Bijlage 11 Ecologiestudie effectbepaling steenuilen.pdf
Tekst van het document
EFFECTBEPALING STEENUIL BAHRSEWEG (ONG.) TE WEHL
Rapportage effectbepaling steenuil Bahrseweg (ong.) te Wehl Opdrachtgever
Kronos Solar Projects GmbH Petersplatz 10 80331 München
Rapportnummer Versienummer
11606.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
21 december 2020
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer ing. E.R. Witter
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer C.C. Slemmer, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik plangebied en omgeving .......................................................................... 2 Toekomstig gebruik van het plangebied ........................................................................... 3
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 3
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 5 5.1 5.2
6
Veldbezoek 23 november 2020 ........................................................................................ 5 Veldbezoek 30 november 2020 ........................................................................................ 6
EFFECT VAN ZONNEPARK OP LEEFGEBIED ........................................................................ 7 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
Methodiek ......................................................................................................................... 7 Vleermuizen ...................................................................................................................... 7 Steenuil Bahrseweg 5 ....................................................................................................... 8 Steenuil in wilg Bahrseweg 3 (worst-case) ....................................................................... 9 Steenuil aan Keppelseweg 36 ........................................................................................ 10 Steenuilen aan de Bokkenstraat..................................................................................... 10 Overige territoria ............................................................................................................. 10
7
CONCLUSIES ........................................................................................................................... 12
8
INRICHTINGSMAATREGELEN ............................................................................................... 13
11606.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Kronos Solar Projects GmbH opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Bahrseweg (ong.) te Wehl. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van de realisatie van een zonnepark. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in januari 2020 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 11606.001, versie D1 14 januari 2020). Uit deze quickscan kwam naar voren dat meer informatie benodigd is omtrent het terreingebruik door steenuil en vleermuizen. Om meer inzicht te krijgen in de haalbaarheid is een analyse verricht naar het mogelijke effect op steenuilen op basis van een theoretische aanwezigheid. Dit is gerapporteerd in een memo (Econsultancy, memo voorstudie analyse verlies leefgebied steenuil, rapport 11606.002, 25 juni 2020. De conclusie van de voorstudie was dat de situatie zodanig is dat er maatregelen te treffen zijn die overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Nader onderzoek en bij voorkeur afstemming met de steenuilenwerkgroep zal nodig zijn om dit te staven. Er dient vervolgens mitigatieplan opgesteld te worden.
In dit rapport is een nadere toetsing uitgevoerd op basis van een aanvullend veldbezoek, waarbij de kwaliteit van het leefgebied nader in kaart is gebracht, alsmede een veldbezoek tezamen met de heer B. Kwakkel van de plaatselijke steenuilenwerkgroep. Mede op basis van zijn kennis van de lokale situatie is een compleet beeld ontstaan van de aanwezigheid van territoria in de omgeving van het plangebied. De in dit rapport gerapporteerde gegevens zijn preciezer dan de uitgangspunten die in de memo van juni 2020 zijn gepresenteerd en vervangen daarom ook de analyse die destijds is gemaakt. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 1 van 14
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik plangebied en omgeving
Het plangebied (± 12,8 ha) ligt aan de Bahrseweg (ong.), circa 1,8 km ten noorden van de kern van Wehl. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 212.440, Y = 443.140. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied.
Het plangebied betreft meerdere agrarische percelen, die de laatste jaren in gebruik als grasland. De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat eveneens uit agrarische percelen en boerderijen. Op circa 1,3 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie stroomt de Oude IJssel. Circa 4,4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie ligt de kern van Doetinchem.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 2 van 14
2.2
Toekomstig gebruik van het plangebied
De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren binnen de onderzoekslocatie. Het zonnepark wordt landschappelijk ingepast en de bomen en sloten blijven behouden. Voor het zonnepark is een voorlopig inpassingsplan opgesteld, dat nader wordt aangepast aan de hand van de bevindingen van onderhavige effectbepaling. Een aantal uitgangspunten zijn echter al bekend: • • •
3
Er worden geen bomen (wilgen) gekapt; Rond het plangebied wordt een haag met inlandse soorten aangelegd met een breedte van 3 meter; Langs de haag komt een strook van 5 meter breed met kruidenrijk grasland.
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er op sommige punten meer informatie is benodigd: Ten aanzien van steenuilen dient voor aanvang van de voorgenomen ingreep duidelijk te zijn of de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de steenuil aan de orde is. Het mogelijk aanwezige functioneel leefgebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van vleermuizen is overtreding niet op voorhand uit te sluiten. Op basis van een aanvullend vleermuisonderzoek kan worden bepaald of overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de ingrepen aan de orde is. De mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuissoorten vormen echter geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen alsnog worden uitgevoerd.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 3 van 14
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek uitgevoerd aan de hand van twee aanvullende veldbezoeken: Op 23 oktober 2020 is het plangebied bezocht, waarbij met behulp van een boomcamera alle wilgen langs het toekomstig zonnepark zijn beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en steenuil. Verder is bepaald welk deel van het plangebied bejaagbaar is voor de steenuil, met andere woorden, waar zijn uitkijkposten die de soort kan gebruiken om vanaf te jagen. Tevens is getracht een beeld te krijgen van de muizendichtheid. Op 30 oktober 2020 is met de heer B. Kwakkel van de steenuilenwerkgroep een bezoek aan het plangebied gebracht. Met hem is aan de hand van gegevens van de steenuilenkasten een beeld verkregen van de aanwezigheid van territoria. De heer Kwakkel had bovendien in de omgeving navraag gedaan over aanwezigheid van steenuilen op erven waar geen steenuilenkast aanwezig is. In het veld is besproken wat de effecten op de aanwezige territoria kunnen zijn en welke inrichtingsmaatregelen mogelijk zijn om schade aan de soort te voorkomen.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 4 van 14
5 5.1
ONDERZOEKSRESULTATEN Veldbezoek 23 november 2020
Aan de hand van het eerste veldbezoek is het volgende beeld van het plangebied en omgeving ontstaan: een groot deel van het plangebied bestaat uit grootschalig en intensief weiland met vooral Engels raaigras. De wilgen rond het plangebied zijn deels geschikt als broedlocatie voor steenuil. Er zijn in totaal 4 holtes gevonden met een kleine invliegopening en een voldoende grote droge ruimte. Deze zijn alle met een boomcamera geïnspecteerd. Geschikte holtes voor vleermuizen zijn niet aangetroffen, hiervoor waren de meeste wilgen te ver doorgescheurd en de holtes te ruim. Op drie plekken werd een roestende kerkuil in de wilgen aangetroffen. Deze maakten gebruik van halfopen plekken in de wilgen. Het beste leefgebied werd vooral op en rond het erf van de Bahrseweg 5 aangetroffen. Hier is een afwisseling van geschikte elementen aanwezig, alsmede rust.
Figuur 3. Wilg met geschikt holte voor steenuil.
Figuur 4. Open grasland ongeschikt als leefgebied voor steenuil.
Figuur 5. Open grasland met weidepaaltjes (bejaagbaar).
Figuur 6. Erf Bahrseweg nr.5 met nestkast voor steenuil.
Figuur 7. Leefgebied steenuil op erf.
Figuur 8. Kruidenstrook onder wilgen.
Figuur 9. Pad langs meidoornhaag bij Bahrseweg 5.
Figuur 10. Geschikt leefgebied met wilgen en weidepaaltjes.
Figuur 2. Wilg die te ver doorgescheurd is om geschikt te zijn voor steenuil
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 5 van 14
5.2
Veldbezoek 30 november 2020
Op basis van de gegevens van de heer B. Kwakkel is de verdeling van de territoria ingeschat zoals weergegeven in figuur 11. Aan de Bahrseweg 5 bevindt zich een zeker broedgeval, het nest is echter in een andere boom dan door Econsultancy eerder werd aangenomen. Ook zeker zijn de bezette nestkasten aan de Bokkenstraat. Aan de Keppelseweg 36 zijn in het broedseizoen door de bewoonster steenuilen gehoord. Een nestlocatie is niet bekend. Tot slot wordt als worst-case aangenomen dat er een territorium is in de omgeving van de Bahrseweg 3. Omdat de bewoners niets bekend is over aanwezigheid van de soort in één van de schuren, wordt aangenomen dat deze in een wilg broedt. Bij de Bahrseweg 3a werd een braakbal van een steenuil aangetroffen. Dat maakt de aanwezigheid van een territorium aannemelijk.
Figuur 11. Situatie ten aanzien van steenuil, op basis van informatie van de steenuilenwerkgroep en aanvullende veldbezoeken.
De kennis van de heer Kwakkel omtrent de aanwezigheid van steenuil territoria omvat een veel groter gebied dan in figuur 11 is aangegeven. De territoria in figuur 11 geven dan ook een voldoende beeld van de territoria die in het geding kunnen zijn, voor zover het broedgevallen in kasten betreft. Gekozen is voor een worst-case benadering met een broedgeval op de rand van het plangebied in een wilg, ondanks dat de ervaring leert dat deze grotendeels gepredeerd worden door steenmarters. Het aantal worst-case territoria zou uitgebreid kunnen worden met nog verder afgelegen (theoretische) broedlocaties in bomen. Deze zullen echter hoogstens het plangebied “schampen en binnen de homerange altijd voldoende leefgebied overhouden.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 6 van 14
6 6.1
EFFECT VAN ZONNEPARK OP LEEFGEBIED Methodiek
Het effect van het zonnepark op het leefgebieden is bepaald aan de hand van de homerange van de steenuil. Dit is het gebied waarbinnen de soort normaal gesproken zijn voedsel zoekt. De begrenzing is weergegeven in figuur 11. De grens van 300 meter is op basis van een gemiddeld leefgebied (BIJ12, 2017). In figuur 11 is te zien dat er overlap is tussen de verschillende steenuilen als er 300 meter wordt gehanteerd. Hoewel er dus in werkelijkheid een kleinere homerange zal zijn, wordt in de toetsing voor de zekerheid uitgegaan van een overlap in territoria. Binnen de homerange vindt de steenuil zijn voedsel. Dit doet de soort voornamelijk in kort gras, jagend vanuit een uitkijkpost. Als geschikt leefgebied is daarom uitgegaan van terreindelen met landschapselementen als hagen, wilgen en weidepaaltjes. Dit is voor de gehele omgeving in kaart gebracht. Vervolgens is per steenuil gekeken welk deel van de homerange binnen het plangebied valt en welk deel daarvan geschikt leefgebied is. Dit is met gele lijnen aangeven (een breedte van 20 meter aan weerszijden van een element is aangehouden als leefgebied). Tot slot is gekeken welk deel van het geschikte leefgebied verloren gaat en op welke wijze de omzoming van het zonnepark weer zorgt voor nieuw leefgebied (uitgangspunt is dat er stroken met korte vegetatie en uitkijkposten langs de randen worden aangelegd). 6.2
Vleermuizen
Aan de hand van de nadere inspectie is gebleken dat de wilgen geen verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen heeft en dat verstoring door de werkzaamheden niet aan de orde is. Effecten op het leefgebied zijn op voorhand uit te sluiten. De landschappelijke inpassing zorgt voor meer structuur in het gebied, dekking voor passerende vleermuizen en verhoging van het voedselaanbod. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen zijn op voorhand met voldoende zekerheid uit te sluiten.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 7 van 14
6.3
Steenuil Bahrseweg 5
Het steenuil paartje aan de Bahrseweg 5 haalt het merendeel van het voedsel op het erf. Binnen de homerange valt een beperkt deel binnen het plangebied. Een deel van het huidig bejaagbaar gebied blijft behouden. De wilgen worden niet gekapt. Alleen een paar stukjes met weidepaaltjes zijn in de toekomstige situatie niet meer beschikbaar (zie rode lijn in figuur 12). In groen is weergegeven welk deel van het thans ongeschikte leefgebied geschikter wordt, vanwege de landschappelijke inrichting met een haag en strook met kruidenrijk grasland. In totaal is het gebied dat voor de steenuil minder geschikt wordt 115 meter en het gebied dat geschikter wordt 415 meter. Er is daardoor sprake van een per saldo positief effect op het leefgebied van de steenuil, die in de kast op het erf aan de Bahrseweg 5 broedt. Dit is uit te drukken in eenextra bejaagbaar gebied over een lengte van 200 meter.
Figuur 12. Analyse effect op leefgebied steenuil aan de Bahrseweg 5.
Voor de steenuil aan de Bahrseweg 5 zijn afgezien van de landschappelijke inpassing geen aanvullende verbetermaatregelen noodzakelijk.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 8 van 14
6.4
Steenuil in wilg Bahrseweg 3 (worst-case)
Hoewel de aanwezigheid van een steenuil ter plaatse niet middels veldonderzoek is vastgesteld zijn er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat er in de omgeving van de Bahrsweg 3 een paartje steenuil aanwezig is. De dichtheid aan steenuilterritoria is door de heer B. Kwakkel ingeschat op basis van ervaringen in de directe omgeving. In de omgeving broeden steenuilen dicht bij elkaar. Een territorium in de omgeving van de Bahrseweg 3 betekent dat een relatief groot deel van de homerange binnen het plangebied valt. Ook is te zien dat een groot deel hiervan in de huidige situatie voor de steenuil ongeschikt is. Alleen de met geel aangegeven delen zijn geschikt om te jagen. Daarvan blijft de strook langs de weg en een strook in het westelijk gebied behouden vanwege de aanwezigheid van een doorgang voor koeien. In figuur 13 is te zien dat in totaal 430 strekkende meter bejaagbaar gebied verloren gaat voor de steenuil en 365 meter nieuw bejaagbaar gebied ontstaat. Per saldo is dat een verlies van 65 meter bejaagbaar gebied.
Figuur 13. Analyse effect op leefgebied steenuil aan de Bahrseweg 3 (worst case).
Voor de steenuil aan de Bahrseweg 3 zijn, naast de landschappelijke inpassing, aanvullende verbetermaatregelen noodzakelijk (zie hoofdstuk 8).
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 9 van 14
6.5
Steenuil aan Keppelseweg 36
De Keppelseweg 36 is op enige afstand van het plangebied gelegen. Er valt dan ook maar een klein deel van het plangebied binnen de homerange. Uitgedrukt in strekkende meters bejaagbaar gebied valt er 85 meter af en komt er 105 meter bij. Dit is een per saldo een verbetering van het leefgebied.
Figuur 14. Analyse effect op leefgebied steenuil aan de Keppelseweg 36.
Voor de steenuil aan de Keppelseweg 36 zijn, afgezien van de landschappelijke inpassing, geen aanvullende verbetermaatregelen noodzakelijk. 6.6
Steenuilen aan de Bokkenstraat
De steenuilkasten aan de Bokkenstraat bevinden zich op een afstand van 430 meter en 590 meter afstand tot de grens met het plangebied. Dit is ver buiten de homerange van de soort, alleen in zeer marginale voedselgebieden zal een steenuil zo ver van zijn nest foerageren. Gelet op de relatief hoge kwaliteit van het leefgebied in de omgeving is het niet aannemelijk dat het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuilen aan de Blokkenweg. Voor de steenuil aan de Bokkenstraat zijn geen verbetermaatregelen noodzakelijk. 6.7
Overige territoria
In paragraaf 5.2 is aangegeven dat de inschatting van het aantal territoria is gedaan op basis van de gebiedskennis van de steenuilenwerkgroep, bij monde van de heer B. Kwakkel, tezamen met een gebiedsanalyse. Daarbij is een worst-case benadering gekozen. Het aantal mogelijk aanwezige territia kan verder uitgebreid worden met broedgevallen in bomen, te midden van het intensieve weilandgebied. Hoewel dit geen optimaal leefgebied is voor de soort, die vrijwel altijd afhankelijk is van een gevarieerd prooiaanbod dat niet te vinden is in intensief beheerde weilanden met vrijwel uitsluitende Engels raaigras is.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 10 van 14
Figuur 15. Theoretische territoria, aanvullend op de gehanteerde worst case benadering.
In figuur 15 is te zien dat eventueel aanwezige broedgevallen in wilgen rond het plangebied op een dusdanige afstand zijn gelegen dat deze voor een minimaal gedeelte hun homerange in het plangebied hebben. Een merkbaar effect op dergelijk ver af gelegen territoria is met voldoende zekerheid uit te sluiten. Bovendien zal bij een dergelijk verondersteld dichtheid aan territoria de homerange veel kleiner zijn.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 11 van 14
7
CONCLUSIES
Op basis van de verzamelde gegevens is er een voldoende duidelijk beeld van de verspreiding van de steenuil in de omgeving. Veldonderzoek in het seizoen 2021 kan dit beeld verfijnen, maar zal hoogstens als uitkomst hebben dat er toch geen territorium aan de Bahrseweg 3 is en dat de sporen die zijn gevonden afkomstig zijn van de steenuilen aan de Keppelseweg 36. Om ook de potenties van het gebied te beschermen wordt aanbevolen om uit te gaan van een worst-case benadering. Een groot deel van het plangebied valt binnen de homerange van in totaal 3 steenuilpaartjes. Binnen het plangebied is echter maar een beperkt deel daadwerkelijk geschikt leefgebied. Het intensieve grasland is grote delen van het jaar te hoog voor steenuilen om er voedsel te vinden. Bovendien is er weinig structuurvariatie en zijn er maar weinig uitkijkposten aanwezig van waaruit een steenuil kan jagen. Voor het steenuilenpaartje aan de Bahrseweg 5 kan de landschappelijke inrichting zorgen voor een verbetering van het leefgebied. De voorwaarden waaraan de inrichting moet voldoen worden besproken in de aanbevelingen. Ook voor de steenuil aan de Keppelsweg 36 is sprake van een verbetering van het leefgebied, hoewel deze slechts voor een klein deel binnen het plangebied zal foerageren.
Voor een steenuilenpaartje dat zich in de omgeving van de Bahrseweg 3 ophoudt zal er een relatief gering verlies van leefgebied optreden. Er zijn echter aanvullende maatregelen te treffen in het inrichtingsplan die zorgt voor een verbetering van de omstandigheden. Deze maatregelen kunnen gericht worden op betere voedselbeschikbaarheid (ruigtes) en verbetering van nestgelegenheid. In de omgeving is veel predatiedruk door steenmarters. De steenuilenwerkgroep heeft speciaal daartoe beschermde kasten ontwikkeld. Door het inrichtingsplan te richten op betere beschikbaarheid van voedsel (structuur en variatie voor muizen en insecten), betere bejaagbaarheid (kort gras, uitkijkposten) en betere verblijfsmogelijkheden (nestkasten) zal het effect op het leefgebied van de steenuil verbeteren als gevolg van het zonnepark. Omdat met voldoende zekerheid is te stellen dat door een landschappelijke inpassing en aanvullende maatregelen negatieve effecten op het leefgebied van de steenuil uitblijven is een ontheffing van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Tijdelijke mitigatie In de aanlegfase zal de beplanting rond het zonnepark niet meteen functioneel zijn. Dit heeft echter geen negatief effect op de steenuil. De belangrijkste maatregel is het bejaagbaar zijn van de strook grasland tussen de beplanting en de zonnnepanelen.
Dit wordt gerealiseerd door het maaibeheer in combinatie met het plaatsen van paaltjes die dienen als uitkijkpunt. Zolang de paaltjes gelijktijdig worden aangelegd met zonnepark en het gras kort gehouden wordt (maaien en afvoeren) zal er geen verlies van leefgebied zijn. De omliggende houtwal zal het prooiaanbod in de loop der jaren doen toenemen en voor een verbetering van de huidige situatie zorgen. Van een tijdelijke verslechtering is geen sprake omdat er geen afname van bejaagbaar oppervlak plaats vindt.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 12 van 14
8
INRICHTINGSMAATREGELEN
De volgende inrichtingsmaatregelen zorgen ervoor dat negatieve effecten op het leefgebied uitblijven: • • • • • • • • • •
Omzomen van het gehele plangebied met struweelhaag; Gebruik inlandse struiksoorten voor struweelhaag (meidoorn, sleedoorn, hondsroos etc); Gebruik aanvullend soorten die ook voor trekvogels als lijsterachtigen aantrekkelijk zijn (bessen dragende stuiken, fruitbomen); Kruidenstrook 5 meter tussen struweelhaag en zonnepanelen, extensief beheerd; Zorg voor een goed (ecologisch) beheerplan; Weidepaaltjes langs kruidenstrook aan de zijde van de zonnepanelen; Verbreding van de kruidenstrook op het zuidoostelijke deel (figuur 15); Aanleg ruigtes onder wilgen; Bijplaatsen steenuilkasten in verband met predatiedruk in natuurlijke holtes; Plaatsen van uitkijkposten in het zonnepark.
Plaatsen 2 steenuilkast
Extra binnenruimte toelaten
Plaatsen 2x steenuilkast Figuur 16. Verbetermogelijkheden aanvullend op de landschappelijke inpassing.
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 13 van 14
Advies Vrijblijvend wordt aanbevolen om ook een torenvalkkast op een paal te plaatsen aan de rand van het plangebied. De steenuilenwerkgroep kan hierin assisteren, net als bij het plaatsen en leveren van de steenuilenkasten. Aanbevolen wordt om de effecten van de maatregelen te monitoren. Om de effecten te kunnen bepalen is het van belang om de 0-situatie vast te leggen. Dit kan door in februari 2021 te starten met een inventarisatie, waarbij de exacte ligging van de steenuil in de omgeving van Bahrseweg 3 kan worden bepaald. Werken buiten broedseizoen Tijdens de aanlegfase kan er verstoring optreden van broedvogels in de beplanting in en rond het plangebied. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de steenuil, waarvan als worst-case scenario is aangenomen dat deze in één van de wilgen langs het gebied broedt. De werkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Er is geen vaste periode voor het broedseizoen, maar voor de steenuil dient rekening gehouden te worden met de start van de baltsactiviteit in februari en maart. In die periode wordt bepaald waar gebroed wordt. Het broeden zelf begint rond half april. Voor andere soorten die er zijn te verwachten kan half maart – begin augustus worden aangehouden.
In de planning zal in ieder geval opgenomen moeten worden dat er geen werkzaamheden binnen een straal van 50 meter rond de wilgen worden uitgevoerd tussen 1 maart en 1 augustus. Deze restrictie kan worden bijgesteld door middel van onderzoek in februari en maart 2021. Dit kan aanwezigheid van de soort als broedvogel in de wilgen uitsluiten. De kerkuilen die tijdens het onderzoek in de wilgen zijn aangetroffen betreffen rondzwervende jongen. De wilgen worden niet aangetast, zodat de mogelijkheden om te roesten in de toekomst aanwezig blijven. Het is niet uit te sluiten dat er in de aanlegfase sprake zal zijn van het opjagen van een kerkuil, hoewel dit alleen zal plaatsvinden als er zeer dicht bij de wilgen wordt gewerkt. De kerkuilen die tijdens het veldwerk verstoord raakten vlogen pas weg nadat er met de boomcamera in de boom werd gekeken, niet toen er rond de boom activiteit was. Speciale maatregelen om verstoring te voorkomen zijn dan ook niet noodzakelijk. Het gebruik van de bomen door de kerkuil is te beschouwen als incidenteel. De jongen worden slechts korte tijd door de oudervogels in het territorium gedoogd, daarna worden ze door hen weggejaagd. Voor het verstoren van een kerkuil geldt geen verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming, omdat deze niet van invloed kan zijn op de staat van instandhouding.
Econsultancy Doetinchem, 21 december 2020
Rapportage 11606.003 versie D1
Pagina 14 van 14
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.
Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of voortplantingsplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.