Bijlage 2.3.13 - Natuur Quickscan spoorbaan.pdf
Tekst van het document
RAPPORT
Quickscan flora en fauna RegioExpres
Effecten op beschermde gebieden en soorten
Versie: 3.0 Status: Vrijgegeven Datum: 10-08-2023
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
4 4 4 4 5
Methode
6
2.1 2.2
Beschermde gebieden Beschermde soorten
6 6
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
6 6 7 7
2.3
3
Bureaustudie Oriënterend veldbezoek Effectbepaling beschermde soorten Vervolgstappen
Beschermde houtopstanden
7
Resultaten
8
3.1
Beschermde gebieden
8
3.1.1 3.1.2
8 11
3.2
3.3 3.4
4
Aanleiding Locatie Activiteiten Wettelijk kader Doel
Natura 2000-gebieden Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en weidevogelgebieden
Beschermde soorten
12
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8
12 12 16 18 22 23 24 24
Vaatplanten Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelden
Invasieve exoten Houtopstanden
25 25
Conclusie
27
4.1
Beschermde gebieden
27
4.1.1 4.1.2
27 27
4.2
4.3 4.4
Natura 2000-gebieden Provinciaal beschermde gebieden
Beschermde soorten
27
4.2.1 4.2.2
29 29
Nader onderzoek Maatregelen
Invasieve exoten Houtopstanden
Colofon
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
30 30
32
Bijlage 1 Wet- en regelgeving
33
Wet natuurbescherming (Wnb)
33
Gebiedsbescherming Soortbescherming Bescherming houtopstanden
33 34 36
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
37
‘Nee, tenzij’-principe
37
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
Inleiding 1.1
Aanleiding
De RegioExpres Achterhoek is een dieseltrein die tussen Arnhem en Doetinchem als sneltrein rijdt (nonstop) en tussen Doetinchem en Winterswijk als stoptrein (stoppend op alle stations). Om meer treinen per uur te kunnen laten rijden op het traject Arnhem – Doetinchem zijn spooraanpassingen benodigd. Dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Movares heeft van ProRail opdracht gekregen om middels een quickscan een ecologische beoordeling te maken van de trajecten.
1.2
Locatie
Het plangebied betreft, zoals onder paragraaf 1.1 aangegeven, het spoortraject tussen Zevenaar en Doetinchem De Huet. Een traject van circa 14,5 kilometer lang, gelegen in de provincie Gelderland. In onderstaande Figuur 0.1 is het te onderzoeken spoortraject weergeven. Als plangebied is de eerste 10 meter aan weerszijde vanuit hart spoor gehanteerd.
Figuur 0.1: Globale ligging plangebied (rood) van de RegioExpres.
1.3
Activiteiten
De scope van het onderzoek richt zich op het traject Zevenaar – Doetinchem De Huet. Tussen Didam en Doetinchem De Huet zal een spoorverdubbeling gerealiseerd worden. Tussen Zevenaar en Didam ligt reeds dubbelspoor en betreffen de voorgenomen werkzaamheden zaken zoals het realiseren van geluidschermen (indien benodigd). De precieze invulling en benodigde aanpassingen voor de realisatie van het plan is in deze fase nog niet bekend.
1.4
Wettelijk kader
Het volgende wettelijk kader, regelgeving en uitgangspunten zijn gehanteerd: ◼ Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden;
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
4/34
◼ Provinciaal beleid (Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland maart 2021): beschermde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Gelderland (GNN), de Gelderse invulling voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens is gekeken naar de ligging van de Groene Ontwikkelingszones (GO) en weidevogelgebieden; ◼ Omdat het project betrekking heeft op een hoofdspoorweg is het bevoegd gezag het ministerie van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1; ◼ Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.
1.5
Doel
Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? En is het nodig om een ontheffing of vergunning aan te vragen? Indien mogelijk wordt tevens aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
5/34
Methode Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten.
2.1
Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in Gelderland (Gelders Natuurnetwerk; GNN), Groene Ontwikkelingszone (GO) en weidevogelgebieden. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten (provincie Gelderland past voor haar GNN-gebieden geen externe werking toe). Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen, stikstof en optische verstoring. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een voortoets of passende beoordeling, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wnb of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor NNN-gebied.
2.2
Beschermde soorten
2.2.1 Bureaustudie Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wnb. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Omdat het spoor en de spoorberm een redelijk specifiek biotoop betreffen is als zoekgebied een afstand van circa 250 meter tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen uit de categorie 1 tot en met 4. Voor algemene broedvogels en vogels met een categorie 5 jaarrond beschermd nest geldt de algemene verbodsbepaling dat broedende vogels niet mogen worden verstoord of dat in gebruik zijnde nesten niet mogen worden vernietigd. Tevens geldt voor de categorie 5 vogels dat deze nesten alleen bij zwaarwegende ecologische redenen jaarrond beschermd zijn. Deze vogels zijn voldoende flexibel om in een redelijk gelijkblijvende omgeving een nieuw nest te maken/vinden. De categorie 5 vogels zijn bij de veldopname beoordeeld en indien relevant, net als categorie 1-4 vogels, wel expliciet opgenomen in voorliggend onderzoek.
2.2.2 Oriënterend veldbezoek Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd, omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Twee veldecologen van Movares hebben op 30 april 2021 het plangebied bezocht. Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
6/34
2.2.3 Effectbepaling beschermde soorten Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. 2.2.4 Vervolgstappen Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader/aanvullend onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied én er sprake is van negatieve effecten als gevolg van het project, is een ontheffing in het kader van de Wnb benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
2.3
Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wnb onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
7/34
Resultaten 3.1
Beschermde gebieden
In Figuur 0.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het onderzoekstraject weergegeven. Er zal beschreven worden welke beschermde gebieden rond het traject aanwezig zijn. Onderstaand kader geeft een algemene beschrijving van de begrenzing van Natura 2000-gebieden in relatie tot hoofdspoorwegen.
Figuur 0.1: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het traject.
3.1.1 Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ten opzichte van het traject is het Natura 2000-gebied Rijntakken dat ten zuiden van Zevenaar ligt. Het gebied is aangewezen in het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn en is overbelast met betrekking tot stikstof. Dit gebied ligt op circa 750 meter afstand. Dit Natura 2000-gebied ligt ook ten noorden van het plangebied op circa 7 kilometer. Op circa 10 kilometer ten noorden is Natura 2000-gebied Veluwe gelegen. 3.1.1.1 Ruimtebeslag en versnippering De realisatie van het voorgenomen plan leidt niet tot ruimtebeslag op of versnippering van Natura 2000gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op een afstand van tenminste 750 meter van het traject. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies en of versnippering zijn daarmee uitgesloten. 3.1.1.2 Verstoring door geluid en trillingen Met betrekking tot verstoring kan gedacht worden aan verstoring die door werkzaamheden in de realisatiefase plaatsvinden en verstoring door de gebruiksfase. Voor de aanlegfase heeft de precieze
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
8/34
uitwerking van de uitvoering nog niet plaatsgevonden. Over het algemeen wordt bij uitvoering heiwerkzaamheden gezien als de geluidsbron met de meeste decibel. Het heien van betonpalen heeft een bronvermogen van 126 dB(A). Op een afstand van 400 meter geeft dit een geluidsbelasting van 60 dB(A) (bron: Kenniscentrum InfoMil). In de gebruiksfase kan gedacht worden aan treinen die met meer snelheid over het traject gaan en daardoor meer geluid produceren. Ook de intensiteit van treinbewegingen kan bijdragen aan een toename van geluidshinder. Voor drempelwaarden van verstoring, van bijvoorbeeld vogels, wordt vaak gekeken naar de drempelwaarden die uit verkeersstudies komen. Er is weinig ervaring met het beredeneerd doortrekken van de verkeersstudies naar effecten van geluidverstoring door andere (piek)activiteiten. Uit onderzoek van SOVON naar verstorende invloed van werkparken voor het vliegveld Twente komt naar voren dat, op basis van beschikbare kennis voor industrielawaai, als drempelwaarde 50 dB(A) op 24 uurs niveau kan worden aangehouden (Sierdsema et al., 2014)1. Uitgaande van een geluidsbelasting op 400 meter van 60 dB(A) bij heien van betonpalen, is op een afstand van 800 meter sprake van 54 dB(A) en op een afstand van 1600 meter van 48 dB(A) (zie Figuur 0.2 voor het logaritmische verband). In een studie van Arcadis naar effectafstanden m.b.t.
geluid (Van der Vegte et al., 2011) 2 komt naar voren dat op een afstand van 1.500 meter een geluidsbron van 127 dB(A) gemeten wordt als 45 dB(A) op 5 meter hoogte en 42 dB(A) op 1,5 meter hoogte (wederom op basis van continu geluid en niet piekgeluid). De reductie is in dit onderzoek derhalve nog groter dan de informatie vanuit het kenniscentrum. Gelet op voorgaande wordt 1.500 meter als een veilige afstand gezien om uit te gaan van geen geluidsverstoring. Binnen 1.500 meter afstand kan het nog steeds dat geluid niet verstorend werkt, maar dient dit nader beschouwd te worden op basis van bijvoorbeeld de ligging van geschikte habitattype van de soorten die aangewezen zijn in het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn. Andere storingsfactoren, zoals licht en trillingen, reiken niet verder dan geluidsverstoring en vallen daarmee binnen 1.500 meter afstand. Bovengenoemde afstand van 1.500 meter is bepaald op basis van de tijdelijke situatie tijdens de werkzaamheden. Met betrekking tot soorten die aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn zijn de eerste geschikte gebieden op circa 1.300 meter gelegen ten opzichte van het plangebied. Voor soorten die aangewezen zijn in het kader van de Vogelrichtlijn zijn de eerste geschikte gebieden op circa 750 meter afstand gelegen.
Gezien deze afstanden kan niet zonder meer gesteld worden dat de werkzaamheden en productie van met name geluid geen (significant) negatief effect op het Natura 2000-gebied en de voor het gebied aangewezen soorten heeft. In een volgende fase dient te worden onderzocht hoe en waar de bouwwerkzaamheden precies zullen gaan plaatsvinden, hoe het gebruik van het traject er precies uit gaat zien en welke verstoring dit met zich meebrengt. In deze fase zal wel een onderzoek worden verricht naar de stikstofuitstoot die in de gebruiksfase plaats zal vinden (zie volgende paragraaf).
1
Sierdsema, H., Foppen, R., & van Kleunen, A. 2014. Inschatting verstorende invloed werkparken ADT op vogels. Sovon-rapport 2014/19. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. 2 Van der Vegte, F.G., de Jong, D., Bruins Slot, R., Lagas, D. & Poos, M. 2011. Onderbouwing effectafstanden bestaande handelingen Natura 2000. 075516336.0.5 – Definitief. Arcadis Nederland BV, Apeldoorn.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
9/34
150
Geluidsbelsating (dB(A))
125
100
75
50
25
0 0
250
500
750
1000
1250
1500
Aftand tot bron (m) Figuur 0.2: Geluidsbelasting in dB(A) ten opzichte van de afstand tot de bron.
3.1.1.3 Stikstofdepositie Realisatiefase Per 1 juli 2021 is artikel 1 van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) en artikel 1 van het bijbehorende Besluit (AmvB) in werking getreden. Hiermee is er een partiele vrijstelling gekomen voor de vergunningsplicht als het gaat om stikstofdepositie. Partieel omdat de vrijstelling enkel geldt voor tijdelijke deposities in de realisatiefase van werken. Voor dergelijke activiteiten hoeft dan ook geen AERIUS berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Werkzaamheden die onder de partiele vrijstelling vallen zijn bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. Voorliggend project valt onder dergelijke werkzaamheden en is daarmee vrijgesteld van de vergunningsplicht voor het realiseren van het project.
Om mogelijke juridische risico’s geheel uit te sluiten kan worden besloten om een dergelijke berekening wel uit te voeren zodat duidelijk wordt of er al dan niet sprake is van toename van depositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Gebruiksfase Zoals voorgaand genoemd is er per 1 juli geldt een partiele vrijstelling van de vergunningplicht voor tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van projecten. Deze vrijstelling is niet geldig voor de gebruiksfase van projecten waarbij een structurele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden op kan treden. Gezien het voorgenomen gebruik van het traject in de toekomst zal het project leiden tot een toename van stikstofemissie in de gebruiksfase. Hierdoor kan er mogelijk sprake zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Middels een projectspecifieke AERIUS berekening zal voor de gebruiksfase getoetst moeten worden of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
10/34
3.1.2 Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en weidevogelgebieden Tussen Didam en Wehl ligt het onderzoekstraject over een afstand van circa 1.400 meter direct aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN; invulling van het Natuurnetwerk Nederland binnen de provincie Gelderland). Het spoor zelf maakt momenteel geen onderdeel uit van het GNN. Met betrekking tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) is ook enkel op het traject tussen Didam en Wehl de spoorlijn nabij gelegen. Over een afstand van 1.600 meter maakt de spoorbaan hier zelfs onderdeel uit van de GO. Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied is op meer dan 3.500 meter gelegen. Met betrekking tot provinciaal beschermde natuurgebieden past de provincie Gelderland geen externe werking toe. Dit houdt in dat alle activiteiten die buiten deze gebieden plaatsvinden niet getoetst hoeven te worden aan dit kader. Tevens kan een activiteit plaatsvinden, indien deze op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan uitgevoerd mag worden. Wat betreft weidevogelgebieden en de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden heeft de voorgenomen ontwikkeling geen nadere toetsing nodig en kan het plan uitgevoerd worden.
Het spoortraject dat gelegen is langs het Gelders Natuurnetwerk en binnen de Groene Ontwikkelingszone heeft geen toegewezen bestemming conform een bestemmingsplan die de voorgenomen ontwikkeling zondermeer toestaat. Derhalve dient op dit traject wel getoetst te worden aan het provinciale beleid aangaande natuurgebieden. Uit het voorlopige ruimtebeslag blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling tussen Didam en Wehl beslag legt op gebieden die behoren tot het GNN. Het gaat om een strook GNN direct bij de spoorlijn met een totale oppervlakte van ca. 4.500 m2. Om te toetsen of de ontwikkeling mogelijk is dient een ‘Nee, tenzij toets’ uitgevoerd te worden. Met betrekking tot de GO is ook duidelijk dat activiteit binnen de GO plaats gaat vinden, omdat het spoor over een lengte van ca. 1.600 meter onderdeel uitmaakt van dit GO.
Figuur 0.3: Bosgebied tussen Didam en Wehl waar het plangebied onderdeel is van de GO en gedeeltelijk overlapt met het GNN.
Indien een voorgenomen ontwikkeling conform een bestemmingsplan op de betreffende locatie uitgevoerd kan worden, kan de ontwikkeling plaatsvinden. Voor de locatie waar de realisatie van dubbelspoor raakvlak heeft met GNN en GO is echter geen bestemmingsplan met enkel- of dubbelbestemming vastgesteld. Er dient derhalve getoetst te worden aan de omgevingsverordening
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
11/34
van de provincie Gelderland. Voor De GO- en GNN-gronden geldt dat een grootschalige ontwikkeling in basis niet plaats mag vinden als deze leidt tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van de GO en GNN. Om dit vast te stellen dient een ‘Nee, tenzij-toets’ uitgevoerd te worden. Voor voorliggende ontwikkeling van het realiseren van een dubbelspoor is een dergelijke toets in ieder geval nodig. In deze toets wordt gekeken of: a) er geen reële alternatieven zijn; b) sprake is van een reden van groot openbaar belang; c) negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt, en; d) de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
3.2
Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing). 3.2.1 Vaatplanten 3.2.1.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 0.1: Beschermde vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Wilde ridderspoor
Categorie Wnb N
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb).
3.2.1.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen langs het traject. Het veldbezoek is in 30 april 2021 uitgevoerd, een periode die geschikt is om veel beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van de aanwezige biotoop (o.a. voedselrijke karakter van de bermen) worden geen beschermde soorten verwacht. Wel zijn er in de begroeide berm/talud langs het traject algemene plantensoorten aanwezig die niet beschermd zijn onder de Wnb, zoals kluwenhoornbloem, duizendblad en veldereprijs. Tevens zijn soorten als bochtige klaver en veldkruiskers aangetroffen. Soorten die niet beschermd zijn onder de Wnb, maar wel als kwetsbaar en bedreigd aangemerkt worden conform de Rode Lijst. 3.2.1.3 Effectbespreking en vervolgstappen De aanwezigheid van beschermde plantensoorten langs het traject wordt uitgesloten. Er zijn hiervoor ook geen vervolgstappen nodig. In de naastgelegen berm kunnen wel zeldzame plantensoorten voorkomen (zonder beschermde status en vallen zodoende onder de algemene zorgplicht). In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om op locaties met uitbundige vegetatie waar mogelijk te werken met rijplaten. Dit geldt met name op het traject nabij de Jan Willinkstraat te Doetinchem en Notenstraat te Wehl.
Indien er ruimtebeslag voor het project op de specifieke locatie plaatsvindt heeft het werken met rijplaten uiteraard geen zin.
3.2.2 Vogels 3.2.2.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
12/34
Tabel 0.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief
Categorie Wnb V V V V V V V V V V V V V
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = soorten vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb).
3.2.2.2 Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels en vogels met een categorie 5 jaarrond beschermd nest Langs het spoor is op verschillende locaties geschikt broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels in de vorm van ruigte, struweel en bomen. Er zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen zoals houtduif, merel en heggemus. Ook is er geschikt broedbiotoop aanwezig voor vogels met een categorie 5 jaarrond beschermd nest. Soorten die waargenomen zijn betreffen onder andere ekster, koolmees en zwarte specht. Vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn rond het plangebied een aantal geschikte nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermd nest categorie 1 tot en met 4 waargenomen. Soorten waarvan potentieel nestlocaties aanwezig zijn rond het plangebied betreffen: buizerd, huismus, kerkuil, roek en steenuil. 3.2.2.3 Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermd nest categorie 5 In en rond het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten.
Indien bij de werkzaamheden groenstructuren en of watergangen aangetast gaan worden dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedende vogels in het broedseizoen en wordt geadviseerd dergelijke werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, kunnen de locaties vooraf ongeschikt gemaakt worden, of als dat niet mogelijk is dient voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige te worden gecontroleerd of in het groenstructuren en/of watergangen broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Bovenstaande geldt ook voor vogels met een jaarrond beschermd nest categorie 5. De werkzaamheden leiden niet tot dermate ecologisch zwaarwegende redenen dat de categorie 5 nesten als jaarrond beschouwd moeten worden. Vogels met jaarrond beschermde nesten Rond het plangebied zijn nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Met betrekking tot de huismus ligt de bebouwing waar mogelijk nestlocaties aanwezig zijn verder van het spoor af en zal er geen raakvlak met nestlocaties zijn. Wel ligt er op enkele locaties direct langs het
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
13/34
spoor mogelijk essentieel groen voor de soort. Ook deze structuren zijn beschermd in het kader van de Wnb. Dit is het geval binnen Didam ter hoogte van de Parallelweg 27 aan weerszijde van het spoor, aan de oostzijde van Didam ter hoogte van de Prinses Beatrixtraat 81 aan weerszijde van het spoor, en tussen Didam en Wehl ter hoogte van de Toppegaaiweg 2 aan de zuidzijde van het spoor. Uitbrieding van het spoor kan op deze locaties leiden tot ruimtebeslag op voor huismus essentiële groenstructuren. Eventueel plaatsen van geluidschermen kan ervoor zorgen dat de locaties minder goed bereikbaar worden en dus voor de soort niet meer volstaan. In onderstaande afbeeldingen zijn de locaties weergegeven.
Figuur 0.4: Mogelijk essentieel groen voor huismus nabij de Parallelweg 27 Didam.
Figuur 0.5: Mogelijk essentieel groen voor huismus nabij de Prinses Beatrixlaan 81 Didam.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
14/34
Figuur 0.6: Mogelijk essentieel groen voor huismus nabij de Toppegaaiweg 2 Didam.
Van buizerd, kerkuil en steenuil zijn direct langs het spoor bijna geen (potentiële) nestlocaties aangetroffen. Deze bevinden zich bijna allemaal verder van het spoor af. Enkel een potentieel geschikte locatie voor steenuil bevindt zich aan de oostzijde van Didam ter hoogte van de Prinses Beatrixstraat 81 direct langs het spoor. Er vindt als gevolg van de spoorverdubbeling geen ruimtebeslag plaatst op deze locatie. Wel zal wanneer de uitvoeringsmethodiek bekend is bekeken moeten worden of vanuit de uitvoering verstoring op de potentiële nestlocatie plaatsvindt. Indien verstoring gedurende het broedseizoen niet uitgesloten kan worden dient nader onderzoek plaats te vinden. In onderstaande afbeelding is de locatie van de potentiële nestlocatie opgenomen.
Figuur 0.7: Mogelijk broedlocatie steenuil Prinses Beatrixstraat 81 Didam.
Ook zijn er kolonies van roek aanwezig langs het spoor. Dit is het geval in zowel Didam als Zevenaar ter hoogte van het Stationsplein. Ter hoogte van de Oude Beekseweg in Didam is ook een roekkolonie aanwezig, maar zijn de bomen verder van het spoor gelegen. De locatie in Zevenaar maakt geen onderdeel uit van het plangebied. De locatie in Didam ligt direct naast het plangebied, hier vindt geen ruimtebeslag op plaats, maar zouden werkzaamheden wel verstorend kunnen werken. Verwacht wordt dat de aanwezige individuen reeds gewend zijn aan verstoring door de ligging van de locatie binnen
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
15/34
bebouwd gebied en de nabijheid van het spoor. Wanneer de uitvoeringsmethode en exacte werkzaamheden bekend zijn dient dit echter nader beschouwd te worden.
Figuur 0.8: Nader te beschouwen locatie roek Stationsplein Didam.
Op diverse locaties langs het spoor zijn daarnaast nesten van zwarte kraai en ekster aangetroffen. De nesten van deze soorten zijn zelf niet jaarrond beschermd in de categorie 1 tot en met 4, maar kunnen snel door roofvogels met jaarrond beschermd nest in gebruik genomen en uitgebouwd worden. Wanneer de uitvoeringsperiode bekend is dient een extra controle langs het gehele traject uitgevoerd te worden op in gebruik name van grotere bomen door roofvogels. 3.2.3 Grondgebonden zoogdieren 3.2.3.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
16/34
Tabel 0.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Bever Boommarter Bosmuis Bunzing Das Eekhoorn Egel Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Vos Wezel
Categorie Wnb H N AV AV N N AV AV AV AV AV AV N AV AV
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor bij het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
3.2.3.2 Resultaten veldbezoek Er zijn binnen het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van onder de Wnb strikter beschermde soorten aangetroffen. Er zijn geen geschikte wateren aanwezig voor een soort als bever. Voor steenmarter zijn er direct langs het spoor geen potentieel geschikte verblijfplaatsen in de vorm van bebouwing aanwezig. Voor boommarter en eekhoorn ontbreken de juiste bosstructuren en voor das zijn geen burchten en of pijpen aangetroffen. Wel zijn er aan de noordzijde van het spoor ten oosten van Wehl nabij de N815 pijpen en graafactiviteiten van konijn aangetroffen. Aan de westzijde van Doetinchem, ten zuiden van het spoor nabij Alsemveld, is struweel aangetroffen dat kan dienen als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Zowel kleine marterachtigen als konijn zijn door het ministerie vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling. Ook zijn haas en ree waargenomen (deze zijn beide ook vrijgesteld), maar van deze soorten zijn geen verblijfplaatsen aanwezig langs het spoor. Naast voorgenoemde soorten worden op het gehele traject algemene zoogdieren als egel, mol, vos en diverse muizensoorten verwacht. Algemene soorten kunnen een verblijfplaats binnen het plangebied hebben. Het betreffen echter door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Verder is bekend dat in het bosgebied tussen Wehl en Didam dassen leven.
Ondanks dat de ruimtelijke ingreep geen effect op individuen van de das en of de verblijfplaatsen van de soort zal hebben kan het aanleggen van dubbelspoor en rijden met hogere snelheid op het traject wel leiden tot versnipperingen en of meer aanrijdingsslachtoffers in de gebruiksfase. Door maatregelen te nemen kan versnippering en een toename van aanrijdingsslachtoffers voorkomen worden. 3.2.3.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is ongeschikt voor onder de Wnb strikter beschermde grondgebonden zoogdieren om te dienen als verblijfplaats. Er vindt geen ruimtebeslag op essentieel leefgebied van strikter beschermde soorten plaats. Wel is/zijn er op veel plekken rond het traject opgaande vegetatie/groenstructuren aanwezig waar verblijfplaatsen voor kunnen komen van door het ministerie vrijgestelde grondgebonden zoogdieren. Hiervoor dienen tijdens de uitvoering van het project maatregelen in acht genomen te worden om de algemene zorgplicht te borgen. Dit betreffen maatregelen zoals het zoveel mogelijk ongemoeid laten van groenstructuren, het werken met gerichte verlichting waarbij de groenstructuren zo min mogelijk aangelicht worden en werkzaamheden aan groenstructuren vanuit één kant uit te voeren in de richting van een open einde (eventueel aanwezige individuen dienen niet ingesloten te
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
17/34
raken en moeten de kans krijgen te vluchten). Daarnaast kan het project in de gebruiksfase leiden tot een effect op dassen, die in het bosgebied tussen Wehl en Didam en in de wijdere omgeving van het plangebied leven, door een toenemende versnippering en of toenemende aanrijdingsslachtoffers. In de benodigde gebiedstoets voor deze locatie zal er ook aandacht besteed dienen te worden aan de samenhang van het gebied. Daarnaast dienen maatregelen getroffen te worden om versnippering van het bosgebied te voorkomen. Wanneer de maatregelen in acht genomen worden is er geen ontheffing van de Wnb nodig voor grondgebonden zoogdieren. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). 3.2.4 Vleermuizen 3.2.4.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 0.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
Categorie Wnb H H H H H
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb).
3.2.4.2 Resultaten veldbezoek Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied Op diverse plekken in en direct rond het plangebied zijn groenstructuren aanwezig die dienst kunnen doen als foerageergebied. Vleermuizen vliegroutes Op meerdere plekken langs het spoor kunnen vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Zo zijn er laanstructuren aanwezig langs de A12, de Rijksweg die het plangebied kruist, die dienst kunnen doen als vliegroute. Tevens staat er op deze locatie aan de noordzijde een vleermuisscherm parallel aan het spoor die geschikt is als vliegroute. Ook binnen het bebouwde deel van Didam lopen parallel aan het spoor aan de noordzijde op twee locaties bomenrijen die dienst kunnen doen als vliegroute. De eerste is gelegen in de buurt van de Zwaluwstraat en de tweede in de buurt van Hoefijzer. Tussen Didam en Wehl waar het spoor de bosachtige percelen kruist is eveneens aan de noordzijde een bomenrij aanwezig die dient kan doen als vliegroute. Op deze locatie zijn ook mogelijk een aantal hopovers aanwezig.
Iets verder naar het oosten, tussen de Mussenhorstweg en Groenestraat, loopt een potentiële vliegroute over het spoor. Eenzelfde kruising van het spoor en mogelijke vliegroute is gelegen ter hoogte van Alsemveld waar een watergang het spoor kruist en vanaf het Alsemveld parallel aan het spoor in oostelijke richting aan de noordzijde. Vleermuizen verblijfplaatsen Op een viertal locaties langs het spoor zijn potenties voor verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het gaat om een tweetal bomen waar bast loshangt en of holen aanwezig zijn, alsmede een tweetal bouwwerken. De eerste boom is aan de zuidzijde direct langs het spoor gelegen ter hoogte van de Lange Klauwenhof 2 te Didam en de tweede boom staat aan de noordzijde direct langs het spoor nabij de Poelwijkerlaan 12 te Zevenaar. Het eerste bouwwerk waar potenties voor vleermuizen aanwezig zijn betreft de bebouwing aan de Poelwijkerlaan 10 te Zevenaar. Het tweede bouwwerk betreft de brug bij 7Poort in Zevenaar waar potenties tussen de brugdelen aanwezig zijn.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
18/34
3.2.4.3 Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied De plannen zullen niet leiden tot afname van essentieel foerageergebied. In verhouding tot het aanbod aan foerageergebied in de omgeving kunnen de plannen enkel leiden tot een relatief kleine afname. In de omgeving van het plangebied is overal ruimschoots alternatief foerageergebied aanwezig. Vleermuizen vliegroutes In het plangebied zijn meerder lijnvormige structuren aanwezig die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt. Enkel wanneer de vliegroute verschillende essentiële onderdelen van het leefgebied van een vleermuis bereikbaar maakt voor de soort, en het verdwijnen van de vliegroute kan leiden tot het niet functioneren van een mogelijke verblijflocatie, betreft het een essentiële vliegroute. Dit geldt met name voor de vliegroutes binnen en nabij het bebouwde gebied waar de vliegroute het bebouwde gebied (verblijf) vaak verbindt met het buitengebied (foerageren). De vliegroute tussen Didam en Wehl parellel aan het spoor door het bosgebied wordt als niet essentieel beschouwd, omdat deze geen potentieel essentiële functies voor vleermuizen verbindt én omdat bij het kappen van een rij bomen langs het spoor nog steeds bosschages aanwezig blijven voor vleermuizen als geleiding.
Potentiële vliegroutes bij de rijksweg A12, Ter hoogte van de Groenestraat 23 te Wehl en Alsemveld 16 te Doetinchem haaks op het spoor en parallel aan het spoor bij de Plattenburgstraat te Doetinchem worden door het ruimtebeslag niet geraakt. Voor de locatie bij de Poelwijkerlaan geldt dat, indien hier geluidschermen geplaatst worden, dit kan leiden tot het onderbreken van de potentieel essentiële vliegroute. Er kan gekozen worden om maatregelen te nemen om de vliegroute na het plaatsen van het geluidscherm in stand te houden (bijvoorbeeld in de vorm van het aanplanten van bomen, maar dit dient nader uitgewerkt te worden). Indien geluidschermen daadwerkelijk op deze locatie geplaatst worden en in het ontwerp niet geborgd kan worden dat de vliegroute in stand blijft, dient er nader onderzoek voor uitgevoerd te worden. Voor de locaties Zwaluwstraat en Hoefijzer te Didam geldt dat als daar bomen gekapt worden (bomen lijken net rond de grens van het ruimtebeslag te liggen) nader onderzoek naar vliegroutes ook noodzakelijk is. Los van een eventueel nader onderzoek dienen tijdens de uitvoering te allen tijde maatregelen genomen te worden om verstoring tegen te gaan. Er dient gewerkt te worden tussen zonsopkomst en zonsondergang of met gerichte verlichting waarbij de bomenrijen, omliggend groen en watergangen onbelicht blijven.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
19/34
Figuur 0.9: Potentiële vliegroute Poelwijkerlaan Zevenaar.
Figuur 0.10: Potentiële vliegroute Zwaluwstraat Didam.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
20/34
Figuur 0.11: Potentiële vliegroute Hoefijzer Didam.
Vleermuizen verblijfplaatsen Het potentiële verblijf aan de Poelwijkerlaan is ver van het spoor gelegen en zal niet aangetast en of verstoord worden door de werkzaamheden. De boom ter hoogte van de Lange Klauwenhof 2 te Didam aan de zuidzijde van het spoor zal gekapt worden omwille van het ruimtebeslag. Voor de boom ter hoogte van de Poelwijkerlaan 12 te Zevenaar is niet precies duidelijk wat de werkzaamheden inhouden. De boom ligt wel binnen het aangegeven ruimtebeslag en voor de toetsing wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de boom gekapt dient te worden. Zodoende wordt er in voorliggende toetsing van uitgegaan dat nader onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen voor de twee bomen benodigd is. Voor de bruglocatie geldt dat indien er aanpassingen aan de brugconstructie benodigd zijn hier nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen plaats dient te vinden. Indien geen werkzaamheden aan de brug plaatsvinden kunnen raakvlakken met potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk voorkomen worden door het nemen van maatregelen. In onderstaande figuren zijn de locaties van de verblijfplaatsen die mogelijk verstoring ondervinden en of vernietigt worden opgenomen.
Figuur 0.12: Potentieel verblijfplaats boombewonende vleermuis nabij Lange Klauwenhof 2 Didam.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
21/34
Figuur 0.13: Potentieel verblijfplaats boombewonende vleermuis nabij Poelwijkerlaand 12 Zevenaar.
Figuur 0.14: Potentiële verblijfplaats gebouwbewonende vleermuis in brug bij 7Poort Zevenaar.
3.2.5 Reptielen 3.2.5.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 0.5: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Geen waarnemingen bekend
Categorie Wnb -
3.2.5.2 Resultaten veldbezoek Op basis van het aanwezige biotoop is het plangebied tussen Didam en Wehl tussen km 40.3 en 41.65 (geocode 212) geschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis en de hazelworm (zie Figuur
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
22/34
3.15). Levendbarende hagedis is een soort die vaak in structuurrijke spoorbermen wordt aangetroffen, zoals aanwezig in het plangebied. Deze dienen als opwarmplek voor de dieren met voldoende beschutting en hebben hierdoor een essentiële functie. De hazelworm leeft in enigszins vochtige gebieden met dichte vegetatie (vaak bos en heide) verborgen onder planten, strooisel, dood hout of ondergronds. Dit soort biotoop is aanwezig aangrenzend aan de spoorbaan waardoor de spoorbermen potentieel ook door de hazelworm in gebruik zijn als opwarmplek. Het plangebied ontbreekt aan geschikte biotopen die een ringslang nodig heeft om zijn levenscyclus te kunnen voltooien. Zo zijn er geen geschikte waterstructuren aanwezig en zijn er geen mogelijkheden gevonden in de omgeving van het plangebied die wijzen op voortplantingsplekken voor de ringslang.
Figuur 3.15: Potentieel leefgebied levendbarende hagedis en hazelworm bij GNN tussen Didam en Wehl.
3.2.5.3 Effectbespreking en vervolgstappen Op basis van biotoop en verspreiding is het plangebied tussen km 40.3 en 41.65 (geocode 212) geschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis en de hazelworm. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Om reptielen aan te tonen dienen reptielenplaten uitgelegd en gecontroleerd te worden. Voor de levendbarende hagedis dienen er drie bezoeken uitgevoerd te worden in de periodes 15 april - 31 mei en/of 1 augustus - 1 september met minimaal een maand tussen het eerste en het laatste bezoek 3. Voor de hazelworm dienen er vier bezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 juni tot 1 september 3. 3.2.6 Amfibieën 3.2.6.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.
3
NGB (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
23/34
Tabel 0.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Poelkikker
Categorie Wnb AV AV AV AV H
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor bij het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
3.2.6.2 Resultaten veldbezoek Er zijn geen watergangen aanwezig binnen het plangebied die geschikt zijn als leefgebied voor beschermde soorten amfibieën. Ook zijn geen overwinterlocaties, voortplantingswateren en andere verblijfplaatsen van beschermde soorten amfibieën binnen het plangebied gelegen. Het is niet uit te sluiten dat (algemeen vrijgestelde) amfibieën direct buiten het plangebied aanwezig zijn. Zo is er aan de oostkant van Didam een poel gelegen net buiten het plangebied die geschikt habitat biedt voor algemeen amfibiesoorten, welke vrijgesteld zijn bij ruimtelijke ontwikkeling. 3.2.6.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het voorgenomen plan heeft geen directe negatieve effecten op strikter beschermde amfibieënsoorten. Wel wordt in verband met de algemene zorgplicht geadviseerd de werkzaamheden aan groenstructuren, grondverzet en het dempen van waterstructuren in één richting uit te voeren zodat eventueel aanwezige individuen de kans hebben het plangebied te verlaten. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.7 Vissen 3.2.7.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten vissen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 0.7: Beschermde vissen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Geen waarnemingen bekend
Categorie Wnb -
3.2.7.2 Resultaten veldbezoek Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel kruist het plangebied op enkele locaties watergangen die geschikt kunnen zijn voor algemene vissoorten. Strikter beschermde vissoorten komen binnen het plangebied niet voor. 3.2.7.3 Effectbespreking en vervolgstappen De uit te voeren werkzaamheden hebben geen effect op oppervlaktewater. De kruisende watergangen zullen ongemoeid blijven. Indien bij deze watergang toch gewerkt dient te worden dient in het kader van de zorgplicht vanaf het spoor naar openwater gewerkt te worden zodat aanwezige vissen de kans hebben te ontsnappen. Voor deze soortgroep zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.8 Ongewervelden 3.2.8.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 0.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, april 2021.
Soort Geen waarnemingen bekend
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
Categorie Wnb -
24/34
3.2.8.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden aangetroffen. Ook zijn er geen waardplanten aangetroffen en of geschikte watergangen. Binnen het plangebied is geen leefgebied aanwezig van strikter beschermde soorten ongewervelden. 3.2.8.3 Effectbespreking en vervolgstappen Negatieve effecten op deze soortgroep worden niet verwacht. De werkzaamheden hebben bijvoorbeeld geen ruimtebeslag op de plekken waar waardplanten staan van dagvlinders en nachtvlinders. Ook met betrekking tot overige soorten uit deze soortgroep, zoals platte schijfhoren welke afhankelijk is van wateren met rijke waterbegroeiing inclusief draadalg, vindt er geen ruimtebeslag op essentieel leefgebied plaats en hebben de werkzaamheden geen negatief effect. Voor ongewervelden zijn geen vervolgstappen benodigd.
3.3
Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende exoten van de Unielijst zijn waargenomen: muskusrat, nijlgans, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, roodwangschildpad en waterteunisbloem. Er zijn tijdens het oriënterend veldbezoek in het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) waargenomen: Japanse duizendknoop. Deze soort is aangetroffen op drie locaties rond het spoor bij Zevenaar een de noordzijde van de spoorbaan.
Figuur 0.15: Drie locaties met Japanse duizendknoop rond het spoor bij Zevenaar.
3.4
Houtopstanden
Op de meeste locaties lijken de houtopstanden buiten het ruimtebeslag van de RegioExpres te liggen. Op de volgende locaties is er mogelijk wel raakvlak met houtopstanden. ◼ Poelwijkerlaan te Zevenaar (zie ook verblijfplaatsen vleermuis).
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
25/34
◼ Ter hoogte van de Hengelderweg 24 te Didam staat een rij bomen direct langs het ruimtebeslag. ◼ Vanaf de Wilhelminastraat tot de Zandweg (en net daar voorbij) te Didam is een bomenrij gelegen binnen het ruimtebeslag een de noordzijde van het spoor. ◼ Dit is ook het geval ter hoogte van de Klauwenhof 2 en de Toppegaaiweg 2 aan de zuidzijde en de Prinses Beatrixstraat 79 aan de noordzijde van het spoor. ◼ In het buitengebied tussen Didam en Wehl ter hoogte van het GNN dienen waarschijnlijk ook een aantal bomen gekapt te worden; ◼ Ter hoogte van de Raphaelstraat 5 te Wehl aan de zuidzijde van het spoor; ◼ Binnen Doetinchem een aantal losse bomen, bijvoorbeeld nabij het Alsemveld 14 (zuidzijde spoor) Gentiaanveld 21 (noordzijde spoor), Jan Willinkstraat 2 (zuidzijde spoor) en Hof van Edinburgh 27 (zuidzijde spoor); ◼ In Doetinchem nabij de Uijlenbroeklaan tot de Salemate is aan de noordzijde van het spoor een bomenrij gelegen binnen het ruimtebeslag. Bovenstaande houtopstanden dienen voor de voorgenomen ingreep mogelijk gekapt te worden. Indien de kap uitgevoerd dient te worden binnen de bebouwde kom Wnb van de gemeente Doetinchem, Montferland of Zevenaar dient gekeken te worden of conform de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een kapvergunning voor de betreffende boom aangevraagd dient te worden.
Voor deze beoordeling dienen de contouren van de bebouwde kom Wnb bij de verschillende gemeentes opgevraagd te worden. Bomen binnen deze bebouwde kom vallen niet onder de Wnb. Wanneer de te kappen houtopstanden buiten de bebouwde kom Wnb gelegen is valt deze wel onder de Wnb. Indien de te kappen houtopstand buiten de bebouwde kom Wnb liggen en onderdeel uitmaken van een oppervlakte bos van tien are of van rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, zijn deze meldingsplicht en geldt een herplantplicht vanuit de Wnb. Naast de Wnb en de APV dient er aanvullend nog gekeken te worden naar het bestemmingsplan voor locaties waar houtopstanden gekapt gaan worden. Voor bovenstaande beoordeling is het eerst noodzakelijk de contouren van de bebouwde kom Wnb op te vragen bij de verschillende gemeentes.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
26/34
Conclusie In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken.
4.1
Beschermde gebieden
4.1.1 Natura 2000-gebieden Met betrekking tot in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden kan pas bepaald worden of er significant negatieve effecten optreden wanneer er meer bekend is over de uitvoeringsmethodiek en exacte invulling in de gebruiksfase, dit is in deze fase nog niet vast te stellen. Dit geldt met name voor geluidsverstoring. Voor dit effect dient nader beschouwd te worden hoe de werkzaamheden er precies uit gaan zien/hoe de uitvoeringsmethodiek zal zijn en wat de effecten in de gebruiksfase op natuur zullen zijn. Tevens dient voor stikstof middels een projectspecifieke AERIUS-berekening voor de gebruiksfase (traject Arnhem-Doetinchem) nader beschouwd te worden of significant negatieve effecten optreden. De rapportage hiervan zal in een separate notitie worden uitgewerkt. Per 1 juli 2021 is door de aangepaste wetgeving voor de realisatiefase geen stikstofberekening meer benodigd. Om alle risico’s uit te sluiten kan er toch voor gekozen worden de berekening uit te laten voeren om inzichtelijk te krijgen wat het effect van de realisatie op Natura 2000-gebieden is. 4.1.2 Provinciaal beschermde gebieden Weidevogelgebieden zullen door de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten ondervinden gezien de afstand tussen de dichtstbijzijnde weidevogelgebieden en het plangebied.
Op het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vindt als gevolg van het project tussen Wehl en Didam wel ruimtebeslag plaats en zal middels een ‘Nee, tenzij-toets’ getoetst moeten worden of de voorgenomen ingreep plaats kan vinden en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn.
4.2
Beschermde soorten
De precieze invulling van de uitvoering zal bepalen of er sprake is van raakvlakken met strikter beschermde soorten. Het gaat hierbij om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wnb. De conclusies gelden voor het gehele traject Zevenaar – Doetinchem Huet. Tabel 0.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming).
Soortgroep
Beschermde soorten?
Nader onderzoek?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Vaatplanten
Nee, wel zijn er een aantal zeldzame (niet beschermde soorten) aanwezig in de bermen/taluds naast het plangebied.
Nee
Nee, geadviseerd wordt wel de algemene zorgplicht (artikel 1.11) toe te passen door op enkele aangegeven locaties te werken met rijplaten en op die locaties bij voorkeur te werken buiten het bloeiseizoen.
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
27/34
Soortgroep
Beschermde soorten?
Nader onderzoek?
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Algemene Broedvogels
Ja
Nee
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Mogelijk aantasting essentieel groen huismus op 3 locaties, geen ruimtebeslag nestlocatie steenuil en roek, maar op 2 locaties mogelijk wel verstoring tijdens broedseizoen.
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Ja, voor steenuil en roek dient nader beschouwd te worden hoe de uitvoeringsmethodiek eruit komt te zien (mogelijk verstoring tijdens broedseizoen), maar vindt geen ruimtebeslag plaats op potentiële broedlocaties. Voor huismus vindt mogelijk wel ruimtebeslag plaats op essentiële groenstructuren. Dit dient nader onderzocht te worden. Nee
Niet mogelijk, wel kunnen maatregelen worden genomen om raakvlakken te beperken en vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen. Er kan alleen uitgevoerd worden als broedende vogels niet verstoord worden. Mogelijk, indien verstoring plaatsvindt van de nestlocaties van roek of steenuil of indien essentiële groenstructuren van huismus aangetast worden.
Vleermuizen foerageergebied
Nee, de bermen/talud direct buiten het plangebied voorzien mogelijk wel in foerageergebied.
Nee, foerageergebied is niet essentieel
Vleermuizen vliegroutes
Ja
Ja, indien bij de Poelwijkerlaan geluidschermen geplaats gaan worden die aanwezige bomenrijen onderbreken en in het ontwerp de vliegroute niet
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
Nee, wel dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden en dient versnippering van het bosgebied tussen Wehl en Didam en aanrijdingsslachtoffers van das voorkomen te worden in de gebruiksfase. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen/vegetatie en water onverlicht blijven. Mogelijk, indien essentiële vliegroutes aangetast of verstoort worden. Tevens dienen te allen tijde maatregelen getroffen te worden om verstoring te voorkomen.
28/34
Soortgroep
Beschermde soorten?
Nader onderzoek?
geborgd kan worden en of op de locaties Zwaluwstraat en Hoefijzer te Didam bomen gekapt dienen te worden Ja, indien een tweetal bomen gekapt dienen te worden en werkzaamheden plaatsvinden bij de brugconstructie 7Poort
Vleermuizen verblijfplaatsen
Ja
Reptielen
Ja, levendbarende hagedis en hazelworm in de spoorbaan/berm.
Ja
Amfibieën
Nee
Nee
Vissen Ongewervelden
Nee Nee
Nee Nee
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?
Mogelijk, indien verblijfplaatsen aangetast of verstoort worden. Tevens dienen op overige locaties maatregelen getroffen te worden om verstoring te voorkomen. Mogelijk, indien uit nader onderzoek blijkt dat er vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn van levendbarende hagedis en/of hazelworm binnen het plangebied. Nee. Wel dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee
4.2.1 Nader onderzoek Met betrekking tot groenstructuren voor huismus, vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen (bomen) en reptielen (levendbarende hagedis, hazelworm) dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de uitvoeringsmethodiek en precieze ingreep kan een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de brugconstructie, nestlocaties van roek en of steenuil ook noodzakelijk zijn. Zie de paragrafen ‘Effectbespreking’ van de betreffende soorten voor de vereisten aan het nader onderzoek. 4.2.2 Maatregelen Om negatieve effecten op (algemeen) beschermde soorten (zoveel mogelijk) te voorkomen dienen in ieder geval de volgende maatregelen in acht genomen te worden. Tabel 0.2: Aanbevelingen over maatregelen.
Soortgroep Algemene broedvogels
Maatregel Om effecten op broedende vogels te voorkomen wordt geadviseerd op locaties waar dichtbij opgaande vegetatie (struweel/houtopstanden) en of water gewerkt wordt buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, kan er voorafgaand aan de uitvoering ook voor gekozen worden om locaties met veel potenties voor algemene broedvogels ongeschikt te maken. Bijvoorbeeld door vegetatie buiten het broedseizoen te verwijderen. Indien toch binnen het broedseizoen op locaties met potentie voor broedvogels gewerkt dient te worden, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige
Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-08-2023
29/34
Soortgroep
Grondgebonden zoogdieren & Amfibieën
Vleermuizen foerageergebied, vliegroutes en verblijfplaatsen
Vaatplanten
Algemeen
Algemeen
4.3
Maatregel op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Om effecten op vrijgestelde algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij grond wordt verzet, vegetatie wordt verwijderd of water wordt gedempt van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Dieren die niet zelfstandig kunnen vluchten dienen gevangen te worden en in geschikt leefgebied, buiten dei invloedsfeer van het werk, uitgezet te worden. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Mogelijk het nemen van maatregelen in het ontwerp om de functionaliteit van vliegroutes te borgen. Tevens dient zoveel als mogelijk tussen zonsopkomst en zonsondergang gewerkt te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gewerkt te worden met gerichte verlichting om indirecte effecten door verstoring door licht op naastgelegen foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te voorkomen. Hierbij dient lichtval op bomen, water, en gebouwen in de omgeving te worden vermeden.
Nabij vliegroutes dient gewerkt te worden tussen zonsopkomst en zonsondergang of dient de vliegroute geheel niet aangelicht te worden. In het kader van de algemene zorgplicht (Wnb art 1.11) wordt nabij de Jan Willinkstraat te Doetinchem en de Notenstraat te Wehl als mogelijk gewerkt met rijplaten. Het werk zoveel als mogelijk in de winterperiode uitvoeren. Er zijn dan met alle mogelijke aanwezige soorten de minste raakvlakken. Vleermuizen zijn bijna niet actief, zoogdieren zullen minder actief zijn, en het zaad van de meeste planten zit in de grond. Bij het werken buiten de winterperiode zullen eerder raakvlakken optreden. Middels het nemen van bovenstaande maatregelen wordt echter voldaan aan het zorgvuldig uitvoeren van de werkzaamheden. Voor een aantal soorten dient nader bepaald te worden wat de raakvlakken precies zullen zijn om te bepalen of nader onderzoek nodig is. Dit kan pas bepaald worden als de invulling van het werk bekend is. Reeds aanwezige faunapassages onder het spoor intact laten. Vanuit de algemene zorgplicht is het verstandig deze verbindingen intact te laten, zodat de passeerbaarheid van het spoor op deze locaties voor algemene soorten (niet strikt beschermd onder de Wnb) behouden blijft.