CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.08 - Natuur Deelrapport.pdf

gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres26.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wel mag aangenomen worden dat het gebied door dassen gebruikt wordt als foerageergebied. De ontwikkelingsdoelen van het GO binnen de Liemers Oost zijn als volgt beschreven: ▪ Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden en schrale graslanden; ▪ Ontwikkeling ecologische verbinding Oude IJssel-west met natuurlijkere oevers voor de Oude IJssel, poelen, natte graslanden en moerasjes, opgaande landschapselementen, etc.; ▪ Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-noord met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ▪ Ontwikkeling ecologische verbinding Montferland-west met hagen, bosjes, boomgaardjes en graslanden; ▪ Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A12, A18, N335, N336, N812, N335, N316, N813 en N814; ▪ Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen, moerassen en cultuurgronden; ▪ Ontwikkeling biotopen voor vissen, reptielen en amfibieën; ▪ Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. parken, kastelen, andere landgoedelementen, ontginningen, houtwallen) en beheersvormen; ▪ Ontwikkeling houtproductie en andere ecosysteemdiensten. Zoals eerder vastgesteld ligt het plangebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in deelgebied De Liemers Oost waarvoor kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld zijn (zie paragraaf 3.1.2).

Het ruimtebeslag op GNN vindt echter maar plaats op een beperkt deel van gebied De Liemers Oost. De voorgenomen ontwikkelingen zorgen voor een afname van de oppervlakte van het gebied en mindere passeerbaarheid van het spoor, voor das maar ook andere soorten die verbonden zijn aan het gebied.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

25 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

3.1.3 Weidevogelgebied en ganzenrustgebied De Provincie Gelderland kent weidevogelgebied en ganzenrustgebied (Figuur 3.3). In dit rapport wordt getoetst of het project RegioExpres raakvlak heeft met deze gebieden. De weidevogelgebieden zijn aangewezen door de Provincie Gelderland. Het betreffen landbouwgebieden waar de provincie eigenaren wil stimuleren om bij de bedrijfsvoering rekening te houden met weidevogels. De weidevogelgebieden maken deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit terreinen die geen natuurbestemming hebben maar die vaak ruimtelijk vervlochten is met het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Daarnaast heeft de provincie rustgebieden voor winterganzen ingesteld.

Figuur 3.3 Ligging rustgebied voor winterganzen en weidevogelgebied (bron: Provincie Gelderland, 2017). Het plangebied is weergeven met rood.

3.1.4 Beschermde soorten Op basis van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), online kaartenmateriaal van verspreidingsgegevens en de veldbezoeken uitgevoerd in het kader van onderhavig project zijn de soorten aanwezig binnen de invloedssfeer van het project bepaald (Bijlage 15). In onderstaande beschrijving worden alleen soorten besproken die daadwerkelijk zijn aangetroffen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden of waarvan geschikt habitat aanwezig is. Vaatplanten en ongewervelden In het begroeide talud langs het spoortraject zijn algemene plantensoorten aanwezig die niet beschermd zijn onder de Wnb, zoals bochtige klaver, kluwenhoornbloem, duizendblad, veldkruiskers en veldereprijs. Dit zijn algemene plantensoorten. Ook zijn hondsviooltje en akkerviooltje aanwezig in de spoorberm en in de aangrenzende velden. Het hondsviooltje is aangeduid als gevoelig op de Rode Lijst. Viooltjes worden gebruikt door onder andere de kleine parelmoervlinder. De kleine parelmoervlinder kan ook voorkomen in de spoorbermen. De kleine parelmoervlinder is aangeduid als kwetsbaar op de Rode Lijst. Groeiplaatsen van grote leeuwenklauw en ruw parelzaad zijn bekend vanuit de omgeving van het plangebied, soorten beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb. Overige niet-vrijgestelde plantensoorten en ongewervelden zijn niet aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.

De terreinen waar de bouwterreinen beslag op hebben, bestaan uit (delen van) landbouwpercelen met Engels raaigras of begraasde weides, bosschages met onder andere zomereik, berk, els en braamstruweel, spoor- en wegbermen en verharde grond. Vogels Langs het spoor is op verschillende locaties geschikt broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels in de vorm van ruigte, struweel en bomen. Er zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen zoals houtduif, merel en heggemus. Overvliegende buizerds en torenvalken zijn tijdens meerdere veldbezoeken waargenomen. Ook kunnen boomvalk en sperwer voorkomen in de omgeving van het plangebied op basis van de aanwezige biotoop. Binnen een straal

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

26 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

van 100 meter tot de werkzaamheden zijn geen horsten aanwezig maar wel enkele nestkasten voor steenuil en torenvlak. In de schuren bij boerderijen in de omgeving van het plangebied leven kerkuil en steenuil, maar ook huismus. In de bebouwde kom kan ook gierzwaluw met huismus voorkomen. Ter hoogte van het station van Didam is een roekenkolonie aanwezig. Zoogdieren In de bosschages kunnen door het Ministerie van Economische Zaken vrijgestelde soorten als ree, haas, konijn en kleine marterachtigen voorkomen. Konijn is meermaals aangetroffen tijdens veldbezoeken. Haas, konijn en kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) staan allemaal op de Rode Lijst, variërend van gevoelig (haas, konijn en wezel) tot kwetsbaar (bunzing en hermelijn). Nietvrijgestelde soorten zoals otter, bever, das, boommarter en steenmarter (beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb) komen ook voor in de omgeving van het plangebied. Het is bekend dat binnen het Stilliwald (op meer dan 200 meter afstand tot de ingreep) dassenburchten aanwezig zijn. In watergangen rondom de spoorbaan is ook soms bever of otter waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen (burchten, holen of legers) van soorten zonder algemene vrijstelling aanwezig binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Alle grondgebonden zoogdieren steken naar verwachting het spoor over, met name rond de beboste delen.

Diverse vleermuizen gebruiken het groen rondom de spoorbaan als foerageergebied, vliegroute en/of verblijfplaats, afhankelijk van de lokale omstandigheden. De bebouwing rondom de spoorbaan kan ook verblijfplaatsen voor vleermuizen vormen van diverse functies. Reptielen De spoorbermen zijn door het ruderale karakter ook geschikt als leefomgeving voor diverse beschermde reptielen, zoals levendbarende hagedis, zandhagedis en hazelworm. Levendbarende hagedis en zandhagedis zijn niet aangetroffen tijdens de nader onderzoeken. Amfibieën en vissen Op enkele locaties bevinden zich aangrenzend aan de bouwterreinen diepe watergangen met steile oevers. Hierin kunnen algemeen vrijgestelde amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker en diverse algemene vissen voorkomen. De watergangen zijn niet geschikt voor niet-vrijgestelde soort grote modderkruiper. Er zijn geen (tijdelijke) poelen waargenomen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden waar niet-vrijgestelde amfibieën zoals rugstreeppad, kamsalamander en poelkikker in kunnen voorkomen. Wanneer tijdelijke poelen ontstaan binnen het plangebied kan rugstreeppad zich daar mogelijk wel vestigen, omdat de zeer mobiele soort binnen 5 kilometer van het westelijke gedeelte van het plangebied voorkomt. 3.1.5 Houtopstanden en bomen Binnen het plangebied staan houtopstanden en bomen. Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt.

Middels een bomeninventarisatie uitgevoerd door Boomtotaalzorg en aan de hand van luchtfoto’s zijn mogelijk te kappen bomen en houtopstanden in kaart gebracht. Er worden bomen gekapt die onder gemeentelijk (APV en bomenverordening) en provinciaal beleid (GNN en oude bosgroeiplaats) vallen en bomen die meldingsplichtig zijn in het kader van de Wnb. Er hoeven geen bomen binnen de Groene Ontwikkelingszone gekapt te worden. In onderstaande tabel is het totale aantal bomen en houtopstanden weergeven per gemeente wat gekapt gaat worden. Zie Bijlage 11 voor kaartmateriaal.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

27 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Tabel 3.1: Houtopstanden en bomen welke geraakt worden door de voorgenomen ingreep per gemeente.

BiBeKo BuBeKo

3.1.6

Bevoegd gezag Montferland

Aanvragen

Aantallen/oppervlakte

Vergunning

47 bomen

Doetinchem

Vergunning

36 bomen

Doetinchem

Vergunning

1 boom

Wnb

Melding/maatwerk

Gemeente Doetinchem en Wnb

Vergunning melding

4.778 m2 houtopstanden waarvan 190 m2 oude bosgroeiplaats 35 bomen

en

Gemeentelijke groenstructuren

3.1.6.1 Gemeente Montferland In Figuur 3.4 tot en met Figuur 3.6 zijn de elementen weergegeven in de kern van Didam die behouden moeten blijven. Er is geen groenstructuurplan voor het buitengebied van Didam opgesteld. Zichtbaar in Figuur 3.4 is dat het plangebied raakvlak heeft met zes elementen die door de gemeente Zevenaar zijn aangeduid in de visie. De elementen zijn als volgt: ▪ ‘Pleksgewijs solitaire eiken en linden in historische linten’ ter hoogte van de kruising tussen de Dijksestraat en het spoor, tevens te behouden waardevolle groenstructuur (Figuur 3.6); ▪ ‘Laanbeplanting met allure voor de zuidelijke entree’ ter hoogte van de kruising tussen de Bievankweg en het spoor, tevens te behouden waardevolle groenstructuur (Figuur 3.6); ▪ ‘Creëer brinken op knooppunten historische linten’ bij station Didam; ▪ ‘Versterk de twee groene corridors in hoofdstructuur’, de zuidelijke groene corridor valt samen met de spoorbaan; ▪ ‘Versterk beplanting rond dorp om randweg’ ter hoogte van de kruising tussen het spoor en Ruigenhoek; ▪ ‘Creëer zichtlijnen’ parallel aan het spoor en haaks op het spoor op meerdere locaties, tevens te behouden waardevolle groenstructuur (Figuur 3.6).

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

28 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Figuur 3.4 Visie op de groenstructuur 2010 – 2030. Het plangebied is globaal met een rode lijn aangegeven.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

29 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Figuur 3.5 Te versterken groen. Het plangebied is globaal met een rode lijn aangegeven.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

30 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Figuur 3.6 Te behouden waardevolle groenstructuur. Het plangebied is globaal met een rode lijn aangegeven.

3.1.6.2 Gemeente Doetinchem In Figuur 3.7 en Figuur 3.8 zijn de groenstructuurkaarten van Wehl en Doetinchem afgebeeld. Hierop staat alleen het structurele groen vermeld: dit bestaat uit de hoofdgroenstructuur, hoofdbomenstructuur, nevengroenstructuur, nevenbomenstructuur en de bijzondere bomen. Daarnaast staan de wensgebieden voor uitbreiding van groen vermeld (zoekgebieden). Het zogenaamde ‘woonomgevingsgroen’ (niet-structureel groen en overige bomen) is niet aangeduid op de groenstructuurkaart.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

31 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Figuur 3.7 Groenstructuurkaart buitengebied Wehl. Het plangebied is globaal met een rode lijn aangegeven.

Figuur 3.8 Groenstructuurkaart Doetinchem. Het plangebied is globaal met een rode lijn aangegeven.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

32 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

3.2

Autonome ontwikkelingen en referentiesituatie

Conform het Notitie Reikwijdte & Detailniveau wordt 2035 als referentiejaar gehanteerd, het jaar waar in de referentie- en projectsituatie naar vooruit wordt gekeken. Dit is circa 10 jaar na de geplande vaststelling het Provinciaal Inpassingsplan. Hierna wordt vanuit dit thema de situatie geschetst zoals in de referentiesituatie verwacht had mogen worden. Er kan geconcludeerd worden dat de referentiesituatie vergelijkbaar is met de huidige situatie. De geplande autonome ontwikkelingen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het MER. Zij hebben geen noemenswaardig effect op het thema natuur. Als gevolg van klimaatverandering vinden echter wel effecten zoals verdroging en vernatting plaats. Deze effecten zijn echter dusdanig grootschalig dat er binnen het project RegioExpres geen rekening mee gehouden zal worden.

3.3

Tijdelijke situatie

Om een project zoals de RegioExpres te kunnen realiseren zijn tijdelijke maatregelen zoals bouwwegen en bouwterreinen benodigd. Deze tijdelijke maatregelen kunnen ook milieueffecten veroorzaken. Er zijn ongeveer 20 bouwterreinen en -wegen tussen kilometer 35 en 45 voorzien. Ze zijn qua omvang verschillend en liggen (vrijwel) direct aan of langs het spoor zowel aan de noord- als de zuidzijde. Deze zijn vastgelegd op de tekening Bouw- en bouwterreinen als onderdeel van het ontwerp. Een voorbeeld is opgenomen in Figuur 3.9. Vanaf hier komt een tijdelijke doorsteek tussen verzorgingsplaats Geulecamp aan de A18 en de Frieslandweg. De Frieslandweg wordt hier aangepast om ook bouwverkeer te kunnen faciliteren. In Figuur 3.11 is de globale ligging van de bouwterreinen weergeven. De bouwterreinen lopen door bebouwd en landelijk gebied. Aan de oostrand van de bebouwde kom van Zevenaar beginnen de bouwterreinen om vervolgens oostwaarts langs landbouwpercelen en industrieterreinen door het bebouwde gebied van Didam te lopen. Na Didam liggen de bouwterreinen wederom langs landbouwpercelen, waarna een bosgebied (onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk) volgt, voordat het traject bij Wehl aankomt. Vanaf Wehl liggen de bouwterreinen wederom op landbouwgebieden waarna het traject eindigt binnen de bebouwde kom van Doetinchem.

De terreinen waar de bouwterreinen beslag op hebben, bestaan uit delen van landbouwpercelen, bosschages met onder andere zomereik, berk, els en braamstruweel, spoor- en wegbermen en verharde grond. Op enkele locaties bevinden zich aangrenzend aan de bouwterreinen diepe watergangen met steile oevers.

Figuur 3.9 Voorbeeld uitsnede tekening bouwterreinen: bouwterreinen Didam (let op: noord is onder, zuid is boven)

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

33 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Figuur 3.10 Bouwweg naar Frieslandweg die vervolgens aansluit op de verzorgingsplaats van de A18. (let op: noord is onder, zuid is boven)

Figuur 3.11 Globale ligging van de bouwterreinen ten opzichte van het plangebied

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

34 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

4

Effectbeoordeling

4.1

Effecten

Bij de effectbeoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen de tijdelijke effecten en de permanente effecten. De tijdelijke effecten omvatten de aanlegfase, zoals het realiseren en gebruik van bouwterreinen en bouwwegen. Deze zijn weergeven in paragraaf 1.2 en worden waar relevant besproken. Het ruimtebeslag en verstoring door de tweede spoorbaan is een permanent effect. Niet alle aanwezige functies/aspecten kunnen na afloop van de aanlegwerkzaamheden weer hersteld worden (bijvoorbeeld na bomenkap). Deze effecten worden ook als permanent beschouwd. 4.1.1

Tijdelijke effecten

4.1.1.1

Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – Stikstof

Effectbeschrijving Uit de berekeningen met het AERIUS model versie 2023.0.1 blijkt dat de realisatiefase van het project RegioExpres zal leiden tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. De belangrijkste rekenresultaten zijn weergegeven in Tabel 4.1. In Bijlage 12 is de input en AERIUS-uitvoer van de berekeningen weergegeven. Tabel 4.1 Resultaten stikstofdepositie voor rekenjaar 2026 en 2027

Jaar van realisatie

Natura 2000-gebied

Oppervlak toename (ha)

2026 2027

Rijntakken Veluwe Rijntakken

0,01 1.516,00 10,61

met

Grootste toename van depositie (mol N/ha/jr) 0,01 0,01 0,01

Effectbeoordeling De werkzaamheden in de aanlegfase zijn tijdelijk. Er vindt maximaal 0,01 mol stikstof per hectare per jaar plaats. De aanlegwerkzaamheden duren twee jaar. Beide Natura 2000-gebieden hebben habitattypen die reeds overbelast zijn met stikstof, en op deze gebieden vindt ook stikstofdepositie plaats. Door het treffen van maatregelen dient het effect op omliggende Natura 2000-gebieden zodanig te worden teruggebracht dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op de genoemde Natura 2000-gebieden. In de aanlegfase is het verminderen van de uitstoot mogelijk middels het toepassen van elektrisch aangedreven bouwmaterieel. In dit stadium is echter nog niet bekend welke mitigerende maatregelen ingezet zullen worden. Duidelijk is wel dat de toename in stikstofdepositie niet zodanig groot is dat de mitigatie als onhaalbaar moet worden beschouwd. Tabel 4.2 Effectbeoordeling tijdelijke effecten voor mitigatie.

Effecttype Verzuring en vermesting Eindscore

Score ---

Mitigatie en herbeoordeling Door het treffen van maatregelen kan het effect op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk dusdanig worden teruggebracht dat een er geen rest-effecten meer overblijven. Dit kan bijvoorbeeld het elektrificeren van materieel zijn. Wanneer maatregelen binnen het project ook niet voldoende blijken te

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

35 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

zijn om de effecten op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden te laten verdwijnen, zal ook extern salderen als maatregel toegepast worden. Echter is in dit stadium nog niet bekend welke mitigerende maatregelen ingezet zullen worden. Daarom wordt alsnog worst-case ervanuit gegaan dat een ADC-toets nodig is, in combinatie met nader te bepalen maatregelen. Tabel 4.3 Effectbeoordeling permanente effecten na mitigatie.

Effecttype Verzuring en vermesting Eindscore 4.1.1.2

Score ---

Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – Overige aspecten

Effectbeschrijving Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor de bescherming van habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten. Op een afstand van minimaal 750 meter tot de werkzaamheden kan tijdelijke verstoring door de aanlegwerkzaamheden (licht, trillingen en optische verstoring) uitgesloten worden. Tussen de werkzaamheden en het Natura 2000-gebied zijn gebouwen als buffer gelegen. Tijdens de werkzaamheden wordt niet geheid. De werkzaamheden omvatten het vrijmaken van de grond voor het nieuwe spoor, grondverbetering uitvoeren (af- en aanvoer grond) en aanleg van de spoorinfra (met vrachtwagens). De werkzaamheden worden ter plaatse van de spoorbaan uitgevoerd. De spoorbaan is een reeds verstoorde omgeving. Tijdens de werkzaamheden vindt er geen regulier treinverkeer plaats. Gezien de aard van de werkzaamheden op de bouwterreinen, de afstand tot het Natura 2000-gebied, het ontbreken van regulier treinverkeer en de aanwezigheid van tussenliggende gebouwen en objecten worden indirecte negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid, trillingen, licht en optische verstoring uitgesloten. Effectbeoordeling Doordat omliggende Natura 2000-gebied op voldoende afstand liggen is gezien de aard van de werkzaamheden een effect als gevolg van verstoring uit te sluiten. Tabel 4.4 Effectbeoordeling tijdelijke effecten voor mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score 0 0 0 0

Mitigatie en herbeoordeling Omdat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden uitgesloten zijn, zijn er geen mitigerende maatregelen benodigd. 4.1.1.3

Gelders Natuurnetwerk

Effectbeschrijving De bouwterreinen en bouwwegen hebben raakvlak met het Gelders Natuurnetwerk (zie Figuur 4.1). De aanwezige natuurwaarden worden na afloop van de werkzaamheden hersteld, maar dit zal niet direct in de oorspronkelijke staat terug kunnen worden gebracht. Het ruimtebeslag wordt daarom beoordeeld als een permanent effect (zie paragraaf 4.1.2.3). Er ontstaat verstoring door de aanleg van en het gebruik van de bouwwegen en bouwterreinen in de aanlegfase. Het omliggende GNN is in de huidige situatie relatief rustig gelegen en over de spoorbaan passeren enkel treinen. Door de aanwezigheid van mensen en materieel en de uitvoering van de werkzaamheden ontstaat optische, geluids- en lichtverstoring, wat invloed heeft op de beschikbaarheid

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

36 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

van het GNN als leefgebied voor das (kernkwaliteit gebied De Liemers Oost). Mogelijk ontstaat lokaal ook verstoring door trillingen bij inzet van het materieel.

Figuur 4.1 Locatie tussen Didam en Wehl waar het plangebied GNN- en GO-gebied doorkruist

Effectbeoordeling De voorgenomen werkzaamheden kunnen tijdelijk leiden tot nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN. Hierbij is raakvlak met GNN zoveel als mogelijk vermindert door de ligging van de bouwterreinen en bouwwegen te optimaliseren, en daarmee tijdelijke effecten te beperken. De tijdelijke bouwwegen en bouwterreinen komen echter over vrijwel de gehele lengte van de spoorbaan te liggen waardoor menselijke activiteit toeneemt en dekking door groenstructuren afneemt. Hierdoor wordt oversteken bemoeilijkt voor das. Ook verstoren de werkzaamheden de omliggende gebieden, waardoor soorten hun leefgebied kunnen gaan verlaten. Indirect vindt hierdoor dus ook tijdelijk oppervlakteverlies plaats. Tabel 4.5 Effectbeoordeling tijdelijke effecten voor mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score -----

Mitigatie en herbeoordeling Maatregelen uit Tabel 4.12 kunnen toegepast worden om tijdelijke verstoring te mitigeren. Daarmee wordt tijdelijk oppervlakteverlies ook beperkt. Barrièrewerking wordt daarmee niet verminderd. Met inachtneming van deze mitigerende maatregelen wordt de effectbeoordeling als volgt:

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

37 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Tabel 4.6 Effectbeoordeling tijdelijke effecten na mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore 4.1.1.4

Score ---

Groene Ontwikkelingszone en Ecologische Verbindingszone

Effectbeschrijving Door de aanleg van de bouwterreinen vindt er tijdelijk ruimtebeslag op de GO plaats. Er is geen ruimtebeslag op de EVZ. De aanleg-werkzaamheden tussen Didam en Wehl treffen het bosgebied dat deel uitmaakt van de Ecologische Verbindingszone en kunnen leiden tot een aantasting hiervan (zie Figuur 4.1). Omdat de oorspronkelijke situatie niet direct hersteld kan worden na afloop van de werkzaamheden, wordt het effect als permanent beschouwd. Het effect van het ruimtebeslag wordt besproken onder paragraaf 4.1.2.3. Ook ontstaat tijdelijk verstoring van het omliggende GO en EVZ door het gebruik van de bouwwegen en bouwterreinen bij de aanlegfase. Door de aanwezigheid van mensen en materieel ontstaat optische, geluids- en lichtverstoring. Mogelijk ontstaat lokaal ook verstoring door trillingen bij inzet van het materieel. Hierdoor vindt ook indirect ruimtebeslag plaats doordat soorten het gebied tijdelijk verlaten. Effectbeoordeling De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot een tijdelijke aantasting van de EVZ of tijdelijke beperking in het behalen van de ontwikkelingsdoelen van de GO. De tijdelijke bouwwegen en bouwterreinen komen over vrijwel de gehele lengte van de spoorbaan te liggen waardoor menselijke activiteit toeneemt en dekking door groenstructuren afneemt.

Hierdoor wordt oversteken lastiger voor alle soorten die voorkomen in de GO, neemt indirect het beschikbare leefgebied af en neemt de barrièrewerking toe. Tabel 4.7 Effectbeoordeling tijdelijke effecten voor mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score -----

Mitigatie en herbeoordeling De maatregelen uit Tabel 4.12 kunnen toegepast worden om verstoring te mitigeren. De andere effecten kunnen door het treffen van maatregelen niet worden beperkt. Met inachtneming van deze mitigerende maatregelen wordt de effectbeoordeling als volgt: Tabel 4.8 Effectbeoordeling tijdelijke effecten na mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score ----

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

38 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

4.1.1.5

Weidevogelgebied en ganzenrustgebied

Effectbeschrijving Er vinden geen werkzaamheden plaats in of nabij weidevogelgebied of ganzenrustgebied. Het dichtstbijzijnde gebied is ganzenrustgebied op 700 meter ten zuiden van het plangebied. Weidevogelgebied ligt op minimaal 3,3 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden (spoorgebonden werkzaamheden, geen heiwerkzaamheden), en de aanwezigheid van buffers zoals de A12 en omliggende bebouwing tussen de werkzaamheden en het weidevogel- en ganzenrustgebied, zal geen effect plaatsvinden op deze gebieden door de tijdelijke aanlegwerkzaamheden. Effectbeoordeling Tijdelijke negatieve effecten op weidevogelgebied of ganzenrustgebied zijn uitgesloten. Tabel 4.9 Effectbeoordeling tijdelijke effecten voor mitigatie.

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score 0 0 0 0

Mitigatie en herbeoordeling Er vindt geen mitigatie plaats omdat er geen negatieve effecten plaatsvinden op weidevogelgebied en ganzenrustgebied. Een herbeoordeling is niet van toepassing. 4.1.1.6

Beschermde soorten

Effectbeschrijving Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt, Rode Lijst-soorten en vrijgestelde soorten. In zijn tabellen opgenomen met de soorten die in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen, op basis van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) en de bevindingen van de onderzoeken (Bijlage 15). In paragraaf 3.1.4 worden alleen de soorten beschreven die binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Tijdelijk ruimtebeslag bouwterreinen en bouwwegen Door de werkzaamheden vindt tijdelijk ruimtebeslag plaats door het aanleggen van bouwterreinen en bouwwegen. Door het ruimtebeslag worden spoorbermen en delen van omliggend bos en velden vergraven en verhard. Hierdoor worden Rode Lijst-soorten als hondsviooltje vergraven, waardoor ook waardplanten van de kleine parelmoervlinder verloren gaan. Grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje kunnen mogelijk ook in de berm groeien, wat in 2024 wordt onderzocht. Grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje zijn soorten die beschermd zijn onder artikel 3.1 van de Wnb, waardoor vergraving van deze planten een overtreding van de Wnb betreft. Andere beschermde vaatplanten zijn niet aangetoond in het nader onderzoek.

Bij het verwijderen van vegetatie rondom het spoor kunnen nesten van algemene broedvogels vernietigd worden en bij het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen de nesten ook dusdanig verstoord worden dat ze verlaten worden. Mogelijk wordt bij de aanlegfase een nest van steenuil dusdanig verstoord dat het nest mislukt. Kerkuil en gierzwaluw broeden in een schuur vlak bij een werkweg, waardoor de broedlocaties mogelijk ook niet meer functioneel zijn. Bij station Doetinchem De Huet vindt ruimtebeslag plaats op een essentiële haag voor huismus en wordt op een andere locatie vlak langs een essentiële haag gewerkt. Er zijn twee hagen die in 2024 onderzocht worden, of deze een essentiële functie voor huismus vervullen. Enkele bosschages kunnen een broedlocatie vormen voor ransuil, wat in 2024 wordt

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

39 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

onderzocht. Voor voorgaande geldt dat de werkzaamheden (zonder het treffen van maatregelen en/of vervolgstappen) resulteren in overtreding van artikel 3.1 van de Wnb. Ruimtebeslag op bosschages waar vrijgestelde en niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren in kunnen voorkomen resulteert in aantasting van verblijfplaatsen van door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat vrijgestelde soorten. Tijdens het nader onderzoek is bepaald dat nietvrijgestelde soorten geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen hebben binnen het ruimtebeslag. Voor das, boommarter, steenmarter en bever, beschermd onder artikel 3.5 en 3.10 van de Wnb, wordt op twee locaties de aan-/afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen in 2024 nog nader onderzocht. Voorgaande soorten maar ook eekhoorn en ree kunnen wel in de omgeving van het plangebied voorkomen, met name rondom het Stilliwald. Door de bouwterreinen wordt de barrièrewerking van het spoorgebied groter. De aantasting van groen resulteert niet in het aantasten van essentiële functies van vleermuizen. Op alle drie onderzochte onderzoeklocaties zijn geen essentiële vliegroutes vastgesteld. Wel is er een hopover aangetroffen nabij de Zwaluwstraat tussen een park en begraafplaats. Er bestaan voldoende alternatieven tussen park en begraafplaats die als hop-over gebruikt kunnen worden.

Dit betekent dat de werkzaamheden niet resulteren in overtreding van artikel 3.5 van de Wnb ten aanzien van essentiële vliegroutes van vleermuizen in het studiegebied. Tijdens de aanvullende veldbezoeken zijn geen kraam- , zomer- en paarverblijfplaatsen aangetroffen in de twee onderzochte bomen. Overtreding van de Wnb ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen door de kapwerkzaamheden ten behoeve van de spooruitbreiding kan daarmee uitgesloten worden. Bij één schuurtje langs het spoor wordt in 2024 onderzocht of deze een verblijfsfunctie voor gebouwbewonende vleermuizen vormt. Dit schuurtje is nog niet eerder onderzocht. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat hazelworm voorkomt in het gebied rondom het GNN. Deze soort is beschermd onder artikel 3.10 van de Wnb. Door de werkzaamheden worden vaste rust- en verblijfplaatsen vernietigd. Mogelijk komt levendbarende hagedis en hazelworm ook op andere plekken langs het spoor voor, waarvoor in 2024 nader onderzoek wordt uitgevoerd. Ruimtebeslag op watergangen resulteert in het doden en vernietigen van verblijfplaatsen van vrijgestelde amfibiesoorten en vissen. Er zijn geen niet-vrijgestelde amfibieën of vissen aanwezig binnen het plangebied. Rugstreeppad komt wel binnen 5 kilometer van het plangebied voor gezien vanaf Zevenaar, waardoor deze soort wel zich kan gaan vestigen in het plangebied.

Aanwezigheid van beschermde ongewervelden is in het nader onderzoek onderzocht maar deze zijn niet vastgesteld. Wel wordt in 2024 onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van een wilgenbosje als voortplantingslocatie van de grote weerschijnvlinder. Verstoring en versnippering Door de aanlegwerkzaamheden neemt de verstoring toe in de omgeving van het plangebied. Effectief neemt het leefgebied van soorten die rondom de spoorbaan leven af, doordat optische verstoring, geluid- en trillingen toenemen. Algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten hebben hier met name last van, maar ook grondgebonden zoogdieren, reptielen en amfibieën die in de bermen en bosschages leven. Ook neemt de barrièrewerking van het spoor toe omdat de bouwwegen en bouwterreinen grotendeels langs de spoorbaan lopen. Hierdoor neemt de dekking af en wordt het passeren van de spoorbaan voor grondgebonden soorten bemoeilijkt. Wel is er geen treinverkeer tijdens de aanlegwerkzaamheden wat dan weer het risico op verkeersslachtoffers door aanrijding met treinen verkleint. Effectbeoordeling Hieronder wordt de effectbeoordeling per soortgroep gegeven. Aantasting van functies van algemene broedvogels en/of soorten die Nationaal beschermd zijn wordt beoordeeld als negatief.

Aantasting van functies van soorten die beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn wordt beoordeeld als zeer negatief.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

40 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Tabel 4.10 Totaalbeoordeling effecten per soortgroep

Soortgroep

Beschermde Soorten? Nee Ja

Effectscore 0 --

Toelichting

Algemene broedvogels

Ja

-

Aantasting en verstoring broedlocaties.

Grondgebonden zoogdieren

Ja

-

Vleermuizen

Ja

0

Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelden

Ja Nee Nee Nee

0 0 0

Toename versnippering van het bosgebied tussen Wehl en Didam voor zoogdieren waaronder das, steenmarter, boommarter, ree en eekhoorn. Geen effect op essentieel foerageergebied, vliegroutes of verblijfplaatsen. Aantasting leefgebied hazelworm. Raakvlak met algemene vrijgestelde amfibieën. Raakvlak met algemene vrijgestelde vissen. Negatief effect op waardplanten kleine parelmoervlinder, een Rode Lijstsoort.

Totaalscore

Ja

--

Vaatplanten Vogels met jaarrond beschermde nesten

Rode Lijst-soorten vergraven. Aantasting en verstoring van essentiële haag huismus en nest steenuil.

Omdat er sprake is van aantasting van diverse ontheffingsplichtige natuurwaarden, waaronder functies van vogels met jaarrond beschermde nesten en leefgebied van hazelworm, is de effectscore voor alle effecttypen negatief tot zeer negatief. Tabel 4.11 Eindbeoordeling effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score ----

Mitigatie en herbeoordeling In Tabel 4.12 staan de maatregelen weergegeven die volgen uit de beoordeling van de effecten. Dit betreft ook maatregelen vanuit de algemene zorgplicht. Door het treffen van deze maatregelen worden beschermde functies niet verstoord. Voor het aantasten van de essentiële struik voor de huismus bij station Doetinchem de Huet en het aantasten van leefgebied van de hazelworm zal een ontheffing aangevraagd worden. Op basis van deze maatregelen zijn er geen belemmeringen om een ontheffing te verkrijgen. Bij één haag van huismus en een broedlocatie van steenuil wordt buiten het broedseizoen gewerkt om zo een effect op voorhand te voorkomen. Voor de soorten grote leeuwenklauw, ruw parelzaad, groot spiegelklokje, ransuil, huismus (twee andere hagen), das, bever, boommarter, steenmarter, vleermuis, hazelworm, levendbarende hagedis en grote weerschijnvlinder dient nog nader onderzoek in 2024 uitgevoerd te worden. Ook bij het aantreffen van groeiplaatsen en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten kan hiervoor gemitigeerd en gecompenseerd worden, waardoor deze soorten ook geen belemmering voor het verkrijgen van een ontheffing voor het aspect soortenbescherming vormen.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

41 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Tabel 4.12 Wettelijk verplichte maatregelen en maatregelen vanuit de Zorgplicht (artikel 3.11 Wnb).

Soortgroep Algemene broedvogels

Maatregel Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd of aan oevers wordt gewerkt, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Ook kan voorafgaand aan het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden zodat algemene broedvogels zich niet vestigen in en rondom het plangebied. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden, omdat de werkzaamheden anders resulteren in overtreding van artikel 3.1 van de Wnb. Huismus Bij haag tussen km 43.7 en 43.8 (geocode 212) worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd (maart tot augustus). De essentiële haag bij station Doetinchem De Huet wordt verplaatst voorafgaand aan het broedseizoen onder ecologische begeleiding. Ook wordt buiten het broedseizoen rondom de haag gewerkt.

Hiermee wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wnb op voorhand voorkomen, voor de zekerheid wordt een ontheffing aangevraagd. Steenuil In een straal van 50 meter rondom de nestkast van steenuil bij km 37.9 (geocode 212) wordt niet overdag gewerkt en ook niet binnen het broedseizoen van steenuil. Het broedseizoen van steenuil loopt van half april tot half mei. Kerkuil en Lichtverstoring dient voorkomen te worden door tussen zonsondergang en gierzwaluw zonsopkomst verlichting weg te richten van de bebouwing van de Notenstraat 11, zodat kerkuil de schuur in en uit kan blijven vliegen. De gevels dienen vrijgehouden te worden zodat gierzwaluw vrij in en uit kan vliegen. Hiermee wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wnb op voorhand voorkomen. Das, boommarter en Om te voorkomen dat foerageeractiviteit van das, boommarter en steenmarter steenmarter dusdanig verstoord wordt dat het functioneren van de omliggende burchten/verblijfplaatsen in gevaar komen dient lichtverstoring voorkomen te worden (artikel 3.10 Wnb). Verstoring dient voorkomen te worden door bij voorkeur tussen zonsopkomst en zonsondergang te werken. Indien ’s nachts wordt gewerkt dienen verlichtingsmaatregelen getroffen te worden. De verlichting dient gericht te zijn op het werk, met een lage armatuur en afgeschermd zodat geen uitstraling naar de omgeving plaatsvindt.

Grondgebonden Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij amfibieën vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). In algemene zin geldt dat reeds aanwezige faunapassages onder het spoor Grondgebonden intact gelaten moeten worden en toegankelijk gehouden moeten worden. dieren Hiermee blijven migratieroutes maar ook functies binnen functioneel leefgebied bereikbaar (artikelen 3.5 en 3.10 Wnb). Vleermuizen Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen foerageergebied, foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te voorkomen dient gewerkt

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

42 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Soortgroep vliegroutes verblijfplaatsen

Maatregel en te worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hiermee wordt overtreding van artikel 3.5 Wnb voorkomen. Hierbij dient lichtval op bomen, water, en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen. Hazelworm Het werkgebied wordt afgezet met reptielenschermen. Hazelwormen worden weggevangen tot het werkgebied vrij is. Deze maatregelen worden in de minst kwetsbare periode uitgevoerd, na de winterslaap en voor de dracht (half april t/m half mei) en de periode voorafgaand aan de winterslaap (half augustus t/m half oktober). De werkzaamheden resulteren in overtreding van artikel 3.10 van de Wnb, waarvoor een ontheffing noodzakelijk is. Rugstreeppad Er wordt aanbevolen om te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan tijdens werkzaamheden die mogelijk plaatsvinden in de actieve periode van rugstreeppad (april-oktober). Poelen kunnen functioneren als tijdelijk geschikt voortplantingswater. Wanneer deze door rugstreeppad in gebruik worden genomen, dienen werkzaamheden tijdelijk stilgelegd te worden om zo overtreding van artikel 3.5 van de Wnb op voorhand te voorkomen. Rugstreeppad kan tot ongeveer 5 kilometer afleggen op zoek naar nieuw leefgebied en is bekend uit de omgeving.

Amfibieën en vissen Om effecten op algemeen beschermde amfibieën en op vissen zoveel mogelijk te beperken dient het werken aan watergangen richting één kant te worden uitgevoerd zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Met inachtneming van deze maatregelen kunnen effecten op de meeste aangetroffen soorten worden uitgesloten. De effectscore voor de soortgroepen verandert hierdoor als volgt. Tabel 4.13 Effectbeoordeling na mitigatie per soortgroep

Soortgroep

Beschermde Soorten? Ja Ja

Effectscore 0 --

Algemene broedvogels

Ja

0

Grondgebonden zoogdieren

Ja

0

Faunapassages vrijhouden tijdens aanlegfase en minder regulier treinverkeer.

Vleermuizen

Ja

0

Reptielen Amfibieën

Ja Ja

0

Vissen Ongewervelden

Ja Ja

0 0

Geen effect op essentieel foerageergebied, vliegroutes of verblijfplaatsen. Aantasting leefgebied hazelworm. Raakvlak voorkomen rugstreeppad en vrijgestelde amfibieën door maatregelen. Raakvlak voorkomen door maatregelen. Negatief effect op waardplanten kleine parelmoervlinder.

Totaalscore

Ja

--

Vaatplanten Vogels met jaarrond beschermde nesten

Toelichting Rode Lijst-soorten vergraven. Verstoring van essentiële haag huismus langs het spoor, broedlocaties kerkuil en gierzwaluw en broedlocatie steenuil kan worden voorkomen, aantasting haag bij station Doetinchem de Huet niet. Nesten niet aangetast of verstoord.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

43 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

De effectbeoordeling na mitigerende maatregelen is dan als volgt: Tabel 4.14 Eindbeoordeling na mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score -0 0 --

4.1.1.7 Houtopstanden Het kappen van bomen is per definitie geen tijdelijk effect maar een permanent effect en wordt daarom meegenomen in paragraaf 4.1.2.7. 4.1.1.8

Gemeentelijke groenstructuurplannen

Effectbeschrijving Een groot deel van de effecten uit de realisatiefase zijn tijdelijk, uitgezonderd van bomenkap van volwassen bomen. De tijdelijke effecten worden hieronder per gemeente beschreven. Montferland Voor de aanleg van bouwwegen en bouwterreinen worden in de gemeente Montferland met name struiken en jonge bomen (diameter kleiner dan 30 centimeter) gekapt. Deze groenelementen kunnen in relatief korte tijd weer terug groeien. Naar verwachting zullen deze tijdelijke effecten op de belangrijke groenelementen en doorzichten naar de omgeving geen afbreuk doen aan de groenstructuren. Op één locatie wordt een grotere hoeveelheid bomen gekapt. Dit is het gebied wat grenst aan de Oude Beekseweg langs de spoorbaan in Didam. Dit gebied is tevens onderdeel van de hoofdgroenstructuur van Didam. Door de ingreep wordt de hoofdgroenstructuur tijdelijk aangetast door de aanleg van de bouwterreinen en bouwwegen, maar ook permanent (zie paragraaf 4.2.1.8). Doetinchem In Wehl worden, op de hoofdstructuur bomen na, geen structuren doorkruist die tijdelijk een verlies van functionaliteit kan krijgen. Er vindt tijdelijk ruimtebeslag plaats in de realisatiefase waardoor de hoofdstructuur groen en nevenstructuur groen in oppervlakte afnemen, maar niet dusdanig dat de integriteit van de structuur verdwijnt.

Voor deze aantasting geldt het Nee, tenzij principe, waarvoor met de gemeente naar passende compensatie gaat worden gekeken. In Doetinchem staan bomen die als bijzondere bomen zijn aangeduid. Hiervoor geldt dat bij bomenkap voor de realisatiefase mogelijk de samenhang van structuren afneemt en bijzondere bomen verloren gaan. Effectbeoordeling De oppervlakteafname is beperkt gezien de omvang van de omliggende structuren en de tijdelijke aard van de werkzaamheden in de realisatiefase. De samenhang van het netwerk van groen en bomen blijft daardoor tijdens de aanlegfase intact. De groenhoofdstructuur in Didam wordt echter wel aangetast. Tabel 4.15 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score 0 -

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

44 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Mitigatie en herbeoordeling In het algemeen wordt geadviseerd om nadelige effecten op het functioneren van de groenstructuren zoveel mogelijk te mitigeren door deze te behouden, eromheen te werken en zo min mogelijk verlichting toe te passen rondom deze elementen. Dit geldt niet alleen voor volwassen bomen, maar ook voor struikvormers, hagen, struwelen en jonge bomen. Wanneer verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd deze weg te richten van het groenelement, een lage armatuur te gebruiken en te kiezen voor een armatuur met een kleine straal. Ook dient ruimtebeslag op deze elementen zoveel mogelijk beperkt te worden, door alternatieve uitvoeringswijzen te kiezen. Voor de groene corridor/hoofdstructuur bij Didam worden specifieke maatregelen aanbevolen. Belangrijke groenelementen en groene corridor parallel aan de spoorlijn dienen functioneel gehouden te worden tijdens de werkzaamheden. Dat kan gedaan worden door altijd een strook (minimaal 2 meter) van groen met voldoende dekking (bijvoorbeeld bramenstruiken, hoog gras of struikgewas) vrij te houden. Deze strook mag tussen zonsondergang en zonsopkomst niet verlicht zijn en er mogen ook geen barrières in de strook gelegd worden die de doorgang kunnen beperken, zoals materieel. Tabel 4.16 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

4.1.2

Score 0 -

Permanente effecten

4.1.2.1 Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – Stikstof Effectbeschrijving Uit de berekeningen met het AERIUS model versie 2023.0.1 blijkt dat de gebruiksfase van het project RegioExpres zal leiden tot een toename in stikstofdepositie op zes Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden die (naderend) overbelast zijn. Op drie Natura 2000gebieden zal een afname van stikstofdepositie optreden. De afname ontstaat doordat hetzelfde materieel op een andere wijze wordt ingezet, waardoor met name Natura 2000-gebieden ten westen van het plangebied relatief minder belast worden. De belangrijkste rekenresultaten zijn weergegeven in Tabel 4.2. In Bijlage 13 is de input en AERIUS-uitvoer van de berekeningen weergegeven. Tabel 4.17 Resultaten stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase vanaf 2027.

Natura 2000-gebied

Rijntakken Veluwe Landgoederen Brummen Sint Jansberg De Bruuk Stelkampsveld Korenburgerveen Bekendelle Willinks Weust

Oppervlak met toename (ha)

110,75 33.028,03 70,73

Grootste toename depositie N/ha/jr) 1,03 0,15 0,04

82,70 13,19 0,06 0,00 0,00 0,00

0,01 0,01 0,01 0,00 0,00 0,00

van (mol

Oppervlak met afname (ha)

0,00 0,00 0,00

Grootste afname van depositie (mol N/ha/jr) 0,00 0,00 0,00

0,00 0,00 0,00 162,53 30,69 1,20

0,00 0,00 0,00 0,01 0,16 0,01

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

45 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Effectbeoordeling De stikstofdepositie doordat er meer treinen en ook snellere treinen gaan rijden is maximaal 1,03 mol N/ha per jaar. De Natura 2000-gebieden waar stikstof neerslaat, hebben allemaal habitattypen die reeds overbelast zijn met stikstof. Door het treffen van maatregelen dient het effect op omliggende Natura 2000-gebieden zodanig te worden teruggebracht dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op de genoemde Natura 2000-gebieden, zowel ten gevolge van de aanleg als ook het gebruik van de RegioExpres. Dit kan door bijvoorbeeld schonere brandstof (HVO) te gebruiken. Het rijden met HVO (in plaats van reguliere diesel) reduceert stikstofemissie bij de bron. Door TNO/Movares uitgevoerd (praktijk)onderzoek (in samenwerking met Arriva, ProRail en Provincie Gelderland) heeft uitgewezen dat deze maatregel de stikstofdepositie ten gevolge van project RegioExpres reduceert. Een AERIUSberekening op basis van door TNO bepaalde emissiekentallen voor HVO wijst uit dat het project nog slechts voor het Natura 2000-gebied Rijntakken zou leiden tot een toename in stikstofdepositie van maximaal 0,15 mol N/ha/jaar (Bijlage 14). Op 13 andere Natura 2000-gebieden zou een afname in stikstofdepositie plaatsvinden ten opzichte van de referentiesituatie.

De stikstofdepositie die niet wordt weggenomen met de bronmaatregel dient opgelost te worden binnen het ecologisch vervolgonderzoek, bijvoorbeeld door ‘extern salderen'. Dit houdt in dat andere emissiebronnen in de omgeving van de stikstofgevoelige natuur die door het project wordt belast weg worden genomen om zo het negatieve projecteffect te voorkomen. Deze maatregel is binnen project RegioExpres nog niet onderzocht, maar zou, eventueel in combinatie met de bovengenoemde bronmaatregel, een oplossing kunnen bieden. Tabel 4.18 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Verzuring en vermesting Eindscore

Score ---

Mitigatie en herbeoordeling Door het treffen van maatregelen kan het effect op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk dusdanig worden teruggebracht dat een er geen rest-effecten meer overblijven. Dit kan bijvoorbeeld het toepassen van HVO zijn. Wanneer maatregelen binnen het project ook niet voldoende blijken te zijn zal ook extern salderen als maatregel toegepast worden. Echter is in dit stadium nog niet bekend welke mitigerende maatregelen ingezet zullen worden. Daarom wordt alsnog worst-case ervanuit gegaan dat een ADC-toets nodig is, in combinatie met nader te bepalen maatregelen. Zoals hierboven beschreven zal het project wel uitvoerbaar zijn. Tabel 4.19 Effectbeoordeling permanente effecten na mitigatie

Effecttype Verzuring en vermesting Eindscore 4.1.2.2

Score ---

Instandhoudingsdoelen Natura 2000 – Overige aspecten

Effectbeschrijving Met betrekking tot soorten die aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn zijn de eerste geschikte gebieden op circa 1.300 meter gelegen ten opzichte van het plangebied. Voor soorten die aangewezen zijn in het kader van de Vogelrichtlijn zijn de eerste geschikte gebieden op circa 750 meter afstand gelegen. Omdat de voorgenomen ontwikkelingen niet in Natura 2000-gebieden plaatsvinden, leidt de realisatie van het voorgenomen plan niet tot ruimtebeslag of versnippering in deze gebieden. Na afloop van de werkzaamheden zal één extra sneltrein per uur in beide richtingen rijden. Tussen Arnhem en Doetinchem stoppen de treinen ook niet meer. Verstoring kan ontstaan door treinen die vaker en met meer snelheid over het traject gaan rijden en daardoor meer geluid produceren. Gezien de afstand tussen de spoorbaan en de omliggende Natura 2000-gebieden (minimaal 750 meter) en er bebouwing tussen de spoorbaan en Natura 2000-gebieden aanwezig is, wordt een effect op Natura

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

46 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

2000-gebieden door optische verstoring, geluid en trillingen uitgesloten. Een effect door de toename van geluid en trillingen wordt tevens niet verwacht doordat de spoorbaan een reeds zeer verstoorde omgeving is, en eenmaal per uur twee treinen redelijkerwijs wegvalt in de huidige geluidsverstoring. Er worden ook geen structuren doorsneden die een verbindende functie hebben voor Natura 2000gebieden in de wijdere omgeving. Er vindt daarom ook geen barrièrewerking plaats in Natura 2000gebieden. Effectbeoordeling Gezien een buffer aanwezig is tussen de spoorbaan en de Natura 2000-gebieden en de spoorbaan reeds een verstoorde omgeving is, wordt geen verstoring verwacht door de toename in spoorbewegingen en sneller rijdende treinen. Tabel 4.20 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score 0 0 0 0

Mitigatie en herbeoordeling Er vindt geen mitigatie plaats omdat er geen negatieve effecten plaatsvinden op Natura 2000-gebieden (uitgezonderd van stikstofeffecten). Een herbeoordeling is niet van toepassing. 4.1.2.3 Gelders Natuurnetwerk Een ruimtelijk initiatief in het Gelders natuurnetwerk kan doorgaan als er geen negatieve gevolgen kunnen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk. Effectbeschrijving Zoals in de paragraaf 3.1.2 is beschreven kruist het spoortraject het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De voorgenomen ontwikkeling tussen Didam en Wehl legt beslag op gebieden die behoren tot het GNN. Bij het GNN gaat het om het ruimtebeslag op de volgende natuurtypen: • 5.436 m2 GNN zonder natuurtype. Dit betreft gemaaid gras langs de spoorbaan; • 3.746 m2 GNN met natuurtype ‘N16.04 Vochtig bos met productie’, • 1.207 m2 GNN met natuurtype ‘N16.03 Droog bos met productie’, en; • 214 m2 GNN met landschapselementtype ‘L01.07 Laan’. Alternatievenafweging De enige alternatieven zijn ‘autonome ontwikkeling’ en de ‘voorkeursvariant’ (= spoorverdubbeling tussen Doetinchem - De Huet en Didam). Omdat het GNN aan weerszijden van het spoor is gelegen maakt het niet uit aan welke zijde van het spoor het ruimtebeslag plaatsvindt.

Er is bewust voor gekozen om niet het spoor aan beide zijden te verbreden maar het huidige spoor te behouden zodat de werkzaamheden minder ingrijpend zijn. Groot openbaar belang De ontwikkeling van de spoorlijn dient een groot openbaar belang. Verwacht wordt dat de drukte in de treinen zal toenemen tot het hoogste niveau in Nederland. Wanneer er geen maatregelen genomen worden, zal dit grote gevolgen hebben voor de bereikbaarheid, leefbaarheid en het vestigingsklimaat van de regio. Ook zal de snelheid van de spoorlijn sterk verbeterd worden als gevolg van de ontwikkelingen. Dit bevordert de doorstroming van het openbaar vervoer en maakt het aantrekkelijker voor reizigers om met de trein te reizen. Hierdoor wordt ook een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de stikstofdepositie in Nederland.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

47 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Effectbeoordeling Doordat het raakvlak met het GNN enkel een strook langs het spoor betreft zal het ruimtebeslag niet leiden tot een grote verstoring van de aanwezige functies van das in het bos. Door de ruime aanwezigheid van (beter) geschikt bosgebied in de directe omgeving van het plangebied, wordt een beperkt effect op das binnen het GNN verwacht door het verlies van areaal als gevolg van het project. De toename van versnippering heeft uiteindelijk echter wel een negatief effect op de dassenpopulaties in het gebied. Bij voorliggend project is gekozen om natuurbeheertypen met gelijkwaardige of kwalitatief betere natuur te compenseren. Hierdoor blijft leefgebied van das behouden en sluit de compensatie aan bij het behoud van cultuurhistorische waarden en de recreatieve functie van het bos. Daarnaast levert zij een bijdrage aan de ontwikkeling van bossen/bosranden en biotopen voor vogels en doelsoorten van het EVZ-model das in dit gebied. In onderstaande tabel wordt weergeven welke oppervlaktes worden teruggebracht, conform de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland: Tabel 4.1: Overzicht versterking natuurbeheertypes percelen Stilliwald. Het oppervlakte wat overblijft wordt ingezet ter compensatie van de GO.

Perceel

A

C D

Type N12.02 kruiden- & faunarijk grasland N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos N10.02 vochtig hooiland N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos

Categorie

Abiotiek

Oppervlakte (ha)

Opgave GNN

Netto over (GO)

1

Droog

1,93

0,54

0,89

2

Droog

0,39

0,12

0,27

2

Vochtig

0,74

0,37

0,37

2

Droog

0,66

-

0,66

De toename van frequentie in het treinverkeer (eenmaal per uur in twee richtingen) en het rijden van sneltreinen tussen Arnhem en Doetinchem hebben geen effect op het GNN. De spoorbaan is een reeds verstoorde omgeving. Het toevoegen van twee treinen per uur die sneller rijden valt redelijkerwijs weg in het heersende verkeersbeeld. Tabel 4.21 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score -----

Mitigatie en herbeoordeling Door de aanleg van faunapassages (zie paragraaf 4.1.2.4) kan de barrièrewerking gemitigeerd worden. Ook worden aanwezige faunapassages en andere onderdoorgangen verlengd, zodat deze beschikbaar blijven in de nieuwe situatie. Met inachtneming van de mitigerende maatregelen wordt het effect op het GNN als volgt beoordeeld: Tabel 4.22 Effectbeoordeling permanente effecten na mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

Score -0 0 --

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

48 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

4.1.2.4 Groene Ontwikkelingszone en Ecologische Verbindingszone Voor de GO-gronden geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling niet mag plaatsvinden als deze leidt tot significante aantasting van de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen en samenhang van de GO. Er dient vastgesteld te worden of voorliggend project negatieve effecten op de GO veroorzaakt en hoe de GO kan worden versterkt. Effectbeschrijving De voorgenomen ontwikkeling legt een ruimtebeslag op het gebieden die behoren tot de GO met een oppervlakte van 1,43 hectare zonder natuurtype. Het betreft hier stroken aan de noord- en zuidzijde van de spoorbaan tussen Didam en Wehl. Het oppervlak bestaat uit: ▪ 0,23 hectare GO bestaand uit kruidenrijk grasland langs het spoor, en; ▪ 1,20 hectare GO bestaand uit productiegrasland. Zoals eerder vastgesteld ligt het plangebied waar werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in deelgebied De Liemers Oost waarvoor kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen vastgesteld zijn (zie paragraaf 3.1.2). Het ruimtebeslag op de GO vindt echter maar plaats op een beperkt deel van gebied De Liemers Oost. Van de genoemde kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen zijn er maar enkele die ook daadwerkelijk betrekking hebben op de gebieden waar ruimtebeslag op plaatsvindt: ‘Leefgebied das’ en ‘EVZ Veluwe-Montferland’. Leefgebied das is toegelicht in paragraaf 4.1.2.3.

De ecologische verbindingszone Veluwe – Montferland met EVZ-model ‘das’ bestaat uit een brede landschapszone wat opgebouwd is uit kleinschalig akker- en weidelandschap met bosjes, houtwallen en heggen. Een grotere spoorverbinding vormt een obstakel in het landschap. De natuurtypes die geraakt worden vormen leefgebied van de das en andere soorten fauna. Andere doelsoorten van het EVZ-model das zijn de boomklever, geelgors, glanskop, grauwe klauwier, baardvleermuis, Bechsteinvleermuis, boommarter, bosvleermuis, bunzing, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en wezel. Ook voor kleinere soorten als de kamsalamander (geen onderdeel van het EVZ dat geraakt wordt door het plangebied) kan het een grotere spoorverbinding leiden tot een groter obstakel in het landschap. Het geraakte natuurtype (bos met productie) vormt echter geen leefgebied van de kamsalamander, en ook zijn er geen poelen aanwezig waar de kamsalamander voor zou kunnen komen. Er worden geen houtopstanden in de GO gekapt. De toename van frequentie in het treinverkeer (eenmaal per uur in twee richtingen) en het rijden van sneltreinen tussen Arnhem en Doetinchem hebben geen effect op de GO. De spoorbaan is een reeds verstoorde omgeving. Het toevoegen van twee treinen per uur die sneller rijden valt redelijkerwijs weg in het heersende verkeersbeeld.

Effectbeoordeling Middels een berekening met de rekentabellen Groene Ontwikkelingszone van de provincie kan aangetoond worden wat de verlies- en impactpunten van de voorgenomen ontwikkeling zijn (zie Bijlage 1). Totaal komt dit uit op 230 verliespunten en 3.500 impactpunten. De verliespunten kwantificeert het verlies aan natuur- of landschapselementen die bijdragen aan de kernkwaliteiten van de GO als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. De impactpunten kwantificeren de impact van de voorgenomen ontwikkelingen op actuele en potentiële natuur- en landschapswaarden als gevolg van fysiek ruimtebeslag of verstoring van de omgeving. Doordat de uitbreiding van de spoorlijn voor een groter obstakel vormt in het landschap, heeft dit een negatief effect op de ecologische verbindingszones. Ook de natuurtypes die geraakt worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen heeft een negatief effect. Deze effecten kunnen wel nog versterkt worden. De ontwikkelingen hebben geen effect op de kamsalamander, omdat het plangebied geen geschikt leefgebied voor de kamsalamander is. Raakvlak met de GO, de kernkwaliteiten (inclusief EVZ) en/of ontwikkelingsdoelen moeten per saldo worden versterkt, maar de samenhang gaat niet verloren. Hierdoor is het effect beoordeeld als negatief.

A30--HS-RAP-23009300 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 4.0 / 27-11-2023

49 /!Syntaxisf out, !/!Syntaxis

Tabel 4.23 Effectbeoordeling permanente effecten voor mitigatie

Effecttype Oppervlakteverlies Barrièrewerking Verstoring Eindscore

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7969/documents/45398