Bijlage 2.3.09 - Natuur GNN-GO-toets.pdf
Tekst van het document
Deze kernkwaliteiten staan met betrekking tot de ontwikkeling beschreven in ‘3.5.1 Kernkwaliteiten GNN plangebied’. Daarnaast vormt de GO leefgebied van de steenuil en heeft cultuurhistorische waarde. Leefgebied steenuil De steenuil leeft in kleinschalige, open tot halfopen landschappen. Zij maakt gebruik van kort gemaaide of begraasde weilanden voor het vangen van regenwormen en veldmuizen, en broedt in boomholten of (onder het dak) in toegankelijke gebouwen25. Tijdens het nader onderzoek 26 in 2022 zijn ongeveer 1,5 kilometer ten westen van de GO broedlocaties van de steenuil vastgesteld. Steenuilen kunnen dus potentieel gebruik maken van de GO als foerageergebied. Het plangebied maakt maar een beperkt onderdeel uit van het totale potentieel aan foerageergebied voor steenuilen in de omgeving. Houtwallen, houtstapels en ruigtes bieden belangrijke voedselgelegenheden in de vorm van insecten en muizen die daar leven en kunnen een toegevoegde waarde hebben voor het leefgebied van de steenuil. De steenuil is aangeduid als kwetsbaar op de Rode Lijst.
25 26
BIJ12 (2017). Kennisdocument Steenuil, versie 1.0. Movares B.V. (2022). Nader ecologisch onderzoek RegioExpres.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
23/56
Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen Het plangebied ligt in een oorspronkelijk heidegebied 27. Tussen 1825 en 1830 werd de Wehlse Heide ontgonnen en werd het Wehlse Bos aangeplant. Daarbij zijn door de aanleg van grasland plekken in het bos open gehouden. Deze open plekken horen bij de GO. Daarnaast betreft de GO agrarisch gebied ten westen van het GNN met boerderijen. De spoorverdubbeling heeft ruimtebeslag op een beperkt onderdeel van de open plekken in het bos en raakt geen oude percelen met boerderijen. Daardoor wordt de cultuurhistorische waarde van de GO niet aangetast. Door het afstemmen van de versterkingsmaatregelen op het kleinschalige landschapsbeeld wordt de cultuurhistorisch waarde van het gebied tevens versterkt. 4.3.2 Ontwikkelingsdoelen GO plangebied Bij bovenstaande kernkwaliteiten behoren ontwikkelingsdoelen. Onderstaand zijn de ontwikkelingsdoelen weergegeven die betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling in de GO.
De volgende doelen staan met betrekking tot de ontwikkeling beschreven in paragraaf 3.5.2: ◼ Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden; ◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-west met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ◼ Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden, en; ◼ Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen. Daarnaast kan bij maatregelen binnen de GO aandacht worden besteed aan het volgende doel: Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten De ontwikkeling van de houtproductie is geen onderdeel van het versterkingsplan, ten goede van de ontwikkeling van minder verstoorde natuur ten behoeve van bijvoorbeeld koolstofopslag en regulatie/filtratie van water. 4.3.3 Natuurtypen GO plangebied Uit het voorlopige ruimtebeslag blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling tussen Didam en Wehl beslag legt op gebieden die behoren tot het GNN en de GO. Bij de GO gaat het om ruimtebeslag met een oppervlakte van 14.292 m2 (1,42 ha) buiten de bestemming spoor. De ontwikkeling binnen de GO betreft een smalle strook aan de noordzijde van de spoorbaan en een bredere strook aan de zuidzijde. Daarnaast loopt een tijdelijke werkweg met keerlus door de GO die ook is meegenomen in het ruimtebeslag op de GO.
Ter berekening van de vereiste versterking is op basis van luchtfoto’s onderscheid gemaakt tussen kruidenrijk grasland en productiegrasland. In Bijlage 1 zijn kaarten met het ruimtebeslag op de GO opgenomen. Het oppervlakte binnen de GO bestaat uit: ◼ 2.251 m2 (0,23 ha) GO bestaand uit kruidenrijk grasland langs het spoor en bosranden, en; ◼ 12.041 m2 (1,20 ha) GO bestaand uit akker of weiland.
4.4
Versterkingsplan
Zoals eerder aangegeven zijn het GNN en de GO binnen het projectgebied met elkaar verbonden. De maatregelen die genomen worden voor het GNN werken dus ook door op de GO en vice versa. Om de ecologische condities rond het projectgebied te borgen en te voldoen aan de vereisten uit de provinciale verordening dient er, in het kader van de nadelige gevolgen op de GO, een versterkingsplan opgesteld te worden (artikel 2.53b). De GO hoeft niet in oppervlakte gecompenseerd te worden, maar dient wel versterkt te worden. Om de versterkingsopgave van de GO te bepalen, moet gebruik gemaakt worden van de rekentabellen Groene Ontwikkelingszone van de Provincie. Bij deze tabellen wordt gerekend met een verliesfactor, een impactfactor en de versterkingsmaatregelen. Voor deze beoordeling wordt uitgegaan van het verlies 27
De Stichting Vrienden van het Wehlse bos en landschap (2021). Wandelroute Het Wehlse bos. https://www.wehl.nl/wpcontent/uploads/2021/08/Wandelroute-Wehlse-bos.pdf
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
24/56
van 0,23 ha kruidenrijk grasland. Er gaat ook 1,20 ha productiegrasland verloren, maar productiegrasland wordt niet als verlies in de berekening meegenomen. Het voornemen resulteert in 230 verliespunten (zie Bijlage 4). Met betrekking tot de impactfactor gaat het om het totale ruimtebeslag die het spoor in de GO gaat innemen (1,40 ha). In de rekentabel bestaat geen categorie voor spoorwegen. Gezien de beperkte gebruiksintensiteit is met de Provincie afgestemd dat in voorliggende toetsing wordt uitgegaan van de waarde van de categorie ‘wegen <80 km/uur’. De toeslagfactor ‘ligging in EVZ’ is hier van toepassing. Totaal komt dit uit op 3.500 impactpunten (zie Bijlage 4). Verlies- en impactpunten (tezamen 3.730 punten) dienen vervolgens met versterkingsmaatregelen verrekend te worden. Voor alle maatregelen geldt de factor voor een bijdrage aan het EVZ-model das.
Om op de benodigde versterking uit te komen wordt uitgegaan van de volgende maatregelen (zie Bijlage 4): ◼ Realisatie van twee kleine zoogdiertunnels/faunapassages over het traject ten behoeve van de das; ◼ Realisatie van drie dwarsligger faunapassages (DFP) over het traject ten behoeve van herpetofauna (amfibieën en reptielen); ◼ Waarborging van oversteekplekken voor groot wild (reeën); ◼ Realisatie van droog bos zoals dennen-, eiken- & beukenbos (N15.02) met een oppervlakte van 0,93 hectare (9.300 m2); ◼ Realisatie van kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) met een oppervlakte van 0,89 hectare (8.900 m2); ◼ Realisatie van vochtig hooiland (N10.02) met een oppervlakte van 0,37 hectare (3.700 m2); ◼ Realisatie van een houtwal (L01.02) met een totale oppervlakte van 0,18 hectare (1.800 m2); ◼ Versterken van bestaande singels (398 meter). Bovenstaande versterkingsmaatregelen geven ruim voldoende versterkingspunten, namelijk 6.005 punten, en omvatten in totaal 2,37 ha natuurinrichting. Hieronder worden de maatregelen besproken. 4.4.1 Faunapassages De extra versnippering van het landschap door het aanleggen van dubbelspoor en het extra rijden met treinen kan gemitigeerd worden door het aanleggen van faunapassages. Hierdoor wordt de samenhang van de GO versterkt (artikel 2.53b lid d), evenals van het GNN (artikel 2.48 lid 2d).
Er worden 5 faunapassages gerealiseerd die geschikt zijn voor de doelsoorten, twee voor das en drie voor herpetofauna (amfibieën en reptielen, zie Figuur 4.1). Er wordt één dassentunnel ten westen van perceel C aangelegd. Hier bevindt zich in het bosperceel ten zuiden van de spoorlijn een dassenburcht. Een tweede tunnel wordt in het verlengde van de houtwal ter hoogte van perceel B aangelegd.De locaties van de faunapassages voor de das zijn gekozen op basis van de gebiedskennis van de Bosgroepen. Op de locaties van de dwarsligger faunapassages liggen aan beide zijdes hoogwaardige leefgebieden die verbonden zijn met een groter achterliggend gebied. Daarnaast liggen de passages niet bij veelgebruikte mountainbike- en wandelpaden. Burchten van dassen worden door de ingreep niet geraakt of verstoord, en er wordt geen essentieel foerageergebied van de das aangetast (zie 1.1.1 Ecologische onderzoeken). Daarnaast wordt de passeerbaarheid van het spoor voor herpetofauna (amfibieën en reptielen), zoals de kamsalamander, verbeterd worden door de aanleg van drie dwarsligger-faunapassages (DFP). De ligging van de faunapassages voor de herpetofauna is gekozen op basis van de bevindingen uit de nader onderzoeken uitgevoerd door Movares binnen het plangebied.
De faunapassages dragen hierdoor bij aan de uitbreiding van de das en daarmee aan de ontwikkeling van de EVZ, evenals de uitbreiding van de kamsalamander waarvoor de EVZ ten noorden van de locatie is aangewezen. Daarnaast wordt ervoor gekozen om geen standaard ProRail-hekwerk te plaatsen ter plaatse van het GNN. Om te voorkomen dat aanrijdingsslachtoffers vallen wordt een raster aangebracht rond de spoorzone. Voor zowel het
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
25/56
plaatsen van de faunapassage als de afrastering kan gedeeltelijk uitgegaan worden van de ‘Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur 2021’ van Rijkswaterstaat 28. Dit hekwerk is dusdanig laag dat reeën eroverheen kunnen springen. Hierdoor kunnen reeën het spoor blijven passeren. Deze maatregel is geen onderdeel van de versterking van de GO, maar wordt wel in onderhavige toetsing opgenomen om ervoor te zorgen dat reeën kunnen blijven migreren tussen het noorden en zuiden van het spoor.
Figuur 4.1: Beoogde ligging faunapassages.
Faunapassage das De dassenpassage dient een droge passage te zijn. Deze dient daarom boven het grondwater te liggen. Van belang bij de passages voor dassen is de diameter van de passage. In tegenstelling tot de diameter van 0,5 meter uit de leidraad, blijkt uit onderzoek dat de diameter voor de soort idealiter tussen de 0,3 en 0,4 meter ligt. Een voorbeeld van een dassentunnel onder het spoor is weergegeven in Figuur 4.2 In de leidraad wordt verder uitgegaan van een afstand van maximaal 2.500 meter tussen twee passages. De lengte van het traject van de spoorlijn door het GNN en de GO bedraagt ongeveer 1.600 meter. Als gekeken wordt naar de oppervlakte van potentieel leefgebied van de das in de wijdere omgeving (grofweg 275 ha) en het territorium per das(senfamilie) (30-150 ha) dan is het wijdere gebied rond de spoorlijn geschikt voor twee tot negen dassen(families). Uit persoonlijke communicatie is bekend dat in ieder geval aan weerszijden van het GNN twee families aanwezig zijn (persoonlijke communicatie P. Westerhof, 24 augustus 2023). Gehanteerd wordt dat er twee faunapassages voor de das op het traject gerealiseerd kunnen worden en functioneel zijn.
28
Rijkswaterstaat (2021). Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur 2021. https://ontsnippering.nl/actueel/nieuws/nieuweleidraad-faunavoorzieningen-gepubliceerd/
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
26/56
Figuur 4.2: Voorbeeld van een dassentunnel onder het spoor.
Dwarsligger faunapassage (DFP) Onder het versterkingsplan worden aanvullend nog drie dwarsligger faunapassages (DFP) voorgeschreven. Dit soort passage is geschikt voor herpetofauna (amfibieën en reptielen), maar uit onderzoeksresultaten naar gebruik van de passage is gebleken dat deze ook door kleine zoogdieren en zelfs de das gebruikt kunnen worden. Omdat deze passage minder geschikt voor de das is, kan deze niet ter vervanging gebruikt worden van de eerder aangedragen passages. De DFP dient als aanvulling op die passages gerealiseerd te worden. Een voorbeeld van een DFP is weergegeven in Figuur 4.3. ProRail heeft DFP formeel nog niet vrijgegeven voor algemeen gebruik. Dit is een voorwaarde voordat deze daadwerkelijk toegepast kan worden op deze locatie.
Figuur 4.3: Voorbeeld van een dwarsligger faunapassage voor amfibieën en reptielen. Uit onderzoek blijkt dat dassen ook gebruik maken van deze passage (al is deze naar verwachting minder geschikt dan de ‘standaard’ passage die voor das gebruikt wordt).
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
27/56
Oversteekplaatsen groot wild Voor groot wild wordt het ProRail-hekwerk weggelaten ter plaatse van de GO en GNN. Deze maatregel komt niet voort uit de versterking voor de GO maar is geïntegreerd in het plan om de doorsnijding van het leefgebied zoveel mogelijk te beperken, wanneer de spoorbaan verdubbeld wordt. Er is enkel een raster aanwezig waar reeën overheen kunnen springen (zie volgende paragraaf). Raster faunapassages Als mitigerende maatregel dient gezorgd te worden dat dassen (en andere fauna) het spoor zo min mogelijk op kunnen. Om te zorgen dat de dassen niet meer het spoor op kunnen en gebruik gaan maken van de passages, worden rasters langs de spoorbaan geplaatst. De rasters dienen hierbij aan de volgende eisen te voldoen: ◼ Metaaldraad bevestigd aan palen; ◼ Hoogte van 1,00 meter; ◼ Maaswijdte van 25,4 mm verticaal en 50,8 mm horizontaal; ◼ 0,2 meter ingraven en 0,3 meter haaks omzetten naar de wildzijde; ◼ Raster in fuikvorm plaatsen richting tunnelopening; ◼ Raster is minimaal 25 meter lang aan weerszijden van de tunnelopening; ◼ Terugkeervoorzieningen worden geïnstalleerd voor het geval dat dassen tussen de rasters op het spoor terecht komen, en; ◼ Aandacht dient besteed te worden ter hoogte van een spoorovergang om te voorkomen dat dassen hier alsnog het raster kunnen omzeilen.
Dit kan gedaan worden door aan de einden bij een kruising van het spoor de rasters 5 tot 10 meter terug te buigen haaks van het spoor af. 4.4.2 Voorstel locaties faunapassages Faunapassages De locaties van de faunapassages zijn door Bosgroep bepaald. Deze organisatie is actief betrokken bij het beheer van het gebied en kan daarmee met gebiedseigen kennis de meest optimale locaties bepalen (zie paragraaf 4.4.1). Daarnaast dient er gezorgd te worden dat dassen, herpetofauna (en andere fauna) het spoor zo min mogelijk op kunnen. Hiervoor worden rasters langs de spoorbaan geplaatst over een groot gedeelte van de lengte van het GNN- en GO-traject binnen het projectgebied. De lengte van het afgerasterde gebied bedraagt ongeveer 1.425 meter. De lengte van het raster is afgestemd op landschapselementen en waargenomen wissels (vaste paden van de das). Om ook als raster voor amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren te dienen kan er aan de onderzijde gekozen worden om een glad scherm aan te brengen. Extra aandacht dient besteed te worden aan het installeren van terugkeervoorzieningen voor het geval dat dassen tussen de rasters op het spoor terecht komen. Deze dienen iedere 250 meter ingebouwd te worden. Gezien er elke ruim 300 meter een faunapassage geplaatst wordt zijn alleen terugkeervoorzieningen nodig op 50 meter afstand vanuit de eindpalen van het raster.
4.4.3 Andere versterkingsmaatregelen Naast de faunapassages worden verdere versterkingsmaatregelen toegepast, namelijk de realisatie van eiken-beukenbos, kruiden- en faunarijk grasland en houtwallen en versterking van bestaande houtwallen. In bijlage 5 is het inrichtingsplan voor de ontwikkeling van deze natuurtypen uitgewerkt. In figuren 3.4 en 3.5 is de ligging van de maatregelen op kaart weergegeven. De maatregelen worden op dezelfde percelen getroffen als waar de compensatie van het GNN. Eikenbossen bieden dekking voor burchten en zijn ideale foerageergebieden voor dassen en bosvogels als spechten en boomklever. Daarnaast wordt door de aanplant van bos recreatiegebied en typische bosrandstructuren aan het gebied toegevoegd. Ook worden kruiden- en faunarijk grasland en vochtig hooilanden gerealiseerd. Hierdoor wordt nieuw biotoop voor onder andere meerdere vogels ontstaat en foerageergebied voor de das wordt gecreëerd (zie paragraaf 3.6.4). Houtwallen zijn een typische landschapsvorm binnen het EVZ-model das en dragen bij aan een kleinschalig cultuurhistorisch landschap welke ook geschikt is voor de steenuil en andere vogels, marters en verschillende vleermuizen. Door de aanleg van bos wordt geschikt leefgebied gecreëerd voor de das ter versterking van de populatie. Oude en structuurrijke eikenbossen bevatten jaarrond een hoog en gevarieerd aanbod aan
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
28/56
voedsel, zoals bosvruchten, eikels, kevers en paddenstoelen, en zijn dus belangrijke foerageergebieden van de das. Daarnaast bieden zij leefgebied voor andere EVZ doelsoorten als boomklever, verschillende vleermuizen en boommarter. Voor een beter ontwikkelde bodemvegetatie wordt het aanplanten van eiken en beuken aangevuld met soorten als winterlinde en fladderiep voor makkelijker afbreekbaar strooisel (zie bijlage 5). De ontwikkelingstijd van eiken- en beukenbossen bedraagt meer dan 100 jaar. Op een aantal plaatsen worden jonge laanbomen geplant zodat de bomen niet weggeconcurreerd worden door struikvormers. Als onderdeel van het beheer worden de boomvormers beschermd tegen vraat door aanleg van wildbescherming (zie bijlage 5 en figuren 3.4 en 3.5). Voor een afwisselend landschap en het behouden van belangrijke foerageergebieden voor dassen wordt kruiden- en faunarijk grasland ontwikkeld. Dit natuurtype komt in vrijwel alle landschapstypen voor en is rijk aan kleine fauna. Een goed ontwikkelt kruiden- en faunarijk grasland heeft 5-25 jaar tijd nodig. Het grasland wordt geïntegreerd met het omliggende bos door de mantelzoomvegetatie, zodat de das voldoende dekking heeft tijdens het foerageren. Het gras wordt eenmaal per jaar gemaaid en maaisel afgevoerd zodat het niet te hoog staat. Hierdoor kan de das wormen goed te pakken krijgen.
De combinatie van het aanleggen van bos en grasland dient ter versteking van het leefgebied en de EVZ voor de das, evenals de ontwikkeling van een kleinschalig landschap waarin meerdere soorten vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen leven. Houtwallen zijn vrij liggende of op een aardwal groeiende lijnvormige elementen met een minimale lengte van 25 meter en een maximale breedte van 20 meter. Daardoor vormen zij belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Een taludachtige omgeving is ook heel geschikt voor dassenburchten. De begroeiing van een houtwal bestaat uit inheemse bomen en/of struiken en wordt als hakhout beheert (zie bijlage 5 voor locatie).
Figuur 4.4: Voorbeeld van houtwal.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
29/56
5
Monitoring
Onderdeel van het compensatieplan is dat monitoring en rapportering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvindt (artikel 2.48 lid 2b). In onderstaande paragrafen wordt de monitoring uiteengezet.
5.1
Realisatiefase
De realisatie van de natuuraanleg vindt volgens het compensatie- en versterkingsplan plaats. Een ecoloog dient controles uit te voeren tijdens en na de inrichting. Na de inrichting van de percelen moet vastgesteld worden of de aanplant en inzaai aanslaan en de natuurelementen op de juiste manier worden beheerd. Daarnaast moet de aanleg van de faunapassages met een ecoloog nader afgestemd worden in het veld. Vervolgens wordt na de aanleg gecontroleerd of de faunapassages functioneel zijn. Deze mogen niet verstopt zijn door zwerfvuil of bladmateriaal en niet permanent onder water staan. Ook moet de vegetatie rondom de tunnelingang dekking bieden maar niet de ingang verstoppen.
5.2
Jaarlijkse inventarisatie en controle
Om de werking van de genomen maatregelen te borgen wordt in het eerste jaar een keer per drie maanden in februari, mei, augustus en november gemonitord op effectiviteit van de faunapassages29. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gekeken naar toegankelijkheid en schade. In de opvolgende jaren zijn twee controles per jaar voldoende. Daarnaast dienen de passages gedurende 12 weken in de actieve periode van de doelsoorten met cameravallen gemonitord te worden. Dit is belangrijk voor het waarborgen van de functionaliteit en effectiviteit van de genomen maatregelen. Verder zijn inventarisaties op de nieuw aangelegde natuurtypen waardevol om te bepalen in hoeverre de natuurdoelen worden behaald. Bij deze inventarisatie wordt gekeken in hoeverre de compensatie of versterking overeenkomt met de natuurtypebeschrijving en hoe de kwaliteit van de gebieden verbeterd kan worden. De resultaten worden eenmaal per jaar van monitoring uitgeschreven in een rapport en besproken met de Provincie Gelderland. De monitoring conform het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SLN) houdt het volgende in: ◼ ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’ wordt gecontroleerd op bedekking, planten, dagvlinders en ruimtelijke condities30.
Voor een goede kwaliteit moet er 5-20% hoog struweel, 1-5% bomen of bosjes en minimaal zes van de kwalificerende soorten aanwezig zijn; ◼ ‘N10.02’ Vochtig hooiland wordt gecontroleerd op flora en fauna, abiotiek, stikstofdepositie, vegetatie en ruimtelijke condities 31. Voor een goede kwaliteit zijn er kwalificerende structuurelementen in nabijheid aanwezig en moeten er minimaal 8 van de kwalificerende soorten aanwezig zijn. De bodem moet binnen een bepaalde range van de zuurgraad en voedselrijkdom liggen. Het vochtig hooiland bestaat voor minimaal 60% uit een korte gesloten graslandvegetatie; ◼ ‘N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos’ dient geïnventariseerd te worden naar bosstructuur, planten, broedvogels, stikstofdepositie en ruimtelijke condities 32. Voor een goede kwaliteit is een hoog percentage gemengd, Europees bos met een gelaagde boomfase, struweel, open plekken en dikke dode en levende bomen gewenst. Ook moeten er minimaal zes van de kwalificerende soorten kunnen voorkomen; ◼ Voor ‘L01.02 Houtwal en houtsingel’33 gelden een aantal beheereisen met betrekking tot het snoeien van bomen en/of struiken en de instandhouding van het wallichaam.
29
Rijkswaterstaat (2021). Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur 2021. https://ontsnippering.nl/actueel/nieuws/nieuweleidraad-faunavoorzieningen-gepubliceerd/ 30 BIJ12 (2022). N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. 31 BIJ12 (2022). N10.02 Vochtig hooiland - BIJ12 32 BIJ12 (2022). N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos. 33 BIJ12 (2022). L01.02 Houtwal en houtsingel.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
30/56
Monitoring vindt in jaar 1, 2, 4, 6 en 10 na de ingreep plaats. Indien nodig wordt de monitoring daarna nog herhaald (in afstemming met de provincie).
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
31/56
6
Inrichting in relatie natuurbescherming
tot
de
Wet
De inrichting van de compensatiegebieden dient ook te voldoen aan de Wet natuurbescherming. In onderstaande paragrafen wordt besproken. Zie bijlage 6 voor de quickscan rapportage van de compensatiegebieden.
6.1
Gebiedsbescherming
Alleen het aspect stikstof is relevant voor Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase is er natuur aanwezig, dus vind geen stikstofdepositie plaats. In de realisatiefase vind mogelijk stikstofdepositie plaats. Dit wordt integraal berekend en beoordeeld voor het volledige project RegioExpres. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De Provincie kent geen externe werking voor het GNN. De in te richten percelen liggen buiten het GNN dus er treden geen gevolgen op. Alle vier de deelgebieden zijn onderdeel van de Groene Ontwikkelingszone. Aangezien de realisatie van natuur bijdraagt aan de kenkwaliteiten (ecologische samenhang; stilte; donkerte; openheid; en rust) zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone 34 is de ingreep niet in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.52) 35.
6.2
Soortenbescherming
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Dit betreft biotoop voor de hazelworm, buizerd en huismus. Wanneer de volgende maatregelen getroffen worden, wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand voorkomen: Tabel 6.1: Verplichte maatregelen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Soortgroep Broedvogels
Grondgebonden zoogdieren 34 35
Maatregel Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen alle werkzaamheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, aangezien er op alle locaties in de directe nabijheid of in bestaande vegetatiestructuren wordt gewerkt. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Voor de buizerd geldt dat deze al in februari actief het nest gebruikt. De periode voor deze soort is februari tot en met augustus. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Eventueel kunnen de aanwezige nestkastjes ook buiten het broedseizoen tijdelijk verwijderd worden. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Om op voorhand aantasting van de functionaliteit van de wissel nabij deelgebied D te voorkomen dienen de werkzaamheden tussen
Provincie Gelderland. Bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Provincie Gelderland (2023). Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
32/56
Soortgroep
Maatregel zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is het van belang dat de greppel en wissel tijdens de werkzaamheden onverlicht blijft. Dit kan door de verlichting weg te richten en af te schermen. Op deze manier kan overtreding van artikel 3.10 van de Wnb worden uitgesloten. Vleermuizen Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen foerageergebied, foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te voorkomen dient vliegroutes en gewerkt te worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch verblijfplaatsen gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij moet lichtval op bomen, water, en gebouwen in de omgeving worden voorkomen om verstoring en daarmee overtreding van artikel 3.5 van de Wnb te voorkomen. Reptielen (hazelworm) Om opzettelijk doden en verwonden van de hazelworm te voorkomen dient het leefgebied van deze soort dat wordt geraakt door de geplande werkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden. Dit kan door de strooisel laag in deze gebieden ruim voor de aanvang van de werkzaamheden (minimaal 2 dagen) te verwijderen. Daarnaast kunnen buiten het werkgebied tapijttegels worden geplaatst om tijdelijke schuilplaatsen voor deze soort te bieden.
Verder dienen grondroerende werkzaamheden in de actieve periode van de hazelworm plaats te vinden zodat deze zich kan verplaatsen. De actieve periode van deze soort loopt van mei tot en met september. Daarnaast moeten werkzaamheden langzaam worden opgestart en vanuit één kant worden uitgevoerd zodat mogelijk aanwezige individuen de kans krijgen om te vluchten. Door deze maatregels te treffen wordt het opzettelijk doden en verwonden van de hazelworm voorkomen. Voor de overige maatregelen ten aanzien van de Zorgplicht (artikel 3.11 Wnb) wordt verwezen naar bijlage 6.
6.3
Conclusie
De compensatiegebieden kunnen ingericht worden zonder overtreding van de Wet natuurbescherming, mits de juiste maatregelen getroffen worden. Het aspect stikstof wordt afzonderlijk beschouwd in de passende beoordeling voor het project RegioExpres.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
33/56
7
Conclusie
Bij een spoorverdubbeling langs het traject van de RegioExpres vindt ruimtebeslag op het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) plaats. Het GNN en de GO vormen onderdeel van het leefgebied van de das en de ecologische verbindingszone (EVZ) Veluwe-Montferland met model das. Een toetsing aan het GNN- en GO-beleid is daarom uitgevoerd. De werkzaamheden in het GNN kunnen doorgaan als er geen nadelige gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk. Dit is ook het geval als eventuele nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten en samenhang volledig worden gemitigeerd en het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd conform de in de Omgevingsverordening Gelderland opgestelde regels. In dat geval is er per saldo geen sprake van nadelige gevolgen en kan de ruimtelijk ingreep in GNN plaatsvinden. Om dit te waarborgen is een GNN-toets uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar alternatieve ingrepen, het voldoen aan een groot openbaar belang en is er een compensatieplan opgesteld. De werkzaamheden in de GO kunnen uitgevoerd worden als er geen nadelige gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen en de samenhang van de ecologische zone. De kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen dienen versterkt te worden en de samenhang mag niet verloren gaan, conform de in de Omgevingsverordening Gelderland opgestelde regels.
Als er per saldo geen sprake van nadelige gevolgen is kan de ruimtelijk ingreep in GO plaatsvinden. Een GO-toets is uitgevoerd waarbij een versterkingsplan opgesteld is. Uit de GNN-/GO-toets is gebleken dat aan bovenstaande vereisten voldaan kan worden. Voor het GNN komt dit neer op het volgende: ◼ Er is een groot openbaar belang gemoeid met de ontwikkeling en er zijn geen reële alternatieven om het doel te bereiken waarbij geen of minder natuurgebied wordt geraakt; ◼ Er dient 5.436 m2 (0,54 ha) grasland, 1.207 m2 (0,12 ha) ‘N16.03 Droog bos met productie’ en 3.745 m2 (0,37 ha) ‘N16.04 Vochtig bos met productie’ gecompenseerd te worden in de omgeving van de ontwikkeling. De totale compensatieopgave van het GNN bedraagt hierdoor 1,03 ha. In dit geval is er geen sprake van nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten en oppervlakte van het GNN. Gekozen is voor compensatie met de beheertypen zoals weergeven als hieronder: Tabel 6.1: Overzicht compensatie natuurbeheertypes percelen Stilliwald. Het oppervlakte wat overblijft wordt ingezet ter compensatie van de GO.
Perceel
A
C D
Type N12.02 kruiden- & faunarijk grasland N15.02 dennen-, eiken& beukenbos N10.02 vochtig hooiland N15.02 dennen-, eiken& beukenbos
Categorie
Abiotiek
Oppervlakte (ha)
Opgave GNN
Netto over (GO)
1
Droog
1,93
0,54
0,89
2
Droog
0,39
0,12
0,27
2
Vochtig
0,74
0,37
0,37
2
Droog
0,66
-
0,66
De restopgave wordt gebruikt om te functioneren als versterkingsmaatregel voor het GO. Voor de GO zijn er voldoende maatregelen voorhanden om de samenhang en kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen te versterken. In dit geval is er geen sprake van nadelige gevolgen voor de GO en kan de ruimtelijk ingreep plaatsvinden. Het versterkingsplan omvat de volgende maatregelen:
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
34/56
◼ Realisatie van twee kleine zoogdiertunnels/faunapassages over het traject ten behoeve van de das; ◼ Realisatie van drie dwarsligger faunapassages (DFP) over het traject ten behoeve van herpetofauna (amfibieën en reptielen); ◼ Waarborging van oversteekplekken voor groot wild (reeën); ◼ Realisatie van droog bos zoals dennen-, eiken- & beukenbos (N15.02) met een oppervlakte van 0,93 hectare (9.300 m2); ◼ Realisatie van kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) met een oppervlakte van 0,89 hectare (8.900 m2); ◼ Realisatie van vochtig hooiland (N10.02) met een oppervlakte van 0,37 hectare (3.700 m2); ◼ Realisatie van een houtwal (L01.02) met een totale oppervlakte van 0,18 hectare (1.800 m2); ◼ Versterken van bestaande singels (398 meter). Op basis van het bovenstaande omvat het versterkingsplan voor de GO in totaal 2,37 ha natuurinrichting. De compensatie- en versterkingsmaatregelen wordt verankerd in het provinciale inpassingsplan (PIP). Er worden daarin afspraken gemaakt over het beheer en de inrichting van de percelen waar compensatie en versterking gaat plaatsvinden, waardoor deze gewaarborgd zijn. In het inrichtingsplan wordt de uitwerking van de versterkingsmaatregelen en inrichting verder in detail toegelicht (bijlage 5). De inrichting zal ook in lijn met de Wet natuurbescherming uitgevoerd kunnen worden (bijlage 6).
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
35/56
8
Bronnen
ADC ArcheoProjecten (2023). RegioExpres Didam-Doetinchem. Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Doetinchem. BIJ12 (2017). Kennisdocument Das, versie 1.0. BIJ12 (2017). Kennisdocument Steenuil, versie 1.0. BIJ12 (2022). L01.01 Poel en klein historisch water. BIJ12 (2022). L01.02 Houtwal en houtsingel. BIJ12 (2022). N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. BIJ12 (2022). N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos. BIJ12 (2018). N16.03 Droog bos met productie (nieuw per 01-01-2018). BIJ12 (2018). N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 01-01-2018). De Stichting Vrienden van het Wehlse bos en landschap (2021). Wandelroute Het Wehlse bos. https://www.wehl.nl/wp-content/uploads/2021/08/Wandelroute-Wehlse-bos.pdf Gemeente Doetinchem (2022). Beheersverordening ‘Landelijke gebied – 2020, reparatie 2022’. Gemeente Montferland (2022). Buitengebied, geconsolideerd (26 april 2022). Holt, H. ten en Sierdsema H., 2022. Evaluatie ecologische verbindingszones in Gelderland. Bureau ZET-rapport 2022/4139. Sovon-rapport 2022/43. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (juni 2021). Integrale Mobiliteitsanalyse 2021. Movares B.V. (2021). Quickscan flora en fauna Regio Expres. Effecten op beschermde gebieden en soorten. Versie 3.0. Movares B.V. (2022). RegioExpres. Nader ecologisch onderzoek. Versie 4.0. Movares B.V. (2023).
Nader ecologisch onderzoek RegioExpres werkterrein. Versie 3.0 Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen. Quickscan ecologie. Versie 3.0. Movares B.V. (2023). RegioExpres actualisatie quickscan spoorbaan. Versie 3.0 Provincie Gelderland (2022). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_733.pdf Provincie Gelderland (2022). Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022) Geconsolideerde omgevingsverordening Gelderland februari 2022
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
36/56
Provincie Gelderland (2022). Gelijkwaardige natuurbeheertypen. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_730.pdf Provincie Gelderland (2022). Natuurbeheerplan. https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=abe3fe98fc2f488a9c89dc4f a212f72c Provincie Gelderland (2022). Tabel: Ontwikkeltijd (in jaar) per natuurtype. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_731.pdf Provincie Gelderland (2022). Toelichting op de kernkwaliteiten. https://media.gelderland.nl/Tabel2_Toelichting_op_de_kernkwaliteiten_bdc000c892.pdf?updated_at=2 022-11-25T11:09:34.254Z Provincie Gelderland (2022). Regels versterking Groene ontwikkelingszone. Regels versterking Groene ontwikkelingszone | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) Rijkswaterstaat (2021). Leidraad faunavoorzieningen bij infrastructuur 2021.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
37/56
Colofon OPDRACHTGEVER
ProRail B.V. Moreelsepark 3 3511 EP Utrecht
UITGAVE
Movares Nederland B.V.
Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht TELEFOON
+31 (0)30 - 265 5555
ONDERTEKENAAR
Kirsten van der Hulst kirsten.vd.hulst@movares.nl
PROJECTNUMMER
MN002205
KENMERK
B85-IVV-HS-RAP-22006022
© 2022, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
38/56
Bijlage 1 Kaarten plangebied 1.1 GNN, GO en EVZ
Figuur 8.1: Detailkaart van raakvlak tussen ontwikkeling, GNN, GO en EVZ.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
39/56
Figuur 8.2: Detailkaart van raakvlak tussen ontwikkeling, GNN, GO en EVZ.
Figuur 8.3: Detailkaart van raakvlak tussen ontwikkeling, GNN, GO en EVZ.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
40/56
Figuur 8.4: Detailkaart van raakvlak tussen ontwikkeling, GNN en GO.
1.2 Natuurbeheertypen
Figuur 8.5: Natuurbeheertypen in omgeving van plangebied.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
41/56
Figuur 8.6: Natuurbeheertypen in omgeving van plangebied.
Figuur 8.7: Natuurbeheertypen in omgeving van plangebied.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
42/56
Figuur 8.8: Natuurbeheertypen in omgeving van plangebied.
Figuur 8.9: Natuurbeheertypen in omgeving van plangebied.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
43/56
1.3 Bestemmingen
Figuur 8.10: Enkelbestemming binnen het plangebied.
Figuur 8.11: Enkelbestemming binnen het plangebied.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
44/56
Figuur 8.12: Enkelbestemming binnen het plangebied.
Figuur 8.13: Enkelbestemming binnen het plangebied.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
45/56
1.4 Ruimtebeslag
Figuur 8.14: Ruimtebeslag van ontwikkeling op type GNN en GO.
Figuur 8.15: Ruimtebeslag van ontwikkeling op type GNN en GO.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
46/56
Figuur 8.16: Ruimtebeslag van ontwikkeling op type GNN en GO.
Figuur 8.17: Ruimtebeslag van ontwikkeling op type GNN en GO.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
47/56
Bijlage 2 Relevante artikelen Omgevingsverordening Gelderland 2.1 Gelders Natuurnetwerk § 2.6.1 Instructieregels bestemmingsplan bescherming Gelders natuurnetwerk Artikel 2.39 (bescherming kwaliteit Gelders natuurnetwerk) 1. Voor zover een bestemmingplan van toepassing is op het Gelders natuurnetwerk wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2. Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met paragraaf 2.6.2 worden gecompenseerd: a. buiten het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan zijn aangeduid met code N00.01. Artikel 2.40 (afweegruimte bij groot openbaar belang) In aanvulling op artikel 2.39, eerste lid, kan een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaten als: a. sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met paragraaf 2.6.2. Artikel 2.43 (afwijkruimte bij uitbreiding bestaande activiteit) 1.
In afwijking van artikel 2.39, eerste lid, kan een bestemmingsplan een uitbreiding van een bestaande activiteit in het Gelders natuurnetnetwerk alleen toelaten als: a. er voor die uitbreiding geen alternatieve locatie beschikbaar is; b. de kernkwaliteiten van het gebied in hun onderlinge samenhang bezien per saldo worden versterkt; en c. deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Artikel 2.45 (onderzoek kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk) 1. Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling in het Gelders natuurnetwerk doet de initiatiefnemer onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het Gelders natuurnetwerk. 2. Bij het onderzoek worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. bij of krachtens de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en c. ecologische samenhang. 3. Voor zover de nieuwe activiteit of ontwikkeling daar effect op kan hebben, worden bij het onderzoek betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van lucht, water en bodem; b. mate van stilte, rust en duisternis; en c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische en bodemkundige waarden, alsmede het reliëf.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
48/56
§ 2.6.2 Compensatie natuur binnen Gelders natuurnetwerk Artikel 2.48 (compensatieplan bij fysieke natuurcompensatie) 1. De initiatiefnemer onderbouwt de wijze waarop fysieke natuurcompensatie plaatsvindt in een compensatieplan. 2. Het compensatieplan geeft in ieder geval inzicht in: a. hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk plaatsvinden; en e. de locatie waar gecompenseerd wordt. Artikel 2.49 (termijn uitvoering fysieke natuurcompensatie) De initiatiefnemer voert de fysieke natuurcompensatie uit: a. binnen vijf jaar na vaststelling van het bestemmingsplan waarin de activiteit is toegelaten; of b. voor het begin van de activiteit als op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt. Artikel 2.50 (fysieke natuurcompensatie) 1. De omvang van de fysieke natuurcompensatie is gelijk aan de oppervlakte van het aangetaste areaal, vermeerderd met de volgende toeslag: a. geen toeslag bij natuur met een ontwikkeltijd van vijf jaar of minder; b.
1/3e deel van de oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd tussen vijf en 25 jaar; c. 2/3e deel van de oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar; of d. een door Gedeputeerde Staten te bepalen oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd van meer dan 100 jaar. 2. De compensatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met bijlage Gelijkwaardige natuurbeheertypen. 3. Voor de ontwikkeltijd per natuurbeheertype geldt de periode genoemd in bijlage Ontwikkeltijd natuurbeheertypen. 4. Planologische verankering van fysieke natuurcompensatie vindt plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan als waarin de wijziging van de bestemming wordt geregeld, die de aanleiding vormt voor de compensatie. 5. De uitvoering van de compensatie wordt verzekerd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan, waarin wordt bepaald dat: a. alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden als de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of zo mogelijk een kortere termijn, na vaststelling van het bestemmingsplan waarin de activiteit is toegelaten; en b. de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan in stand worden gehouden. 6.
In afwijking van het vijfde lid, onder a, geldt dat als op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt, alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan nadat de maatregelen conform het compensatieplan zijn uitgevoerd. Artikel 2.51 (gebruik compensatiepool in plaats van fysieke compensatie) 1. De nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van een compensatiepool als: a. fysieke compensatie niet mogelijk is; b. voldoende grond beschikbaar is in een compensatiepool; c. een vergoeding aan de provincie wordt betaald; en d. de oppervlakte van het te compenseren areaal kleiner is dan 0,5 hectare. 2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bepaald aan de hand van de kosten voor de inrichting van een compensatiepool bestaande uit kosten voor:
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
49/56
a. de aanschaf en de verwerving van vervangende grond; b. de inrichting van de natuur; c. het beheer gedurende de ontwikkeltijd; en d. de procedure en plannen.
2.2 Groen Ontwikkelingszone § 2.6.5 Instructieregels bestemmingsplan Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken. Artikel 2.53a (onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone) 1. Bij toepassing van artikel 2.52 bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone. 2. In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in de bij of krachtens de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode Lijsten; en c. ecologische samenhang. 3.
Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van water, bodem en lucht; b. stilte, rust en duisternis; en c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. Artikel 2.53b (versterkingsplan) Als de Groene ontwikkelingszone wordt versterkt op grond van artikel 2.52, eerste lid, onderdeel a, bevat het bestemmingsplan dat de activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt een versterkingsplan, dat in ieder geval inzicht geeft in: a. hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en e. de locatie waarop de versterking plaatsvindt. Artikel 2.53c (borging versterking) Planologische verankering van de versterking vindt plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan als waarin de nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Artikel 2.53d (borging uitvoering versterking) 1.
De uitvoering van de versterking wordt verzekerd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan, waarin wordt bepaald dat: a. alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan als de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of een kortere termijn als dat mogelijk is, na vaststelling van het bestemmingsplan waarin de activiteit is toegelaten; en
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
50/56
b. de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan in stand worden gehouden. 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, geldt dat als op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt, alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan nadat de maatregelen conform het versterkingsplan zijn uitgevoerd. Artikel 2.54 (vellen van een houtopstand in Groene ontwikkelingszone) 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone maakt een functie, waarvoor een houtopstand als bedoeld in de Wet natuurbescherming moet worden geveld, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, alleen mogelijk als wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat. 2. Compensatie kan plaatsvinden door fysieke compensatie of door financiële compensatie op basis van de volgende voorkeursvolgorde: a. fysieke compensatie in of grenzend aan de Groene ontwikkelingszone en voor zover mogelijk aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, en wordt planologisch verankerd in hetzelfde dan wel in een ander gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan; b. financiële compensatie in een compensatiepool, als fysieke compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan niet mogelijk is; c.
fysieke compensatie op afstand van het gebied, waar de houtopstand wordt geveld, als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepool niet mogelijk is. 3. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de grootte van het aangetaste areaal vermeerderd met de volgende toeslag: a. bij natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; b. bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer; c. bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer; d. bij natuur met een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk. 4. Als fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van: a. de kosten van aanschaf en verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats; b. de kosten van basisinrichting; c. de kosten van het ontwikkelingsbeheer. 5. De financiële compensatie is gebonden aan de ingreep en wordt gestort op de rekening van de provincie.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
51/56
Bijlage 3 Ruimtebeslag oppervlaktes Tabel 8.1: Oppervlaktes ruimtebeslag GNN, GO en spoor.
Type GNN ruimtebeslag geen type GNN ruimtebeslag L01.07 GNN ruimtebeslag N16.03 GNN ruimtebeslag N16.04 GO kruidenrijk grasland GO productiegrasland Spoorbestemming GNN ruimtebeslag GO ruimtebeslag Spoor ruimtebeslag
Totale oppervlakte (m2) 5.436,11 217,71 724,09 2.247,48 2.251,02 12.040,80 18.422,28 8.625,38 14.291,81 18.422,28
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
Totale oppervlakte (ha) 0,54 0,02 0,07 0,22 0,23 1,20 1,84 0,86 1,43 1.84
52/56
Bijlage 4 Rekentabellen GO-versterking Onderstaande is gebaseerd op Regels versterking Groene ontwikkelingszone (Provincie Gelderland, 2022). Tabel 8.2: Rekentabel voor GO versterking - verliesfactor.
1. Verliesfactor Categorie
Voorbeelden van beheertypen
Ruigteveld of -zoom
N12.06
Punten /eenheid
Oppervlakte (ha)
1000
Punten
0.23 VERLIESPUNTEN
230 Opp. (ha) 230
0.23
Tabel 8.3: Rekentabel voor GO versterking - impactfactor.
2. Impactfactor Toeslagfactoren Categorie
Eenheid
Wegen <80 km/uur
Ha. Verharding
Aardkundige waarden voor zover BUITEN open landschap 1.5
Indien van Ligging toepassing in EVZ factor verhogen
1
Basispunten Aantal /eenheid eenheden
2000
Nieuwe functie op deze locatie
1.4
2
Impactpunten Indien van Basis toepassing factor verhogen
1.25
1.25
Indien van Open toepassing landschap factor verhogen
1
Indien van toepassing factor verhogen
2
1
Incl. Toeslagen
2800
3500 Opp. (ha) 3500
IMPACTFACTOR
1.40
Tabel 8.4: Rekentabel voor GO versterking - versterkingsmaatregelen.
3. Netto over Categorie
Houtwal, houtsingel, elzensingel Nat schraalland / Vochtig hooiland Droge natuurgraslanden Alle typen natuurlijk bos Speciale elementen Kleine zoogdiertunnel
Voorbeelden van beheertypen
Basis
Opp. (ha) Factor tijdelijke maatregel
L01.02 en L01.03 N10.01 en N10.02
3000 2000
0.18 0.37
0.7 0,7
1 1
N11.01, N12.02 en N12.03 N14, N15, N16 en N17
1000
0.89
0.7
1
2000
0.93
0.7
1
Das, bever, kleine marters e.a.
100
2
0.7
1
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
Indien van toepassing factor verlagen
53/56
Herpetofaunatunnel
Reptielen en amfibieën
300
3
0.7
1
Factor Indien van Versterkingsbijdrage toepassing punten EVZ factor verhogen Basis
1.25 1.25 1.25 1.25
1.25 1 1.25 1.25
60 1480 350 1600
Incl. Toeslag en 675 740 890 2325
1.25
1.25
200
250
1.25
1.25
900
1125
VERSTERKINGSPUNTEN
VEREISTE VERSTERKING
6005 Opp. Excl. Speciale elementen 2.37 3730 BALANS 2275
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
54/56
Bijlage 5 Inrichtingsplan Los bijgevoegd.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
55/56
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
56/56
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
57/56
Bijlage 6 Quickscan compensatiegebieden Los bijgevoegd.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
58/56
Bijlage 7 Biogeochemisch onderzoek
Los bijgevoegd.
B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023
59/56