CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.09 - Natuur GNN-GO-toets.pdf

beeldvormende raad 11 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres17.339 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT

GNN- en GOtoetsing Provincie Gelderland RegioExpres

Versie: 6.0 Status: Vrijgegeven Datum: 24-11-2023 Kenmerk: B85-IVV-HS-RAP22006022

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1 Aanleiding

4

1.1.1 Ecologische onderzoeken 1.1.2 Doel 1.2 Plangebied 1.2.1 Ligging 1.2.2 Ingreep 1.2.3 Planning

5 6 6 6 7 8

1.3 Toetsing GNN- en GO-beleid 1.4 Leeswijzer

8 8

2

Beleidskader

9

3

Toetsing GNN-beleid

10

3.1 3.2 3.3 3.4

Inleiding Groot openbaar belang Alternatievenafweging Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen deelgebied

10 10 10 10

3.4.1 Kernkwaliteiten De Liemers Oost 3.4.2 Ontwikkelingsdoelen De Liemers Oost voor GNN

11 11

3.5 Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen plangebied

11

3.5.1 Kernkwaliteiten GNN plangebied 3.5.2 Ontwikkelingsdoelen GNN plangebied 3.5.3 Natuurtypen GNN plangebied

11 13 14

3.6 Compensatieplan GNN 3.6.1 Borging uitvoering fysieke compensatie 3.6.2 Omvang compensatie 3.6.3 Compensatielocaties 3.6.4 Inrichting en beheer natuur

4

16 16 16 17 18

Toetsing GO-beleid

22

4.1 Inleiding 4.2 Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen deelgebied

22 22

4.2.1 Kernkwaliteiten De Liemers Oost 4.2.2 Ontwikkelingsdoelen De Liemers Oost voor GO 4.3 Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen plangebied 4.3.1 Kernkwaliteiten GO plangebied 4.3.2 Ontwikkelingsdoelen GO plangebied 4.3.3 Natuurtypen GO plangebied 4.4 Versterkingsplan 4.4.1 Faunapassages 4.4.2 Voorstel locaties faunapassages

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

22 22 23 23 24 24 24 25 28

4.4.3 Andere versterkingsmaatregelen

5

28

Monitoring

30

5.1 Realisatiefase 5.2 Jaarlijkse inventarisatie en controle

30 30

Inrichting in relatie tot de Wet natuurbescherming

32

6.1 Gebiedsbescherming 6.2 Soortenbescherming 6.3 Conclusie

32 32 33

7

Conclusie

34

8

Bronnen

36

6

Bijlage 1 Kaarten plangebied

39

Bijlage 2 Relevante artikelen Omgevingsverordening Gelderland

48

Bijlage 3 Ruimtebeslag oppervlaktes

52

Bijlage 4 Rekentabellen GO-versterking

53

Bijlage 5 Inrichtingsplan

55

Bijlage 6 Biogeochemisch onderzoek

Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Bijlage 7 Quickscan compensatiegebieden

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

58

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De RegioExpres Achterhoek is een dieseltrein die tussen Arnhem en Doetinchem als sneltrein rijdt (nonstop) en tussen Doetinchem en Winterswijk als stoptrein (stoppend op alle stations). Om meer treinen per uur te kunnen laten rijden op het traject Arnhem – Doetinchem, zijn spooraanpassingen benodigd. Ook zullen treinen in de toekomst in de gebruiksfase rondom de tussen Arnhem en Doetinchem gelegen stations niet meer stoppen en daardoor harder rijden. Op de overige delen van het traject blijft de snelheid ongewijzigd. In de aanlegfase worden ook werkterreinen en werkwegen aangelegd, met name aan de zuidkant van het spoor. In 20211 is door Movares een quickscan uitgevoerd waarbij met name naar de effecten van de gebruiksfase is gekeken. In 2023 is een tweede quickscan2 uitgevoerd waarbij het ruimtebeslag van de tijdelijke werkterreinen en werkwegen is beoordeeld. Uit de quickscans blijkt dat als gevolg van het project ruimtebeslag op het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) (inclusief Ecologische Verbindingszone) van de Provincie Gelderland plaats gaat vinden. Het ruimtebeslag op het GNN en de GO vindt plaats tussen Didam en Wehl. Naast ruimtebeslag kan in de gebruiksfase versnippering ontstaan door een toename van treinverkeer en het rijden met hogere snelheden. Daarbij kan ook sprake zijn van meer aanrijdingsslachtoffers van dieren.

Dergelijke ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan het wettelijk kader van de Barro. In Figuur 1.1 is een overzichtsafbeelding opgenomen van het projectgebied ten opzichte van de ligging van de beschermde natuurgebieden in de wijdere omgeving. Voorliggende rapportage beschrijft de toetsing van de ingreep aan de Omgevingsverordening van Provincie Gelderland met betrekking tot het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone.

Figuur 1.1: Overzichtskaart spoortraject Zevenaar – Doetinchem De Huet met ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving.

1 2

Movares B.V. (2021). Quickscan flora en fauna Regio Expres. Effecten op beschermde gebieden en soorten. Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen. Quickscan ecologie.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

4/56

1.1.1 Ecologische onderzoeken Op basis van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), online kaartenmateriaal van verspreidingsgegevens en de veldbezoeken uitgevoerd in het kader van onderhavig project zijn de soorten aanwezig binnen de invloedssfeer van het project bepaald 3. In onderstaande beschrijving worden alleen soorten besproken die daadwerkelijk zijn aangetroffen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden of waarvan geschikt habitat aanwezig is. Vaatplanten en ongewervelden In het begroeide talud langs het spoortraject zijn algemene plantensoorten aanwezig die niet beschermd zijn onder de Wnb, zoals bochtige klaver, kluwenhoornbloem, duizendblad, veldkruiskers en veldereprijs. Dit zijn algemene plantensoorten. Ook zijn hondsviooltje en akkerviooltje aanwezig in de spoorberm en in de aangrenzende velden. Het hondsviootlje is aangeduid als gevoelig op de Rode Lijst. Viooltjes worden gebruikt door onder andere de kleine parelmoervlinder. De kleine parelmoervlinder kan ook voorkomen in de spoorbermen. De kleine parelmoervlinder is aangeduid als kwetsbaar op de Rode Lijst. Groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en ruw parelzaad zijn bekend vanuit de omgeving van het plangebied, soorten beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb. Overige niet-vrijgestelde plantensoorten en ongewervelden zijn niet aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.

De terreinen waar de werkterreinen beslag op hebben, bestaan uit (delen van) landbouwpercelen met Engels raaigras of begraasde weides, bosschages met onder andere zomereik, berk, els en braamstruweel, spoor- en wegbermen en verharde grond. Vogels Langs het spoor is op verschillende locaties geschikt broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels in de vorm van ruigte, struweel en bomen. Er zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen zoals houtduif, merel en heggemus. Overvliegende buizerds en torenvalken zijn tijdens meerdere veldbezoeken waargenomen. Ook kunnen boomvalk en sperwer voorkomen in de omgeving van het plangebied op basis van het aanwezige biotoop. Binnen een straal van 100 meter tot de werkzaamheden zijn geen horsten aanwezig maar wel enkele nestkasten voor steenuil en torenvlak. In de schuren bij boerderijen in de omgeving van het plangebied leven kerkuil en steenuil, maar ook huismus. In de bebouwde kom kan ook gierzwaluw met huismus voorkomen. Ter hoogte van het station van Didam is een roekenkolonie aanwezig. Zoogdieren In de bosschages kunnen door het Ministerie van Economische Zaken vrijgestelde soorten als ree, haas, konijn en kleine marterachtigen voorkomen. Konijn is meermaals aangetroffen tijdens veldbezoeken.

Haas, konijn en kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) staan allemaal op de Rode Lijst, variërend van gevoelig (haas, konijn en wezel) tot kwetsbaar (bunzing en hermelijn). Nietvrijgestelde soorten zoals otter, bever, das, boommarter en steenmarter (beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb) komen ook voor in de omgeving van het plangebied. Het is bekend dat binnen het Stilliwald (op meer dan 200 meter afstand tot de ingreep) dassenburchten aanwezig zijn. In watergangen rondom de spoorbaan is ook soms bever of otter waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen (burchten, holen of legers) van soorten zonder algemene vrijstelling aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Alle grondgebonden zoogdieren steken naar verwachting het spoor over, met name rond de beboste delen. Diverse vleermuizen gebruiken het groen rondom de spoorbaan als foerageergebied, vliegroute en/of verblijfplaats, afhankelijk van de lokale omstandigheden. De bebouwing rondom de spoorbaan kan ook verblijfplaatsen voor vleermuizen vormen van diverse functies. Reptielen

3 Zie Movares B.V. (2022). RegioExpres. Nader ecologisch onderzoek. Versie 4.0; Movares B.V.

(2023). Nader ecologisch onderzoek RegioExpres werkterrein. Versie 3.0; Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen. Quickscan ecologie. Versie 3.0; Movares B.V. (2023). RegioExpres actualisatie quickscan spoorbaan. Versie 3.0

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

5/56

De spoorbermen zijn door het ruderale karakter ook geschikt als leefomgeving voor diverse beschermde reptielen, zoals levendbarende hagedis, zandhagedis en hazelworm. Levendbarende hagedis en zandhagedis zijn niet aangetroffen tijdens de nader onderzoeken. Amfibieën en vissen Op enkele locaties bevinden zich aangrenzend aan de werkterreinen diepe watergangen met steile oevers. Hierin kunnen algemeen vrijgestelde amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker en diverse algemene vissen voorkomen. De watergangen zijn niet geschikt voor niet-vrijgestelde soort grote modderkruiper. Er zijn geen (tijdelijke) poelen waargenomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden waar niet-vrijgestelde amfibieën zoals rugstreeppad, kamsalamander en poelkikker in kunnen voorkomen. Wanneer tijdelijke poelen ontstaan binnen het plangebied kan rugstreeppad zich daar mogelijk wel vestigen, omdat de zeer mobiele soort binnen 5 kilometer van het westelijke gedeelte van het plangebied voorkomt. 1.1.2 Doel De vraag is welke gevolgen het tijdelijke en permanente ruimtebeslag, de toename van treinen en het rijden met hogere snelheden hebben voor de natuur binnen het GNN en GO van Provincie Gelderland en welke vervolgstappen benodigd zijn om de ontwikkeling met behoud van ecologische waarden en binnen de kaders van het beleid van de Provincie Gelderland alsnog mogelijk te maken.

Hiervoor dient een GNN/GO-toetsing uitgevoerd te worden. Concreet betekent dit dat de volgende vragen beantwoord moeten worden: 1. Hoe ziet de voorgenomen activiteit eruit en welke delen van het GNN en GO worden hierbij geraakt? 2. Wat is het provinciaal beleidskader ten aanzien van deze natuurgebieden? 3. Wat zijn de gevolgen van de beoogde ingreep op: a. de kernkwaliteiten, samenhang en/of oppervlakteverlies (GNN); b. de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen (GO)? 4. Bij nadelige gevolgen: welke maatregelen zijn nodig ten behoeve van compensatie en welke mitigerende en compenserende maatregelen zijn nodig om aan het beleidskader, de Omgevingsverordening Gelderland 2023, te voldoen? Voorliggend rapport betreft de uitwerking van deze GNN/GO-toetsing. Door een bomeninventarisatie4 uitgevoerd door Boomtotaalzorg is bepaald dat geen houtopstanden gekapt hoeven te worden op GO-gronden ten behoeve van de ingreep. Een toetsing van de artikelen in de provinciale verordening over het vellen van houtopstanden in de GO is daarmee niet benodigd. Voor de GNN zijn geen artikelen voorzien specifiek op bomenkap. Houtopstanden Wnb die gekapt worden in het kader van dit project worden in een apart traject beoordeeld.

1.2

Plangebied

1.2.1 Ligging Het totale projectgebied betreft het spoortraject tussen Zevenaar en Doetinchem De Huet (zie Figuur 1.1). Het traject is ongeveer 14,5 kilometer lang en ligt in de Provincie Gelderland. In Figuur 1.2 is het gedeelte van het spoortraject opgenomen waar raakvlak is met provinciaal beschermde natuurgebieden. In Bijlage 1 staan kaarten waarin is ingezoomd op deellocaties. Het projectgebied ligt in de ecologische corridor die de Veluwe via het Montferland met Duitsland verbindt. De corridor bestaat ter plaatse van de ingreep uit beboste delen met daartussen meer open kavels en is gelegen op de hogere zandgronden. Aan de oostzijde van het bosgebied ligt de kern van Wehl. Aan de overige zijdes wordt het beboste gebied omsloten door landbouwpercelen.

4

Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Doetinchem.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

6/56

Figuur 1.2: De locatie waar voorgenomen ontwikkeling raakvlak heeft met GNN en GO. In Bijlage 1 zijn detailkaarten weergegeven.

1.2.2 Ingreep Op hoofdlijnen worden in het project spoorverdubbelingen en aanvullende werkzaamheden om het spoor te kunnen laten functioneren uitgevoerd, zoals het plaatsen van geluidsdempers, geluidschermen, hekwerk en onderstations. Om de ingreep mogelijk te maken is ook de aanleg van tijdelijke werkterreinen en werkwegen noodzakelijk in de aanlegfase. De voorgenomen werkzaamheden hebben ruimtebeslag op zowel het GNN als de GO. Alleen ruimtebeslag wat niet onder de huidige bestemming kan plaatsvinden dient gecompenseerd te worden. Dit is per gemeente bepaald. Het ruimtebeslag wat binnen de bestaande bestemming past is bepaald door het oppervlakte op te meten van de enkelbestemming Verkeer-railverkeer uit het bestemmingsplan van de gemeente Montferland5 tussen kilometrering (km) 41.6 en 42.1 (zie Bijlage 1). Vanuit de gemeente Doetinchem is tussen km 40.3 en 41.6 de beheersverordening van het landelijk gebied6 gebruikt. Daarvan wordt ook het oppervlakte van de enkelbestemming Verkeer-railverkeer gebruikt. Binnen de projectgrenzen ligt een oppervlakte GNN van 8.625 m2 (0,86 ha). Met betrekking tot de GO ligt er binnen de projectgrenzen 14.292 m2 (1,42 ha). Dit zijn oppervlaktes GNN en GO binnen het projectgebied, met uitzondering van het oppervlakte GNN en GO dat bestemd is als Verkeer-railverkeer.

Het oppervlakte Verkeer-railverkeer binnen de projectgrenzen bestaat uit GO (18.422 m2/1,84 ha) en GNN (65 m2/0,0065 ha). Na het realiseren van het dubbelspoor gaan er op het traject meer treinen rijden. Concreet houdt dit in dat er overdag tijdens werkdagen per uur in beide richtingen één trein bijkomt welke als sneltrein op het traject gaat rijden in plaats van de stoptreinen die er nu rijden. Het natuurgebied wordt op deze 5 6

Gemeente Montferland (2022). Buitengebied, geconsolideerd (26 april 2022). Gemeente Doetinchem (2022). Beheersverordening ‘Landelijke gebied – 2020, reparatie 2022’.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

7/56

momenten dus per uur twee keer extra doorkruist door een sneltrein. Eénmaal in de richting west – oost en éénmaal in de richting oost – west. De maximale baanvaksnelheid blijft op de locatie wel gelijk. 1.2.3 Planning De planning is nog niet uitgewerkt tot en met de uitvoering. De ingreep zal naar verwachting plaatsvinden in 2025 en 2026.

1.3

Toetsing GNN- en GO-beleid

Het toetsingskader betreft de vigerende Omgevingsverordening van Provincie Gelderland (geconsolideerd januari 2023). De toetsing aan het beleid voor het GNN en de GO is een onderzoek waarbij een beoordeling gegeven wordt of een voorgenomen activiteit of ontwikkeling strijdig is met het vigerende beleid. De nadelige gevolgen en/of verrijking van kernkwaliteiten staan hierin centraal. Tevens wordt de bijdrage aan de ontwikkelingsdoelen behandeld. Als onderdeel van deze toetsing zijn externe bronnen geraadpleegd, zoals de Omgevingsverordening Gelderland 2023 en diverse kaarten waarbij de kernkwaliteiten van gebieden worden weergegeven. Voor het goed in kaart brengen van de situatie ter plaatse is op 7 december 2022, in aanvulling op de eerdere quickscan en als onderdeel van voorliggende rapportage, door een ecoloog van Movares een schouwronde uitgevoerd. In het veld is gekeken naar de kernkwaliteiten van het gebied, de kwaliteit van de verschillende landschapstypen en de potentie van deze landschapstypen voor de verschillende soorten.

1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het beleidskader waaraan wordt getoetst. Hoofdstuk 3 betreft de toetsing vanuit beleid voor het GNN, en hoofdstuk 4 betreft de toetsing vanuit beleid voor de GO. Hoofdstuk 5 gaat in op de benodigde monitoring en hoofdstuk 6 beschrijft de conclusies.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

8/56

2

Beleidskader

De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de Provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De Provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid en kwaliteit van de Gelderse natuur. Het GNN bestaat uit een stelsel van onderling verbonden natuurgebieden in de Provincie Gelderland. Om deze natuurgebieden te beschermen en de samenhang te versterken is het doel om de natuurgebieden uit te breiden en verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO) aan te leggen. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN en waar bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met de ecologische waarde die de locatie heeft. In 2021 heeft de provincie de Omgevingsverordening vernieuwd met actualisatieplan 8. In 2023 is de Omgevingsverordening met actualisatieplan 9 in werking getreden waarbij geen wijzigingen aan het GNN- of GO-beleid hebben plaatsgevonden7. In de verordening staan regels over hoe met de buitenruimte en de leefomgeving omgegaan dient te worden. Het actualisatieplan bestaat uit twee delen waarvan het deel dat betrekking heeft op de nieuwe regels aangaande natuur, water, zonnevelden, provinciale wegen en glastuinbouw per 1 februari 2022 in werking is getreden. Onder deze regels vallen ook de regels omtrent GNN en GO (natuur) 8.

De hoofdregel voor de bescherming van het GNN staat beschreven in artikel 2.39 van de provinciale Omgevingsverordening. Als er sprake is van nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het GNN moeten deze nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten en samenhang volledig gemitigeerd worden en nadelige gevolgen voor de oppervlakte volledig gecompenseerd worden. Een ontwikkeling kan alleen worden toegelaten als er sprake is van openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en gecompenseerd (artikel 2.40). Is er wel sprake van nadelige gevolgen, dan kan de ingreep alleen plaatsvinden door middel van een Nee, tenzij-achtige toets (artikelen 2.40 en 1a.3). Deze toets staat beschreven in hoofdstuk 3 Toetsing GNN-beleid. Voor ontwikkelingen in de GO geldt artikel 2.52 van de provinciale Omgevingsverordening. De kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van de GO moeten per saldo en per rato worden versterkt en de samenhang van de GO mag niet verloren gaan. Dit wordt getoetst in hoofdstuk 4. De regels uit de verordening zijn in Bijlage 2 verder opgenomen (zover relevant voor voorliggend onderzoek).

7

Provincie Gelderland (2023). Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023). https://media.gelderland.nl/Omgevingsverordening_Gelderland_januari_2023_12310e266c.pdf?updated_at=2023-0120T12:31:28.076Z 8 Provincie Gelderland (2022). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_733.pdf

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

9/56

3

Toetsing GNN-beleid

3.1

Inleiding

Voor de gemeente Doetinchem is de bestemming tussen km 40.3 en 41.6 vastgelegd in de beheersverordening9 (zie bijlage 2). Voor de gemeente Montferland zijn de enkel- en dubbelbestemming binnen het plangebied vastgelegd in het bestemmingsplan buitengebied10. Ter hoogte van het raakvlak met het GNN is in de huidige situatie de bestemming bos, agrarisch en verkeer aanwezig (zie Bijlage 1). Er dient ten behoeve van de ontwikkeling op GNN-gronden zonder Verkeer-railverkeersbestemming een bestemmingswijziging doorgevoerd te worden. Om de spoorverdubbeling mogelijk te maken wordt er een Provinciale Inpassingsplan (PIP) opgesteld en dient er getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Voor de GNN-gronden geldt dat een ontwikkeling in basis niet plaats mag vinden als deze leidt tot nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het GNN (artikel 2.39). Om dit vast te stellen dient een GNN-toets uitgevoerd te worden (artikel 2.40). Voor voorliggende ontwikkeling van het realiseren van een dubbelspoor is een dergelijke toets benodigd. In deze toets wordt gekeken of: a) er sprake is van een groot openbaar belang; b) er geen reële alternatieven zijn; c) de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende gevolgen gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Bovenstaande toetsing wordt in de volgende paragrafen besproken.

3.2

Groot openbaar belang

Hoewel de spoorlijn de drukte nu nog aankan, wordt verwacht dat de drukte in de treinen zal toenemen tot het hoogste niveau in Nederland 11. Zo vormt de lijn een knelpunt voor de verstedelijkingsopgave in de regio. Indien er geen maatregelen worden genomen, zal dit grote gevolgen hebben voor de bereikbaarheid, leefbaarheid en vestigingsklimaat van de regio. Naast de capaciteitsproblemen, is een belangrijke opgave de versnelling van de lijn. De spoorlijn is een succes, maar de gemiddelde snelheid is laag door de vele tussenstops en slechte overstappen op andere treindiensten. Doordat de spoorlijn vele reizigers bedient, is sprake van een groot openbaar belang.

3.3

Alternatievenafweging

De spoorverdubbeling tussen Didam en Doetinchem De Huet draagt bij aan een betere verbinding van de Achterhoek met grote steden als Arnhem en Utrecht. Dit is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de regio met betrekking tot de verstedelijkingsopgave in Nederland. Vanwege het al reeds aanwezige spoor zijn de werkzaamheden locatiegebonden. Zowel aan de noord- als zuidzijde van het spoor is GNN (en GO) aangewezen: de spoorlijn loopt hier dwars erdoorheen. Alternatieve routering is daardoor niet mogelijk. Hierdoor bestaat er geen alternatief waarbij het doel om een betere verbinding te maken wordt behaald en er tegelijkertijd minder tot geen nadelige gevolgen zijn voor het natuurgebied.

3.4

Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen deelgebied

Provinciaal beschermde natuurgebieden in de provincie Gelderland zijn opgedeeld in verschillende deelgebieden. Per deelgebied heeft de Provincie Gelderland de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld. Het projectgebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden als gevolg van voorliggend project ligt in deelgebied nr. 38 De Liemers Oost.

9 Gemeente Doetinchem (2022). Beheersverordening ‘Landelijke gebied – 2020, reparatie 2022’. 10 Gemeente Montferland (2022). Buitengebied, geconsolideerd (26 april 2022). 11

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (juni 2021). Integrale Mobiliteitsanalyse 2021.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

10/56

3.4.1 Kernkwaliteiten De Liemers Oost De kernkwaliteiten van De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ◼ Heideontginnings- kampen- en essenlandschap in het oosten, kom- en broekontginningen in het westen, dicht en kleinschalig in het oosten en steeds opener naar het westen en overgangen naar Montferland en het Rijnstrangengebied; ◼ Parel/A-locatie bos: De Bijvanck: landgoed met oude boslocatie met waardevolle bossen van rijkere bodems met bossoorten als bosanemoon en boszegge; ◼ Parel: Kwartierse Dijk: smalle, kronkelige dijk met zeer rijk stroomdalgrasland met vele zeldzame soorten; mogelijk leefgebied knoflookpad; ◼ Parel/A-locatie bos: Bosslag, eeuwenoud bos op oude rivierklei met overgangen naar zandiger gedeelten. Het eikenhaagbeukenbos is het meest waardevol; ◼ De EVZ Bingerden - Keppel en EVZ Veluwe - Montferland verbinden de Veluwe met Montferland en Duitsland: modellen das, kamsalamander (in het noorden). Deze verbinding is ook klimaatcorridor Veluwe - Eiffel (stuwwalcorridor); ◼ Leefgebied das; ◼ Leefgebied steenuil; ◼ Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen; ◼ Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir; ◼ Ecosysteemdiensten: recreatie, drinkwater, waterberging.

3.4.2 Ontwikkelingsdoelen De Liemers Oost voor GNN De ontwikkelingsdoelen van het GNN binnen De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ◼ Ontwikkeling oude, natte en droge bossen met bijbehorende flora en fauna; ◼ Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden; ◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Bingerden - Keppel met poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc.; ◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Veluwe - Montferland met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ◼ Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814; ◼ Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden; ◼ Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën; ◼ Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen; ◼ Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten.

3.5

Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen plangebied

Zoals eerder vastgesteld ligt het projectgebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in deelgebied De Liemers Oost (nr. 38) waarvoor kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld zijn. Het ruimtebeslag op het GNN vindt plaats op een beperkt deel van gebied De Liemers Oost. Van de genoemde kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen zijn er maar enkele die ook daadwerkelijk betrekking hebben op de gebieden waar ruimtebeslag op plaatsvindt. Hieronder wordt ingegaan op de kwalificerende kernkwaliteiten die betrekking hebben op gronden van het GNN die geraakt worden in het plangebied. 3.5.1 Kernkwaliteiten GNN plangebied EVZ Veluwe - Montferland: model das De Ecologische Verbindingszone (EVZ) die geraakt wordt door de spoorverdubbeling heeft de functie als EVZ voor de das. Het model das 12 bestaat uit een brede landschapszone wat opgebouwd is uit kleinschalig akker- en weidelandschap met bosjes, houtwallen en heggen. Deze lijnvormige elementen bieden dekking en geven geleiding aan de das op de weg tussen verblijfplaats en foerageergebied. 12

Provincie Gelderland (2022). Toelichting op de kernkwaliteiten. https://media.gelderland.nl/Tabel2_Toelichting_op_de_kernkwaliteiten_bdc000c892.pdf?updated_at=2022-1125T11:09:34.254Z

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

11/56

Bossen, bosranden en kleinschalig landschap zijn ook geschikt voor andere soorten fauna. Doelsoorten13 van het EVZ-model das zijn daarnaast de boomklever, geelgors, glanskop, grauwe klauwier, baardvleermuis, Bechsteinvleermuis, boommarter, bosvleermuis, bunzing, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en wezel. Door de ingreep wordt (potentieel) leefgebied van deze soorten geraakt en wordt het gebied voor grondgebonden zoogdieren moeilijker om te passeren. Om de functie van de EVZ te behouden moeten maatregelen worden genomen die het spoor passeerbaar houden. Ook voor kleinere soorten als de kamsalamander, waarvoor de EVZ in het noorden van gebied Liemers Oost (dus niet binnen maar nabij projectlocatie) is aangewezen, kan een grotere spoorverbinding leiden tot een groter obstakel in het landschap. Het natuurtype dat binnen het GNN geraakt wordt (bos met productie) is niet direct een natuurtype dat behoort tot het leefgebied van de kamsalamander. Enkel daar waar binnen dit natuurtype poelen voorkomen zal ook de kamsalamander voor kunnen komen. Binnen het deel dat door de voorgenomen ontwikkeling aangetast wordt, bevinden zich geen poelen. Voor de dispersie van de soort is het echter wel belangrijk om de barrière die het spoor vormt passeerbaar te houden/maken.

Leefgebied das Uit verspreidingsdata van dassen is bekend dat de soort in de wijdere omgeving van het projectgebied voorkomt. In 2021 en 2023 zijn tijdens een quickscan ecologie14 voor het plangebied en een quickscan ecologie15 voor de werkterreinen, op de locatie van het ruimtebeslag en de directe omgeving daaromheen geen burchten en/of pijpen van das aangetroffen. Er is daarom ook geen nader onderzoek uitgevoerd naar de aan- dan wel afwezigheid van de soort in verband met verplichtingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel mag door het aantreffen van wissels, graafsporen en dassenhaar aan hekwerk aangenomen worden dat het gebied door dassen gebruikt wordt als foerageergebied. Ook mag aangenomen worden dat de soort in de wijdere omgeving gevestigd is. De das komt voor in allerlei typen leefgebieden, maar heeft de voorkeur voor kleinschalig landschap met geleidingsstructuren, zoals heggen en houtwallen, en kleine bosjes. Echter zijn open terreinen ook essentieel leefgebied voor de soort en worden graslanden vaak gebruikt als foerageergebied om naar regenwormen en emelten te zoeken. Dassen gaan tot op een afstand van 1-4 kilometer van de burcht op zoek naar voedsel waarbij zij voldoende dekking nodig hebben.

Naast regenwormen, die het grootste deel van het voedsel vormen, eten zij onder andere ook bosvruchten, eikels, kevers en paddenstoelen 16. Door de ruime aanwezigheid van geschikt bosgebied en graslanden in de directe omgeving van het projectgebied, wordt een beperkt nadelig gevolg op de das verwacht door het verlies van areaal als gevolg van het project. De toename van versnippering als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt uiteindelijk als een groter risico voor de populatie aangezien het gebied onderdeel is van een grotere EVZ die loopt vanaf de Veluwe via het projectgebied naar Duitsland. Afname van oppervlakte van het gebied en verminderde passeerbaarheid van het spoor hebben uiteindelijk beide een nadelig gevolg op de dassenpopulatie in het gebied. Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen Het plangebied ligt in een oorspronkelijk heidegebied 17. Tussen 1825 en 1830 werd de Wehlse Heide ontgonnen en werd het Wehlse Bos aangeplant. Het bos is opgedeeld in twee landgoederen: ‘Het Stilliwald’ aan de oostzijde en ‘Het Jagershuis’ aan de westzijde van de spoorbaan. Het Wehlse bos is een rabattenbos. Bij de ontginning en bebossing werd alle aandacht geschonken aan ontwatering van 13

Holt, H. ten en Sierdsema H., 2022. Evaluatie ecologische verbindingszones in Gelderland. Bureau ZET-rapport 2022/4139. Sovon-rapport 2022/43. 14 Movares B.V. (2021). Quickscan flora en fauna Regio Expres. Effecten op beschermde gebieden en soorten. 15 Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen – Quickscan ecologie. 16 BIJ12 (2017). Kennisdocument das, versie 1.0. 17 De Stichting Vrienden van het Wehlse bos en landschap (2021). Wandelroute Het Wehlse bos. https://www.wehl.nl/wpcontent/uploads/2021/08/Wandelroute-Wehlse-bos.pdf

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

12/56

de lager gelegen delen. Daardoor ligt ook nu nog een groot deel van het bos op rabatten (langwerpige ophogingen). Vanaf het begin van de bebossing werden verschillende houtsoorten geëxploiteerd afhankelijk van de houtprijzen en de verwachte vraag. Daarnaast werd er geëxperimenteerd met verschillende houtsoorten; niet alleen met naaldhoutsoorten maar ook met loofhoutsoorten. Daardoor is het gevarieerde bosbeeld ontstaan zoals nu nog aanwezig is, met veel inheemse soorten zoals eik, beuk, berk en grove den en ook exoten zoals Douglas, tsuga en abiës. De spoorverdubbeling heeft ruimtebeslag op gronden van de landgoederen maar zal de cultuurhistorische waarden niet aantasten. Het bosbeeld wordt niet veranderd en de boscompensatie volgens het compensatieplan zal een bijdrage leveren aan een gevarieerd bosbeeld. Abiotiek: bodem Daar waar de ontwikkeling ruimte in beslag neemt op GNN- en GO-gronden wordt de bodem geroerd en gewijzigd. Buiten de projectgrenzen vinden geen gevolgen voor de bodem plaats. In de huidige situatie vindt reeds verontreiniging van de bodem door het treinverkeer plaats. Hierdoor zijn door de spoorverdubbeling geen aanvullende indirecte gevolgen voor de abiotiek van de bodem te verwachten. Daarnaast is op de locatie van de ontwikkeling een dubbelbestemming ‘Archeologische verwachting’ met een waarde van 1, 2, 5 en 6 vastgelegd (zie Bijlage 1).

Er is een archeologische toetsing uitgevoerd18 om de archeologische waarden in de bodem te bestemmen. Ecosysteemdiensten: recreatie Het Wehlse Bos is een wandelgebied19. Een groot aantal wegen is toegankelijk voor het publiek. Enkele stukken bos doen dienst als rustgebied voor wild en zijn daarom afgesloten voor publiek. Wandelwegen ten behoeve van de spoorverdubbeling worden niet geraakt. De toekomstige verhoogde frequentie van het treinverkeer zal wel voor een verhoogde geluidsbelasting zorgen. De functie van het Wehlse Bos als recreatiegebied blijft dus bestaan maar het zal in de omgeving van het spoor tot een beperkte mate aan waarde verliezen. 3.5.2 Ontwikkelingsdoelen GNN plangebied Naast de kernkwaliteiten zijn er ook ontwikkelingsdoelen vastgesteld voor het GNN. Onderstaand zijn de ontwikkelingsdoelen weergegeven die behoren bij bovenstaande kernkwaliteiten. Ontwikkeling oude, natte en droge bossen met bijbehorende flora en fauna De GNN-gronden die geraakt worden bestaan zowel uit vochtig als droog bos. Deze typen bos dienen gecompenseerd te worden waardoor op een locatie in de omgeving bos ontwikkeld wordt. Dit bos kan optimaal worden ingericht voor de lokaal voorkomende soorten flora en fauna als de das en bosvogels. Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden Door de ingreep worden bosranden verschoven maar gaan deze niet verloren.

Daarnaast kunnen door de aanplant van bos nieuwe bosranden aangelegd worden die bijdragen aan het beeld van een kleinschalig landschap, die voor soorten als de das leefgebied vormt. Ontwikkeling ecologische verbinding Veluwe - Montferland met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden Door het toevoegen van bosgebied en grasland en deze te laten aansluiten aan bestaande ecologische verbindingsstructuren kunnen deze bijdragen aan de ontwikkeling van de EVZ voor de das. Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden Door de aanleg van bos op een optimale manier in te richten, kan nieuw biotoop voor bosvogels maar ook voor bijvoorbeeld de steenuil ontstaan die in het kleinschalig landschap in de omgeving voorkomt.

18

ADC ArcheoProjecten (2023). RegioExpres Didam-Doetinchem. De Stichting Vrienden van het Wehlse bos en landschap (2021). Wandelroute Het Wehlse bos. https://www.wehl.nl/wpcontent/uploads/2021/08/Wandelroute-Wehlse-bos.pdf 19

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

13/56

Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen De aanleg van bos en grasland zou goed geïntegreerd kunnen worden in het bestaand bosbeeld met verschillende type bos en open plekken. Dan dragen de maatregelen bij aan cultuurhistorisch patronen. Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten Door de compensatie van bos met productie wordt oppervlakte met houtproductie toegevoegd aan het gebied. Daarnaast draagt de aanleg van bos bij aan diensten als koolstofopslag en regulatie/filtratie van water. 3.5.3 Natuurtypen GNN plangebied De ontwikkeling heeft tussen Didam en Wehl ruimtebeslag op gebieden die behoren tot het GNN en de GO. Bij het GNN gaat het om ruimtebeslag met een oppervlakte van 8.625 m2 (0,86 ha), voornamelijk aan de zuidzijde van het spoor. Zoals in paragraaf 1.2.2 is aangegeven betreft dit het oppervlakte ruimtebeslag zonder de gebieden bestemd als enkelbestemming verkeer-railverkeer. In Bijlage 1 zijn kaarten met het ruimtebeslag op het GNN en de bijbehorende natuurdoeltypen opgenomen. Het betreft ruimtebeslag op de volgende natuurtypen binnen het GNN: ◼ 5.436 m2 (0,54 ha) GNN zonder natuurtype.

Dit betreft gemaaid gras langs de spoorbaan buiten het huidige spoor; ◼ 218 m2 (0,02 ha) GNN met landschapselementtype ‘L01.07 Laan’; ◼ 724 m2 (0,07 ha) GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’; ◼ 2.247 m2 (0,22 ha) GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’. Het landschapselementtype ‘L01.07 Laan’ is aangewezen als wegen die aan beide zijden met één of meer rijen bomen zijn beplant. Binnen het ruimtebeslag van het landschapselementtype Laan worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen bomen gekapt waardoor de wezenlijke waarden en kenmerken van het landschapselementtype geen nadelige gevolgen ondervinden. Compensatie voor dit landschapselementtype is daarom niet nodig. Bos met productie betreft een bostype met dubbelfunctie. Enerzijds wordt natuur nagestreefd en anderzijds wordt houtproductie nagestreefd. Het betreffen veelal van oorsprong aangeplante bossen waarin het oogsten van bomen al onderdeel van het gevoerde beheer is. Aanwezige soorten zullen in enige mate op dit beheer aangepast zijn. Binnen dit bostype worden verschillende variaties aan boomsoorten teruggevonden en het type is met name terug te vinden op de hogere, droge zandgronden. Daar waar het relatief jongere bossen betreft met een lage abiotische kwaliteit (o.a. verzuring en vermesting; voedselrijk), is de diversiteit relatief laag.

In oudere bossen ligt er meer natuurpotentie, zeker daar waar een gevarieerde structuur en dood hout aanwezig is. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddenstoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels. Kwaliteitstoetsing natuurtypes De kwaliteit van de natuurtypes ‘N16.03 Droog bos met productie’20 en ‘N16.04 Vochtig bos met productie’21 wordt bepaald aan hand van structuurelementen, het voorkomen van soorten broedvogels, stikstofdepositie en ruimtelijke condities. Droog bos met productie Naast de quickscan is tijdens een aanvullend bezoek op 7 december 2022 een biotoopverkenning uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het gedeelte droog bos met productie waarop ruimtebeslag plaatsvindt, een slechte structuur met twee boomfases heeft, voornamelijk bestaand uit middeloude zomereik en struweel op open plekken (zie Figuur 3.1). Qua verspreiding kunnen alle kwalificerende soorten, behalve de wielewaal, worden aangetroffen. Vanwege de open structuur van het bos met weinig stamoppervlakte wordt het voorkomen van appelvink en boomklever niet verwacht. Ook worden de boomleeuwerik, keep, kleine bonte specht, sijs, vuurgoudhaan en zwarte specht niet verwacht omdat 20 21

BIJ12 (2018). N16.03 Droog bos met productie (nieuw per 01-01-2018). BIJ12 (2018). N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 01-01-2018).

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

14/56

hun leefgebied geen eikenbossen omvat. Wel kunnen op basis van de biotoop de fluiter, geelgors, groene specht, middelste bonte specht, raaf en wespendief aangetroffen worden. Deze soorten leven in eikenbossen met open plekken of een kleinschalig cultuurlandschap met bosjes. Het droog bos waarop ruimtebeslag door de ingreep plaatsvindt biedt dus broedgelegenheid en/of leefgebied voor zes kwalificerende soorten van het natuurtype. Dit indiceert een hoge kwaliteit van het bos voor flora en fauna. De achtergronddepositie van stikstof lag in 2020 tussen 1610-1742 mol per hectare per jaar (matige stikstofdepositie). Het gedeelte bos waarop ruimtebeslag plaatsvindt, is in de nabijheid (binnen 1 kilometer) van een boscomplex van meer dan 50 hectares gelegen waardoor het versterkt wordt door ruimtelijke samenhang met het overige bos. Vochtig bos met productie Het vochtige bos met productie waarop ruimtebeslag plaatsvindt, heeft een matige structuur met een gelaagde boomfase bestaand uit esdoorn, Amerikaanse eik, berk, zomereik, beuk en els, weinig dikke bomen en voornamelijk bramenstruweel op open plekken (zie Figuur 3.1). Qua verspreiding kunnen alle kwalificerende soorten, behalve de wielewaal, worden aangetroffen.

Het vochtige bos vormt biotoop voor de appelvink, boomklever, boomkruiper, fluiter, groene specht, grote bonte specht, kleine bonte specht, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal en sijs die allemaal in loofbossen kunnen voorkomen. Soorten als de appelvink en boomklever zijn meer in de dichte gedeeltes te vinden terwijl soorten als de fluiter, groene specht en matkop open plekken opzoeken. De nachtegaal maakt gebruikt van de goed ontwikkelde struiklaag, en soorten als de kleine bonte specht, middelste bonte specht en sijs hebben voorkeur voor nesten of voedsel in bepaalde boomsoorten als berk, els en/of beuk en/of eik. De keep, vuurgoudhaan en zwarte specht worden niet verwacht omdat hun leefgebied vooral uit naaldbossen bestaat. De blauwborst komt in natte gebieden zoals moerasbossen voor en kan daardoor ook uitgesloten worden. Dit betekent dat 12 van de kwalificerende soorten kunnen voorkomen in het vochtig bos dat door de spoorverdubbeling aangetast wordt. Dat wijst op een goede kwaliteit aan flora en fauna. De achtergronddepositie van stikstof lag in 2020 tussen 1610-1742 mol per hectare per jaar (matige stikstofdepositie). Het bos, waarop ruimtebeslag plaatsvindt, is onderdeel van een samenhangend boscomplex van meer dan 50 hectares en is daarmee gelegen binnen goede ruimtelijke condities.

Zowel het droge als het vochtige bos zijn gekenmerkt door een beperkte variatie in structuur, hoge ecologische kwaliteit, matige stikstofdepositie en goede ruimtelijke condities. Doordat het raakvlak met het GNN enkel een beperkte strook langs het spoor betreft zal het verdwijnen hiervan niet leiden tot een grote verstoring van de functies in het bos. Wel is het voor de continuering en borging van waarden en kenmerking van het GNN op de lange termijn van belang dat fysieke compensatie van de nadelige gevolgen voor oppervlakte en samenhang plaatsvindt. Dit vindt bij voorkeur plaats in nabijheid (binnen 1 kilometer) van het bestaande bos en op een manier dat de hoge ecologische kwaliteit van het GNN blijft behouden.

Figuur 3.1: Impressie van droog (links) en vochtig (rechts) bos met productie op de locatie.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

15/56

3.6

Compensatieplan GNN

Om de ecologische condities rond het projectgebied te borgen en te voldoen aan de vereisten uit de provinciale verordening, dient er ter compensatie van de nadelige gevolgen voor het GNN een compensatieplan opgesteld te worden (artikel 2.48 lid 1). Daarin wordt vastgelegd: ◼ hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd (zie paragraaf 3.6.1); ◼ hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden (zie hoofdstuk 5); ◼ hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd (zie paragraaf 3.6.2 en bijlagen 5 en 6); ◼ de locatie waar de nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders natuurnetwerk plaatsvinden (zie paragrafen 1.2.2, 3.4 en 4.5); ◼ de locatie waar gecompenseerd wordt (zie paragraaf 3.6.2). 3.6.1 Borging uitvoering fysieke compensatie De maatregelen die in de volgende paragrafen worden besproken worden geborgd doordat de compensatie- en versterkingsopgave als voorwaardelijke verplichting in het bijbehorende Provinciale Inpassingsplan (PIP) wordt opgenomen. 3.6.2 Omvang compensatie In artikel 2.48 lid 2a en lid 2e wordt gevraagd om in het compensatieplan inzicht te geven in de verzekering van de fysieke natuurcompensatie, de inrichting en de locatie.

In onderstaande paragraaf wordt besproken wat aangetast wordt en gecompenseerd en gemitigeerd dient te worden, en wat daardoor de compensatie- en mitigatie-opgave is. Daarna wordt besproken hoe de compensatie ingevuld wordt. Tenslotte wordt aangegeven hoe de uitvoering gewaarborgd wordt. In paragraaf 3.5.3 wordt besproken dat er geen nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten van het GNN ontstaan wanneer de samenhang en oppervlakte wordt gecompenseerd op een wijze die aansluit bij de reeds aanwezige natuurwaarden. De samenhang van het GNN wordt gewaarborgd door de realisatie van faunapassages die onderdeel van het versterkingsplan voor de GO vormen (zie paragraaf 4.4.1). Voor het compensatieplan is tevens gekeken naar het fysiek ruimtebeslag op het GNN, dat gecompenseerd dient te worden. Onderdeel van een compensatieplan is een beschrijving van het inrichten en beheren van de natuur gedurende de ontwikkeltijd en de locatie waar gecompenseerd wordt (artikel 2.48 lid 2). Het project resulteert in het volgende oppervlakteverlies van GNN-gronden: ◼ 5.436 m2 (0,54 ha) GNN zonder natuurtype. Dit betreft gemaaid gras langs de spoorbaan; ◼ 724 m2 (0,7 ha) GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’; ◼ 2.247 m2 (0,22 ha) GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’.

Voor het compenseren van oppervlakte dient naast de daadwerkelijke oppervlakte ook gekeken te worden naar de ontwikkeltijd van het natuurtype 22 om te bepalen of er een oppervlaktetoeslag toegevoegd dient te worden. Het grootste deel van het oppervlakte betreft geen natuurtype en bestaat uit gemaaid grasland langs de spoorbaan. Dit soort vegetatie heeft een ontwikkeltijd van minder dan vijf jaar, vandaar dat hiervoor geen toeslag geldt (artikel 2.50 lid 1a). Voor natuurtype bos met productie (vochtig of droog) geldt een ontwikkeltijd van 25 tot 100 jaar. Voor een natuurtype met dergelijke ontwikkeltijd dient een oppervlaktetoeslag van ⅔ toegevoegd te worden (artikel 2.50 lid 1c). Uiteindelijk komen de fysiek te compenseren oppervlaktes hiermee uit op het volgende: ◼ 5.436 m2 (0,54 ha) grasland; ◼ 1.207 m2 (0,12 ha) GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’; ◼ 3.746 m2 (0,37 ha) GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’. Dit betreft een totale compensatieopgave van 10.388 m2 (1,04 ha). 22

Provincie Gelderland (2022). Tabel: Ontwikkeltijd (in jaar) per natuurtype. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_731.pdf

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

16/56

3.6.3 Compensatielocaties Fysieke compensatie mag plaatsvinden op locaties buiten het GNN of op locaties die momenteel in de ambitiekaart aangeduid zijn als natuurtype N00.01 (artikel 2.39). N00.01 aangeduide gronden zijn gronden met een intensief agrarisch of ander verleden die een natuurbestemming krijgen. De compensatie wordt vastgelegd in het provinciale inpassingsplan (PIP) (artikel 2.50 lid 4 en 5). ProRail heeft drie percelen in landgoed Stilliwald voorzien om de GNN-compensatie te realiseren. Deze gebieden zijn aangeduid als natuurtype N00.01 (Figuur 3.2) en zijn niet binnen het GNN gelegen (Figuur 3.3). De percelen liggen niet in de EVZ-zone, welke het GNN en de GO aan de westzijde begrenst (zie figuur 1.1). Op de EVZ-zone vindt ook ruimtebeslag plaats. In samenspraak met de Provincie Gelderland is geconcludeerd dat de landgoederen van het Stilliwald ook al als EVZ ‘Das’ fungeren en extra natuurmaatregelen op de aangegeven compensatiepercelen ook bijdragen aan betere natuurverbinding. Hiervoor worden de volgende maatregelen getroffen: • Aanleg faunapassages onder het spoor (zie paragraaf 4.4.1); • Versterken bestaande houtsingels (zie paragraaf 4.4); • Realisatie mantel-zoomvegetaties en houtwallen (zie paragrafen 3.6.4 en 4.4.2). Daarmee voldoen de locaties aan de gestelde eisen vanuit de Omgevingsverordening.

Figuur 3.2: Ligging N00.001 gebieden (roze vlakken). De compensatiegebieden zijn met zwart omlijnd. Bron: Natuurbeheerplan Provincie Gelderland.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

17/56

A

B

C

D

Figuur 3.3: Ligging van compensatiegebieden ten opzichte van het GNN. Gebieden A, C en D betreffen percelen die worden ingericht ten behoeve van de compensatieopgave van het GNN. Ten westen en ten oosten van locatie B worden versterkingsmaatregelen voor de GO getroffen.

3.6.4 Inrichting en beheer natuur De basis van de fysieke compensatie is dat er gecompenseerd dient te worden door de realisatie van gelijkwaardige natuur23, namelijk ‘water’ mag alleen vervangen worden door ‘water’, ‘droog’ door ‘droog’ en ‘vochtig’ door ‘vochtig’ (artikel 2.50 lid 2 Omgevingsverordening Gelderland). Het is dus niet mogelijk droog bos met vochtig bos te compenseren. Hierbij mogen natuurbeheertypen gecompenseerd worden door een beheertype uit een gelijkwaardige of hogere categorie, dus algemene natuur (zoals bos met productie) kan vervangen worden door algemene natuur (categorie 1), bijzondere natuur (categorie 2) of topnatuur (categorie 3). De volgende natuurbeheertypes zijn aanwezig: Tabel 3.1: Overzicht ruimtebeslag op huidige natuurbeheertypes percelen Stilliwald.

Type

Oppervlakte (m2)

Cat

Abiotiek

Grasland

5.436

-

Droog

1.207

1

Droog

3.746

1

Vochtig

N16.03 Droog bos met productie N16.04 Vochtig bos met productie

Bij voorliggend project is gekozen om natuurbeheertypen met gelijkwaardige of kwalitatief betere natuur te compenseren. Hierdoor blijft leefgebied van de das behouden en sluit de compensatie aan bij het 23

Provincie Gelderland (2022). Gelijkwaardige natuurbeheertypen. https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc09/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc09_730.pdf

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

18/56

behoud van cultuurhistorische waarden en de recreatieve functie van het bos. Daarnaast levert zij een bijdrage aan de ontwikkeling van bossen/bosranden en biotopen voor vogels en doelsoorten van het EVZ-model das in dit gebied. Voorgenoemde kwaliteiten zijn ook gedefinieerd als kernkwaliteiten van het gebied (paragraaf 3.5.1). Gekozen is voor compensatie met de beheertypen (zie tabel 3.2): ◼ N12.02 kruiden- & faunarijk grasland; ◼ N10.02 vochtig hooiland; ◼ N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos. Er is voor de compensatie van het GNN gekozen om hele percelen in te richten als natuurtypen, waarmee een robuuste en aaneengesloten compensatie ontstaat. Dat betekent dat er netto meer gecompenseerd wordt dan strikt noodzakelijk. Dat wordt in onderstaande tabel weergegeven in de kolom 'Netto over (GO)'. Deze oppervlakken worden ingezet als versterking van de GO, wat beschreven wordt in paragraaf 4.4. Tabel 3.2: Overzicht versterking natuurbeheertypes percelen Stilliwald. Het oppervlakte wat overblijft wordt ingezet ter compensatie van de GO.

Perceel

A

C D

Type N12.02 kruiden- & faunarijk grasland N15.02 dennen-, eiken& beukenbos N10.02 vochtig hooiland N15.02 dennen-, eiken& beukenbos

Categorie

Abiotiek

Oppervlakte (ha)

Opgave GNN

Netto over (GO)

1

Droog

1,93

0,54

1,39

2

Droog

0,39

0,12

0,27

2

Vochtig

0,74

0,37

0,37

2

Droog

0,66

-

0,66

Zoals te zien is in de tabel worden beheertypes van het GNN vervangen door beheertypes van gelijkwaardige of hogere kwaliteit en van dezelfde types (‘droog’ door ‘droog’ en ‘vochtig’ door ‘vochtig’) in voldoende oppervlakte. De habitattypes grasland en bos worden ook gecompenseerd met hetzelfde habitattype, te weten grasland en bos, maar dan van hoogwaardigere kwaliteit. Voor de specifieke inrichtings- en beheermaatregelen en kaartmateriaal wordt verwezen naar het inrichtingsplan opgesteld door Bosgroepen in bijlage 5. Zie figuren 3.4 en 3.5 voor de ligging van de percelen. Op de percelen worden maatregelen getroffen om het gewenste natuurbeheertype te realiseren. Bij perceel A wordt daarbij langs het bestaande bos een mantelvegetatie aangelegd. Het perceel wordt ingeplant met struikvormers om een meer geleidelijke overgang te creëren tussen open terrein en bos. Op een aantal plaatsen wordt een jonge laanboom geplant om de bosrand robuuster te maken en te zorgen dat in de eerste jaren na aanleg de bomen niet worden weggeconcurreerd door de stuikvormers. Perceel C wordt ingericht als vochtig hooiland. Vrijgekomen grond wordt gebruikt om de bestaande paden op te hogen en om een aantal landbouwpercelen in de directe omgeving op te hogen en om een sloot/ greppel te dempen ten behoeve van de waterhuishouding.

Bij perceel D wordt ook een strook bos aangelegd (46 meter breed) met aan beide zijden een mantelvegetatie bestaand uit struikvormers (10 meter breed). Deze inrichting geeft een kwaliteitsimpuls aan de bospercelen buiten de compensatiegebieden (zachtere overgangen). Door vergelijkbare habitattypes terug te brengen en maatregelen te treffen om de nieuwe beheertypes aan te laten sluiten met de omgeving wordt ook voldaan aan artikel 2.40 lid c: …de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de nieuwe situatie zullen de aanwezige natuurwaarden van gelijkwaardige of betere kwaliteit zijn dan de huidige situatie.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

19/56

Figuur 3.4: Compensatie- en versterkingsplan GNN/GO. De compensatie van GNN betreft inrichting van percelen A, C en D.

Figuur 3.5: Compensatie- en versterkingsplan GNN/GO. De compensatie van GNN betreft inrichting van percelen A, C en D.

Zoals aangegeven in paragraaf 3.5.1 is het EVZ-model das een kernkwaliteit van het GNN. Om de functie van het EVZ te behouden moeten maatregelen genomen worden die het spoor passeerbaar

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

20/56

houden en dispersie bevorderen. Deze maatregelen, het aanleggen van faunapassages en waarborgen van oversteekplekken voor ree, worden reeds in het kader van de GO getroffen (zie paragraaf 4.4.1). Daarbij vormt de mantelvegetatie een structuur die aanvullende dekking kan bieden waardoor de verbinding met de omgeving sterker wordt. De compensatiegebieden worden daarbij als grasland ingericht, die als primaire, kwalitatief hoogwaardige voedselbron voor das kan functioneren (mits gras kort gehouden wordt). De andere soorten die naast das in het gebied voorkomen liften op deze opwaardering mee. De ontwikkelingsdoelen voor het GNN (paragraaf 3.5.2) hebben betrekking op: • het terugbrengen van zowel vochtig als droog bos; • het realiseren van nieuwe bosranden; • het ontwikkelen van EVZ door verbindingsstructuren aan te leggen met bosgebied en grasland; • nieuw biotoop voor bosvogels en steenuil; • verschillende types bos en open plekken; • meer oppervlakte voor houtproductie. Er worden drie types beheertypes gerealiseerd waardoor de inrichting aansluit bij het bestaande bosbeeld (verschillende types bos en open plekken). Het eerste ontwikkelingsdoel wordt deels behaald, omdat droog bos wordt teruggebracht (N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos). Dit oppervlakte kan tevens voor houtproductie functioneren, wat een ontwikkelingsdoel is.

De mantelvegetatie kan zowel nieuwe bosranden als verbindingsstructuren vormen. In het kader van de GO worden houtwallen aangelegd en bestaande singels versterkt, waarmee robuust verbindingen door het landschap ontstaan. Ook vormen de nieuwe ingerichte delen kwalitatief hoogwaardiger leefgebied dan het leefgebied wat in de huidige situatie aanwezig is.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

21/56

4

Toetsing GO-beleid

4.1

Inleiding

Bij ruimtebeslag met het GNN/GO dient aan de Omgevingsverordening worden getoetst, mits de ontwikkeling niet in de huidige bestemming past. Van de gemeente Montferland zijn enkel- en dubbelbestemmingen binnen het plangebied vastgelegd. Ter hoogte van het raakvlak met de GO gaat het om de bestemmingen agrarisch, water en verkeer (zie bijlage 1). Voor de gemeente Doetinchem is tussen km 40.3 en 41.6 voor de locatie waar de realisatie van dubbelspoor raakvlak heeft met de Groene Ontwikkelingszone (GO) een beheersverordening beschikbaar. Ter plaatse van het GO zijn de bestemmingen agrarisch, bos, verkeer, verkeer-railverkeer, en water aanwezig. Er dient ten behoeve van de ontwikkeling op GO-gronden zonder huidige verkeer-railverkeersbestemming een bestemmingswijziging doorgevoerd te worden. Hierom wordt er een Provinciale Inpassingsplan (PIP) opgesteld om de spoorverdubbeling mogelijk te maken en dient er getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland. Wanneer in onderstaande paragrafen gesproken wordt over het oppervlakte ruimtebeslag dat plaatsvindt op de GO, dan wordt ruimtebeslag bedoelt wat niet binnen de huidige bestemming past. Conform artikel 2.53a dient vastgesteld te worden wat voor nadelige gevolgen voorliggend project op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de GO heeft.

In de beschrijving van de resultaten worden de volgende punten besproken: ◼ Actuele en potentiële natuurwaarden (paragrafen 4.2 en 4.3); ◼ In de bij of krachtens de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode Lijsten (zie paragraaf 1.1.1); ◼ Ecologische samenhang (paragrafen 4.2 en 4.3). Bij de beschrijving van bovenstaande waarden worden ook kwaliteiten zoals water, bodem, lucht, stilte, rust en duisternis, en landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf besproken. Voor de GO-gronden geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen mag plaatsvinden als de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen na de ingreep per saldo worden versterkt, en de samenhang van de GO niet verloren gaat (artikel 2.52). Van belang is het versterken van de natuur; een compensatie van de oppervlakte is niet noodzakelijk. Het compenseren van te kappen houtopstanden in de GO staat in de Omgevingsverordening Gelderland wel voorgeschreven (artikel 2.54) maar is niet benodigd bij de voorgenomen ingreep aangezien er geen houtopstanden binnen de GO worden gekapt 24.

4.2

Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen deelgebied

Provinciaal beschermde natuurgebieden in de provincie Gelderland zijn opgedeeld in verschillende deelgebieden. Per deelgebied heeft de provincie de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld. Het projectgebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden ligt in deelgebied nr. 38 De Liemers Oost. 4.2.1 Kernkwaliteiten De Liemers Oost De kernkwaliteiten van De Liemers oost staan beschreven in ‘3.4.1 Kernkwaliteiten De Liemers Oost’. 4.2.2 Ontwikkelingsdoelen De Liemers Oost voor GO De ontwikkelingsdoelen voor de GO binnen De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ◼ Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden; ◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Oude IJssel-west met natuurlijkere oevers voor de Oude IJssel, poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc.;

24

Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Doetinchem.

B85-IVV-HS-RAP-22006022 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 6.0 / 24-11-2023

22/56

◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-noord met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ◼ Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-west met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ◼ Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814; ◼ Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden; ◼ Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën; ◼ Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen, en; ◼ Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten. De ontwikkelingsdoelen voor de ecologische verbindingszone (EVZ) met EVZ-model binnen De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ◼ 14. Montferland Noord (Reichswald Duitsland – Montferland – IJssel – Veluwe): das.

4.3

Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen plangebied

Zoals eerder vastgesteld ligt het projectgebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in deelgebied De Liemers Oost (nr. 38) waarvoor kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld zijn. Het ruimtebeslag op de GO vindt plaats op een beperkt deel van gebied De Liemers Oost. Van de genoemde kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen zijn er maar enkele die ook daadwerkelijk betrekking hebben op de gebieden waar ruimtebeslag op plaatsvindt. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Op de locatie van het projectgebied is de GO voornamelijk aanwezig in de vorm van landbouwpercelen. Bij ontwikkelingen in de GO moet rekening worden gehouden met de ecologische waarde die de locatie heeft. Dat betekent dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen die zijn opgenomen voor de GO versterkt dienen te worden, en maatregelen genomen moeten worden om de samenhang van de GO te behouden. Hieronder wordt ingegaan op de kwalificerende kernkwaliteiten die betrekking hebben op gronden van de GO die versterkt dienen te worden in het plangebied. 4.3.1 Kernkwaliteiten GO plangebied Kernkwaliteiten binnen de GO op de locatie van de spoorverdubbeling betreft de EVZ Veluwe – Montferland, het leefgebied das, evenals archeologische en recreatieve waarden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7962/documents/45164