Bijlage 2.3.08 - Natuur Deelrapport.pdf
Tekst van het document
RAPPORT
RegioExpres: Deelrapport Natuur
Versie: 4.0 Status: Vrijgegeven Datum: 27-11-2023 Kenmerk: A30--HS-RAP-23009300
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
Inhoudsopgave Inhoudsopgave
2
1
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 4 6
2
Aanpak: kaders & methodiek
7
2.1
Plan- & studiegebied
7
2.1.1 2.1.2
7 7
2.2
2.3
2.4
3
Plangebied Studiegebied
Beleidskader & wet- en regelgeving
9
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
Europees Rijk Provincie Gemeente
9 9 13 15
Beoordelingskader
16
2.3.1 2.3.2
16 17
Beoordelingscriteria en wijze van beoordelen Beoordelingsschaal
Onderzoeksmethodiek
19
2.4.1 2.4.2 2.4.3
19 20 21
Ingreep-effectrelaties Uitgevoerde onderzoeken Methodes
Huidige situatie, referentiesituatie en tijdelijke situatie
23
3.1
Huidige situatie
23
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6
23 23 26 26 27 28
3.2 3.3
4
Aanleiding en doel rapport Over de voorgenomen activiteit(en) Leeswijzer
Natura 2000-gebieden Natuurgebieden Provincie Gelderland Weidevogelgebied en ganzenrustgebied Beschermde soorten Houtopstanden en bomen Gemeentelijke groenstructuren
Autonome ontwikkelingen en referentiesituatie Tijdelijke situatie
33 33
Effectbeoordeling
35
4.1
Effecten
35
4.1.1 4.1.2
35 45
4.2
Tijdelijke effecten Permanente effecten
Mitigerende en compenserende maatregelen
57
4.2.1 4.2.2 4.2.3
58 58 61
Mitigatie Compensatie Versterking
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
4.2.4
Meekoppelkansen
62
Effectbeoordeling ná maatregelen
62
Monitoring, evaluatie & leemten in kennis
63
5.1 5.2
Monitoring & evaluatie Leemten in kennis
63 63
5.2.1 5.2.2 5.2.3
63 63 64
4.3
5
6
Beschermde soorten Natura 2000-gebieden – stikstofdepositie Natuurontwikkelingsgebieden
Conclusies
65
Bijlage 1 GGN-/GO-toets
68
Bijlage 2 GNN bijlage quickscan compensatiegebieden
69
Bijlage 3 GNN bijlage inrichtingsplan
70
Bijlage 4 GNN bijlage Biochemisch onderzoek
71
Bijlage 5 Quickscan spoorbaan
72
Bijlage 6 Quickscan spoorbaan actualisatie
73
Bijlage 7 Nader onderzoek spoorbaan
74
Bijlage 8 Quickscan bouwterreinen
75
Bijlage 9 Nader onderzoek bouwterreinen
76
Bijlage 10 Memo meekoppelkansen
77
Bijlage 11 Memo houtopstanden Wnb
78
Bijlage 12 AERIUS-notitie realisatiefase
79
Bijlage 13 AERIUS-notitie gebruiksfase
80
Bijlage 14 Emissiemeting Stadler passagierstrein met diesel en HVO
81
Bijlage 15 Overzicht soorten
82
Colofon
91
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel rapport
Voorliggend document beschrijft de resultaten van het deelonderzoek natuur ten behoeve van het milieueffectrapport (hierna: MER) van het project RegioExpres. In dit deelrapport wordt onderzocht welke milieueffecten voor dit thema te verwachten zijn als gevolg van de voorgenomen activiteit(en) en of en zo ja welke mitigerende en compenserende maatregelen kunnen worden genomen om deze milieueffecten te beperken. Het MER wordt samen met het Ontwerp Provinciaal Inpassingsplan (hierna: ontwerp PIP) in procedure gebracht en moeten leiden tot een definitief Provinciaal Inpassingsplan (PIP), waarna wordt overgegaan tot (voorbereiding van) realisatie van de voorgenomen activiteiten. Voor meer informatie over de procedure wordt naar het MER en het PIP verwezen.
1.2
Over de voorgenomen activiteit(en)
In de huidige situatie rijden er in beide richtingen op werkdagen vier stoptreinen per uur tussen Arnhem en Doetinchem, waarvan er twee doorrijden naar Winterswijk. Daarnaast rijdt tussen Arnhem en Zevenaar de trein naar Düsseldorf en wordt het spoor gedeeld met de ICE (Amsterdam-ArnhemFrankfurt) en de NightJet (Amsterdam-Frankfurt-Innsbruck). Naast capaciteitsproblemen is ook de gemiddelde snelheid laag op het traject door de vele tussenstops en sluiten treinen slecht op elkaar aan. Als er geen maatregelen worden genomen, hebben de toenemende drukte -die uiteindelijk zelfs leidt tot het punt dat reizigers in de ochtendspits niet meer in de gewenste trein passen- en langere reistijden grote negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid, leefbaarheid en het vestigingsklimaat in de regio. Begin 2018 heeft Provincie Gelderland daarom besloten om een brede verkenning te starten naar de de spoorverbinding. Hierin is samengewerkt met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, regio Achterhoek, ProRail, gemeenten en de vervoerders (Arriva en Connexxion). De oplossing is de RegioExpres: 1x per uur een snelle trein tussen de Achterhoek en Arnhem met aanvullend een verbeterde kwartiersdienst Arnhem-Doetinchem.
Met de uitvoering van het project RegioExpres wijzigt de dienstregeling naar één sneltrein tussen Arnhem en Doetinchem, die als stoptrein verder rijdt naar Winterswijk én vier stoptreinen tussen Arnhem en Doetinchem, waarvan er één als stoptrein doorrijdt naar Winterswijk. In de basis betekent dit dat er op het traject Arnhem-Doetinchem, in vergelijking met de huidige situatie, één extra (snel)trein per uur gaat rijden (in beide richtingen). De RegioExpres gaat alleen op werkdagen rijden tot 20:00 uur. Om dit mogelijk te maken zijn diverse infrastructurele maatregelen nodig. De meest vooraanstaande aanpassingen zijn: ▪ Spoorverdubbeling tussen Didam en Doetinchem De Huet; ▪ Tweede (extra) perron op stations Wehl en Doetinchem De Huet; ▪ Aanpassingen ter verbetering van de overwegveiligheid bij elf overwegen, deze liggen in de gemeenten Montferland en Doetinchem; ▪ Rondom station Doetinchem De Huet worden aanpassingen gedaan aan de openbare ruimte; ▪ Bouw van een relaishuis en keervoorziening ter hoogte van de Europaweg in Doetinchem; ▪ Een extra wissel ter hoogte van de Ringbaan-Oost (N336) in Zevenaar; ▪ Om het project te realiseren is ook de aanleg van tijdelijk bouwwegen en -terreinen noodzakelijk, deze worden nadien weer opgeheven.
Als gevolg van deze infrastructurele maatregelen zal ook de betrouwbaarheid en robuustheid van de dienstregeling hoger worden, wat ook leidt tot de verbeterde kwartiersdienst. Samen met de verbetering in capaciteit en snelheid ontstaat een aantrekkelijk alternatief voor de (dagelijkse) files op de A12 en A18.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
4 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Voor een nadere beschrijving van de voorgenomen activiteiten wordt verwezen naar het MER. Ter ondersteuning van bovenstaande toelichting zijn enkele figuren bijgevoegd: ▪ Figuur 1.1 toont het traject Arnhem-Winterwijk; ▪ Figuur 1.2 toont de huidige dienstregeling op het traject Arnhem-Doetinchem-Winterswijk; ▪ Figuur 1.3 toont de dienstregeling na introductie van de RegioExpres 1 keer per uur; ▪ Figuur 1.4 toont een overzicht van de te nemen spoor gerelateerde maatregelen ten behoeve van het project RegioExpres.
Figuur 1.1. Traject Arnhem-Winterswijk
Figuur 1.2. Huidige dienstregeling traject Arnhem-Doetinchem-Winterswijk
Figuur 1.3. Dienstregeling met introductie van de RegioExpres 1 keer per uur (per rijrichting)
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
5 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Figuur 1.4. Het project RegioExpres en de meest majeure spoor gerelateerde maatregelen
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de kaders & methodiek van het onderzoek beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de huidige situatie en autonome ontwikkeling (referentiesituatie). In hoofdstuk 4 worden de milieueffecten gepresenteerd en eventuele mitigerende en compenserende maatregelen toegelicht. In hoofdstuk 5 komen de monitoring, evaluatie en leemten in kennis aanbod. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de conclusies van het onderzoek gepresenteerd.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
6 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
2
Aanpak: kaders & methodiek
2.1
Plan- & studiegebied
Voor het MER van de RegioExpres maken we onderscheid in het plan- en studiegebied. Deze zijn in navolgende paragrafen toegelicht. 2.1.1 Plangebied Het plangebied is het gebied waarbinnen, op basis van het project en de milieueffecten, fysieke maatregelen nodig zijn. Dat gebied maakt onderdeel uit van het ruimtelijk besluit. Het plangebied voor het project RegioExpres is het traject vanaf spoorkilometer 48,643 (net ten westen van de RingbaanOost/N336 bij Zevenaar) tot en met spoorkilometer 33,867 (net ten westen van station Doetinchem). In Figuur 2.1 is dit gevisualiseerd. Ook wordt op een aantal locaties langs het spoor openbare ruimte aangepast om het project mogelijk te maken. Daarnaast wordt er natuur ontwikkeld op enkele percelen in Stilliwald (Wehl). Tijdens de realisatie van het project zijn tijdelijk bouwterreinen en -wegen nodig, deze maken ook onderdeel uit van plangebied en worden na afronding van de werkzaamheden teruggebracht in de staat van voor de start van de werkzaamheden.
Figuur 2.1. Plangebied van het project RegioExpres waarbinnen de fysieke maatregelen worden uitgevoerd.
2.1.2 Studiegebied Het studiegebied is het gebied waarbinnen het optreden van belangrijke milieueffecten op voorhand niet zondermeer kunnen worden uitgesloten. Deze effecten kunnen optreden door zowel de fysieke maatregelen aan het spoor als door het veranderde gebruik. De milieueffecten van de aanleg en het gebruik van de RegioExpres worden in het MER op thema onderzocht. De omvang van het studiegebied is per milieuthema verschillend en is maximaal het gebied vanaf station Arnhem tot en met station Doetinchem. Achtergrond hiervan is dat buiten dit gebied er geen wijzigingen plaatsvinden, niet fysiek en niet qua aantallen treinen en/of -snelheden. Het studiegebied van het deelonderzoek Natuur betreft zekerheidshalve een groter gebied dan het plangebied, onder andere vanwege de samenhang van populaties in en rondom het plangebied. Het studiegebied ligt tussen Zevenaar en Doetinchem-Oost en is onderstaande figuren 6 en 7 in beeld gebracht. De herinrichting van de natuurontwikkelingsgebieden, die voorzien zijn in Stilliwald, heeft invloed op het thema Natuur en is dus ook onderdeel van het studiegebied. Deze zijn overigens niet op onderstaande figuren getoond. De locaties zijn te vinden in Figuur 2.1.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
7 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Figuur 2.2 Ligging van het studiegebied ten opzichte van beschermde gebieden
Figuur 2.3 Detailkaart van waar het studiegebied raakvlak heeft met GNN, GO en EVZ
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
8 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
2.2
Beleidskader & wet- en regelgeving
2.2.1 Europees Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In deze richtlijnen wordt aangegeven welke planten en dieren en hun natuurlijke habitats (leefgebieden) beschermd moeten worden door de lidstaten van de Europese Unie. De Vogelrichtlijn (VR) is gericht op in het wild levende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn (HR) is gericht op dier- en plantensoorten. De richtlijnen zorgen voor gebieds- en soortenbescherming in Europa. De gebieden worden aangewezen als speciale beschermingszone en worden ‘Natura 2000’ genoemd. Samen moeten deze gebieden uiteindelijk een coherent Europees ecologisch netwerk vormen. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. 2.2.2 Rijk In Nederland zijn de internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming (Wnb). In hoofdlijnen is de Wnb in het leven geroepen om biodiversiteit in Nederland te beschermen.
Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij provincies. In artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming is aangegeven in welke gevallen de Minister van LNV bevoegd gezag is. Dit is het geval bij een spooraanpassingen aan een hoofdspoorweg. Daarom is het ministerie van LNV het bevoegd gezag aangaande spooraanpassingen in de zin van het project RegioExpres. 2.2.2.1 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wnb. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV.
Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanlegfase en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan deze stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Als de berekeningen met AERIUS aangeven dat er geen toename is van stikstofdepositie (gelijk aan of kleiner dan 0,00 mol N/ha/jaar), kunnen significante effecten als gevolg van stikstofdepositie van tevoren worden uitgesloten. In dat geval is er geen vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie.
Als de berekening echter aangeeft dat er een toename is van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar), maar aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, is er ook geen vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming: ▪ In een ecologische beoordeling (voortoets) is volledig uitgesloten dat stikstofgevoelige habitattypen of habitats van soorten verslechteren, ondanks de toename van de depositie. ▪ Na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie niet groter dan 0,00 mol N/ha/jaar.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
9 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiële bouwvrijstelling, die sinds 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden, net zoals voor de gebruiksfase. Hiertoe dient een projectspecifieke AERIUS-berekening uitgevoerd te worden waarin alle stikstof emissiebronnen opgenomen worden en berekend wordt of deze emissiebronnen leiden tot stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Als uit de berekening blijkt dat er een toename is van stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) en niet aan een van de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, is er een vergunning vereist op basis van de Wet natuurbescherming. Een vergunning kan worden verleend als uit een passende beoordeling, eventueel met extern salderen, en na eventuele succesvolle doorloop van de ADC-toets blijkt dat er geen risico's zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden.
Voortoets en passende beoordeling Bij het plannen van activiteiten in of in de nabijheid (externe werking) van een Natura 2000-gebied moet de initiatiefnemer in een verkennende fase (voortoets) onderzoeken of het plan mogelijk aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000gebied. Met "externe werking" wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied invloed kunnen hebben op de natuurwaarden binnen het gebied. Als uit dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit aanzienlijke negatieve gevolgen heeft, moet de initiatiefnemer gedetailleerder in kaart brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn, met inbegrip van eventuele benodigde mitigatiemaatregelen. Dit wordt een "passende beoordeling" genoemd. Het bevoegd gezag beoordeelt deze passende beoordeling. Als uit de passende beoordeling blijkt dat de activiteit alsnog niet leidt tot aanzienlijke negatieve effecten, kan de activiteit doorgaan. Als uit de verkennende fase blijkt dat er een kans bestaat op een negatief effect, maar dit effect niet als significant wordt beschouwd, kan ook op basis van een verslechteringstoets toestemming worden verleend om de activiteit uit te voeren.
Als uit de passende beoordeling blijkt dat aanzienlijke negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgaan op basis van de "ADC-criteria". Dit betekent dat: ▪ A: er geen alternatieve oplossingen zijn voor het plan; ▪ D: er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en; ▪ C: de initiatiefnemer vooraf en tijdig compenserende maatregelen neemt. 2.2.2.2 Soortenbescherming De Wnb maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. e.v. Wnb. Artikel 3.1 Wnb 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de verbodsbepalingen. Deze aanvraag wordt getoetst op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging);
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
10 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
▪
▪
Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Habitatrichtlijn Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v. Wnb. Artikel 3.5 Wnb 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wnb geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 Wnb.
Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ▪ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; ▪ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v. Wnb. Artikel 3.10 Wnb Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
11 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op: ▪ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ▪ Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; ▪ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen.
2.2.2.3 Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wnb worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Het voornaamste onderscheid wordt gemaakt op basis van de locatie. Houtopstanden welke binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom Wnb vallen, zijn namelijk uitgezonderd en worden niet onder de Wnb beschermd. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente. Een houtopstand onder de Wnb wordt gezien als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: 1) een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of; 2) bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaalaantal rijen. De Wnb is volgens artikel 4.1 niet van toepassing bij: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d.
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. Ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wnb stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij de provincie of het RVO moet worden gedaan. Het RVO is bevoegd gezag voor bomen en houtopstanden bij hoofdspoorwegen en andere uitzonderingen, de provincie is bevoegd gezag wanneer
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
12 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
geen uitzonderingen van toepassing zijn. Het bevoegd gezag bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan bevoegd gezag ontheffing verlenen door de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting. Herbeplanting kan niet plaatsvinden als sprake is van een oude bosgroeiplaats (Omgevingsverordening artikel 3.91 lid 2 sub h). 2.2.2.4 Rode Lijst-soorten Het Verdrag van Bern vereist dat Nederland zorgt draagt voor bedreigde en kwetsbare soorten. Daarom is de Rode Lijst opgesteld, waarop deze soorten worden vermeld. De Rode Lijst heeft via de AMvB Besluit Rode Lijsten flora en fauna een wettelijke status gekregen om de artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Bern te implementeren.
De Rode Lijsten omvatten verschillende soortgroepen, zoals zoogdieren, vogels, bijen en vlinders, en worden periodiek vastgesteld op basis van trend en zeldzaamheid. Hoewel de Rode Lijsten op zichzelf geen juridische status hebben, dienen ze als belangrijke indicatoren voor het beleid. Ze geven de staat van de natuur aan en kunnen invloed hebben op het beschermingsbeleid voor specifieke soorten. Volgens de Wet natuurbescherming moeten de Rode Lijsten worden opgenomen in de natuurvisie en moeten provincies maatregelen nemen voor het behoud en herstel van soorten op de Rode Lijsten. Soorten op de Rode Lijst krijgen een hogere prioriteit bij beschermingsmaatregelen, zoals het verbeteren van hun leefgebieden. De Rode Lijst-soorten spelen ook een rol bij het Natuurnetwerk Nederland. De soorten worden van belang geacht voor het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland. Ook kan de Rode Lijst van invloed zijn bij het maken van uitzonderingen op de verboden handelingen in het kader van natuurbeschermingsregimes. De staat van instandhouding van een soort, zoals aangegeven op de Rode Lijst, is een belangrijke factor bij het beoordelen van dergelijke uitzonderingen. 2.2.3
Provincie
In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland worden meerdere gebieden aangewezen die ten dienste staan van het onderling verbinden van natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. De gebieden worden in onderstaande paragrafen nader toegelicht. 2.2.3.1 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de Provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De Provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid en kwaliteit van de Gelderse natuur. Het GNN bestaat uit een stelsel van onderling verbonden natuurgebieden in de Provincie Gelderland. Om deze natuurgebieden te beschermen en de samenhang te versterken is het doel om de natuurgebieden uit te breiden en verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO) aan te leggen. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN en waar bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met de ecologische waarde die de locatie heeft. De hoofdregel voor de bescherming van het GNN staat beschreven in artikel 2.39 van de provinciale Omgevingsverordening.
Als er sprake is van nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk moeten negatieve gevolgen voor de kernkwaliteiten en samenhang volledig gemitigeerd en voor de oppervlakte volledig gecompenseerd worden. Als er per saldo geen sprake is van negatieve gevolgen, kan de ingreep plaatsvinden. Is er per saldo wel sprake van negatieve gevolgen, kan de ingreep alleen plaatsvinden door middel van een 'Nee, tenzij toets’ met ADC-achtige kenmerken (artikel 2.40).
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
13 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Voor ontwikkelingen in de GO geldt artikel 2.52 van de provinciale Omgevingsverordening. De kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van de GO moeten worden versterkt en de samenhang van de GO mag niet verloren gaan. Met betrekking tot provinciaal beschermde natuurgebieden past de Provincie Gelderland geen externe werking toe. Dit houdt in dat alle activiteiten die buiten deze gebieden plaatsvinden niet getoetst hoeven te worden aan dit kader. Tevens kan een activiteit plaatsvinden, indien deze op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan uitgevoerd mag worden. Het spoortraject dat gelegen is langs het Gelders Natuurnetwerk en binnen de Groene Ontwikkelingszone heeft geen toegewezen bestemming conform een bestemmingsplan die de voorgenomen ontwikkeling zondermeer toestaat. Derhalve dient op dit traject wel getoetst te worden aan het provinciale beleid aangaande natuurgebieden. 2.2.3.2 Bescherming Houtopstanden (provinciaal) Voor beschermde houtopstanden Wnb geldt een meldingsplicht bij de Provincie Gelderland. Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt ten minste zes weken en niet langer dan één jaar voorafgaand aan de werkzaamheden (artikel 3.87 Provinciale verordening Gelderland 2023). Een bosbouwkundige herbeplanting moet voldoen aan de eisen uit artikel 3.88 Omgevingsverordening Gelderland 2023.
Artikel 3.88 Omgevingsverordening Gelderland 2023 1. Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming voldoet aan de 50 volgende eisen: a. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste gelijk aan de gevelde of teniet gegane oppervlakte; b. de boomsoorten van de herbeplanting zijn geschikt om, gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse, uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. door de te hanteren plantafstand van de herbeplanting ontstaat binnen een periode van tien jaar een gesloten kronendak; d. de herbeplanting bestaat niet uit soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse; e. de herbeplanting bestaat niet uit tuinsoorten en sierheesters; f. binnen Natura 2000 gebieden brengt de herbeplanting geen schade toe aan de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming; g. met de herbeplanting wordt binnen tien jaar een uitgangssituatie gerealiseerd die op termijn tenminste leidt tot vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden in verhouding tot de gevelde of teniet gegane houtopstand. 2. In afwijking van het eerste lid, onder c, geldt voor laanbomen een maximale plantafstand van tien meter.
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing van herbeplanting op andere grond verlenen wanneer artikel 3.91 uit de Omgevingsverordening Gelderland in acht wordt genomen: Artikel 3.91 Omgevingsverordening Gelderland 2023 1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wnb, als: a. de te vellen of teniet gegane houtopstand wordt vervangen door heide, schraalland, een poel of een biotoop voor bijzondere planten of dieren; b. de te vellen of teniet gegane houtopstand gelegen is in een boskern, bestaand uit een aaneengesloten complex van houtopstanden met oppervlakte van ten minste vijf hectare, en de herbeplanting op andere grond een uitbreiding van diezelfde boskern of een elders gelegen boskern van die omvang tot stand brengt; c. de houtopstand geveld wordt of teniet gaat ter uitvoering van een ruimtelijke ingreep in overeenstemming met een onherroepelijk bestemmingsplan, of d. de herbeplanting op andere grond een gunstigere invloed heeft op het landschap dan herbeplanting op dezelfde grond
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
14 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
2. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing als: a. de andere grond is gelegen buiten de Provincie Gelderland; b. op de andere grond reeds sprake is van een verplichting tot herbeplanting; c. op de andere grond een plicht tot mitigerende maatregelen of compensatie rust op grond waarvan bomen worden aangeplant; d. voor herbeplanting op de andere grond subsidie is aangevraagd op grond van de Regels Ruimte voor Gelderland 2016, paragraaf 4.8, Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk; e. de herbeplanting op andere grond een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden in het gebied waarin de andere grond is gelegen; f. de gevelde of teniet gegane houtopstand een landschapselement betreft of een andere kleine houtopstand met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; g. de gevelde of teniet gegane houtopstand bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wnb, of h. de gevelde of teniet gegane houtopstand een oude bosgroeiplaats betreft waar voorafgaand aan de velling of het teniet gaan ten minste 100 jaren onafgebroken bos heeft gestaan. Artikel 3.91 lid 2 sub h stelt dus dat geen ontheffing voor herbeplanting mogelijk is voor oude bosgroeiplaatsen.
Wat gedefinieerd wordt als oude bosgroeiplaatsen is in overleg met de Provincie Gelderland bepaald en wordt gebaseerd op historische gegevens van de omgeving. 2.2.3.3 Weidevogelgebied en ganzenrustgebied Betreffende weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden staan de volgende instructieregels in het de Omgevingsverordening (Figuur 3.3): Artikel 2.51a Omgevingsverordening Gelderland 2023 Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied laat het: a. in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe; en b. een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels Artikel 2.41b Omgevingsverordening Gelderland 2023 Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als ▪ uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en ▪ na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft. 2.2.4
Gemeente
2.2.4.1 Montferland Conform de APV van de gemeente Montferland is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te rooien als deze op de bomenlijst staan of een diameter groter dan 50 cm op 1,30 meter stamhoogte boven het maaiveld hebben (artikel 4.11). Dit betreft bomen binnen de bebouwde kom Wnb. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen. Het groenstructuurplan van de gemeente Montferland is een beleidsnota voor het behoud en de ontwikkeling van het groen binnen de gemeente. De gemeente Montferland heeft voor iedere kern een uitgebreide vertaling van de visie gevat in een eigen werkboek. Monumentale en beeldbepalende bomen zijn reeds beschermd. In het groenstructuurplan van Montferland wordt die bescherming herbevestigd. Daarnaast worden in het groenstructuurplan ook andere elementen die essentieel zijn voor de groenstructuur in de kernen beschermd.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
15 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
2.2.4.2 Doetinchem Conform de bomenverordening van de gemeente Doetinchem is het verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te rooien als deze op de bijzondere bomenlijst staan, het een openbare boom betreft met een stamomtrek van meer dan 60 cm of een particuliere boom met een stamomtrek van meer dan 120 cm op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld (artikel 2 lid 4 en 5). Deze regelgeving geldt voor zowel binnen als buiten de bebouwde kom Wnb. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen. Provinciale en gemeentelijke kaarten zijn gecombineerd en aangevuld tot de Groenstructuurkaart Doetinchem 2017. De groenstructuurkaart bestaat uit drie deelkaarten: West (Wehl en omgeving), Midden (stad Doetinchem en omgeving) en Oost (Gaanderen en omgeving). Bij het samenstellen van de groenstructuurkaart staat de opgave ‘creëren van de groene waas’ uit de Structuurvisie 2035 centraal. De kaarten West en Midden zijn relevant voor onderhavig project. 2.2.4.3 Houtopstanden buiten bebouwde kom Houtopstanden zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) als zij buiten de bebouwde kom Wnb staan en onderdeel uitmaken van een oppervlakte bos van meer dan 10 are (1.000 m 2) of van een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat (artikel 1.1 lid 1 Wnb).
Indien zij niet onder een uitzondering zoals genoemd in artikel 4.1 van de Wnb vallen geldt een meldingsplicht en herplantplicht. Dit moet worden afgestemd met de Provincie Gelderland. De APV van de gemeente Montferland heeft geen betrekking op bomen buiten de bebouwde kom Wnb. Bomen buiten de bebouwde kom Wnb van de gemeente Doetinchem kunnen zowel onder de bomenverordening als beschermde houtopstanden Wnb vallen.
2.3
Beoordelingskader
2.3.1 Beoordelingscriteria en wijze van beoordelen In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) RegioExpres d.d. 27-09-2022 is het beoordelingskader vastgesteld. Voor alle milieuthema’s zijn in het beoordelingskader de aspecten en bijbehorende criteria vastgesteld. De permanente effecten tijdens de gebruiksfase worden onderzocht en, indien relevant, de tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase. Navolgende tabel toont het beoordelingskader voor het deelonderzoek natuur. De tabel wijkt af van hetgeen aangegeven in de NRD, maar voldoet minimaal aan het beoordelingskader. Voor het overzicht zijn de aspecten in drie thema’s ondergebracht. Tabel 2.1 Beoordelingskader (wijze beoordeling) deelonderzoek
Thema en aspect Natuur Beschermde gebieden
Beschermde soorten en Rode Lijst-soorten Beschermde houtopstanden
Criterium
1. Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – stikstof 2. Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – overige aspecten 3. Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) 4. Ecologische verbindingszones 5. Weidevogelgebied en ganzenrustgebied 6. Beschermde dier- en plantsoorten Wnb 7. Rode Lijst-soorten 8. Houtopstanden Wnb 9. Provinciaal beleid houtopstanden 10. Gemeentelijk beleid houtopstanden 11. Gemeentelijke groenstructuren
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
Wijze van beoordelen Kwantitatief en kwalitatief
Kwalitatief Kwantitatief
16 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
2.3.2 Beoordelingsschaal De beoordeling van dit deelonderzoek wordt uitgevoerd op basis van onderstaande scoretoekenning, dit is afgeleid uit het vastgestelde NRD. Omdat positieve effecten bij een infrastructurele ontwikkeling zoals de RegioExpres uit te sluiten zijn, is ten behoeve van de scoring een 3-puntsbeoordelingsschaal gebruikt. In onderstaande overzichten is per aspect aangegeven welke beoordelingscriteria zijn gehanteerd. De beoordeling vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie. Dat is de huidige situatie inclusief autonome ontwikkeling. Tabel 2.2 Beoordelingsschaal Instandhoudingsdoelen Natura 2000 - Stikstof
Score ++
Kwalitatief oordeel Zeer positief effect
+
Positief effect
0
Geen/Neutraal effect
-
Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Sterke afname van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden met significante gevolgen voor het gebied. Afname van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden zonder significante gevolgen voor het gebied. Geen verandering van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Stijging van de stikstofdepositie op Natura 2000gebied, maar geen significante gevolgen voor het gebied. Stijging van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied met significante gevolgen voor het gebied. Extern salderen en/of ADC-toets is nodig.
Tabel 2.3 Beoordelingsschaal Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – overige aspecten
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+ 0 -
Positief effect Geen/Neutraal effect Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Sterke verbetering van de natuurwaarden met instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied. Verbetering van Natura 2000-gebied. Geen effecten binnen Natura 2000-gebied. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied, maar significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten. Significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Compensatie en ADCtoets zijn nodig.
Tabel 2.4 Beoordelingsschaal Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0 -
Geen/Neutraal effect Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Sterke verbetering van de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN. Verbetering van de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN. Geen effecten binnen het GNN. Raakvlak met het GNN, maar er is geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN. Nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
17 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Tabel 2.5 Beoordelingsschaal Groene Ontwikkelingszone (GO) en Ecologische Verbindingszone (EVZ)
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0 -
Geen/Neutraal effect Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Sterke verbetering van de samenhang, kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GO (inclusief EVZ). Verbetering van de samenhang, kernkwaliteiten en/of ontwikkelingsdoelen van het GO (inclusief EVZ). Geen effecten binnen de GO. Raakvlak met de GO, de kernkwaliteiten (inclusief EVZ) en/of ontwikkelingsdoelen moeten per saldo worden versterkt, maar de samenhang gaat niet verloren. Raakvlak met de GO, de kernkwaliteiten (inclusief EVZ) en/of ontwikkelingsdoelen moeten per saldo worden versterkt. Samenhang gaat ook verloren.
Tabel 2.6 Beoordelingsschaal weidevogelgebied en ganzenrustgebied
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0
Geen/Neutraal effect
-
Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Sterke verbetering en/of uitbreiding van weidevogelgebied en/of ganzenrustgebied. Verbetering en/of uitbreiding van weidevogelgebied en/of ganzenrustgebied. Geen effect op weidevogelgebied en/of ganzenrustgebied. Aantasting van weidevogelgebied of ganzenrustgebied, maar geen nadelige gevolgen voor de functies als broedgebied voor weidevogels en/of rustgebied voor overwinterende ganzen. Aantasting van weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Nadelige gevolgen voor de functie als broedgebied voor weidevogels en/of rustgebied voor overwinterende ganzen.
Tabel 2.7 Beoordelingsschaal beschermde dier- en plantsoorten
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0
Geen/Neutraal effect
-
Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Verbetering of uitbreiding van leefgebieden van HRLsoorten en/of vogels met jaarrond beschermde nestplaats. Verbetering of uitbreiding van leefgebieden van nationaal beschermde soorten en/of algemene broedvogels. Geen aantasting of verbetering van leefgebieden van beschermde soorten. Aantasting of verlies van leefgebieden van nationaal beschermde soorten en/of algemene broedvogels. Aantasting of verlies van leefgebieden van HRL-soorten en/of vogels met jaarrond beschermde nestplaats.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
18 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Tabel 2.8 Beoordelingsschaal Houtopstanden
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0 -
Geen/Neutraal effect Negatief effect
--
Sterk negatief effect
Kwantitatieve score Aanzienlijke uitbreiding van areaal van houtopstanden (meer dan 100 bomen). Uitbreiding van areaal van houtopstanden (>0 tot 100 bomen). Geen wijziging van houtopstanden. Afname van houtopstanden (minder dan 100 bomen), waarbij kap op oude bosgroeiplaatsen is uitgesloten. Sterke afname van houtopstanden (meer dan 100 bomen) en/of er moeten bomen op oude bosgroeiplaatsen gekapt worden.
Tabel 2.9 Beoordelingsschaal Gemeentelijke groenstructuurplannen
Score
Kwalitatief oordeel
++
Sterk positief effect
+
Positief effect
0 -
Geen/Neutraal effect Negatief effect
--
Sterk negatief effect
2.4
Onderzoeksmethodiek
2.4.1
Ingreep-effectrelaties
Kwantitatieve score Versterking van functionaliteit en uitbreiding groenstructuur. Versterking functionaliteit of uitbreiding van groenstructuur. Geen effect op gemeentelijke groenstructuurplannen. Raakvlak met groenstructuur maar functionaliteit van de groenstructuur blijft behouden. Raakvlak met groenstructuur waarbij de functionaliteit van de groenstructuur zal verdwijnen.
2.4.1.1 Oppervlakteverlies Oppervlakteverlies door (tijdelijk) ruimtegebruik bij de realisatie en aanwezigheid van de maatregelen aan het spoor kan leiden tot verkleining en/of versnippering van habitats en/of leefgebieden van dieren. Hierdoor kunnen de populaties van specifieke soorten kwetsbaar worden door de gevolgen van predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Oppervlakteverlies vindt plaats op de locaties waar ingrepen binnen het plangebied overlappen met habitattypen en leefgebieden van beschermde soorten. 2.4.1.2 Barrièrewerking Barrièrewerking neemt toe wanneer de mogelijkheden om het spoor te kruisen verminderen. Dit zal worden onderzocht middels het vergelijken van de huidige situatie ten aanzien van beschermde soorten met de toekomstige situatie, aan de hand van de onderzoeken, bureaustudie en ontwerptekeningen. 2.4.1.3 Verstoring (licht, geluid, trillingen) Diersoorten kunnen in hun natuurlijk gedrag gestoord worden door aanwezigheid van door mensen veroorzaakte verstoringsbronnen. Geluid, trillingen, licht en visuele verstoring kunnen dan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Langdurige verstoring van natuurlijk gedrag kan nadelige gevolgen hebben voor de populatie van een soort. Onder visuele verstoring wordt verstoring als gevolg van aanwezigheid en beweging van materieel en mensen verstaan.
2.4.1.4 Verzuring en vermesting Zowel in de realisatiefase als exploitatiefase worden verzurende en vermestende stoffen (vooral NO x) geëmitteerd door treinen, voertuigen en installaties. Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
19 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten op habitattypen veroorzaken, zoals vergrassing of verruiging. Ook soorten die afhankelijk zijn van een bepaald habitat kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Een risico op effecten is met name aanwezig als de situatie overbelast is. Van overbelasting is sprake als de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde. 2.4.2 Uitgevoerde onderzoeken Om de effecten van het project RegioExpres op het aspect natuur te onderzoeken zijn verschillende achterliggende onderzoeken uitgevoerd. In Tabel 2.10 is weergegeven wat er onderzocht is en in welke bijlage het achterliggende rapport te vinden is. Tabel 2.10 Uitgevoerde onderzoeken voor het thema natuur
Rapport AERIUS-berekeningen Toetsing GNN en GO (met als bijlage quickscan natuurontwikkelingsgebieden, biogeochemisch onderzoek en inrichtingsplan) Quickscan ecologie spoorbaan
Quickscan ecologie bouwterreinen
Nader onderzoek spoorbaan
ecologie
Omschrijving Stikstofdepositie van het project. Toetsing van het project aan het beleid betreffende GNN en GO waarbij beoordeling wordt gegeven of de voorgenomen ingrepen en activiteiten strijdig zijn met het vigerende beleid. Toetsing van de voorgenomen ingrepen en activiteiten aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur. Middels een bureaustudie en biotoopverkenning is een eerste indruk over het de natuurwaarden in het studiegebied verkregen en wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen. Toetsing van de voorgenomen ingrepen en activiteiten ten behoeve van de bouwterreinen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur. Middels een bureaustudie en biotoopverkenning is een eerste indruk over het de natuurwaarden in het studiegebied verkregen en wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen. Uit de quickscan spoorbaan is gebleken dat er nader onderzoek nodig is naar vogels met jaarronds beschermde nesten en vleermuizen. In dit rapport is dit aanvullend veldonderzoek toegelicht.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
Bijlage Bijlage 12 en Bijlage 13 Bijlage 1
Bijlage 5
Bijlage 8
Bijlage 7
20 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Rapport Nader onderzoek bouwterreinen
Memo houtopstanden Wnb
2.4.3
ecologie
Omschrijving Uit de quickscan bouwterreinen is gebleken dat er nader onderzoek nodig is naar vogels met jaarronds beschermde nesten, vaatplanten, zoogdieren, reptielen en ongewervelden. In dit rapport is dit aanvullend veldonderzoek toegelicht. Middels een bomeninventarisatie zijn mogelijk te kappen bomen in kaart gebracht en is vastgesteld onder welke wet- en regelgeving zij vallen.
Bijlage Bijlage 9
Bijlage 11
Methodes
2.4.3.1 Beschermde gebieden Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen omvatten: Natura 2000gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) inclusief de Ecologische Verbindingszones (EVZ), weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden in de Provincie Gelderland. Hierbij zijn de brongegevens van de Provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000-gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De Provincie Gelderland past met betrekking tot het GNN, weidevogelrustgebied en ganzenrustgebied geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn.
Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor GNN-gebied. 2.4.3.2 Beschermde soorten Ten behoeve van het nader onderzoek naar beschermde soorten is heeft een bureaustudie en een oriënterend veldbezoek plaatsgevonden. Bureaustudie Tijdens de bureaustudie is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens voor beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het studiegebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van minimaal 2 kilometer tot hart spoor gehanteerd. De volgende soortgroepen zijn onderzocht: ▪ Vaatplanten; ▪ Vogels; ▪ Grondgebonden zoogdieren; ▪ Vleermuizen; ▪ Reptielen; ▪ Amfibieën; ▪ Vissen; ▪ Ongewervelden.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
21 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. De overige vogelsoorten (categorie 5 en algemene broedvogels) zijn tijdens het veldbezoek en beoordeling wel meegenomen en worden beschreven indien het project een (mogelijk) effect heeft op deze soort. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Oriënterend veldbezoek Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het studiegebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten, waaronder ook Rode Lijst-soorten. Effectbepaling en vervolgstappen Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het studiegebied. Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader onderzoek nodig is.
Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen 2.4.3.3 Houtopstanden Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wnb onderdeel houtopstanden, provinciaal beleid (oude bosgroeiplaatsen) of gemeentelijk beleid. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot de betreffende beschermingsregimes. 2.4.3.4 Gemeentelijke groenstructuurplannen Om de tijdelijke en permanente effecten van de ingreep te toetsen aan het gemeentelijke groenstructuurplan zijn voor de gemeentes Montferland en Doetinchem de groenstructuurplannen digitaal opgezocht. Per gebiedseenheid is bekeken waar de groenstructuurplannen raakvlak hebben met de ontwikkeling. Vervolgens is kwalitatief getoetst op basis van beschikbare achtergrondrapporten, digitale bronnen en expert judgement wat het effect is op de elementen in de groenstructuurplannen.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
22 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
3
Huidige situatie, referentiesituatie en tijdelijke situatie
3.1
Huidige situatie
Tussen Didam en Doetinchem De Huet is in de huidige situatie één spoor beschikbaar, uitzondering is station Wehl waar al wel een klein stukje dubbelspoor aanwezig is. In 2019 is het spoor tussen Zevenaar en Didam verdubbeld. 3.1.1 Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van 750 meter ten zuiden van het deel van het plangebied gelegen in Zevenaar. Dit Natura 2000-gebied ligt ook ten noorden van het plangebied op ongeveer 7 kilometer. Op ongeveer 10 kilometer ten noorden is het Natura 2000-gebied Veluwe gelegen. De ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven in Figuur 3.1.
Veluwe
Rijntakken
Figuur 3.1 De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het studiegebied.
3.1.2 Natuurgebieden Provincie Gelderland Provinciaal beschermde natuurgebieden in de Provincie Gelderland zijn opgedeeld in verschillende deelgebieden. Per deelgebied heeft de provincie de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld. Het plangebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden als gevolg van voorliggend project, ligt in deelgebied nr. 38 De Liemers Oost.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
23 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
De kernkwaliteiten van De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ▪ Heideontginnings- kampen- en essenlandschap in het oosten; kom- en broekontginningen in het westen; dicht en kleinschalig in het oosten, steeds opener naar het westen; overgangen naar Montferland en het Rijnstrangengebied; ▪ Parel/A-locatie bos: De Bijvanck: landgoed met oude boslocatie met waardevolle bossen van rijkere bodems met bossoorten als bosanemoon en boszegge; ▪ Parel: Kwartierse Dijk: smalle, kronkelige dijk met zeer rijk stroomdalgrasland met vele zeldzame soorten; mogelijk leefgebied knoflookpad; ▪ Parel/A-locatie bos: Bosslag: eeuwenoud op oude rivierklei met overgangen naar zandiger gedeelten; het eikenhaagbeukenbos is het meest waardevol; ▪ De EVZ Bingerden - Keppel en EVZ Veluwe - Montferland verbinden de Veluwe met Montferland en Duitsland: modellen das, kamsalamander (in het noorden); deze verbinding is ook klimaatcorridor Veluwe - Eiffel (stuwwalcorridor); ▪ Leefgebied das; ▪ Leefgebied steenuil; ▪ Cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, en boerderijen; ▪ Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir; ▪ Ecosysteemdiensten: recreatie, drinkwater, waterberging. De ligging van beschermde natuurgebieden in Gelderland is weergegeven in Figuur 3.2.
Dit betreft gebieden van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) en Ecologische Verbindingszones (EVZ).
Figuur 3.2 Ligging beschermde natuurgebieden Provincie Gelderland (GNN, GO en EVZ) ten opzichte van het studiegebied van het project RegioExpres
In Tabel 3.1 is weergegeven welke natuur- of landschapstypen geraakt worden door de RegioExpres.
A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023
24 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis
Tabel 3.1 Beheertypen van GNN langs RegioExpres
Code beheertype N16.04 N16.03 L01.07 Zonder natuurtype
Soort beheertype Vochtig bos met productie Droog bos met productie Laan Gemaaid gras langs de spoorbaan
De ontwikkelingsdoelen van het GNN binnen De Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ▪ Ontwikkeling oude, natte en droge bossen met bijbehorende flora en fauna; ▪ Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden; ▪ Ontwikkeling ecologische verbinding Bingerden - Keppel met poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc.; ▪ Ontwikkeling ecologische verbinding Veluwe - Montferland met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ▪ Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814; ▪ Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden; ▪ Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën; ▪ Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen; ▪ Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten. Van de genoemde kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen is er maar één die ook daadwerkelijk betrekking heeft op de gebieden waar ruimtebeslag op plaatsvindt. ‘Leefgebied das’ is de enige kwalificerende kernkwaliteit die betrekking heeft op de gronden van het GNN die geraakt wordt door het plangebied. Er zijn geen burchten van de das aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.