgende onderwerpen:

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 22 -

27 oktober 2013

Signaleren en registreren Voor de relevantie en toepasselijkheid van externe veiligheid in gemeentelijke producten en taken is het noodzakelijk dat de gemeente signaleert wanneer dat het geval is. In voorkomende gevallen dienen risico’s te worden ingevoerd op de provinciale risicokaart zodra dat wettelijk verplicht is (registratrie). De risicokaart geeft snel een indruk van (potentiële) probleemlocaties op het gebied van externe veiligheid. De risicokaart dient actueel te blijven. Het bovenstaande resulteert in de volgende taken/activiteiten: Structurele taak

Incidentele taak

Registratie RRGS

De ODA draagt zorg voor registratie in RRGS in overeenstemming met de DVO. De ODA actualiseert de gegevens in het register ten minste eens per vijf jaar in overeenstemming met de DVO.

Gemeente en ODA onderzoeken in welke gevallen aanvragen omgevingsvergunningmilieu naar de ODA worden doorgespeeld voor registratie in het Risico Register Gevaarlijke Stoffen (RRGS).

Registratie ISOR

Op basis van de uitkomsten van het hiernaast genoemde onderzoek worden objecten in het ISOR ingevoerd.

Gemeente en Veiligheidsregio onderzoeken de taakverdeling rond het invoeren van gegevens in het Informatie Systeem Overige Ramptypen (ISOR).

Signaleren

De gemeente signaleert de relevantie voor externe veiligheid van een aanvraag voor een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning.

Toepassen wettelijke en ‘wenselijke’ externe veiligheidsaspecten in gemeentelijke producten Indien een gemeentelijk product ‘externe veiligheid’-relevant is, dient bij de totstandkoming van dit product te worden voldaan aan wettelijke regels en de uitgangspunten en ambities van dit beleid. Producten van de werkvelden ruimtelijke ordening en milieu tonen de sterkste raakvlakken met externe veiligheid. Ruimtelijke ordening Hoewel het meewegen van aspecten van externe veiligheid altijd (ook zonder wettelijke eisen) aan de orde zijn vanuit het principe ‘een goede ruimtelijke ordening’, vermeldt een aantal besluiten (Bevi, Bevb, (toekomstig) Bevt specifiek dat en hoe eisen van externe veiligheid dienen te worden meegenomen in de volgende ruimtelijke besluiten:  

De vaststelling van een bestemmingsplan (art. 3.1 Wro). Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (art. 11 Woningwet).

Milieu Vanuit dit werkveld is externe veiligheid in voorkomende gevallen aan de orde bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning-milieu). Bij de totstandkoming van bovengenoemde producten  Dient te worden voldaan aan de grenswaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor (bestaande en geprojecteerde) kwetsbare objecten. EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 23 -

27 oktober 2013

 

Dient in principe te worden voldaan aan de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor (bestaande en geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten. Dient het groepsrisico in het invloedsgebied van de risicobron te worden verantwoord.

Bij toetsing aan de oriënterende waarde voor het groeprisico heeft de gemeente beleidsvrijheid. Dit beleid vult die bevoegdheid in, afhankelijk van het na te streven veiligheidsniveau per gekozen gebiedstype. Periodiek dient de gemeente er toezicht op te (laten) houden (en indien nodig te handhaven) dat blijvend aan wettelijke regels en vastgestelde beleidskeuzes wordt voldaan. In samenwerking met de veiligheidsregio dient de bevolking te worden/zijn geïnformeerd over de risico’s van externe veiligheid, over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding of beheersing hiervan en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het bovenstaande resulteert in de volgende taken/activiteiten:

Milieu

Structurele taak

Incidentele taak

Toetsen relevante omgevingsvergunning voor de activiteit milieu aan externe veiligheidseisen en –ambities (ODA cf DVO)

Uitvoeren van een onderzoek naar achterstanden bij de actualisering van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu (ODA cf DVO, optioneel) Gemeente, ODA en Veiligheidsregio onderzoeken de mogelijkheden voor het treffen en borgen van maatregelen van milieu-, ruimtelijke- en bouwkundige aard in het proces van optimalisatie van veiligheid.

Ruimtelijke ordening

Toetsen relevante ruimtelijke besluiten aan externe veiligheidseisen en –ambities. (ODA cf DVO)

Onderzoek naar een efficiënte aanpak voor conformiteit van vigerende bestemmingsplannen aan wettelijke eisen en ambities van het externe veiligheidsbeleid. (gemeente) Gemeente, ODA en Veiligheidsregio maken afspraken over vroege afstemming met elkaar. Gemeente, ODA en Veiligheidsregio onderzoeken de mogelijkheden voor het treffen en borgen van maatregelen van milieu-, ruimtelijke- en bouwkundige aard in het proces van optimalisatie van veiligheid.

Toezicht en handhaving

Uitvoeren van toezicht en handhaving op blijvend voldoen aan wettelijke regels en vastgestelde beleidskeuzes op het gebied externe veiligheid bij relevante besluiten bij inrichtingen en bij EV-relevante (beperkt) kwetsbare objecten. (ODA cf DVO)

Bij herziening/actualisering handhavingsprogramma het aspect externe veiligheid integreren. Onderzoek naar huidige praktijk alsmede nut, noodzaak, prioritering en taakverdeling (ODA/gemeente).

Risicocommunicatie

Op initiatief van en in samenwerking met de Veiligheidsregio in voorkomende gevallen communiceren over externe veiligheidsrisico’s.

Overleggen met de Veiligheidsregio hoe en in welke gevallen een bijdrage van de gemeente aan risicocommunicatie wordt verwacht.

EV-beleid Definitief rapport

9Y3788/R00005/409010/Nijm - 24 -

27 oktober 2013

Bijlage 1 Overzicht van belangrijke wet- en regelgeving

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 1

Naam en afkorting

Inhoud/ relevantie voor gemeenten

Wet milieubeheer (Wm)

Op grond van deze wet verstrekt de gemeente omgevingsvergunningen-milieu aan bedrijven en houdt toezicht op de naleving van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu. Eén van de aspecten waar bij de afhandeling van een aanvraag om vergunning rekening mee wordt gehouden, is externe veiligheid.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

De Wabo heeft betrekking op bouwen, ruimte en milieu. Het centrale instrument in de Wabo, de omgevingsvergunning, omvat – samengevat – de volgende vergunningen en toestemmingen:  bouwvergunning ingevolge de Woningwet;  gebruiksvergunning en melding ingevolge het Gebruiksbesluit;  omgevingsvergunning voor de activiteit milieu en melding ingevolge de Wet milieubeheer;  ontheffingen bestemmingsplan en aanlegvergunning ingevolge de Wet ruimtelijke ordening;  monumentenvergunning ingevolge de Monumentenwet;  mijnbouwvergunning ingevolge de Mijnbouwwet;  diverse gemeentelijke en provinciale vergunningen, zoals de reclame-, inrit-, sloop-, aanleg- en de kapvergunning, op basis van gemeentelijke en provinciale verordeningen;  vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet;  ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet.

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

Hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en gewijzigd worden, is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wet bepaalt de taken van het bevoegd gezag en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen. De Wro regelt o.a. de plaatsing van risicobronnen en risico-ontvangers ten opzichte van elkaar (‘goede ruimtelijke ordening’). Gemeenten hebben in het kader van deze wet duidelijke bevoegdheden en taken.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs)

Wet in het kader van internationale vervoersvoorschriften (ADR/ADNR/RID). De WVGS is een integrale kaderwet voor de routering van vervoer gevaarlijke stoffen. De gemeenten zijn bevoegd om vervoer gevaarlijke stoffen over wegen binnen het gemeentelijk grondgebied te routeren. Daarmee worden transporteurs verplicht bepaalde routes te volgen.

Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Bevt)

Besluit gevaarlijke stoffen transportroutes (Bevt) Naar verwachting treedt het Bevt in 2014 in werking. In decenmber 2012 is het ontwerp besluit gepubliceerd. Hierin staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Bijvoorbeeld verplichte veiligheidsafstanden tot deze transportroutes. Gemeenten krijgen hier in hun bestemmingsplannen dus mee te maken.

Wet veiligheidsregio’s

Deze wet is in werking getreden op 1 oktober 2010. Belangrijke wettelijke taak voor gemeenten (Raad) is het wel/niet leveren van zienswijzen op het risicoprofiel. Vervolgens wordt de gemeente betrokken bij het opstellen van het veiligheidsregionaal beleidsplan en crisisplan. Hoewel voor wat betreft de verplichting om over risico’s te communiceren lijkt te zijn overgegaan van de gemeente naar de veiligheidsregio, ligt er wel degelijk een rol voor de gemeente om aan deze taak invulling te geven.

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 1 -1-

Naam en afkorting

Inhoud/ relevantie voor gemeenten

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Dit besluit stelt veiligheidsnormen vast ten aanzien van bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het verplicht gemeenten vanaf 27 oktober 2004 bij het verlenen van omgevingsvergunningen-milieu en het maken en goedkeuren van ruimtelijke plannen rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. De gemeente dient dit besluit toe te passen bij ruimtelijke besluiten en verlening van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu.

Besluit risico´s zware Ongevallen (BRZO ’99)

Met het inwerkingtreden van het BRZO 1999 heeft Nederland het grootste deel van de Seveso-richtlijn in Nationale wetgeving vastgelegd. Het BRZO’99 stelt eisen aan het veiligheidsbeleid van bedrijven die op grote schaal met gevaarlijke stoffen werken. Dit besluit heeft als doel mens en milieu te beschermen tegen ernstige ongevallen met gevaarlijke stoffen door dergelijke ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen en bij ongevallen de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Indien de gemeente het bevoegd gezag is zij verantwoordelijk voor Wm-vergunningverlening en het toezicht bij dit type bedrijven. Dit houdt tevens de volgende activiteiten in: beoordeling veiligheidsrapporten, uitvoeren inspecties, opstellen bestuurlijk inspectieprogramma en aanwijzing domino-bedrijven.

Regeling externe veiligheid Inrichtingen (REVI)

In deze regeling zijn regels opgenomen voor de afstanden en berekening van het plaatsgebonden- en groepsrisico ter uitvoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Bovendien wijst de regeling een aantal categorieën van bedrijven aan waarop het Bevi van toepassing is. De gemeente dient deze regeling toe te passen bij haar taken op het gebied van ruimtelijke ordening en verlening van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu.

Regeling provinciale risicokaart

In de ministeriële regeling provinciale risicokaart staat omschreven welke verantwoordelijkheden gemeenten en provincie hebben bij het vullen en bijhouden van de risicokaart. Deze regeling heeft een directe relatie met de Wet veiligheidsregio’s hangt nauw samen met het REV.

Registratiebesluit externe veiligheid (REV)

In het Registratiebesluit wordt overheden verplicht om risicosituaties met gevaarlijke stoffen te melden in het landelijke Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen. Gemeenten dienen dit systeem te vullen en actueel te houden. In het register is beschreven welke informatie in het landelijk register voor gevaarlijke situaties als gevolg van opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen vermeld moeten worden. Het register heeft een directe link met de provinciale risicokaart.

Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik 2006

Deze circulaire geeft regels voor de opslag van munitie en kruit voor civiel gebruik. Het gaat hierbij specifiek om de veiligheidszones die dienen te worden gehanteerd. De gemeente dient deze circulaire te gebruiken bij besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening en in het kader van de Wet milieubeheer.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden de gemeente moet aanhouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Circulaire Van Houwelingen 1988

Deze circulaire geeft de regels voor de opslag van munitie en kruit voor militair gebruik (dus voor complexen van het ministerie van Defensie). Het gaat hierbij specifiek om de veiligheidszones die dienen te worden gehanteerd. De gemeente dient deze circulaire te gebruiken bij besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening.

Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 2005-ev (PGS)

De publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS) vervangt de voormalige CPRrichtlijnen. Deze worden gebruikt bij vergunningverlening en algemene regels op grond van de Wet milieubeheer en bij arbeids-, transport- en brandveiligheid. De gemeente dient deze richtlijnen te gebruiken bij besluitvorming over vergunningverlening en handhaving.

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 1 -2-

Bijlage 2 Gehanteerde begrippen en afkortingen

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

GEHANTEERDE BEGRIPPEN EN AFKORTINGEN Bestaande situaties Een (geprojecteerde) situatie die door het bevoegd gezag is geaccepteerd met een:  Geldende Wm-vergunning (thans omgevingsvergunning);  Vastgesteld bestemmingsplan of vrijstellingsbesluit op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten is toegelaten; (Let op, deze definitie is slechts van toepassing op dit beleid. Bij besluitvorming kan het sommige gevallen zo zijn dat niet het ‘vergunde gebruik’, maar juist het ‘feitelijk gebruik’ wordt gezien als de bestaande situatie. Zie ook nieuwe situaties) Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is de overheidsorganisatie die verantwoordelijk is voor de naleving van bepaalde wetgeving. In de regel is de gemeente of de provincie het bevoegd gezag, maar een waterschap of een ministerie kunnen ook bevoegd gezag zijn. Deze verantwoordelijkheid kan bestaan uit het afgeven van vergunningen, maar ook uit handhaving en het vaststellen van een bestemmingsplan - dat is zorgen dat de regels worden nageleefd. Beheerders van (water)wegen, concessiehouders van buisleidingen en bedrijven zijn echter op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en het naleven van de regels. BRZO-inrichting In het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999) staan criteria die aangeven welke bedrijven een risico van zware ongevallen hebben.

Dit hangt samen met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO-bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel PBZO (preventiebeleid zware ongevallen)-bedrijven genoemd, omdat ze een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem (VBS). Voor bedrijven van de zware categorie geldt dit ook, maar deze moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport (VR) opstellen. Die bedrijven worden daarom ook wel VR(plichtige)bedrijven genoemd. Effect De effecten ten gevolge van:  Explosie: het ontstaan van een drukgolf en/of warmtestraling;  Brand  Toxisch: gevaar van vergiftiging door giftige gassen of dampen. Effectgebied Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. Om te bepalen hoe groot dit gebied is wordt gebruik gemaakt van de alarmeringsgrenswaarde (schade voor mensen). De kans dat een ongeluk gebeurt, is in het effectgebied niet verrekend. Dat is het belangrijkste verschil met risicocontouren. Explosie Een explosie of ontploffing geeft een korte maar krachtige drukgolf en een kortdurende, hevige warmtestraling.

Dit zijn de belangrijkste veroorzakers van letsel bij mensen in de buurt van een explosie. Ook brokstukken als bijvoorbeeld glasscherven, die door de drukgolf rondvliegen, kunnen levensgevaarlijke verwondingen veroorzaken. Explosies kunnen optreden bij:  Brandbaar gas: bijvoorbeeld aardgas, propaan, butaan of LPG; EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2 -1-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

    

Sommige vluchtige vloeistoffen; Patronen en andere munitie; Professioneel en consumentenvuurwerk; Sommige producten, zoals geconcentreerde kunstmest; Stof van bijvoorbeeld voedingsmiddelen, graan of hout.

Gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik, het transport of de opslag risico’s met zich meebrengt. Het kan gaan om explosiegevaar, brand, giftigheid of radioactiviteit. De gevaren zijn vaak de keerzijde van nuttige eigenschappen van die stoffen. Het zijn vaak brandstoffen, of grondstoffen voor nuttige producten zoals medicijnen, kunststoffen en kunstmest of hulpstoffen die voor allerlei doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld voor koelen, reinigen of conserveren. Daarnaast kan het ook om afvalstoffen gaan. Grenswaarde Grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer. Van een grenswaarde mag niet worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Anders gezegd geeft het groepsrisico weer wat de kans is op het overlijden van een groep personen ten gevolge van een ongeval bij een bedrijf. Voor het groepsrisico is geen grenswaarde vastgesteld Informatie Systeem Overige Ramptypen Naast het registeren van gegevens in het RRGS zijn gemeenten verplicht om het Informatiesysteem Overige Ramptypen (ISOR) bij te houden.

De uitwerking van de registratieplicht is opgenomen in de Ministeriële regeling ‘Provinciale risicokaart’. Actualisatie en beheer van de gegevens in het ISOR berust bij gemeenten. Voor de invoer van de ‘overige ramptypen’ dient de Leidraad Risico Inventarisatie Overige Ramptypen (LRI-OR) toegepast te worden. Inrichting Het woord inrichting komt onder andere uit de Wet milieubeheer (art. 1.1). Het betreft bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit of inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Invloedsgebied Gebied waarin volgens bij regeling van de minister vast te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij bedrijven is het gebied tot de 1% letaliteitsgrens, behalve voor LPGtankstations, waar de grens van het invloedsgebied op 150 meter is gesteld. Deze 1%letaliteitgrens geeft de afstand aan van de risicovolle inrichting of transportroute tot een punt waarbij een daar aanwezige persoon nog een kans van 1% heeft om te overlijden ten gevolge van een ongeval binnen die inrichting. Kans op dodelijke slachtoffers Bij het externe veiligheidsbeleid wordt gesproken over risico’s. Hierbij gaat het om de kans dat er een ongeval gebeurt waarbij het effect is dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Het gaat hierbij om slachtoffers die direct en binnen 2 à 3 weken

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2 -2-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

overlijden ten gevolge van dat ongeval. Naast het effect dat er dodelijke slachtoffers kunnen vallen, kunnen er ook veel gewonden zijn. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt. De effectbenadering is dan ook vooral van belang bij de repressietaak van de hulpverleningsdiensten, want het geeft het gebied aan waarbinnen zij moeten optreden. Over het algemeen kan het aantal gewonden worden gekoppeld aan het aantal dodelijke slachtoffers, aangezien met het beperken van de kans op dodelijke slachtoffers tevens de kans op gewonden wordt verkleind. Ook de voorbereiding op en de bestrijding van de effecten van een ongeval en de nazorg hebben zowel betrekking op gewonden als op dodelijke slachtoffers. Zie verder bij plaatsgebonden risico en bij risicocontour. Kwetsbaar object en beperkt kwetsbaar object In het Bevi zijn niet limitatieve definities opgenomen van de begrippen beperkt kwetsbaar en kwetsbaar object Nieuwe situaties  Het oprichten van een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig is en die nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico.

 Het veranderen van een bestaande inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig is en waarbij de verandering nadelige gevolgen heeft voor het Plaatsgebonden Risico.  Een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld of herzien (inclusief de goedkeuring ervan).  Een vast te stellen wijzigings-, uitwerkings- of vrijstellingsbesluit en de in verband daarmee af te geven verklaring van geen bezwaar.  Besluiten die betrekking hebben op vervangende nieuwbouw en opvulling van gaten binnen aaneengesloten bebouwing in bestaand stedelijk gebied. (Zie ook bestaande situaties) Ontruimingsplan Een ontruimingsplan geeft aan hoe een ontruiming van een gebouw of een terrein moet plaatsvinden. De overheid eist in bepaalde gevallen een ontruimingsplan van bedrijven. Het gaat daarbij uiteraard om de veiligheid van groepen mensen die aanwezig kunnen zijn. Oriëntatie waarde Betreft een toetsingswaarde (die het karakter heeft van een oriëntatie waarde), waarvan het bevoegd gezag gemotiveerd mag afwijken. Een oriëntatie waarde heeft in tegenstelling tot een grens- en richtwaarde geen juridische status. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.

Plasbrandaandachtsgebied Gebied tussen de PR-contour en 25 (binnenvaart)/30 (spoor/weg)/40 (zeevaart) meter waarbij in RO plannen rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2 -3-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

Ramp Volgens de Wet rampen en zware ongevallen is een ramp of zwaar ongeval een gebeurtenis: 1. Waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en 2. Waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Rampbestrijdingsplan In een rampbestrijdingsplan legt een gemeente vast welke voorbereidingen zijn getroffen voor de bestrijding van een specifieke ramp of een specifieke soort ramp. De gemeente moet een beleid hebben waarin is bepaald voor welke overige gevallen een rampbestrijdingsplan wordt gemaakt. Het gaat erom dat er een rampbestrijdingsplan komt voor rampen en zware ongevallen waarvan de plaats, de aard en de gevolgen voorzienbaar zijn. Voor sommige risicosituaties is een rampbestrijdingsplan direct wettelijk verplicht. In een rampbestrijdingsplan moet de afstemming met aangrenzende gemeenten en aangrenzende gebieden in buurlanden zijn gewaarborgd. Rampenplan Elke gemeente moet een rampenplan hebben. Het rampenplan somt op wat er in een gemeente voor de rampenbestrijding in het algemeen geregeld moet zijn. Het is het 'masterplan' voor de gemeentelijke rampenbestrijding.

Register risicosituaties gevaarlijke stoffen Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) is een centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze gegevens worden beheerd door het RIVM en via internet op een risicokaart gepresenteerd. Daarnaast worden deze gegevens gebruikt in plaatselijke risicokaarten die ook andere risicosituaties tonen. Richtwaarde Richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico. Van een richtwaarde mag slechts om gemotiveerde redenen worden afgeweken. Risicobron De plaatsen waar risico's vandaan (kunnen) komen, worden risicobronnen genoemd. Het betreft hierbij:  Bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden gemaakt, gebruikt of opgeslagen.  Routes en buisleidingen waarover of -door gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Risicocontouren Een risicocontour geeft aan hoe hoog in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron. Deze contourlijnen kan men vergelijken met de gewone hoogtelijnen op een kaart: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner.

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2 -4-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

Risicokaart Een risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Het gaat daarbij om risicobronnen waardoor mensen direct letsel kunnen oplopen. Bijvoorbeeld gevaarlijke stoffen en andere relevante risico's, zoals overstromingen. In totaal kunnen de risico's van een dertiental verschillende ramptypen op kaart worden getoond. Maar er zijn ook risicokaarten waarop alleen risicosituaties met gevaarlijke stoffen staan. Route gevaarlijke stoffen Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Alle rijkswegen (enkele tunnels onder belangrijke vaarwegen daargelaten) en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld kwetsbare situaties, zoals dichte bebouwing, de aanwezigheid van een ziekenhuis of de ligging van een waterwingebied. De gemeente kán vervolgens ook vrijstelling verlenen aan bedrijven als deze hiertoe een verzoek indienen. Transportroute Transport van gevaarlijke stoffen vindt vooral plaats over de weg, over het water, per spoor en door buisleidingen.

Veiligheidsrapport De meest gevaarlijke bedrijven die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO 1999), moeten een veiligheidsrapport opstellen. In het veiligheidsrapport moet onder andere worden aangetoond dat:  Een preventiebeleid en een veiligheidsbeheerssysteem zijn ingevoerd.  Gevaren zijn geïdentificeerd en doeltreffende maatregelen zijn genomen.  De installatie en de bedrijfsvoering voldoende veilig en betrouwbaar zijn.

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 2 -5-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

Bijlage 3 Risicodiagram Cluster Achterhoek West

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 3

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

EV-beleid Definitief rapport

Bijlage 3 -1-

9Y3788/R00005/409010/Nijm 27 oktober 2013

Bijlage 3 Overzicht risicobronnen Binnen de gemeente Doetinchem zijn ten tijde van het opstellen van deze parapluherziening de volgende risicobronnen aanwezig (te raadplegen via de risicokaart). Inrichtingen (inrichtingen volgens de Wet milieubeheer Wm / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wabo) Bevi De gemeente Doetinchem kent de onderstaande (delen van) inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen: LPG-tankstation BP Bongers; LPG-tankstation BP Bruntinks Autoservice; LPG-tankstation Esso Lukassen; LPG-tankstation Fokko Meijer; LPG-tankstation H.Th.J. Van Londen; LPG-tankstation Th. Wenting (wordt verplaatst naar de Oostelijke Randweg); LPG tankstation Wehl; LPG tankstation Van Gessel. LPG (Liquid Petroleum Gas) is een gas dat onder andere wordt gebruikt als brandstof voor auto's. LPG is brandbaar en explosief. Het gas wordt bij LPG-tankstations bovengronds of ondergronds opgeslagen in tanks. De belangrijkste risicobronnen bij een LPG-tankstation zijn de bovengrondse opslagtanks en het moment waarop de LPG wordt afgeleverd door een tankauto. Bovenstaande opsomming van aanwezige LPG-tankstations is een momentopname. Voor de actuele lijst van inrichtingen vallend onder Bevi wordt verwezen naar de provinciale risicokaart, te benaderen via www.risicokaart.nl.

Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit zijn eisen opgenomen voor koelinstallaties met natuurlijke koudemiddelen zoals ammoniak. Aan de Houtmolenstraat 20 in Doetinchem bevindt zich: Diepvries Doetinchem BV. Ammoniak (NH3) is een kleurloos giftig gas met een uitgesproken prikkelende geur. Het is erg irriterend voor ogen, huid en slijmvliezen. (NH3) wordt gebruikt in koelinstallaties van bijvoorbeeld grote veilingen en ijsbanen, en bij grote (distributie)bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie. Overig Op de risicokaart staan tenslotte nog enkele inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt of opgeslagen. Deze bedrijven hebben wel een risicocontour maar vallen niet onder een aparte categorie.

Buisleidingen Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De gemeente Doetinchem heeft een aantal ondergrondse aardgasbuisleidingen van de Gasunie binnen haar gemeentegrenzen liggen. De ligging van ondergrondse aardgasbuisleidingen is te vinden op de risicokaart. Het gaat hierbij om de hogedruk aardgastransportleidingen A-523, A-529 62 bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' vastgesteld

en N-566-01, N-566-03, N-566-06, N-566-08 en N-566-12.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Weg Binnen de gemeente Doetinchem vindt hoofdzakelijk over de volgende wegen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats: Rijksweg A18; Oostelijke Randweg; Broekhuizerstraat; Europaweg; Weemstraat; Liemersweg. Spoorwegen In de gemeente Doetinchem vindt over het spoor geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats en is ook niet opgenomen in het Basisnet Spoor. Waterwegen In de gemeente Doetinchem is een gedeelte van de Oude IJssel gelegen. Deze waterroute is in het Basisnet Water opgenomen als een groene route. Een groene route is de aanduiding voor scheepvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Daardoor is er bij deze vaarweg geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico en hoeft er ook geen rekening gehouden te worden met een plasbrandaandachtsgebied.

63 bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' vastgesteld

Bijlage 4 Nota van Inspraak

64 bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' vastgesteld

Nota van Inspraak voorontwerp Parapluherziening Externe Veiligheid - 2020

Nota: 4 augustus 2020

Inhoud Korte omschrijving parapluherziening .........................................................................3 Gevolgde procedure ....................................................................................................3 Ontvangen inspraakreactie ..........................................................................................3 Samenvatting van en reactie op de inspraakreactie .....................................................4

Korte omschrijving parapluherziening De ‘Parapluherziening Externe veiligheid - 2020’ verankert het veiligheidsbeleid van de gemeente Doetinchem in regels. Er komt een verbod voor nieuwe risicobronnen in de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Gevolgde procedure Vanaf 13 februari 2020 lag het voorontwerp van de parapluherziening ter inzage. Iedereen heeft tot en met 25 maart 2020 kunnen reageren op het plan. Er is 1 inspraakreactie ingediend. Ontvangen inspraakreactie De volgende inspraakreactie is ingediend: De volgende inspraakreactie is ingediend: Ontvangen binnen termijn: 1.

[Briefschrijver 1], gedateerd op 6 maart 2020, ontvangen op 10 maart 2020, berichtnummer 1309228

Deze inspraakreactie is in de nota puntsgewijs samengevat, per punt is een kader aangebracht, en is deze voorzien van een reactie van de gemeente. In reactie op de inspraakreactie in deze nota worden de briefschrijver niet met de naam aangehaald, maar als ‘briefschrijver’.

Samenvatting van en reactie op de inspraakreactie Inspraakreactie 1 1-1. De briefschrijver wil graag de bestaande rechten behouden. Dit geldt zowel voor de vergunde als ook de planologische rechten. De briefschrijver vraagt zich af of de gemeente wel een onderzoek heeft gedaan naar de nul -situatie. En verzoekt dit anders alsnog te doen. Dit om de bestaande rechten van de bedrijven in de gemeente vast te stellen.

Zoals de briefschrijver al aangeeft, is de bestaande situatie vermeld in de parapluherziening in het begrip ‘bestaand’. Hiermee worden de vergunde en legaal aanwezige risicobronnen vastgelegd in de parapluherziening. De bestaande situatie wordt dus niet aangetast. De gemeente ziet daarom geen reden om ook nog een nul-situatie onderzoek uit te voeren. 1-2. De opgenomen afwijkingsmogelijkheid lijkt in hoofdlijnen volgens de briefschrijver aan te sluiten bij de milieuwetgeving t.a.v. externe veiligheid. Alleen de voorwaarde ‘ingeval de nieuw te vestigen of uit te breiden risicobron een risicovolle inrichting betreft moet de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van de inrichting gelegen zijn binnen de inrichtingsgrens van de inrichting.’ vindt de briefschrijver een onevenredige beperking opleveren voor de ontwikkelingsmogelijkheden. De briefschrijver geeft aan dat in de gemeente wel meer locaties aanwezig zijn waarbij de plaatsgebonden risicocontour 10-6 voorbij de inrichtingsgrens reikt.

De briefschrijver geeft aan dat het moeten houden van de plaatsgebonden risicocontour 10-6 binnen de inrichtingsgrens zijns inziens geen vereiste is uit de wet- en regelgeving rondom externe veiligheid. Dit is niet geregeld in landelijke wet- en regelgeving, maar in de beleidsnota ‘Extern Veiligheidsbeleid’ van de gemeente Doetinchem, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2013. In de beleidsnota is bepaald, dat bij uitbreiding van de plaatsgebonden risicocontour 10-6 deze binnen de inrichtingsgrens moet vallen. Hiermee heeft de gemeente Doetinchem gemaakt gebruik gemaakt van de beleidsvrijheid die de gemeente heeft binnen de landelijke wet- en regelgeving. De beleidsnota is nu vertaald in een planologische regeling. 1-3. De briefschrijver geeft aan dat als door de parapluherziening de bedrijfsvoering wordt beperkt dat ze dan een planschadeclaim indient. Met het voorontwerp ‘Parapluherziening Externe veiligheid - 2020’ is het concrete beleidsvoornemen kenbaar gemaakt om planologisch: 1. In woongebieden geen nieuwe risicobronnen toe te staan; 2. In het buitengebied en op bedrijventerreinen alleen onder voorwaarden nieuwe risicobronnen toe te staan. De volgende stap in de procedure (ter inzagelegging van de ontwerp parapluherziening) vindt op zijn vroegst 10 maanden (na ter inzage voorontwerp) plaats.

Door een voorzienbaarheidstermijn van minimaal 10 maanden aan te houden heeft iedereen in deze periode nog gebruik kunnen maken van de geldende rechten. Voordat ze definitief geschrapt worden. Nadat het ontwerp van de parapluherziening in procedure is gebracht,

is het niet meer mogelijk om van deze – omwille van de veiligheid ongewenste planologische rechten gebruik te maken. Briefschrijver heeft inderdaad het recht om te zijner tijd een planschadeclaim in te dienen. Echter doordat er een voorontwerp van de parapluherziening is opgesteld en een voorzienbaarheidstermijn van minimaal 10 maanden wordt aangehouden, wordt zo veel mogelijk voorkomen dat er succesvol planschade geclaimd wordt bij de gemeente. Gevolgen voor het plan naar aanleiding van de inspraakreactie 1: • Geen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7459/documents/35893